TitelScheepsmodel van de PW-2, patrouilleschip van Provinciale Waterstaat Friesland.
HerstellerTienstra, Boele
Stichwörterpatrouilleboten, waterstaat, Friesland
ObjektnummerK-078
Periode van1980
Periode tot2000
BeschreibungScheepsmodel van de PW-2, patrouilleschip van Provinciale Waterstaat Friesland. Op spanten gebouwd. Schaal 1:20. Tuigage: geen
De romp: Het voorschip is scherp met een sterk invallend en hoog boeisel waarop in witte letters "PW 2". Rondom het schip loopt een rubberen berghout. Waarboven in het middenschip aan weerszijden zes spuigaten. In het middenschip onder het berghout twee opgelaste stalen wrijfhouten. Het achterschip heeft een vlakke licht negatieve spiegel met afgeronde hoeken. De bodem is niet vlak maar loopt rond. In het voorschip een boegschroef en onder het achterschip een enkele schroef waarvan de schroefas door een deels opengewerkte scheg loopt. Het schip is voorzien van een dubbel roer. Her en der is de bodem voorzien van anodes. Midscheeps is de romp voorzien van koelribben.
Het model van voor naar achter: In een kluisgat aan bakboord hangt een anker aan een ketting welke is vastgezet op een handlier op het voordek. Middenvoor is op het boeisel een kleine vlaggenstok geplaatst, waarin een Friese vlag wordt gevoerd. Hierachter een beugel met een bel. De binnenzijde van het boeisel van het voorschip is versterkt met stalen ribben. Tegen de binnenzijde van het boeisel aan weerszijden beugels met elk twee stootwillen en twee oranje reddingsboeien. Op het boeisel twee dubbele bolders. Het voorste deel van de opbouw is laag en is voorzien twee stalen luiken aan de voorzijde en aan weerszijden twee patrijspoorten Op dit deel van de opbouw een luik en een blusinstallatie met opschrift "Ajax". Middenop het schip is de opbouw hoger met rondom ramen. De vijf ramen aan de voorzijde vormen een halve cirkel en zij hebben allen een ruitenwisser. Boven deze ramen ook in de hellende rand van het dak vijf kleine ruitjes. Aan weerszijden van de opbouw nog twee ramen. Waaronder een houten bord met opschrift: “Provincie Friesland”. Het interieur van de opbouw is uitgewerkt met een stuurstand en een tafel met zes zitplaatsen. Op het dak een schijnwerper, een luidspreker en in grote letters “PW2”. Op de uiterste hoeken van het dak de navigatielampen.
De achterzijde van de opbouw bestaat uit….
Achter de opbouw aan stuurboord een bruine verhoging waarop een strijkbare mast met radarinstallatie, navigatielichten, hoorn en antennes. Op deze hoogte op het boeisel twee enkele bolders en aan stuurboord een davit. Aan weerszijden van het werkdek een beugel met elk twee stootwillen en twee dubbele bolders achter gaten in het boeisel. Het achterste deel van het dek is verhoogd en bovenop aan de voorzijde voorzien van houten latten aan weerszijden van een luik. Tgen de verhoging een loopplank en een pikhaak. Geheel achterop het dek een vlaggenstok met een Nederlandse vlag.
Het model is geplaatst op twee houder dragers die zijn gemonteerd op een gelakte plank.
Kleuren: De romp van het schip is donkerblauw. Het onderwaterschip is zwart met een helrode bies op de waterlijn. Het dek en de binnenzijde van het boeisel zijn lichtgrijs. De wanden en het dak van de opbouw zijn wit.
Accessoires: vaste stander, twee reddinggordels, vier stootwillen.
HintergrundinformationDe modelbouwer Boele Tienstra is geboren 30 sep. 1936. Werkzaam op de administratie van de afdeling scheepsvaartinspectie van Provinciale Waterstaat. Hij bouwde in totaal 23 modellen (skûtsjes, een botter, een betonningsvaartuig, een vrachtschip, etc.), waarvan er drie behoren tot de collectie van het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam.
In de collectie ook een scheepsbouwtekening van dit schip: inv.nr. 1997-125-a (algemeen plan)
BeschreibungSchippersmodel van een zeer smal skûtsje. Blokmodel, schaal onbekend.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast werd waarschijnlijk gehouden door een voorstag (hangt nu los) op de metalen botteloef en door een staand want van twee zijstagen. De zijstagen zijn met jufferblokken bevestigd op puttingijzers op de boorden van het schip (aan bakboord hant het voorste want los). De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel.
