TitelH. en U. Hoogeveen - Scheepsmodel van de punter Orse Pluut.
HerstellerHoogeveen, Harmen, Hoogeveen, Uilke
Stichwörterpunters, Giethoorn
Objektnummer1997-134
Periode van1964
Periode tot1965
BeschreibungScheepsmodel van de Gieterse punter Orse Pluut. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. De romp: Opgebouwd uit een plat vlak, één gang en een boeisel. Ter hoogte van de bun (achter de messelbank) zijn metalen bunplaten aangebracht. Rechte voor- en achterstevenbalken. Tuigage: Steekmast in de messelbank. Niet gestaagd. Aan de mast een sprietzeil. De spriet hangt met de onderkant in een lus aan de mast. Aan de bovenkant een metalen vorkvokr die is de bovenkant van het zeil wordt gestoken. Het sprietzeil wordt met de losse broek gezeild, dat wil zeggen zonder giek. De voorkant van het zeil is met touwlussen aan de mast bevestigd. Aan de bovenkant van het voorlijk een metalen ring rond de mast die met een touw aan de bovenknop van de mast is vastgezet. De grootschoot is niet getakeld met blokken, die overigens op de hele boot niet voorkomen. Het model van voor naar achter: In de punt van de voorsteven een driehoekige afdekking. Dan tot aan de mast een open gedeelte. De mast staat in de messelbank. Daarachter een houten bunkist. Daarachter is de boot weer open. Midscheeps twee zwaarden. De zwaarden hebben verdikte koppen en metalen verstevigingen langs de onderkanten. De zwaardsvallen lopen los over de boeisels en zijn binnenboord vastgezet op klampen op de spanten. In het achterschip een achterbank. Het roer hangt schuin met twee roerhaken aan de achterstevenbalk. De kop van het roer is versier met een kroonvorm. Het helmhout valt los over de roerkop en is met een borgpen vastgezet. Kleuren: het onderwaterschip is groen (ook dat van het roer). De romp is aan de buitenkant gelakt. De bovenkanten van de boeisels zijn zwart. De bodem is aan de binnenkant groen geverfd. De koppen van de zwaarden zijn zwart met accenten in wit en ook het roerbeslag is zwart. Accessoires: twee roeiriemen, stander
HintergrundinformationHarmen Hoogeveen (1891-1970) begon met de bouw van het model van de punter in 1964. Na het moeilijke model van het Friese jacht Neptunus wilde hij een eenvoudiger model maken. Zijn vader Uilke Hoogeveen (wonende te Vierhuis) had een punter met bun, waarmee hij op het Tjeukemeer viste. Harmen Hoogeveen baseerde zijn model op tekeningen van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Harmen Hoogeveen kreeg in 1964 een beroerte en kon het casco niet afmaken. Zijn zoon Uilke deed dat voor hem. Diens vrouw Iepie Hoogeveen maakte het zeil. Harmen Hoogeveen. Geboren 10 febr. 1891 en overleden 10 juli 1970. Woonde in Vierhuis. Werkte van 1903-1908 op de scheepswerf van Jan Bos te Echtenerbrug. Van 1909 tot 1914 op de werf van Auke van der Zee te Joure. Werkte mee aan de bouw van de boeiers Olga en Almeri. In de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd geweest. Bij terugkomst in 1918 in dienst van machinefabriek H. Koelstra te Balk. waar Harmens broer Hans al werkzaam was. Toen ook van Vierhuis naar Balk verhuisd. In 1934 ging het slecht met het bedrijf van Koelstra, Het werk verkocht. De gebroeders Hans en Harmen Hoogeveen kochten het bedrijf. Harmen bleef actief in het bedrijf tot 1957. De tijd van de scheepsbouw bij Auke van der Zee had grote indruk gemaakt op Harmen Hoogeveen. Hij praatte er veel over en er was een wens ooit zelf nog eens een boeier te maken. Omdat daar geen ruimte voor was, werd dat een model van een boeier. Uilke Hoogeveen (1924-1997) is een zoon van Harmen Hoogeveen. Toen hij op zestienjarige leeftijd de MULO had voltooid, ging hij werken in het bedrijf van zijn vader. De punter Orse Pluut is opgemeter door het Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Afmetingen: lengte 6.35 meter, breedte 1.55 meter, holte 0.60 meter., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 24-26 en 66-68
TitelScheepsmodel van de tjotter (fjouwer-acht) Albert en Nelly.
