BeschreibungSpeelscheepje in de vorm van een viskotter. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model is onttakeld. De mast is aanwezig en voorzien van de zijstagen (met puttingijzers), maar is niet geplaatst. De andere rondhouten (gaffel, giek, boegspriet, etc) zijn ook gemaakt, maar evenmin geplaatst. Het model heeft geen zeilen. In een kistje worden enkele losse onderdelen van de tuigage bewaard (blokken, ringen, haken).
De romp: Het voorschip is scherp en de boeg is verticaal. Het achterschip is overhangend en voorzien van een bijna vertiakle speigel. De bodem is rond en vroosien van een kiel, die aan de onderkant is verzwaard met metaal.
Het model van voor naar achter. Op het voordek staat een kluiverboomstok en een houder voor een braadspil. De braadspil is gemaakt en wordt bewaard in het kistje met losse onderdelen, evenals de andere houder van de spil). Achter de braadpil een opbouw met deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. De plaats van de mast is aangegeven met een gat in het dek. Op het achterschip een opbouw met deuren die toegang verschaffen tot het verblijf in het achterschip. Voorts staat op het achterdek een lossen luikenkanp. Op de bovenrand van de spiegel een metalen overloop. Het boeisel van het achterschip is eversierd met een geschilderde goudkleurige voluut. Op de spiegel is met goudkleur, binnen een ovale rand met bladversieringen, de naam van het schip geschilderd: 'DOLPHIJN HARLINGEN / 1908'.
Kleuren: De romp is wit. Delen van de witte verf zijn afgeschuurd en beschadigd. Het onderwaterschip is lichtgroen. Het dek en de rondhouten zijn gelakt. De stander is donker gelakt.
Accessoires: dichte stander.
HintergrundinformationDe eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 23
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschreibungModel van de romp van een zeiljacht uit de centaurklasse. Polyester kuip met los dek. Schaal 1:10. Tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp en de boeg is licht gebogen (lepelboeg). Het achterschip is voorzien van een schuingeplaatste spiegel. De bodem is U-vormig. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op het dek zijn alleen de plaatsten aangegeven die opgeruwd zijn. Ook is de plaats van de kuip aangegeven (een gat met kuiprand). Kleuren: Het kunststof heeft zijn oorspronkelijk kleur: wit. Accessoires: geen
HintergrundinformationHet model is gemaakt als proefmodel. Het is afkomstig van jachtwerf Zaadnoordijk te Uitgeest. Technische gegevens van de Centaur: lengte 6.20 m., breedte 2.00 m., diepgang 0.85 m, oppdervlakte grootzeil 11 m², oppervlakte genuafok 7.60 m² en oppervlakte stagfok 6 m². De centaur kan uitgevoerd worden met een vaste kiel of met een midzwaard.
TitelWerfmodel van een motorvrachtschip: een Westlander.
HerstellerMeijden, R. van der
Stichwörterwestlanders, motorvrachtschepen
Objektnummer1987-103
Periode van1900
Periode tot1925
BeschreibungHouten werfmodel van een Westlander. Stapelmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: Rond, schuin voorschip. Rond, geveegd achterschip. Vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de vorm van de romp is te zien. De boeisels vallen naar binnen. Het berghout ontbreekt voor een deel.
Kleuren: ongeverfd. Op de bovenkant inktvlekken.
Accessoires: geen
HintergrundinformationEen Westlander is een motorvrachtschip met een rond achterschip.
Het model is afkomstig van de werf van De Roos en R. van der Meijden aan de Dokkumer Ee te Leeuwarden. Het archief van deze werf wordt bewaard in het Gemeentearchief van Leeuwarden. Een Westlander is een motorvrachtschip met een rond achterschip. Het is een smal, vlak vaartuig dat werd gebruikt voor het vervoer van tuinbouwproductie van het Westland naar de grote steden. Het type ontstond pas bij de opkomst van de kassencultuur. De voorsteven helt sterk voorover. Een westlander is circa 16 meter lang en ruim 3 meter breed. De hoogte was, in verband met de bruggen, nog grote dan 1.60 meter. Westlanders werden gezeild of geweegd (wegen is het met een vaarboom voortbewegen van een schuit vanaf de wal), literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19
TitelModel van een jol, gebruikt als schippersboot.
HerstellerVeenema
Stichwörterjollen, schippersboten
Objektnummer1991-155
Periode van1985
Periode tot1991
BeschreibungScheepsmodel van een jol, gebruikt als schippersboot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: scherpe, steile voorsteven, platte spiegel, bodem met kiel.
Het model van voor naar achter: Naast de achterdoft en een zitplaats in de punt heeft de boot twee zitbanken. Twee roeiriemen in koperen roeidollen. In de voorsteven een ring.
Kleuren: Het model is gelakt. De riemen zijn donkerbruin geverfd.
Accessoires: twee vastgeschroefde blokstanders, twee roeiriemen.
HintergrundinformationHet model is vervaardigd door de vader van de schenker. Jol is de benaming voor een kleine, open roei- of zeilboot met een plaate speigel. De kleinste sloep vaan boord van van koopvaardijschepen of oorlogsschepen werd jol genoemd.
BeschreibungHalfmodel van een zeegaand zeiljacht. Stapelmodel (op elkaar gestapelde planken). Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp en heeft een lepelboeg . Het achterschip is overhangend en heeft een kleine, schuine spiegel. Het schip heeft een S-spant waarbij de bodem vloeiend overgaat in de lange kiel. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de vorm van de romp is weergegeven. Op de achterzijde zijn de maten van de spanten weergegeven. Het model is niet bevestigd op een plank. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is gedeeltelijk zwart. De overgang van wit naar zwart geeft echter geen realistische waterlijn. Deze zal hoge moeten liggen. Accessoires: geen.
HintergrundinformationHet model was op het moment van verwerving bruin en wit geschilderd. Op de voorsteven de naam 'SIPPY'. Door uitdroging waren de planken losgeraakt. In 1988 is het halfmodel gerestaureerd. De planken zijn vastgezet. De kleuren en de scheepsnaam zijn verwijderd omdat ze niet origineel waren.
BeschreibungScheepsmodel van een opdrukker. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen. De romp: Scherpe, steile voorsteven. Rond, geveegd achterschip. Platte bodem. Het model van voor naar achter. Op het voorschip een kort boeisel. Het dek en de gangboorden zijn zo hoog als de bovenkant van het boeisel. Op het voordek een bolder. Daarachter de opbouw van de machinekamer. In de zijwanden daarvan aan weerszijden drie patrijspoorten. Bovenop een luikenkap. Tegen de achterwand van de machinekamer het stuurrad. Aan stuurboord de deur van de machinekamer. Achter de machinekamer een stuurkuip (bollestal). Langs de randen van de stuurkuip waterlijsten, zodat er geen buiswater van de gangboorden of het achterdek in de kuip kan lopen. Op het achterdek een bolder. Kleuren: De romp is zwart: onder de waterlijn dof en boven de waterlijn glanzend. Het boeisel is grijs. Het dek is zwart. De machinekamer en de waterlijst zijn bruin (havanna). De bolder en de binnenkant van de stuurkuip zijn grijs. Accessoires: stander, met vilt bekleed.
HintergrundinformationOpdrukkers als deze werden vanaf ca. 1925 gebruikt om (nog niet) gemotoriseerde schepen, veelal skûtsjes, op te duwen. Door middel van touwen, die aan de koppelings- en gashandel waren verbonden, kon de schipper van zijn achterdek de opdrukker bedienen. Het stuurrad werd dan niet gebruikt. Er werd gestuurd met het roer van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 22
TitelScheepsmodel van de houten Staverse jol met visserijnummer HL-6.
HerstellerZeldenrust, P.J. ; Molkwerum
StichwörterStaverse jollen, vissersschepen
ObjektnummerK-047
Periode van1937
Periode tot1937
BeschreibungScheepsmodel van de houten Staverse jol met visserijnummer HI-6. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt uitgelaten door een beugel aan de voorsteven. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver is met een haak aan de top van kluiverboom bevestigd. De schoot van de kluiver is belegd op een van de voorbolders. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een bolder. Het grootzeil heeft een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De Grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet op de kielbalk. In het grootzeil een enkele rij reeftouwen. Met zwarte letters is in het grootzeil het visserijnummer aangebracht: HI 6. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, platte spiegel, ronde bodem. Open boot zonder dekken, maar met buikdenningen. Het schip heeft een vaste kiel en kan daarom gezeild worden zonder zwaarden.
Het model van voor naar achter: Op het voorschip is het visserijnummer geschilderd: 'HL 6'. Aan de voorsteven een snoes (rol) waarover het anker wordt neergelaten. Het vierarmige dreganker hangt over het voorboeisel. Het is vastgezet op een klamp op het voorschip. De romp heeft geen berghout. Op het boeisel een aantal verstevigingen, sommige met korvijnagels waarop de schoten van de stagfok of de kluiver zijn vastgelegd. Op het boeisel aan stuurboord twee scepters met daarin een pikhaak en een fokuitzetter. In het achterschip twee kniestukken met daarin een korvijnagel. Het roer is voorzien van een hoge, naar voren hellende roerkop.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. De binnenkant van het boeisel is blauw. De mastbank, de achterbank, de roerkop en het helmhout zijn groen. De buikdenning is bruin. Het beslag is wit. De bovenkant en van de mast is zwart en de trommelstok is wit.