Er is alleen een opgebonden gaffelgrootzeil uit één lap waarin met stiksel naden zijn gesuggereerd. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Deze wordt gehesen met een klauwval en een piekeval (beide nu losgekomen van de mast). Het voorlijk van het grootzeil is met rakbanden bevestigd aan de mast. De giek heeft aan de voorkant een scharnierbare lummel en hoort in een afgebroken deel van de nagelbank. De grootschoot loopt over een tweeschijfsblok aan het einde van giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. (nu los van de giek). De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn getakeld met blokken en zijn belegd op de nagelbank (alleen de klauwval loopt nog naar de top van de mast. Er zijn geen lieren aan boord. De blokken zijn van hout en en hebben geen lopende schijven. Aan de masttop hangt een bronskleurige lantaarn.
De romp: Voor- en achterschip zijn rond met sterk terugvallende boeisels. De bodem is rond. Voor en achter stevens die ver onder het schip doorlopen (geen doorlopende kiel)
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven metalen kluisgaten, waarvan één met metalen anker, en houten berentanden. Tegen het boeisel van het voorschip is een braadspil geplaatst waarover de ankerketting loopt. Verder naar achteren zijn aan weersijden bolders geplaatst. In het voordek een luikhoofd met luik dat toegang verschaft tot het vooronder. Daarachter twee dekpooten in één waarvan de ankerketting verdwijnt. Hierachter een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Over de uitwip van boord tot boord een metalen overloop voor de fokkeschoot. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. De mast staat in een houten mastkoker. Aan de wangen van de mastkoker en aan de nagelbank aan de achterkant van de mastkoker zijn de zeilvallen, de kraanlijn en de voorstag belegd. Achter de nagelbank het ruim, dat wordt afgesloten door houten luiken. Op de luiken liggen twee pikhaken en een bak voor losse spullen. Over de gehele lengte van het ruim zijn op de boeisels houten zetboeisels geplaatst. De zwaarden hangen met bouten aan een rail achter het boeisel. Voor de zwaarden een zwaardklamp. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden zijn uitgestoken en rond het boutgat voorzien van een een cirkelvormige metalen versiering. Langs de zij- en onderranden van de zwaarden door verf gesuggereerd metaalbeslag. De zwaardlopers (ketting) gaan via een schildpadblok op het boeisel naar achteren. Daar zijn ze getakeld met zwaardtalies (touw) die lopen door twee enkelschijfs blokken op de buitenkant van het boeisel. De halende einden van de zwaardtalies zijn belegd op klampen op het achterboeisel. Achter het ruim de roef. De voorwand heeft twee lichtranden en de zijwanden grote ramen. In de achterwand aan stuurbord een deur met schuifluik in het dak. Op de rief verder een koekoek en een klamp voor de grootschoot. Achter de roef een overloop voor de grootschoot en een koekoek op dek Hierachter een drinkwatervat. Tegen de boeisels van het achterschip zijn bolders geplaatst. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is gebogen en ligt los over de roerkop. Op de roerkop een roerleeuw. De ruig van het roer is voorzien van metaalplaat.
Kleuren: Vrijwe het gehele schip is blank gelakt. Het berghout en het potdeksel zijn roze/oranje. Het roer is gelakt. de roerleeuw is bronskleurig. De zwaarden zijn gelakt. De zetboeisels en de rondhouten zijn gelakt. De top van de mast is zwart en het mastbeslag is goudkleurig.
Accessoires: twee pikhaken en een losse vlaggenstok met vlag. Het model staat op een losse stander.
BeschreibungScheepsmodel van een bakdekkruiser. Metaal, op spanten geklonken. Schaal niet bekend. Romp: rondspant met volle boeg en verticale, vrijwel rechte, voorsteven. De vier gangen zijn overnaads op elkaar geklonken. Het voorste deel van de romp is verhoogd en is geheel gedekt (bakdek). De bovenste gang is hierdoor bij het voorschip extra breed en bevat onder het bakdek aan weerszijden vier patrijspoorten waarachter een beluchting. De achterste helft van de romp is verlaagd. De spiegel is verticaal met een lichte bolling. Aan stuurboord in de spiegel een beluchting, aan bakboord een uitlaatpijp. Onder het achterschip een schroefraam met een Y-vormige steun voor de schroefas. Een enkele bronzen driebladsschoef waarachter een enkel roer met een smal balansdeel. De romp inclusief de dekken is wit, het onderwaterschip zwart.