HerstellerEssen, M. van
Stichwörtertjotters
Objektnummer1993-252
Periode van1993
Periode tot1993
BeschreibungScheepsmodel van de tjotter (fjouwer-acht) Albert en Nelly. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De tjotter heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De voorstag is getakeld met een strijktalie, die loopt door twee blokken en die is belegd op een klamp op het voorboeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaggelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. Aan de schoothoek van de fok is een dubbel blok gemaakt. De beide fokkeschoten lopen door dit blok. De vaste einden van de fokkeschoten zijn bevestigd door een gat in een spant. De halende einden zijn belegd op een korvijnagel in een spant in het achterschip. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel met een houten klauw. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met kralen) aan de mast bevestigd. De halstalie loopt door twee dubbelschijf blokken (en door gaten in de messelbank) en is belegd op de nagelbank. Het ondereind van het achterlijk is vastgehaakt aan de giek. De giek rust aan de voorkant met een scharnierde lummel in een oog aan de nagelbank. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. Het grootzeil is voorzien van drie rijen reeftouwen. Door een oog in het achterlijk loopt reeftouw door een van de drie blokken aan het eind van giek. Het is belegd op een van de twee houten klampen op de giek. De grootschoot loopt door twee dubbelschijfs blokken. Het bovenste daarvan hangt aan een beugel om de giek. Het onderste blok is een hakkeblok. Het halende eind van de grootschoot is belegd op dit hakkeblok. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel aan een houten scheerhout. Op de rug van het roer staat een gebogen vlaggemast met vergulde knop. Aan de vlaggemast hangt een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout en voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. De bodem is gepiekt. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is de botteloef bevestigd. Aan de botteloef hangt een metalen stokanker aan twee kettingen. Aan het ankerketting is een touw bevestigd dat is belegd op een klamp aan de binnenkant van het voorboeisel. De buitenkant van het voorboeisel is met snijwerk versierd: een voluut met bladertak. De gillings aan de voorkant van het boeisel zijn versierd met twee gesneden voluten met bladertakken. Het voorboeisel en de gillings zijn aan de bovenkant bedekt met koperplaat. Tussen de boeisels is een bedelbalk. Deze is aan de bovenkant bedekt met koperplaat. De achterkant van de bedelbalk is met snijwerk versierd: bladertakken, rozetten en waaiervormen. Aan de binnenkant van het schip zijn de spanten te zien. In het voorschip is een dek gemaakt op dezelfde hoogte als de messelbank. Een deel van het voordek is als luik weg te nemen. De mast is strijkbaar in de mastkoker. Wanneer dat gebeurt moet het luik (uitwip) in het voordek worden weggenomen om de onderkant van de mast door te laten. Achter de mast is een nagelbank gemaakt. Het boeisel is versierd met drie ingesneden biezen en een kraalrand langs de onderkant. De bovenste huidgang is voorzien van een koperen stootrand. Het boeisel is aan binnenkant gedubbeld. De zwaarden zijn met bouten en moeren opgehangen aan het gedubbelde boeisel. De zwaarden hebben een verdikte kop. De zwaardkoppen zijn bedekt met koperplaat, de rest van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met koperen stervormen. De zwaardlopers gaan via twee schildpadblokken op de bovenkant van het