Acccessoires: pikhaak, fokuitzetter (boom) en stander.
HintergrundinformationDe zeilen zijn in de zestiger jaren gemaakt door Pieter Alkema, toen nog werkzaam bij zeilmakerij D. Gaastra aan het Kleinzand te Sneek, later conciërge bij het Fries Scheepvaart Museum.
De Staverse jol heeft een hoge bolle kop en een platte, hartvormige spiegel, die bijna verticaal staat. De romp is buikig van vorm en neigt aan de bovenkant naar binnen. Er is geen berghout en er wordt gezeild zonder zwaarden. De boot is geheel open. Aanvankelijk waren Staverse jollen overnaads gebouwde boten met een gemiddelde lengte van 5.50 meter. Na 1900 groeiden ze tot 7.30 meter en werden ze gladboordig gebouwd. De romp was gebouwd op een lange, hoge kiel. Ze zijn voorzien van een spriettuig, de grotere jollen van een bezaantuig. De fok werd uitgezet op een botteloef. Staverse jollen werden gebruikt voor visserij op paling en ansjovis, maar ook op haring en bot. Ze kwamen voor in onder andere Stavoren, Hindeloopen, Warns, Molkwerum en Laaksum. Een verkleinde versie werd op de westwal gebruikt en is bekend als Andijker jol. De meeste Staverse jollen zijn gebouwd in Stavoren, maar ze zijn ook gebouwd in Hindeloopen en Gaastmeer., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 2 september 1962, 27 september 1962.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1962, p. 11
TitelScheepsmodel van een snik, de zogenaamde aardappelsnik uit Sneek.
HerstellerJonge, Marchienus de
Stichwörtersnikken
ObjektnummerK-048
Periode van1971
Periode tot1971
BeschreibungScheepsmodel van een snik. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door staand want van één zijstag, die met een puttingijzer is vastgezet op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. De stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. In het grootzeil is een enkele rij reeftouwen gemaakt. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in het achterdek. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. De blokken zijn van palmhout en voorzien van metaalbeslag, maar niet van lopende schijven.
De romp: de voorsteven is scherp en heeft een rechte stevenbalk, het achterschip is rond, de bodem is vlak.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven zijn de voorstag en het blok van de stagfok bevestigd. De stagfok is vastgemaakt op een klamp op een verlaging achter de stevenbalk. Het stokanker ligt gedemonteerd op het voordek. Voor de mast een gebogen overloop voor de stagfok. Onder de overloop het luik dat verwijderd wordt wanneer de mast gestreken wordt, om zo plaats te maken voor het contragewicht aan de mast. Het luik geeft voorts toegang tot het vooronder. Op het voordek aan weerszijden aan het boeisel een kniebolder. Het boeisel heeft een vaste verhoging en een zetboeisel. De zwaarden hebben een verdikte kop die aan de bovenkant is bedekt met koper. Het boutgat is versierd met een metalen ster. Aan de onderkant van de zwaarden metaalbeslag en twee ogen. Aan een daarvan de ketting van de zwaardloper. Het andere oog kan vastgehaakt worden in een haak aan het boeisel. De ketting van de zwaardloper is bevestigd aan een kattekopblok waardoor het touw van de loper gaat. Dat touw wordt belegd op een klamp aan de buitenkant van het boeisel en opgeschoten aan een haak daarachter. Achter de mast het ruim dat wordt afgedekt met tien luiken. Tussen ruim en boeisel een smal gangboord dat aan voor en en achterkant wordt afgesloten door waterlijsten. Achter het ruim de roef met op het dak een schoorsteen en een schuifluik. In de zijwand van de roef ovale ramen en in de achterwand ruitvormige ramen. De deur van de roef bestaat uit naar boven uitschuifbare schotten. In de bollestal achter de roef langs het zij- en achterboeisel banken. In de wand van het achterhuis een oogvormige naamplaat: witte rand en blauw zandwerk. De bovenkant van het achterhuis wordt afgesloten door een gebogen lijst met koperbeslag. In het achterboeisel twee korvijnagels. Het helmhout is gecontourneerd van vorm. Het berghout is voorzien van metaalbeslag: van het achterschip tot de achterkant van de zwaarden en van het voorschip tot de voorkant van de zwaarden.
Kleuren. De romp is gelakt, het onderwaterschip is groen met een witte bies. Op het vaste boeisel een wit-groene bies en op het zetboeisel een witte bies. De koppen van de zwaarden zijn groen met wit in de schulpingen. De bovenkant van de mast is zwart, de trommelstok is wit. Achterschip: groene banken, grijze buikdenning, groene deur en op de bolders rood-witte zandlopers. De kop van het roer is groen, het helmhout is groen en heeft een zwarte handgreep.
Accessoires: een boom (met druif en zwart geverfde teen) en een fokuitzetter (met oog en gelakte teen), een pikhaak, een stokanker, een vaste mik en een stander.
HintergrundinformationMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen.
Het model is gebouwd naar de zogenaamde aardappelsnik, die in de grachten van Sneek lag afgemeerd. Deze snik was gebouwd bij J.B. van Manen te Berlikum. Net voor de sloop van deze snik is hij gefotografeerd, liggend in de Looxmagracht. Aan de hand van deze foto's heeft De Jonge het model gebouwd. Een snik is een variant op de tjalk. Het achterschip lijkt op dat van de tjalk, maar de voorsteven verschilt wezenlijk met die van een tjalk. Bij een snik werd de voorsteven door een schuin geplaatste rechte stevenbalk gevormd. De snik was bovendien slanker dan een tjalk. De breedte was aangepast aan de nauwe bruggen. Met een snik kon snel gezeild worden. Snikken werden in Friesland met name gebruikt in de Noordwesthoek. Er werden meestal aardappelen mee vervoerd., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1971-1972, p. 52
BeschreibungScheepsmodel van een eikenhouten schippersboot in de vorm van een schouw. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De boot heeft de vorm van een schouw. Een platte voorsteven, die schuin omhoog staat. Een platte spiegel en een plat vlak dat in de lengterichting gebogen is. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is aan de buitenkant een koperen ring bevestigd met daaraan een touw. Het berghout is van een andere houtsoort gemaakt. Aan de binnenkant is tegen de voorplecht een geschulpte dwarsplank gemaakt. Aan de binnenkant zijn de houten spanten te zien. De bodem is bedekt met buikdenningen. Midscheeps is een roeibank gemaakt. De boeisels zijn daar gedubbeld. Daarop zijn de roeipennen geplaatst. Over de roeibank zliggen twee roerspanen. In het achterschp is een bank gemaakt. Aan de achtersteven hangt geen roer. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Aan de binnenkant is het model ook gelakt. De buikdenningen zijn grijs geschilderd. Accessoires: twee roeispanen.
HintergrundinformationDe schippersboot is gemaakt als model van de boten zoals die werden gemaakt op de scheepswerf van J.O. van der Werff te Buitenstvallaat (bij Drachten).
TitelHalfmodel van een motorvrachtschip met steilsteven.
HerstellerWerff, H.P. van der ; Drachten
Stichwörtermotorvrachtschepen
Objektnummer1994-482
Periode van1900
Periode tot1925
BeschreibungHalfmodel van een motorvrachtschip. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het model heeft een plat vlak, een steile steven en een rond, vol achterschip met naar binnen vallend boeisel. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op de achterzijde van het model is met stift geschreven: 'H.P. v.d. Werff Helling Langewijk Drachten'. Kleuren: het model is niet geverfd of gelakt. Accessoires: het model is niet geplaatst op een plank.
HintergrundinformationHet model zal waarschijnlijk een klein motorvrachtschip verbeelden, gebruikt voor bijvoorbeeld de beurtvaart. Het model is afkomstig van de scheepswerf van Haike Pieters van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Zijn vader Pieter Haikes van der Werff, die een werf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten, kocht de werf van diens oom Ate Pyters van der Werff aan de Langewijk voor zijn zoon. Van deze werf is een werfboek bewaard gebleven en tevens enige scheepsbouwtekeningen. Werfboek en tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. Uit In het werfboek worden geen schepen vermeld die voor 1900 zijn gebouwd. en ook uit de tekeningen is niet na te gaan voor welke opdrachtgever het model is gemaakt. De schenker, Durk Lourens van der Werff, is een zoon van Haike Pieters van der Werff.