Dekindeling: Voordek: Langs de voorste 24 cm van het voordek een gelakt houten boeisel waarop halverwege een geleidingsklamp. na de klamp verjongd het boeisel. Vanaf ca. 14 cm vanaf de voorsteven tot bijna het eind van het bakdek aan weerszijden een houten handrailing. verder op het voordek een vlaggemastje met blauwe wimpel, een bolder, een beluchtingspot, een koekoek en direct voor de opbouw een hoorn. Achterop het bakdek aan weerszijden een kikker.
Achterdek: De roerkoning steekt hier door het dek met een vierkante kop voor een eventuele noodstuurinrichting. Verder één centrale bolder met twee geleidingklampen op de rand van de spiegel. miden boven de spiegel een vlaggemast met Nederlandse vlag. Aan weerszijden een vulopening.
Opbouw: Op de achterkant van het bakdek begint de opbouw. Centraal een licht achterover hellend raam waarvan de bovenste helft te openen is. Aan weerszijden eveneens licht hellend en schuin naar achteren geplaatst twee vaste ramen. Boven de ronde overgang van bakdek naar kuip twee vaste ramen tot ca. 1/3 van de opbouw. Daarachter zijn de wanden open. Het dak van de opbouw wordt verder aan beide kanten gesteund door twee houten palen. De achterzijde van de opbouw is open. Het interieur is blank gelakt met een grijze houten vloer. Aan bakboord een stuurstand tegen de scheidingswand. de stuurstand bestaat uit een stuurwiel met spaken, een gashendel tegen de zijwand en drie meters in een dashboard. In de scheidingswand een dubbele deur waarvan de bovenste tweederde van glas. Centraal in de kuip staat een blank gelakte motorkist. Aan de achterzijde van de kuip een gelakte bank met een openslaand luik in de leuning en twee lades onder de zitting. Op de het dak van de opbouw centraal een schuifluik en aan weerszijden een handrailing.
Het model is geplaatst op een blank houten standaard.
HintergrundinformationDe romp van de kruiser is gemaakt naar tekening 1999-805, de opbouw is een vrije interpretatie naar voorbeeld de bakdekkruiser Kleine Swaen.
BeschreibungScheepsmodellen Twee Blokmodellen van sloepen. De sloepjes zijn elk één blok hout gemaakt.
Het grootste scheepje is aan voor en achterzijde vrijwel gelijk. Het heeft een kiel die over de gehele lengte dezelfde diepgang heeft. Aan één zijde op de kiel staat het getal 15. Het onderwaterschip was groen geschilderd, het boord zwart en het eenvoudig uitgeholde binnenschip rood. Door slijtage is een groot deel van de verf verdwenen. Op de boorden op voor- en achterschip en in het binnenschip oude spijkergaatjes.
Het kleinste model heeft duidelijk een boeg en een spiegel die beide licht achterover hellen. De grootste diepgang van de kiel ligt bij de spiegel. Het model is wit geschilderd met goudkleurige boorden. Het eenvoudig uitgeholde binnenschip is rood. Door slijtage is een deel van de verf verdwenen. In het voorschip een spijkergaatje.
HintergrundinformationWaarschijnlijk hoorden de sloepjes bij één of meerdere grotere scheepsmodellen.
TitelScheepsmodel van een zeilschouw, speelscheepje.
HerstellerPot, Mintje ; Bakhuizen
Stichwörterschouwen, N.N.W.B., Tromp, H., Tromp Visser, M.
Objektnummer2007-230
Periode van1930
Periode tot1940
BeschreibungScheepsmodel van een houten zeilschouw. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De schouw heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een massief ijzeren voorstag. De voorstag is gehaakt aan een touw dat door een blok voorop de botteloef (in het fries 'loefbyter') en vervolgens naar een kikker aan de binnenzijde van het boord wordt geleid. De loefbyter is bevestigd op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel. De zeilen zijn van sterk verkleurde katoen: stagfok en sprietzeil. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een haak vastgehaakt aan de botteloef. De fok is voorzien van een keerinrichting bestaande uit een lange ijzeren haak waarmee de schoothoek schuivend is bevestigd aan een metalen overloop direct voor de mast. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is met een halstalie bevestigd aan de mastvoet met aan één zijde een een oog en aan de andere zijde een kikker. De spriet hangt in een touwlus aan de mast. De bovenzijde van de spriet steekt in een lus in de tophoek van het grootzeil. De onderkant van het achterlijk is gehaakt aan de achterkant van de giek. De achterkant van de giek hangt in het zeil (niet in een kraanlijn). De voorkant van de giek hangt met een zwanehals in een oog in de mast. De grootschoot loopt door een enkelschijfs blok met haak en hondsvot aan de giek en door een enkelschijfs hakkeblok met haak op de bodem van de boot. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan weerszijden van de mast. De mast heeft boven de hommer een zwarte masttop met sporen van een speld of spijker voor een vleugel. De klauwval wordt direct onder de hommer door de mast geleid en de fokkeval wordt via een aangehaakt enkelschijfsblok geleid. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is plat en valt licht. Het achterschip heeft een platte spiegel die eveneens licht valt. De bodem heeft een plat vlak dat in één bocht van uit het middenschip oploopt naar voor- en en achterspiegel oploopt. Het vlak is opgebouwd uit een smalle kielgang met twee brede gangen tot de kimmen. Deze vlakgangen zijn gebreeuwd. Er is aan beide zijden één huidgang waarboven een berghout. Boven het berghout een breed boeisel. Voor- en achtersteven en een kiel over de achterste helft van de boot zijn tegen respectievelijk de spiegels en het vlak bevestigd. Ter hoogte van de zwaarden is het berghout verbreed met en zwaardklamp.