boeisel (potdeksel) en zijn belegd op twee bolders in het achterschip (korvijnagels door spanten). Op het boeisel aan bakboord zijn twee scepters gemaakt: voor een gesloten scepter en achter een vorkvormige. In de scepter liggen een vaarboom en een pikhaak. De bodem van het achterschip is bedekt met buikdenningen. Die lopen naar voren door (onder het voordek). Langs de boorden zijn in het achterschip twee banken met deksels gemaakt. Ook tegen het achterschip is een bank gemaakt, met daarin een luik. Het achterhuis is aan de voorkant voorzien van een lancetvormig deurtje. Langs de bovenkant van het achterhuis de hennebalk. Deze is aan de bovenkant bedekt met een koperen plaat. De voorkant van de hennebalk is versierd met snijwerk: bladertakken, rozetten en waaiervormen. Het boeisel van het achterschip is versierd met snijwerk: een voluut met bladertak. Ook de gillings van het boeisel van het achterschip zijn met snijwerk versierd: twee voluten en bladertakken. Het roer is met drie roerhaken gehangen aan de achtersteven. De kop van het roer is bedekt met koperplaat en de wangen ervan zijn met snijwerk versierd: een papegaai en een krulmotief. Over de roerkop valt een helmhout. Dit is aan de achterkant voorzien van koperbeslag. De voorkant van het helmhout is aan de zijkanten versierd met een bladertak. De voorpunt van het helmhout is gesneden in de vorm van een druiventros. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. Het bovenste deel van het boeisel is zwart. De ingesneden biezen zijn lichtgroen en de kraalrand eronder is wit. De gesneden versieringen van de boeisels zijn goudkleurig. De binnenkant van het voorboeisel is wit. De binnenkanten van de boeisels langs het voordek en in de het achterschip zijn blauw. De spanten zijn wit en voorzien van rode koppen. De bedelbalk en de hennebalk zijn meerkleurig geschilderd: witte ondergrond, zwarte biezen, goudkleurige bladeren en rode rozetten. Het voordek is gelakt. De banken in het achterschip zijn grijs. De buikdenningen zijn grijs. De achterbank is gelakt. De veren van de bovenste roerhaken zijn wit. Het helmhout is groen. Het snijwerk aan het helmhout is goudkleurig op wit. De kop van het roer is mmeerkleurig beschilderd: witte ondergrond, goudkleurige krullen en veren, blauwe papegaai met rode kam en snavel. Accessoires: vaarboom, pikhaak, stander.
HintergrundinformationDe tjotter Albert en Nelly werd in 1891 gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee. In het werfboek staat: 'De heer Wassenaar, een nieuwe boot. Prijs f. 600,-'. Opdrachtgever was H.A. Wassenaar uit Hilversum. Het schip werd genoemd naar de beide kinderen van de heer Wassenaar. Reeds in 1892 kwam het schip in handen van Thomas Zandstra uit Sneek. Volgende eigenaars: J. Zwart te Sneek (1900-1907), A. ten Cate te Sneek (1907-1913), F.H. Pijttersen te Sneek (1913-1936) onder de naam Marnocht, J.H. Halbertsma te Sneek (1936-1938). Daarna is de tjotter in handen geweest van J. Kuipers te Sneek, R. Dragt te Aalsmeer, F. Schoch te Bloemendaal. Het schip is zelfs in Canada geweest onder de naam Fryslân. In 1962 kocht J. Vermeer uit Arnhem de tjotter en gaf het schip de oorspronkelijke naam terug: Albert en Nelly. Hij liet het schip restaureren, beschreef het nauwkeurig. Voorts zijn er opmetingstekeningen van gemaakt.
De tjotter was 4.80 meter lang. Zo'n tjotter werd een 'fjouwer-acht' genoemd. De breedte van het schip werd in de loop van de tijde enige malen gewijzigd van 2.10 meter (in 1856) naar 2.30 meter (in 1859) en 2.40 (in 1874). De lengte-breedte-verhouding was toen dus 1:2.