BeschreibungScheepsmodel van de lark Jokeltje. Op spanten gebouwd. Mahoniehout. Schaal 1:7½. Tuigage: Het model heeft één mast. Aan de onderkant staat de mast in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en door twee zijstagen. De voorstag loopt door een metalen uithouder aan de mast. De stag is beneden vastgezet aan een touw dat door een blok op de voorsteven loopt en is belegd op een houten klamp op het voordek. De zijstagen zijn met wantspanners vastgezet aan de romp. Het model heeft één zeil van witte katoen. Het is voorzien van een rechte gaffel, die boven de mast uitsteekt: cattuig. Het voorlijk van het zeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval. De hals van het zeil is in hoogte verstelbaar door een halstalie. De beide vallen en de halstalie lopen door gaten in het voordek (aan weerszijden en achter de mastkoker) en zijn onderdeks belegd op een metalen klamp. De onderkant van het zeil is vastgezet in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek is met een metalen klauw aan de mast bevestigd (geborgd met een touw). Het achterlijk van het zeil is aan de bovenkant rond en is voorzien van tien zeillatten, die doorlopen tot het voorlijk. Het is een zogenaamde kattenrug (of vleermuistuig). In het zeil aan beide kanten het zeilnummer L 96. De grootschoot is met het vaste einde vastgezet op een blok aan het achtereind van de giek. Daar vandaan loopt de schoot naar een blok op de overloop op het achterdek, terug omhoog, door het blok aan het einde van de giek, naar voren, door een blok dat hangt aan een beugel in het midden van de giek. Van dit blok loopt de schoot naar beneden en is belegd op een houten klamp op de bodem van de kuip. Op de top van de mast een rood-blauwe windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven van de lark is rond. De voorsteven staat niet verticaal op de kielbalk maar horizontaal: van boven gezien een T-vorm. Het vlak is plat en loopt naar voren toe omhoog. In doorsnede heeft de lark een knikspantmodel. Het model is voorzien van een vaste kiel met aangehangen roer. De spiegel is plat en verticaal. Het model is (op de kuip na) geheel bedekt. Het model van voor naar achter: Het dek steekt over de voorsteven en de zijwanden heen. Het is voorzien van een halfronde stootrand. Het dek loopt van voor naar achter. Op het voordek het blok en de klamp van de voorstag. Achter de mast begint de kuip, die van boven gezien granaatvormig is. De kuip is voorzien van een hoge, schuinstaande kuiprand. De kuip is op de bodem bedekt met buikdenningen. Het roer hangt schuin aan de kiel. De as van het roer steekt schuin omhoog uit het achterdek. Het helmhout heeft een gebogen vorm. Aan weerszijden van het helmhout zijn op het achterdek twee houten klampen gemaakt. Achter het helmhout de metalen overloop van de grootschoot. Op de spiegel is de naam van het zeiljacht geschilderd: 'Jokeltje'. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De kiel is wit met een grijze onderkant. Het dek, de kuip, de mast en de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: stander.
HintergrundinformationGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de lark is gebouwd naar de officiële tekeningen van de N.N.W.B.
Eigenaar van de lark Jokeltje met zeilnummer 96 was Jaap Hiemstra uit Sneek, aannemer en na zijn pensionering vrijwilliger bij het museum. Hij bouwde zijn schip in de winter van 1936/1937. Grote successen behaalde hij na de oorlog. Nadat hij het schip verkocht (1948) kwam het niet meer voor op de wedstrijdlijsten.
De eerste lark voer waarschijnlijk te Loosdrecht. Jachtwerf Beekhuis aldaar bouwde larken, maar was niet de ontwerper ervan. Het ontwerp is waarschijnlijk rond 1905 in Amerika gemaakt. A. van Gool uit Hommerts was de eerste die de lark in Friesland introduceerde. In 1927 deden er voor het eerst larken mee aan de Sneekweek. Het werd een populaire klasse van de NNWB. Het was een bepekte klasse: lengte ten hoogste 4 meter, cattuig van ten hoogste 11 m², etc. Na de Tweede Wereldoorlog is de klasse nooit meer zo populair geweest als daarvoor. Een lark is een boot waarbij de kielbalk niet overgaat in een verticale voorsteven, maar in een horizontale. Van boven gezien vormen de kielbalk en de voorsteven een T-vorm. Een lark is behoudens de kuipopening geheel bedekt. Het cattuig van de lark kenmerkt zich door een kleine mast met een hoge giek. Aanvankelijk waren de zeilen voorzien van een recht achterlijk. Romke de Vries uit Sneek ontwierp voor de Lark 51 van G. de Boer een zeil met kattenrug en met 7 tot 11 doorlopende zeillatten (vleermuistuig)., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De Lark' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 43-48.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 32
BeschreibungScheepsmodel van het Fries maatkastje Johnny. Hol model, op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt gehouden door twee waterstagen (kettingen). De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van vier hofdtouwen, waarvan twee zijn voorzien van weeflijnen (touwladder) en door een lopen want (bakstag). In het staande want aan stuurboord hangt een geblokte peilstok en een lantaarn (rondschijnend wit licht). De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een boomfok en een grootzeil. Het voorlijk van de kluiver is met doorgeslagen metalen ringen en leuvers bevestigd op de voorste voorstag. De schoot van de kluiver is belegd op een blok dat is vastgezet op een overloop op het voordek (aan de voorkant van het voorruim). De kluiver is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De boomfok is voorzien van een giek (boomfok), die draait in de bok van de mast. Het voorlijk van de boomfok is met doorgeslagen metalen ringen en leuvers bevestigd aan de tweede voorstag (die is bevestigd op de bok). De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgemaakt aan een tweede overloop (vlak voor de mast). In de boomfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel en een giek. De gaffel heeft niet een klauw maar een metalen ringen rond de mast. Ook de rest van het beslag aan de top van de mast is van koper. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen (die door ingeslagen metalen ringen in het zeil lopen) aan de mast bevestigd. Op dezelfde wijze (touwlussen door ingeslagen ringen) is de bovenkant van het grootzeil aan de gaffel bevestigd. In het grootzeil is een enkele rij reeftouwen gemaakt. De grootschoot loopt via katrollen en ogen in het achterdek naar de lier achter het stuurwiel. De schoot kan met deze lier worden gevierd. De vallen van de zeilen worden bediend met een lier, vlak achter de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. Op het achterschip een nederlandse vlag. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Alleen het grote blok op de bok heeft schijven. De romp: Scherpe, steile voorsteven. Rond, geveegd achterschip. Plat vlak. Van voor naar achter: Het anker aan stuurboordzijde is opgehangen aan een davit. Dat aan bakboordzijde hangt uit het kluisgat. Op het voordek de ankerlier, Daarnaast de ankerlier die ook gebruikt kan worden voor het laten strijken van de mast. Achter de lier een luik dat toegang verschaft tot het vooronder. Aan de voorkant van het voorruim de overloop van de kluiverschoot. Het voorruim wordt afgesloten door twee maal zeven luiken. Boven het ruim is de bok waarmee de mast gestreken wordt. Aan de punt van de bok is een blok gemaakt. Tevens is daaraan de hals van de boomfok bevestigd. Vlak voor de mast de overloop van de fokkeschoot. In het want aan bakboord hangt een rood-wit geblokte boom en een lantaarn. Achter de mast de lier voor de vallen van de zeilen. Aan weerszijden van de mast koperen deksel. De zwaarden zijn voorzien van koperbeslag op de kop en langs de ondderrand. Overdwars lopen drie metaalstrippen over de zwaarden. Aan het boeisel aan stuurboord is, net achter het swaard, een trap met koperen leuning gehangen. Het achterruim worden afgesloten door twee maal acht luiken. Op de luiken een loopplank met touwreling, een trap en twee bokken met daarin een aantal bomen en uitzetters en het naambord. Op het naambord: 'JOHNNY RIJSWIJK 250 ton'. Achter het ruim de roef. In de zijwanden daarvan aan beide kanten drie ramen, die met schuifluiken kunnen worden afgesloten. In het dak van de roef twee lichtkappen. In de achterwand van de roef twee deuren met ronde bovenkant. Het dak van de roef is bij de deuren opgebold. Aan de achterwand van de roef een scheepsbel. Op het achterdek het stuurrad aan een broodkast. Voor de roerganger is voor het stuurrad een houten verhoging gemaakt opdat hij beter over de roef kan kijken. In de broodkast is ook de lier gemaakt waarop de grootschoot gevierd kan worden. Voorts op het achterdek een mik. Op het achterboeisel een vlaggenstok, een lantaarn en aan bakboord een davit met sloep. Van het roerblad lopen kettingen naar een bolder op het achterboeisel (roertalie). Kleuren: De romp is zwart, het onderwaterschip is rood, het boeisel is wit. Het dek en de luiken zijn donkerbruin. De binnenkanten van de boeisels zijn roodbruin. De zijwanden van de roef zijn wit, de voor- en achterwand zijn roodbruin en het dak is groen. De sloep is rood en zwart. Het houtwerk (rondhouten, uitzetters, zwaarden, trappen, etc. zijn gelakt. Accessoires: Op het voordek een stoorhout en twee landvasten. Op het achterruim een loopplank, een trap, twee houders met daarin een pikhaak, een vaarboom, een fokkeloet en twee andere uitzetters. Op het dak van de roef twee reddinggordels, een wrijfhout en een scheepstoeter. Op het achterdek een wrijfhout. In de reddingboot een roeispaan.