Het model van voor naar achter. Op de voorsteven metalen beslag waarin de botteloef is bevestigd. De botteloef bestaat uit twee stukken aaneengeklonken metaal. Het voorschip is to de mastbank gedekt. Tussen twee gangboorden zijn hier een u-vormig dekdeel en een klein luikje aangebracht, beide uitneembaar. De messelbank rust aan de voorzijde op een schot waartegen ook de mastvoet is bevestigd. Boven en achter de messelbank zijn de boeisels deels gedubbeld In het middenschip langs beide zijde een bank van de mastbank tot het achterdoft. De bodem is bedekt met uitneembare buikdenningen. Wanneer het voordek en de buikdenningen zijn verwijderd zijn in het hele schip de spanten te zien. In het achterschip is een stukje lood bevestigd op het vlak. De zwaarden hangen met gebogen spijkers aan de gedubbelde boeisels. De koppen van de zwaarden zijn aan de buitenzijde voorzien van metaalplaat met een rechte onderrand. Om de zwaarden een zandloper. De zwaardlopers lopen omhoog een gat in het boeisel en worden belegd op een nagel door de achterste spanten. Het achterdoft heeft in het midden een uitneembaar luik. Het doft rust op een schot. Achter het doft een tweede schot onder een kort achterdekje. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. Het (ooit vernieuwde) helmhout valt over de kop van het roer. Het is geschulpt van vorm.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De bovenzijden van de boeisels en van de beide spiegels zijn zwart met een goudkleurig randje eronder. De kopplaten van de zwaarden zijn zwart. De zandlopers zijn wit geschilderd. De binnenkant van het vlak is rood evsnals de spanten. De overige huid, de schotten en de binnenzijde van de voorspiegel zijn lichtblauw. Dekken, mastbanken overige banken zijn zwart. De kop van het roer is groen en op de kopse kant goudkleurig. De rondhouten en zwaarden zijn gelakt. Accessoires: zwarte stander
HintergrundinformationWaarschijnlijk is het model rond 1935 (mogelijk iets eerder) vervaardigd door Mintje Pot, beurtschipper uit Bakhuizen. Hij was een bekend figuur in de zeilwereld en een groot kenner van schepen. Of de eigenaar, Dr. Tromp-Visser te Warns, het model kreeg of zelf bestelde is niet bekend. Het model is in de familie van de bruikleengeefster gebruikt geweest als speelscheepje. Dit verklaart onder andere de gebreeuwde bodem en het blokje lood in het achterschip. De keerfok zal ook aangebracht zijn om er makkelijker mee te kunnen varen, de schouw waarnaar het model gemaakt is had dit zeker niet.
De schouw is gemodelleerd naar zeilschouw 'Zeillust' met zeilnummer 35. Dit was een kleine zeilschouw van 4.75m x 1.42m met een spriettuig van 16 m2 aan een ongestaagde mast. Bij "wat meer wind" werd gevaren met een tuig van 12m2 aan een korter mastje. De fok werd dan aangeslagen aan het oog direct op de steven i.p.v. op de botteloef.
In de jaren 1932-35 staat de 'Zeillust' geregistreerd bij de NNWB met als eigenaar H. Tromp te Warns. In de jaren 1948 en 1949 komt het schip voor in de hardzeillijsten met als eigenaar M. Tromp Visser te Deventer.
De schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling. De Kleine Schouw is 4.75 meter lang, geheel open en voert meestal een spriettuig (spriet en giek) en een stagfok op een botteloef. De Middenschouw is 5.50 meter lang en heeft een bezaantuig. De Grote Schouw is 6 meter lang en voert eveneens een bezaantuig. Soms is de grote schouw uitgerust met een kajuit. De GWS-schouw heeft een stalen onderbouw en een houten boeisel. Het voert een spriettuig. De lengte is 5 meter (gangbare handelsmaat voor staal). De afkorting GWS verwijst naar de Grouwster Watersport Vereniging die de bouw van dit type in de vroege jaren dertig entameerde en ook wedstrijden voor deze schouwen organiseerde.
BeschreibungScheepsmodel van een tjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De mast wordt gehouden door twee voorstagen op de voorsteven en op de kluiverboom. De voorstag op de voorsteven is bevestigd aan twee bokkepoten die aan de achterkant zijn gehaakt in de overloop van de fok. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen. De wanten zijn aan de boorden vastgezet met oogjes. De kluiverboom rust op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van aan weerszijden één hoofdtouw. Aan de bovenkant hangt de kluiverboom in een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de kluiver is met metalen leuvers bevestigd aan de voorste voorstag. De hals van de kluiver is geknoopt aan de kluiverboom. De beide schoten van de kluiver zijn belegd op een bolder op het voorschip. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is geknoopt aan het einde van de bokkepoten. De fokkeschoot is belegd op twee blokjes die zijn vastgezet op de metalen overloop het het voordek. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen bevestigd aan de mast. De halshoek is geknoopt aan een oogje in de mast. Aan de voorkant is de giek met een lummel gehangen in de nagelbank. De achterkant van het giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt over twee dubbelschijfs blokken: een blok aan de giek en één op het achterdek. De grootschoot is niet belegd maar vastgeknoopt. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een uithouder voor een vlaggelijn (ontbreekt). Op het helmhout een vlaggenstokhouder (vlaggenstok ontbreekt). De blokken zijn van plastic en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Voor- en achterschip zijn rond. De bodem vlak met ronde kimmen waarbij het vlak voor en achter oploopt.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Uit beide kluisborden hangen metalen ankerkettingen (zonder ankers). De ankerkettingen zijn belegd op een braadspil op het voordek. Het braadspil is opgehangen tussen wangen met een rood-wit-blauwe decoratie. Tegen de boeisels van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Op het voordek een luikhoofd (luik ontbreekt), een kistluik met vier luiken en de metalen overloop van de fokkeschoot. Over het gehele voordek lopen de twee bokkepoten. Tegen de wangen van de mastkoker zijn klampen bevestigd. Achter de mast een nagelbank. De zwaarden hangen scharnierend aan spijkers tegen de buitenkant van het boeisel. De zwaardkoppen zijn verdikt met dunne houten plaat. De zwaardlopers bestaan uit dunne ketting en gaan via schildpadblokken op de buitenkant van het schip naar achter. Daar gaan zij door een gat in het gangboord en zijn zij verlijmd tegen het boeisel. Naast en achter de zwaarden zijn op de boeisels zetboeisels geplaatst. De boeisels zijn voor en achter aan weerszijden voorzien van één loosgat. De berghouten zijn voor en achter voorzien van een houten stootrand. Het luikhoofd van het ruim is bedekt plaatmateriaal waarop getekend de contouren van tweemaal negen luiken. Middenop de luiken liggen een loopplank en een vaarboom. Achter het ruim de roef. De voorwand van de roef heeft twee (getekende) ovale ramen. De zijwanden zijn elk voorzien van twee ramen (met geschilderde gordijnen). Achter elk raam een schuifluik voor afsluiten bij zwaar weer. In de achterwand aan beide zijden een dubbele deur. In het dak van de roef is in het midden een een metalen schoorsteen gezet waarchter een houten koekoek. Achter de roef een plank met (getekende) voetlijsten waarachter de roerganger zich schrap kon zetten. Aan weerszijden is tegen de boeisels van het achterschip een dubbele bolder geplaatst. Hierachter op het dek een (zeer gestileerde) zwaardlier. Op het achterschip een vierkante lichtkap. Op het boeisel van het achterschip een metalen reling. Onder het berghout zijn aan weerszijden van de achtersteven ronde ramen gemaakt voor het achteronder. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is voor en achter voorzien van een rood-wit-blauwe decoratie. Voor de handgreep een koperen knop. Op het helmhout een vlaggenstokhouder en een bolle roerklik zonder versiering.
Kleuren: Afgezien van enkele kleine decoraties is het gehele model blankt gelakt.
Accesoires: vaste stander
HintergrundinformationDe achtergronden van het model zijn onbekend.