Tjotter is niet een benaming die al lang gangbaar is in Friesland. De Friese scheepsbouwers spraken niet van een tjotter maar van een 'boat'. Ze werden gebruikt als werkboten: visserij, vervoer van personen (overzet), kleinvee en kleine vrachten (kruideniers, bakkers, etc.). Deze boten waren nauwelijk gebonden aan maten. Men bouwde kleine boten, boten en grote boten. Pas in de loop van de twintigste eeuw raakte een nadere aanduiding in zwang: de kleinste boten behielden de naam 'boat', tjotters werden die schepen genoemd met een lengte tot circa 4.80 meter en de grotere boten, die ook anders gebouwd waren, werden Friese jachten genoemd. De meest voorkomende maat tjotter is 4.80 meter lang en 2.40 meter breed. (ook de tjotter Albert en Nelly voldoet aan deze maten). De tjotter toont gelijkenis met het Fries jacht en de boeier, maar is daar van te onderscheiden door de geringere afmetingen, de sterke zeeg, het ontbreken van een berghout, het brede roer met het over de klink gelegde houten helmhout. De tjotter is open en heeft soms een dek voor de mast. De tjotter voert een bezaantuig, de fok staat op een botteloef., literatuur:
- J. Vermeer, 'Beschrijving van de tjotter Albert en Nelly' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973/1974, pp. 74-83.
- E.Q. Duyvis, 'De Fjouwerachten van Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973/1974, pp. 63-73.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, pp. 18-19.
BeschreibungScheepsmodel van een Hindelooper boot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen (enigszins verkleurd): een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoten lopen via houten knistukken op de banken naar het achterschip, waar ze belegd zijn op klampen tegen het boeisel. Het grootzeil heeft een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet op de kielbalk. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. De romp is opgebouwd uit vier gangen, waarvan de bovenste naar binnenvalt, zodat het lijkt alsof er een berghout is. De boot is open, heeft geen dekken, maar buikdenningen. Het model van voor naar achter: In het voorschip een bedelbalk. De mast rust in een mastkoker in de mastbank. De vergrendeling van de mast is niet goed: de grendel valt naast het oog. Smalle zwaarden met verdikte kop. De zwaardloper gaat via een gat in het boeisel naar binnen en is daar belegd op een korvijnagel in het achterschip. In het achterschip heeft de boot geen bun. De roerkop is onversierd en loopt verder naar voren dan de bovenkant van het roerblad. Bij de achterbank twee kniestukken met korvijnagels waarop zowel de zwaardloper en de fokkeschoot zijn belegd. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is rood. Op de zwaarden is een groen vlak geschilderd. De mastbank, de achterbank en het achterhuis zijn groen. De buikdenning en de binnenkant van het boeisel zijn blauw. De bovenkant van de mast is wit. De vleugel is rood. Accessoires: stander.
HintergrundinformationTheodorus Gerlsma. Geboren te Hindeloopen 26 maart 1885 en volgens opgave in oude inventarisformulieren overleden in 1910. Indien de sterfdatum klopt, kan de in hetzelfde formulier opgegeven vervaardigingsdatum (1921) niet kloppen. Eén van beide jaartallen in dus niet juist.
TitelScheepsmodel van het motorbeurtschip Fryslân uit Grou.
HerstellerSmit, K.
Stichwörtermotorvrachtschepen, Grou
Objektnummer1987-039
Periode van1986
Periode tot1986
BeschreibungScheepsmodel van het motorbeurtschip Fryslân uit Grou. Op spanten gebouwd. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een liermast) De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond het geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op het voorboeisel de naam van het schip: 'Fryslân'. Het voordek is enigszins verhoogd. Op het voordek een lichtkap en een houten opbouw met deuren en schuifluik, dat toegang verschaft tot het vooronder. Op het hoofddek een strijkbare liermast met steng. De mast wordt gehouden door een voorstag en twee zijstagen. De mast is voorzien van één giek en een lier. Achter de mast het ruim dat wordt afgesloten met zes metalen luiken. Achter het ruim de boogvormige opbouw van de machinekamer. In de zijwand aan bakboord een schuifdeur en op het dak een luikenkap. Achter de machinekamer de stuurhut, waarvan de bovenkant van hout is gemaakt. Deze houten opbouw kan in geval van geringe doorvaarthoogte verwijderd worden. Aan de stuurhut hangt de scheepsbel. Achter de stuurhut is de bovendekse stuurstang te zien. Langs machinekamer en stuurhut is boeisel van het achterschip voorzien van een reling. Op het achterboeisel is de plaats van herkomst geschilderd: 'GROUW'. Kleuren: De romp is zwart, het berghout en de boeisels zijn wit. Het voorschip is ook beneden het berghout (tot aan de waterlijn) wit. Het voordek is grijs, het hoofddek is zwart. De machinekamer is roodbruin. De luiken van het ruim zijn grijs. Het houtwerk is gelakt. Accessoires: met vilt beklede stander.