HintergrundinformationHet originele schip voer van Duitsland over de Rijn en de IJssel naar Lemmer (steenkool voor G. Wierda, Lemmer). Het was eigendom van Johan Goedhart uit Rijswijk (Gld.). Het was 31 meter lang en mat 248 ton. De maker heeft op het schip gevaren van 1930-1935.
Een Fries maatkastje is 31.50 meter lang en circa 6.20 meter breed en de tonnemaat bedraagt circa 250 ton. De lengtemaat wordt bepaald door de grootte van de sluis van Stavoren, die 32 meter lang was. De breedte van de schepen was door de bouwer of opdrachtgever zelf te bepalen, maar werd beperkt door een brug in het Oude Hoendiep van de vaarweg naar Groningen. Deze brug, tussen Enumatil en de Poffert, liet een breedte door van 6.20 meter. Bredere schepen moesten op weg naar Groningen via Dokkumer Nieuwe Zijlen en Zoutkamp., literatuur:
- L. Kamminga 'Het friese maatkastje' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, pp. 47-49.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 16
- M. Sybranda 'Maatschepen' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, pp. 51-56
TitelHalfmodel van een motorvrachtschip met steilsteven.
HerstellerWerff, H.P. van der ; Drachten
Stichwörtermotorvrachtschepen
Objektnummer1994-483
Periode van1900
Periode tot1925
BeschreibungHalfmodel van een motorvrachtschip. Blokmodel gebouwd volgens de stapelmethode (uit zes horizontaal gestapelde en verlijmde planken. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het model heeft een plat vlak, een steile steven en een geveegd achterschip. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op de wand en bovenkant is met potlood de plaats van de 19 spanten aangegeven. Het model is niet geplaatst op een plank. Op de achterzijde is met stift geschreven: 'H.P. v.d. Werff Drachten Helling Langewijk'. Kleuren: het model is niet geverfd of gelakt. Accessoires: het model is niet geplaatst op een plank.
HintergrundinformationHet model zal waarschijnlijk een klein motorvrachtschip verbeelden, gebruikt voor bijvoorbeeld de beurtvaart. Het model is afkomstig van de scheepswerf van Haike Pieters van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Zijn vader Pieter Haikes van der Werff, die een werf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten, kocht de werf van diens oom Ate Pyters van der Werff aan de Langewijk voor zijn zoon. Van deze werf is een werfboek bewaard gebleven en tevens enige scheepsbouwtekeningen. Werfboek en tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. Uit In het werfboek worden geen schepen vermeld die voor 1900 zijn gebouwd. en ook uit de tekeningen is niet na te gaan voor welke opdrachtgever het model is gemaakt. De schenker, Durk Lourens van der Werff, is een zoon van Haike Pieters van der Werff.
BeschreibungScheepsmodel van een houten roeischouw. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is plat en loopt schuin omhoog. Het achterschip heeft een platte, nagenoeg verticale spiegel. Het vlak is plat en loopt naar voren en naar achteren omhoog. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een metalen oog met daaraan een landvast, die opschoten in het voorschip ligt. De boot is open: de spanten zijn te zien, de bodem is bedekt met buikdenningen. De roeibank is in het midden voorzien van een rond gat. In de bodem er loodrecht onder is een ronde uitsparing gemaakt. In beide gaten kon een steekmast geplaatst worden om de boot te kunnen zeilen. De bank rust aan de uiteinden op brede klossen en is aan de bovenkant vastgezet met kniestukken tegen het boeisel. Op de boeisel zijn twee roeidollen gemaakt. Daaraan hangen twee roeispanen. De achterbank loopt aan de zijkanten met de boorden mee naar voren. In het midden van de achterbank is een luik gemaakt (dat echter is vastgezet). Kleuren: De romp is geheel, zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant, gelakt. Accessoires: een stander en twee roeispanen.
HintergrundinformationDe schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling., literatuur:
- Klaas Wielinga, 'Tsjipke Postma (1866-1956)' (Veenwouden 2006)
BeschreibungScheepmodel van de kustvaarder Marie uit Foxhol. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De kustvaarder heeft een liermast en een lantaarnmast. De liermast staat tussen de twee ruimen. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door twee zijstagen op het boeisel (enkele stagen zijn afgebroken). Aan bakboord is aan de mast een ladder gemaakt. Aan de mast hangen twee liergieken, die beide hangen in kraanlijnen die worden bediend met motorlieren aan de voet van de mast. Aan de onderkant van de gieken hangen de schoten waarmee de gieken zijwaarts worden bewogen. De voorwaats gerichte liergiek rust aan het uiteinde in een mik op het voordek. De achterwaarts gerichte liergiek rust in een houder aan het brugdek. Op het dekhuis is een lantaarnmast geplaatst met daarin vier boordlichten en erop een antenne. De mast wordt aan weerszijden gehouden door twee zijstagen. Op het achterschip een vlaggenstok met rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Uit de kluisgaten hangen twee ankers. Op de boorden van het voorschip is aan weerszijden de scheepnaam geschilderd: 'Marie'. Op het verhoogde voordek een dubbele ankerlier, een reserve-anker, een scheepsbel en een schoorsteen. achter het voordek een voorruim en een achterruim, met daartussen in de liermast met dubbele giek. Op het achterhuis een dekhuis van twee etages met daarboven een dek dat ook het gangboord langs het dekhuis overdekt. Op dit achterdek de brug (stuurhuis van hout), de seinmast, de antennes, de radar, twee reddingsloepen in davits, een kompas en een takel. Op de schoorsteen een embleem (tandrad met daarin de latter 'H'). Op het achterschip is geschilderd 'Marie / Foxhol'. Kleuren: De romp is grijs, het onderwaterschip zwart het het boeisel van het voor- en achterschip wit. De dekken van het voorschip en het ruim zijn zwart. Hetbovendek is van gelakt hout. De luikhoofden zijn bruin, de luiken gelakt. De masten, de schoorstenen en de takel zijn okergeel. Het dekhuis is wit en de brug is gelakt. Het metaal roest op enkele plekken. Accessoires: het model is geplaatst op een houten plank met glazen kap. Het model is met een blok hout op plank bevestigd met een blok hout op het vlak.
HintergrundinformationDe kustvaarder Marie uit Foxhol is in 1972 op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker verbouwd tot zandzuiger (bouwnummer F53). Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschreibungOnvoltooid speelscheepje van het type Lytse Folle. Blokmodel.
Rondhouten en tuigage De mast ontbreekt. Wel zijn er voorlopige koperen stagen aan de romp bevestigd.
De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip is rond. De bodem is voorzien van een kiel, die aan de onderkant is voorzien van een metalen verzwaring. Aan de achterkant van de kiel is een roer opgehangen. De houten spil van het roer steekt uit model.
Het model van voor naar achter: Op het dek zijn nog geen detailleringen aan gebracht. Te zien zijn alleen het gat waarin de mast moet worden geplaatst en het gaat waaruit de houten spil van het roer naar boven steekt.
Kleuren: het model is ongeverfd.