HintergrundinformationGerrit Duiker (later zoon Hendrik Duiker) uit Grou onderhield met dit schip een beurtdienst op Leeuwarden. Het schip is in 1923 te Foxhol gebouwd als vrachtschip voor derde klas vaarwateren (max. lengte 14,80 m.). Vanwege het geluid dat de motor maakte werd het schip de 'slyker' genoemd. Nadat de beurtdienst was opgeheven bleef het schip nog enige tijd in Grou. Via Leeuwarden is het rond 1985 verkocht naar Duitsland., literatuur:
- 'Frieslands laatste beurtschipper' in: Leeuwarder Courant 7 okt. 1970
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 20
BeschreibungScheepsmodel van het stoomberutschip SNEEK I. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De mast fungeert voornamelijk als liermast. Toch kon er ook gezeild worden. In het want aan stuurboot hangt een gaffel, die werd gebruikt wanneer een hulpzeil werd gevoerd. De mast, die licht naar achteren helt, is voorzien van een steng. De steng en de mast worden gehouden door twee voorstagen (één voor de steng en één voor de mast) en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen (de middelste loop via een zaling naar de top van de steng, de buitenste zijn bevestigd aan de top van de mast). De mast heeft twee liergieken. De voorste giek is bevestigd aan de mast en de achterste staat op een bok, net achter de mast. Aan deze grote giek hangt in een beugel aan de top een takelwiel. In de top van de steng hangt een rode wimpel met daarop in witte letters 'SNEEK I'. Daarboven een metalen windvaan in de vorm van een pijl. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op het boeisel van het voorschip is geschilderd 'SNEEK I / KAPT. JOHS. KAPSERSMA'. Op het voorsteven een kleine rood-wit-blauwe vlag als prins. Aan stuurboord hangt aan een davit een anker. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar de ankerlier, die op het voordek staat. Verder op het voordek het luikhoofd van het voorruim en een opbouw met dubbele deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. Daar was een verblijf voor eventuele passagiers. Daartoe zijn in het voorschip aan weerszijden ook twee patrijspoorten gemaakt. Achter de mast de lier en het achterruim. Dit ruim wordt, net als het voorruim afgesloten door een vaste dekplaat (niet door losse planken of luiken). Op het achterruim ligt de reddingsloep. Achter het ruim de opbouw van de stoommachine. Op deze opbouw is een openbrug, met daarin een horizontaal stuurrad, een kompas in een metalen huis, een roephoorn en een scheepsbel. Op de overkapping van de stoommachine de achteroverhellende schoorsteen met daarvoor een koperen pijp en een stoomfluit. Achter de pijp de opening van de kolenbunker. Ter hoogte van de stoommachine is op het boeisel aan bakboord een zwart bord geplaatst, dat aan de korte einden is versierd met zandlopervormen. Van de brug loopt een stuurstang, door de opbouw van de stoommachine heen, naar het houten achterdek, waar de overbrenging op de roerspil is gemaakt. Het houten achterdek is verhoogd. Aan weerszijden is de ruimte eronder bereikbaar met een deur-opbouw. Aan het boeisel zijn daar ook de verhoogde boordlichten (rood en groen) bevestigd. Naast de roeroverbrenging staan op het achterdek nog twee luikenkappen, een watervat en een rood-wit-blauwe vlag op een dubbel gebogen vlaggemast. Op het achterboeisel is geschilderd 'SNEEK ROTTERDAM 1888'. Kleuren: De romp is zwart met net onder het berghout een witte band. Het dek en de ruimoverdekkingen zijn zwart. De binnenkanten van de boeisels, de luikhoofden en de deuropbouwen zijn okergeel of houtkleurig. Het hout van het achterdek en dat van de mast, de steng en de gieken is gelakt. Accessoires: geen
HintergrundinformationDe vervaardiger van het model is onbekend. Volgens de schenkers is het gemaakt door een machinist van het schip, wiens naam niet bekend is. Het stoomschip Sneek I onderhield sinds 1888 de beurtdienst van Sneek op Rotterdam.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 4 maart 1949
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1969/70, pag. 12
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse.