Accessoires: geen
HintergrundinformationDe herkomst van het onvoltooide speelscheepje is niet bekend. het behoort tot het type Lytse Folle: het is korter dan 55 cm. (lyts) en het is massief (fol). De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyst Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschreibungScheepsmodel van een houten viskotter. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft twee masten (grote mast en bezaanmast) en een boegspriet. De grote mast staat op het voordek. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag op de voorsteven en door twee voorstagen op de boegspriet. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staandwant van één hoofdtouw (zijstag) en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast wordt aan weerszijden gehouden door een zijstag die met twee blokken is getakeld en is vastgezet op het boeisel van het achterschip. De boegspriet rust aan de achterkant in een stoel op het voordek en in een beugel aan de voorsteven. Aan de voorkant wordt de boegspriet niet gestaagd, maar hangt in de voorstagen van de grote mast. Het model heeft geen zeilen. Aan de rondhouten, valeen en schoten is echter wel af te leiden welke zeilen er op het schip gevoerd konden worden. Aan de voorstagen kunnen twee kluivers en een stagfok gehesen worden. De vallen en schoten ervan ontbreken. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. De klauwval van de gaffel loopt over twee blokken (één aan de klauw en één aan de mast). De piekeval loopt over vier blokken (twee aan de gaffel en twee aan de mast). De onderkant van het grootzeil kan worden bevestigd aan de giek. Deze hangt aan de voorkant met een zwanehals in een oog aan de mast. De achterkant van de giek hangt in een touw aan de top van de gaffel (geen kraanlijn). De grootschoot loopt over twee blokken en is belegd op het onderste van deze twee blokken (dat echter geen hakkeblok is). Aan de bezaanmast kan een bezaanzeil gehesen worden. Het is een driehoekig zeil zonder gaffel. De onderkant van het bezaanzeil wordt vastgezet aan de giek. Deze hangt aan de voorkant met een zwanehals in een oog aan de bezaanmast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn aan de mast. De bezaanschoot loopt over een blok aan de giek en via een papegaaiestok (die uit het achterschip steekt) naar voren en is belegd op een klamp aan het boeisel aan stuurbord. De vallen van de zeilen (voorzover aanwezig zijn belegd op ogen in het dek aan de voet van de beide masten. Op het model worden geen vlaggen gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en verticaal. Het achterschip heeft een smalle, schuinstaande spiegel en is daaronder geveegd. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Aan de boegspriet is met een touw het anker vastgezet. Het ankertouw is vastgezet op de bolder op de stoel van de boegspriet. Het voordek is verhoogd: het is evenhoog als de bovenkant van de boeisels. Op de boeisels van het voordek zijn relingen gemaakt. Achter de grote mast is in het dek een schuifluik gemaakt. In de wand eronder zijn dubbele deuren, die toegang verschaffen tot het verblijf in het vooronder. Op het middendek staat aan stuurboord voor de genoemde wand een watervat. Over de gehele breedte van het dek zijn twee banken en een achterbank gemaakt. Deze zijn aan de boorden voorzien van kniestukken. Tussen de achterbank en de bank ervoor zijn bovendien langs de boorden zijbanken gemamkt. Achter de tweede bank isstaat een lenspomp met hevel. Het achterdek is enigszins verhoogd. Op het achterdek staat de bezaanmast. Daarachter stektde spil van het roer omhoog. Daaraan is een metalen helmhout gemaakt dat rond de bezaanmast is gebogen. Uit het achterschip steekt de papegaaiestok van de bezaanschoot. Kleuren: De rond is gelakt. De boeisels zijn zwart. De dekken en rondhouten zijn gelakt. Het anker, de relingen en het helmhout zijn zwart. Accessoires: vaste stander, anker en vast watervat.
HintergrundinformationDe herkomst van het model is niet bekend. Het model is waarschijnlijk gemaakt naar een Engels vissersvaartuig., literatuur:
- John Leather, Gaff Rig (Londen, 1970)
- Sneeker Nieuwsblad 9 okt. 1975
BeschreibungSpeelscheepje in de vorm van een zeiljacht, gelijkend op een dertig-kwadraat-klasse of een regenboogjacht. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage. Het speelscheepje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door een metalen zijstag. De zeilen zijn van witte (verkleurde) katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de fok is met touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgeknoopt aan een ring op de voorsteven. De fokkeschoot bestaat uit een dubbele ring die is vastgezet op een metalen overloop op het voorstel. Het grootzeil heeft de vorm van een catzeil: een rechte gaffel die uitsteekt boven de top van de mast. Het grootzeil is met raktouwen vastgezet aan de gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De halstalie is vastgeknoopt aan een oog in de voet van de mast. De giek hangt met een houten klauw tegen de mast. De grootschoot loopt van de achterkant van de giek naar een oog in het achterdek en vervolgens via twee giekringen naar een oog in de kuip, waar de schoot op is vastgeknoopt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank (zonder nagels). Op de top van de mast een rode windvaan. bij de tuigage van het speelscheepje is geen gebruik gemaakt van blokken.
De romp: Het voorschip is scherp met een lepelvormige boeg. Het achterschip is licht overhangend en voorzien van een schuine spiegel. De bodem is U-vormig en is voorzien van een kiel die aan de onderkant is verzwaard met metaal. Het roer is aan de kiel opgehangen.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag, waarop de voorstag en de hals van de fok zijn vastgezet. Op het voordek een metalen overloop die scharniert in de ogen waaraan de zijstagen zijn bevestigd. De mast staat in een mastkoker. Aan de voet van de mast een dwarslat (soort nagelbank), waarop de vallen zijn belegd. Achter de mast de kuip, die van boven gezien granaatvormig is. Langs de randen van de kuip een waterlijst. De kuip is voorzien van een buikdenning. Langs de zijwanden van de kuip twee losse banken. Uit het achterdek steekt de spil van het roer omhoog. Aan de spil is een krom helmhout bevestigd. Achter het helmhout een houten klamp en een metalen oog.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is donkergroen. Het dek is gelakt. De binnenkant van het schip is wit. De buikdenning en de banken in de kuip zijn gelakt. De rondhouten zijn gelakt, evenals de stander. De lak is geoxideerd zodat de gehele romp is bedekt met donkere vlekken.
Accessoires: stander.
Scherp spiegel-zeiljacht. Getuigd met fok en gaffelzeil. De blokken ontbreken. Open kuip. Het touwwerk loopt door schroefoogjes. Het model is blank gelakt (sterk verweerd). Het onderwaterschip is zwart.
HintergrundinformationHet speelscheepje is afkomstig uit de Sneker familie J.C. Gorter. De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschreibungScheepsmodel van een trekschuit. Op spanten gebouwd. Schaal: niet bekend.
Tuigage: geen (alleen een trekmast) De romp: De trekschuit heeft de vorm van een snik: scherpe voorsteven, rond achterschip en vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Langs de boeisels in het voorschip twee banken. Aan weerszijden twee bolders. Aan de voorwand van de roef de trekmast. De mast wordt gestaagd aan de punten van de achterwand van de roef. In de voorwand van de roef dubbel openslaande paneeldeuren die van boven halfrond zijn. In de zijwanden twee ramen met metalen schuifluiken. In het dak van de roef een luik met daaronder wegneembare schotten. Aan weerszijden van deze entree twee aparte met banken ingerichte compartimenten. Op de roef (zwarte letters op wit): 'Sneek - Leeuwarden'. Het schip heeft geen gangboorden. De roef loop van boeisel tot boeisel. In de achterwand dubbele openslaande paneeldeuren. In het achterschip twee zijbanken. Het roer heeft een metalen helmstok. De roerkop is rond en is versierd met drie ingesneden tongvormen.
Kleuren: de romp is grijs, het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. De boven- en binnenkant van het boeisel zijn groen. De dekken en het dak zijn gelakt. De roef heeft aan de buitenkant groenen wanden met witte lijsten. De raamuiken zijn blauw. Aan de binnenkant is de roef rood. Het roer is deels grijs en deels gelakt.
Accessoires: stander.
HintergrundinformationHet model werd gebouwd naar bouwtekeningen van een trekschuit van de hand van F.N. van Loon uit 1828. De Staten van Friesland vroegen Folkert van Loon een ontwerp te maken voor beter ingerichte trekschuiten. In 1828 werden vier nieuwe trekschuiten naar zijn ontwerp gebouwd op de werf van de gebroeders Ypes aan het Vliet te Franeker. In de jaren daarn zijn daar nog meer van deze trekschuiten gebouwd.
Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. In Friesland kwamen in 1642 de trekvaart en trekweg tussen Harlingen en Leeuwarden gereed, in 1647 die tussen Leeuwarden en Dokkum, in 1656 die tussen Dokkun en de Groningse grens en tenstotte die tussen Leeuwarden en Sneek in 1661. De trekvaarten verzekerden de reizigers een gerieflijk vervoer per trekschuit met vaste vertrek- en aankomsttijden. De trekschuiten waren 10 tot 15 meter lange, smalle schepen. Een korte mast stond tegen de voorkant van de kajuit. Aan de mast was een touw bevestigd waaraan het trek- of jaapaard liep over het jaagpad. In de kajuit bevonden zich een eerste en een tweede klasse afdeling. De eerste klasse was iets luxueuzer ingericht dan de tweede kalsse: kussens op de banken en dam- en schaakspel waren aanwezig en soms kranten. Waar geen trekschuiten konden varen werd de beurtdienst met een zeilschip onderhouden., literatuur:
- W.F. Broos, 'F.N. van Loon (1775-1840)' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980, pp. 70-75.
TitelG. Stamm, Den Haag - zilveren model van een regenboog-jacht, zeilprijs.
HerstellerStamm en Co., G.
Stichwörterregenboogklasse, Kaagweek
ObjektnummerZ-190
Periode van1935
Periode tot1937
BeschreibungZilveren model van een regenboogjacht met zeilnummer 15. Het model is volledig uitgevoerd in zilver: de mast, de rondhouten, de vallen en schoten en de zeilen. Het model is met de kiel vastgezet op een blokhout. Daar omheen is een sokkel met schuine wanden gemaakt. Op een van deze wanden twee zilveren plaatjes met inscriptie: 'Kaagweek 1937 / S. Kuipers - Sneek' en 'Kaagweeg 1938 / S. Kuipers - Sneek'. Rond de sokkel is een vitrine gemaakt vam houten ribben.
HintergrundinformationDe regenboog met nr. 15 is de Waterrot van S. Kuipers uit Sneek.