HerstellerGrooten, Oscar
Stichwörtertweeëntwintig-kwadraat-klasse
Objektnummer1996-131
Periode van1996
Periode tot1996
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse. Op spanten gebouwd volgens de lattenbouw-methode. Schaal 1:7½.
Rondhouten en tuigage. Het jacht heeft een mast die is geplaatst in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag die op een T-ijzer op het voordek is vastgezet. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een vaste zijstag en een bakstag. De vaste zijstag is met een wantspanner aan een puttingijzer vastgemaakt. De bakstag is bevestigd op een langsscheepse glijrail op het gangboord. De rail is naar achteren vastgezet met een lijn die loopt door een roller op het gangboord en is vastgezet in een klem op de kuiprand. Het model is uitgerust met zeilen van witte dacron: een fok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit banen waarbij er gelet is op het maken van bolling. Het voorlijk van de fok loopt parallel aan de voorstag, maar is daaraan niet bevestigd. De fokkeval loopt via een metalen blok op de top van de mast naar beneden is daar belegd op de nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op het metalen T.-ijzer op het voordek. De fokkeschoten zijn bevestigd in een ring in de schoothoek van de fok. De schoten lopen waan weerszijden door een roller op een een glijrail op het gangboord (buiten de waterlijst) en door een vaste roller op het gangboord. Ze zijn aan weerszijden vastgezet in een schootklem op de kuiprand. De fokkeschoot aan stuurborod is strak, die aan bakboord is los.
Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel die uitsteekt boven de top van de mast: een cattuig. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De mast is ter hoogte van de gaffelklauw beschemr met leer. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval. Deze lopen door metalen blokken aan de top van de mast en ze zijn belegd op de nagelbank. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillatten gemaakt. Het onderlijk van het zeil is in een gleuf in de bovenkant van de giek geschoven. Aan de voorkant rust de giek met een scharnierende lummel in een oog aan de mast. Dit oog is in hoogte verstelbaar op een hanekamrail aan de achterkant van de mast. De halstalie aan de lummel, door door een gat in het dekje achter de mast en is belegd op een handwiel aan de voet van de mastkoker. Daarmeer kan het zeil getrimd worden. De grootschoot loopt door drie blokken aan de giek en door één blok op de overloop op het achterdek. Het vaste einde van de grootschoot is bevestigd aan het blok op de overloop. Daarna loop de schoot door het blok aan de achterkant van de giek, terug naar het blok op de overloop, door de twee andere blokken aan de giek en is belegd op een metalen grootschootklem met rollers in de kuip. In het grootzeil is aan twee kanten het zeilteken (een driehoek met holle basislijn) en het zeilnummer (65) genaaid. Op de top van de mast een rode windvaan aan een metalen pin. De blokken zijn van metaal en voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een overhangende, platte spiegel die enigszins schuin staat. De bodem is rond (U-vorm) en voorzien van een aangehangen kiel. Het roerblad is aan de kiel opgehangen. De huid is opgebouwd uit latten.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven metaalbeslag met bovenop een handgreep. Daarachter twee touwgeleiders. Van voor naar achter loopt over de hoek van romp en dek een waterlijst en een stootrand. Op het voordek een T-ijzer waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd en een houten bolder met koperen nagel (langsscheeps). Op de gangboorden de puttingijzers van de vaste zijstagen, De glijrails en rollers van de bakstag en de fokkeschoot. De kuip is van boven gezien granaatvormig: van voren puntig en van achteren plat. De punt van de kuiprand begint voor de mast. Het dek loopt onder deze rand door tot net achter de mast. Aan de voet van de mast een nagelbank. De ruimte onder het voordek is open. In de kuip zijn onder de gangboorden kasten gemaakt: voor twee dichte kasten met luiken en daarachter open kasten. De ruimte onder het achterdek is afgesloten door een luik in de achterwand van de kuip. Dit luik en de luiken van de voorkasten zijn versierd met ingezaagde zeilscheepjes. De bodem van de kuip is bedekt met buikdenningen (met metalen ringbeslag om ze te kunnen optillen). Voor de achterwand een losse achterbank. Op de buitenkant van het jacht is ter hoogt van de achterbank de scheepsnaam op de romp geschilderd: 'BETELGEUZE'. Het roer is opgehangen aan de kiel. De as van het roer steekt schuin door het achterdek omhoog. Het helmhout is gebogen van de vorm. Achter het roer de boogvormige overloop van de grootschoot.