De regenboogklasse is ontworpen door G. de Vries Lentsch uit Nieuwendam en als nationale eenheidsklasse door het KNWV erkend in 1917. De boot heeft lange en volle overhangen en is derhalve geschikt voor meren en plassen, maar niet voor al te woelig water. Het heeft een steil gepiekt gaffeltuig. De naam regenboog is gekozen omdat het oorspronkelijk de bedoeling was elk schip een andere kleur te geven. Dat hield met niet vol: de meeste latere regenbogen zijn gelakt. De klasse was tot de Tweede Wereldoorlog populiar. Daarna verminderde de belangstelling. Na oprichting van de Regenboogclub en na de bouw van de nieuwe regenboog (nr. 94) in 1968 (de eerste na 40 jaar stilstand) leefde de klasse weer op. Sindsdien zijn er 40 nieuwe regenbogen gebouwd. Het schip bleef klassiek, maar voor de westrijdzeilers zijn er een aantal moderniseringen doorgevoerd: spinnaker, hangbroek (als trapeze) en zelflozers., G. Stamm en Co. te Den Haag gebruikte het meesterteken Koonings II 9810 van 1916-1961., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1971-1972, p. 14
BeschreibungScheepsmodel van een melkboot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond (steven en berghout) met een plat deel (boeisel en huid daar net onder). Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter. Op het voorschip een korte metalen overkapping van boeisel tot boeisel. Daarop een bolder. Daarachter een lantaarnmast. Het dek is plat. Daarop 18 melkbussen in verschillende formaten. Op he achterschip de opbouw van de motor met daarop een schoorsteen. De schoorsteen is voorzien van handgrepen zodat deze verwijderd kan worden bij lage bruggen. Achter de machinekamer een houten stuurhut. In de voorwand van de stuurhut drie ramen, in de zijwanden één raam en in de achterwand de deur. Aan stuurboord is aan de stuurhut een scheepshoorn bevestigd. De stuurhut kan geheel verwijderd worden (nodig bij lage bruggen). Ook over het achterdek een korte metalen overkapping tussen de boeisels met daarop een bolder. Kleuren: de romp is groen, het onderwateschip is zwart. De binnenkanten van de boeisels en de opbouw zijn groen. De houten stuurhut is gelakt. Het dek is grijs. Accessoires: stander die met vilt is bekleed.
HintergrundinformationMelkboten zorgden voor het vervoer van melk in melkbussen van de boer naar de zuivelfabriek. Model stond de melkboot van Hempens, een zolderschuit met motorkont. Een dekschuit vervoert haar lading aan dek. Het ruim dient tot berging van de dekkleden, stuwhout en andere inventaris. Men gebruikt dekschuiten voor het vervoer van goedering in havens en vaarwaters waar geen stroom loopt en ebb noch vloed gaat. Vooral in Amsterdam varen veel dekschuiten. De grachten en kaden zijn er zodanig ingericht dat de lading van dekschuiten zonder takels geladen en gelost kunnen worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 22
TitelHalfmodel van de klipper Emanuël van S.A. Hoogeveen.
HerstellerWerff, H.P. van der ; Drachten
Stichwörterklippers
Objektnummer1994-087
Periode van1906
Periode tot1906
BeschreibungHalfmodel van een klipper. Stapelmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: scherpe voorsteven, rond en geveegd achterschip, vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op het voordek het luik van het vooronder en het voorruim. Daarachter de mastkoker, het achterruim en de roef. In de zijwand van de roef zijn twee ramen geschilderd. Op het dak van de roef een lichtkap. Op het boeisel twee bolders. Het model is geplaatst op een eikenhouten plank waarop met gesneden, opliggende letters de gegevens van het model staan genoteerd. De tekst op de plank: '120 ton / KLIPPER VOOR / S.A. HOOGEVEEN / BIJ GEBR. H.P. & A.P. VD WERFF / DRACHTEN 1905'. In de plank twee ophanggaten. Kleuren: De romp is beschilderd in de kleuren grijs en wit. Het dek is zwart, de roef is wit, de dak van de roef is lichtgroen. De luiken op de roef en op het vooronder zijn rood. De luiken van het voor- en achterruim zijn gelakt.
Accessoires: geen
HintergrundinformationHet halfmodel is niet geheel origineel. Het snijwerk op de plank, de beschildering en het aangebrachte naambord zijn niet origineel, maar later bij het halfmodel gemaakt. Bij restauratie zijn deze kleuren gehandhaafd. De naam van de klipper was Emanuel en niet Hoop op Zegen. Het bouwjaar was niet 1905 zoals op de plank staat, maar 1906 (de bouwtekening is van 1906 en ook schipper Jelle Hoogeveen noemt dat jaar als zijnde het bouwjaar). Ook het feit dat op de plank staat dat het schip is gemaakt door de Gebr. H.P. en A.P. van der Werff klopt niet. Haike Pieters van der Werff kreeg de werf aan de Langewijk in bezit doordat zijn vader Pieter Haikes van der Werff (die een werf had aan de Noorderdwarsvaart) de werf van diens oom Ate Pieters van der Werff kocht. In het werfboek van Haike Pieters van der Werff, dat wordt bewaard in het Fries Scheepvaart Museum, wordt het schip onder nr. 25 genoemd: 'Sake A. Hoogeveen / Klipper aak / Lang 82, wijdt 490, Hol 190'. Van het schip is ook nog een bouwtekening (inv.nr. 1994-088). In 1932 liet Sake Hoogeveen in de klipper een motor bouwen. In 1935 overleed Sake en nam zijn zoon Jelle het schip over. Hij bleef op het schip varen tot omstreeks 1980. Na zijn overlijden kwam het schip in handen van Theunis Koolhaas, stedebouwkundige te Lelystad. De klipper is een binnenschip, een ijzeren zeilvaartuig, waarvan de naam is ontleend aan het snelzeilend zeegaand koopvaardijschip: de clipper. De eerste ijzeren binnenvaartschepen hadden dezelfde vorm als hun houten voorgangers. De ijzerbouw maakte echter ook andere vormen mogelijk. Er werd meer gelet op stroomlijn. Dat bevorderde de snelheid en dat was belangrijk in de concurrente met stoom- en motorschepen. De voorsteven van de klipper is gebogen in een S-vorm. Door metaalbouw was het mogelijk overgangen van hol naar bol te maken, zelfs op korte afstand van elkaar. Het achterschip is geveegd en heeft een overhangend hek. Wel zijn er regionale verschillen in de vorm van de klipper. In het zuiden wilde men klippers met snelheid (scherpe steven) en in het noorden lette men meer op laadvermogen (vollekop). Ook kenmerkend voor de noordelijke klipper is het schuine hek. Klippers waren uitgerust met moderne hulpmiddelen: een stuurrad in plaats van een helmhout en lieren voor zwaardlopers en vallen in plaats van takelage met blokken. De klipper was een populair binnenvaartschip: in 1940 voeren er 1471 van in Nederland., literatuur:
- Lieuwe Westra, 'Familie Van der Werff: dynastie van Friese scheepsbouwers' in: Spiegel der Zeilvaart, mei 1977, pp. 28-34.
- Onbekend, 'Jelle Hoogeveen (78), onze laatste zeilende vrachtvaarder: waarom wachten ze niet tot het uitgestorven is?' in: Friesland Post juni 1978, pp. 110-113.
BeschreibungScheepsmodel van een Bestevaer-kruiser. Metaal. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: Het voorschip is scherp met een schuine boeg. Het achterschip heeft een verticale spiegel die enigszins rond loopt. De bodem is gebouwd op een knikspant.
Het model van voor naar achter.
Langs het voordek een reling (preekstoel). Op het voordek twee bolders met opgerolde landvasten en in de punt een Friese vlag. De opbouw is aan de voorkant laag. Hier is een slaaphut gesitueerd. In de slaaphut twee voorramen en aan beide één raam. Op het dak van de slaaphut een luik, een claxon, een ontluchtingskap en langs de randen van het dek twee handrelingen. Achter de slaaphut de de verhoogde stuurkabine met twee voorramen, twee zijramen en twee achterramen. Aan beide zijden is een houten schuifdeur. Op de wanden van de stuurkabine de boordlichten en een naambord 'BESTEVAER 960'. Langs de randen van het dak van de stuurkabine leuningen.
Achter de stuurkabine de salon. In de salon aan beide zijden drie ramen en achter drie ramen. Het dak van de salon is het achterdek. Het is met een opstap te bereiken. Langs de randen van het dek relingen. Op het achterdek twee bolders met landvasten en een vlag (rood-wit-blauw).
Interieur. Door de ramen heen is het interieur te zien. De wanden zijn met vinyl-behang bekleed. Slaaphut: slaapbanken, een kast en een toilet. Stuurkabine: stuurwiel en dashboard. Salon: tafel met twee banken, wandbank, aanrecht en twee kasten.
Kleuren. De romp is wit. Het onderwaterschip rood (menie-kleur). De waterlijn is rood. Langs de zwarte stoorrand is de romp versierd met biezen: geel en blauw van voor naar achter en drie blauwe randen op voor en achterschip. In het achterschip een driehoekig embleem met daarin de letters W.Y. (Woudstra-IJlst). Op het achterschip: 'IJLST'. De dekken zijn grijs. Het houtwerk is gelakt. Het metaal roest van binnen uit.
Accessoires: Het model is geplaatst op een stander en een grondplaat. Daarop is een vitrine van plexiglas geconstrueerd.
HintergrundinformationHet model is vervaardigd door Louwerens Barentsen, directeur van jachtwerf Woudstra b.v. te IJlst. Deze werf bouwde rond 1965 een aantal van deze motorboten onder het typenaam 'Bestevaer'. Er waren meerdere types die werden gebouwd op hetzelfde casco. Het ontwerp was van de werf zelf.
Motorboot is in de watersport de verzamelnaam voor alle pleziervaartuigen die uitsluitend worden voortgestuwd door een motor. Ze worden onderverdeeld in:
- open boten zonder kajuit (bijvoorbeeld de autoboot, de speedboot, de visboot en de bijboot).
- dagkruisers met verhoogd voordek, waaronder enige kajuitaccomodatie en met een grote open kuip.
- motorkruisers, middelgroot met kajuitopbouw en vaak daarachter een kuip
- motorjachten, grote zeewaardige motorboten met het uiterlijk en de allure van een jacht.
Het model is van het derde type: de middelgrote motorkruiser., literatuur:
- Knipselmap 'motorboten'
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 24
TitelHalfmodel van een tjalk gebouwd op de werf van J.O. van der Werff.
HerstellerWerff, Gurbe van der
Stichwörtertjalken
Objektnummer1987-054
Periode van1986
Periode tot1986
BeschreibungHalfmodel van een tjalk. Gebouwd volgens de stapelmethode. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond met terugvallend boeisel. Het achterschip is rond en niet gepiekt. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de scheg, het berghout en de achtersteven zijn aangebracht. Het halfmodel is geplaatst op een plank. Kleuren: De romp is geheel wit geschilderd. De plank is gelakt. Accessoires: geen
HintergrundinformationHet model is gemaakt naar een plantekening van een tjalk van de hand van J.O. van der Werff te Buitenstvallaat (Drachten).
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19
TitelScheepsmodel van de Fiducia, een motorvrachtschip van het type Kempenaar.
HerstellerSchouwstra, C.
Stichwörterkempenaars, maatschepen, vrachtschepen
Objektnummer1991-148
Periode van1988
Periode tot1991
BeschreibungScheepsmodel van een motorvrachtschip van het type Kempenaar. Blokmodel. Schaal 1:50.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: scherp voorschip, rond en geveegd achterschip, valkke bodem.
Het model van voor naar achter: Op het voordek de ankerlier en de opbouw van het vooronder. Daarop de lantaarnmast met twee lantaarns. Daarachter het ruim. Halverwege het ruim aan bakboord een davit met daarin een reddingboot. Achter het ruim de houten stuurhut en de roef. De stuurhut kan verwijderd worden, zodat in de roef gekeken kan worden. In de roef aan beide zijkanten vier ramen en in de achterwand en patrijspoort. Op het dak van de roef de schoorsteen, de boordlichten en een houten naambord: 'FIDUCIA ZWIJNDRECHT'. Ook op het dak van de stuurhut twee lantaarns. Langs de roef en het achterschip een metalen reling.
Kleuren: De romp van het schip is zwart. Het boeisel en de bovenkanten van het voor- en het achterschip zijn grijs. Het dek is zwart. De opbouw van het vooronder en de wanden van de roef zijn wit. De luikhoofden en de daken van de roef en de stuurhut zijn grijs. De schoorsteen is blauw en de twee roerbladen zijn rood. De luiken en de houten stuurhut zijn gelakt.
Accessoires: Loopplank en zes wrijfhouten.
HintergrundinformationHet model is gebouwd door de schipper en eerste eigenaar van het schip. De Fiducia werd in oktober 1961 gebouwd te Harlingen, tegelijk met de M.S. Drechtstad. De Drechtstad werd gebouwd in opdracht van G. Schouwstra (in 1991 wonende te Sneek, Bourbonstraat 33) en de Fiducia in opdracht van C. Schouwstra (de bruikleengever en vervaardiger van het model). Copieën van de bouwtekeningen worden bewaard in het knipselarchief. Afmetingen van het echte schip: lengte 50 meter, breedte 6.60 meter, holte 2.51 meter, 498 ton. Motor: Deutz 375 pk van het type RvM 536. Een Kempenaar is een zogenaamd maatschip: de vorm wordt bepaald door de grootte van de sluizen en bruggen die het schip moet kunnen passeren. De Kempenaar is gebouwd om de Zuid-Willemsvaart en de Kempense kanalen te kunnen passeren. In het algemeen bedraagd de lengte 50 meter en de breedte 6.60 meter. Met de bouw van kempenaars, aanvankelijk nog ijzeren sleepschepen, werd begonnen op het einde van de 19de eeuw. Tot 1930 werden in België bijna 300 van deze binnenschepen te water gelaten. Later werden de schepen gemotoriseerd. De na-oorlogse Kempenaars werden gebouwd als motorvrachtschip en hadden een wezenlijk andere vorm als de sleep-kempenaars van voor de Tweede Wereldoorlog. Vooral in de jaren 1960 en 1961 werden er veel van deze motor-kempenaars gebouwd (in België alleen al 20).
BeschreibungHalfmodel van een Rivierschip. Blokmodel gemaakt volgens de stapelmethode (op elkaar gelijmde planken). Gemaakt uit twee soorten houten. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: geen Romp: Het voorschip is scherp en heeft een zogenaamde ramsteven. In zijaanzicht steekt het onderwaterschip in een bolle vorm door naar voren, als ene omgekeerd vraagteken. Het achterschip rond en geveegd (motorkont). De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Het model is weinig gedetailleerd. Alleen de vorm van de romp is nauwkeurig aangegeven. Boven het berghout is een rij luiken gemaakt: zes in het voorschip en vier in het achterschip. Het roer is halfrond en hangt voor de scheepsschroef (die niet is aangegeven). Op het dek is de plaat van een ruim aangegeven. Het halfmodel is bevestigd op een plank die is ingelijst. De lijst is voorzien van twee ophangogen. Kleuren: De romp is gelakt, zodanig dat de verschillende houtsoorten ook verschillende kleuren opleveren. De luiken zijn zwart geverfd, evenals het dek. De plank is zwart en de lijst is gelakt. Accessoires: geen
HintergrundinformationTussen 1875 en 1900 werden veel oorlogsschepen voorzien van een ramsteven. Bekend zijn de ramschepen Buffel en Schorpioen, die werden ingezet voor de verdediging van de kusten. Ook de grote rivieren in Nederland werden verdedigd met dergelijke schepen, rivierschepen genaamd. In 1870 werd het eerste rivierschip, de Vahalis, gebouwd. Het was een zogenaamde brugrammer (365 ton en twee kanonnen), geschikt voor het stukrammen van vijandelijke pontonbruggen. Tussen 1876 en 1879 volgden de Merva, de Mosa, de Isla en en Rhenus. Het waren behoorlijk gepantserde schepen. In het begin van de 20ste eeuw werden deze schepen afgevoerd., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 30 juli 1948
TitelScheepsmodel van een haringboot met visserijnummer HB33.
HerstellerJong, Dirk en Sybe de
Stichwörterharingboten, vissersschepen
Objektnummer1993-019
Periode van1992
Periode tot1992
BeschreibungScheepsmodel van een haringboot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen.
Romp: scherpe voorsteven, scherpe achtersteven, plat vlak.
Het model van voor naar achter: De stevenbalk is recht. Op de voorsteven het visserijnummer: 'HB 33'. In de voorsteven een schuingeplaatste kniespant. De bodem is geheel vlak. In het voorschip een bank. Tussen de spanten twee uitschuifbare schotten. In het achterschip bergruimte. Opvallend is de verdikking van de huidplanken in het middenschip. Het beslag (ringen) is van koper.
Kleuren: het model is donker gebeitst.
Accessoires: geen.
HintergrundinformationHet model werd opgezet door Dirk de Jong (geboren 12 aug. 1903, overleden in 1992) en afgemaakt door zijn zoon Sybe de Jong. Het betreft een model van de haringboot van de vader, resp. grootvader van de bouwers, Sybe de Jong. Hij was visser te Zwarte Haan en had het visserijnummer HB33 en stokmerk ¦*¦ De bouwer leverde bij het model een fotocopie van het visserijconsent uit 1936, verleend aan Sybe de Jong, geboren in 1872. Het schip had toen de naam De Jonge Fokke en het visserijnummer HB 33. Het consent is terug te vinden in de knipselmappen (trefwoord regelvisserij).