Kleuren: De romp is gelakt en voorzien van een witte bies. Het onderwaterschip is wit. De dekken (voor- en achterdek en gangboorden) zijn gelakt. De kuiprand en het houtwerk aan de binnenkant van de kuip zijn gelakt. Ook de mast, de giek, de gaffel en het helmhout zijn gelakt. De stander is zwart.
Accessoires: Stander en landvasten.
HintergrundinformationOscar Grooten uit Hengelo (O) is amateur modelbouwer. Hij specialiseerde zich in het maken van zeiljachten. Hij vroeg daarbij vaak tekeningen op uit het archief van het museum. Hij kent de tweeëntwintig-kwadraat-klasse goed: 's zomers zeilt hij in de Cadans van de familie Vriezema te Grou. De zeilen zijn gemaakt door Feitse Visser uit Grou, werkzaam bij zeilmakerij De Vries te Grou.
In 1935 was de N.N.W.B. van oordeel dat er ruimte was voor een nieuwe klasse van halfgedekte kieljachten, die in grootte zouden liggen tussen de zestien-kwadraat-klasse en de dertig-kwadraat-klasse. De bond schreef daarom een prijsvraag uit. Die werd gewonnen door ir. Sj. Veeman. Het werd de tweeëtwintig-kwadraat-klasse, die nog datzelfd jaar (1935) door de N.N.W.B. werd ingesteld. Het naar het ontwerp gebouwde jacht werd getoond op de nijverheidstentoonstelling HAWATSO te Sneek. Het jacht wer uitgevoerd in latten, zodat ook amateurs het konden bouwen. Maar omdat de mallen vervangen dienden te wodren door spanten was het niet echt geschikt voor amateurbouw. De spantvorm is geschikt voor de Friese wateren: U-vormig met sterke kimbocht, wat veel stabiliteit geeft, zodat de ballast gering kan blijven. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er veel schepen in deze klasse gebouw (P. Olij te Sneek bouwde er zo'n 15). Na de oorlog was er echter nog maar weinig animo voor de klasse. Commissaris der Koningin Van Linthorst Homan was enthousiast 22 m²-zeiler en blies de klasse in 1957 nieuw leven in. Er kwamen enkele moderniseringen: een zwaardere kiel en daardoor de mogelijkheid meer zeil te voeren (van 22 m² naar 26.8 m²) en toestemming voor het voeren van een spinnaker. Aan het einde van de jaren zeventig was er wederom weinig belangstelling. In 1980 waren er bij de Sneekweek zelfs geen wedstrijden voor de 22m². In 1983 is de klasseorganisatie opgericht die wedstrijden ging organiseren. Zo kwam er wederom nieuw leven voor de klasse en ook de erkenning als nationale klasse door het KNWV. Dat had zolang geduurd omdat de 22m² veel concurrentie ondervond van de pampus en de 30m².
Het 22 m² jacht met zeilnummer 65 is de Betelgeuze. Vanaf 1982 zeilt G. Salverda uit IJlst met het jacht. Van af 1982 is het jacht jaarlijks (behalve in 1994) terug te vinden in de lisjten van de Sneekweek en de kampioenswedstrijden van de N.N.W.B., literatuur:
- H. Boersma 'De geschiedenis van de 22 m² klasse in een notedop' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 73-74.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 86.
- Leeuwarder Courant 6 juni 1996
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1996, p. 20