De vorm van de haringboot werd bepaald door het gebruik ervan. Het vlak is plat, zodat de boot amfibisch gebruikt kon worden (over de dijk of zandbanken slepen). De boot had een geringe holte om zelfs in het ondiepste water te kunnen blijven varen. De boot werd geboomd en daarom zijn voor- en achtersteven puntig. Zeilen gaf teveel rommel aan boord. Opvallend zijn de steile hoge boorden. Dat zou problemen geven hij het inhalen van de fuiken, maar als twee vissers aan een kant gaan staan kwam het boord dicht genoeg bij het water. Ze verkregen stevigheid doordat de boorden net op kniehoogte waren. De boorden waren steil om het schip smal te houden. De lading vis kon zo niet al teveel in de breedte van het schip heen en weer glibberen, waardoor de boot instabiel zou worden. Het schip is overnaads gebouwd van drie brede gangen. In de tweede helft van de 19de eeuw en in het eerste deel van 20ste eeuw werden er veel haringboten gebouwd op de werf van de Gebroeders Van Maanen te Berlikum. De oudere types, waarvan dit model een beeld geeft, waren ongeveer 7 meter lang en 1.5 meter breed. Aan de regelvisserij, die in Barradeel en Het Bildt en in de Dongeradelen werd beoefend met haringboten, kwam een einde na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932., literatuur:
- ir. J. Roelfzema, 'De Friese Haringboot', Jaarverslag Vereniging Nederlands Historisch Scheepvaart Museum 1981, pp. 47-50.
- S.J. van der Molen, Vissers van Wad en Gat (Leeuwarden, 1962)
- S.H. Buwalda, Geskidenis van de Biltse Waddenfisserij (Sint Annaparochie, 1986)
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, p. 20
BeschreibungScheepsmodel van een baggermolen. De romp is rechthoekig van vorm. Langs de gehele romp een stootrand. Het model van voor naar achter: Op het voorschip de takelbok voor de baggerarm. Met de bok kan de baggerarm dieper of minder diep in het water worden gelaten. De bok wordt bediend met twee draaihendels. De baggerarm loopt van voor naar achter schuin omhoog. over de arm loopt een ketting van baggeremmers. De emmers zijn halfrond van vorm. op het middenschip bereikt de baggerarm zijn hoogste punt. Daar is ook ook de aandrijving van de arm. Via tandwielen en een aandrijfsnaar vanuit het ketelhuis op het achterschip wordt de ketting met de baggeremmers in beweging gebracht. In de toren op het middenschip is ook de plaats waar de emmers gelost worden. Via twee losgoten kan de bagger in dekschuiten gelaten worden. De losgaten hangen in twee takelmasten, zodat de hoogte van de goten veranderd kan worden. De beide takelmasten zijn bevestigd aan de toren op het middenschip. Aan een derde mast aan de toren zijn de seinen bevestigd: twee ballen en een blauwe vlag. Het ketelhuis op het achterschip is voorzien van een verticale ketel die uit het dak steekt. Op de ketel een schoorsteen. Aan bakboord is in het dekhuis een deur en aan stuurboord twee schuifluiken. Het gehele dek is voorzien van reling. Op het dek voorts vier dubbele bolders en vijf lierkasten waarmee de ankers worden opgedraaid. aan beide zijden zijn aan de opbouw slangen bevestigd waarmee het dek schoongespoten kan worden. Kleuren Het onderwaterschip is zwart. Het dek en de opbouw daarop zijn grijs gespoten. Slechts hier en daar zijn op de opbouw enkele onderdelen zwart geverfd: de rollen op de baggerarm, de hendels op de bok en de lieren, de haspels van de slangen en de schoorsteen van de stoommachine. Accessoires Bij het model hoort een stander van ongeverfd hout.
HintergrundinformationHet model van de baggermolen is gemaakt naar tekening van de stoom-baggermolen Rival van de firma Dikkerboom en sybrandy te Heerenveen. Deze baggermolen werd in 1933 gebouwd op de scheepswerf De Hollandsche IJssel te Oudewater. De tekeningen van de baggermolen, die bewaard zijn gebleven bij het baggerbedrijf te Heerenveen, zijn in 1990 geschonken aan het Fries Scheepvaart Museum en zijn genummerd 1990-458 t/m 1990-487. Deze tekeningen zijn gebruikt bij de bouw van het model., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 24
BeschreibungScheepsmodel van een driemaster. Uitgehold blokmodel. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: geen. Wat ervan resteert zijn aan bak- en stuurboord series van vier en vijf gesmede spijkers, waaraan de staande wanten bevestigd waren. De romp: Het voorschip is rond en is voorzien van een campagne. Het achterschip is voorzien van een platte spiegel. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het galjoen is dichtgemaakt. Het bestaat uit drie profileringen die de regelingen moeten voorstellen. Het galjoen is aan de voorkant afgebroken en gebrokkeld. De dekken zijn niet aangebracht. Aan de romp is te zien dat het voordek hoger was dan het hoofddek. Achter het hoofddek een verhoogd halfdek en een nog hogere campagne. Op de buitenkant van de romp drie berghouten. Daartussen twee rijen geschutsopeningen met (grotendeels afgeknapte) houten kanonlopen (aan twee kanten twee rijen van zes). Tussen de geschutsopeningen op beide zijden een opschrift in vergulde letters: 'DIE MYN NAEM BEGERICH IS / OM TE WEETEN 'T WAEPEN VAN DIE STADT YLST BEN ICK GEHEETEN'. Aan het achterschip twee verbredingen vanuit de spiegel: de galereien. De spiegel en de wulf zijn niet versierd. In de wulf (het gebogen vlak tussen spiegel en de waterlijn), aan weerszijden van de achtersteven, nog twee geschutsopeningen. Dat brengt het totale aantal kanonnen op 26. Onder de achterste geschutsopeningen de ingekerfde letters 'FP'. In de romp een oog, waaraan het model gehangen heeft. Het model heeft geen roer. Kleuren: Delen van de meerkleurige beschildering zijn nog te zien. Het onderwaterschip is wit met daarboven een golvende lijn in blauw en donkerblauw. De berghouten zijn verguld. De ruimten daartussen lichtblauw met daarop vergulde letters met schaduw. Het galjoen, de verschansing en de campagne (galereien en spiegel) zijn verguld.
HintergrundinformationHet model is waarschijnlijk afkomstig uit het raadhuis van IJlst. Het ophangoog en de geschilderde golven maken aannemelijk dat het hier een kerkscheepje betreft. In dat geval zou het oorspronkelijk afkomstig kunnen zijn uit de in 1830 afgebroken Mauritiuskerk van IJlst. Het feit dat het model niet is uitgerust met een roer houdt verband met de legende van het roerloze IJlster koggeschip, dat wordt afgebeeld in het wapen van IJlst. Kerkscheepjes zijn scheepsmodellen ter opsiering van een kerkinterieur en daarin meestal opgehangen. Ze waren over het algemeen door zeelieden aan de kerk geschonken in gevolge een gelofte (ex voto) of uit dankbaarheid voor een behouden thuiskomst, een gunstige wending in een zeeslag, een rijke visvangst, etc., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1986, pp. 16-17. - Sneeker Nieuwsblad 29 juli 1947
- Ingekomen stukken 24 maart 1950, 30 maart 1950.
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de zeven-meter-tien-klasse.
HerstellerWester, Roel Ernst ; Grou
Stichwörterzeven-meter-tien-klasse
Objektnummer1994-017
Periode van1924
Periode tot1924
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de zeven-meter-tien-klasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7. Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een strijkbare mast. De mast staat in een mastkoker waarvan de wangen aan de bovenkant zijn voorzien van koperbeslag. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door een want van drie zijstagen. Twee zijstagen zijn met wantspanners vastgezet op puttingijzers. De derde zijstag (bakstag) is met een glijer vastgezet op een langsscheepse metalen rail. Met een touw kan de bakstag naar behoefte naar voren of naar achteren getrokken worden. Het touw wordt belegd op een klamp op het gangboord. Het model is voorzien van zeilen van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk en voorzien van enkelvoudige stiksels die banen suggereren. De hals van de fok is met een metalen ring aan de voorsteven bevestigd. Boven is de punt van de fok met één leuver aan de stag verbonden. De fokkeschoot loopt aan stuurboord via een metalen schootoog op het voordek, over de kuiprand en is belegd op een klamp aan de binnenkant van de kuiprand. De losse fokkeschoot aan bakboord loopt door een ander oog op het voordek en hangt los over de kuiprand. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel, die net boven de top van de mast uitsteekt. De stand van de gaffel is bijna verticaal: houarituig. De bek van de gaffel is van metaal. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. De beide vallen zijn net als de fokkeval belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. In het achterlijk van het grootzeil drie zeillatten. Het onderlijk van het grootzeil is met touwlussen vastgezet aan de giek. De giek is aan de mastkant voorzien van een patentrif. Met het patentrif kan de giek gedraaid worden, zodat het zeil op elke willekeurige stand gereefd kan worden. Ook bij het strijken van de zeilen wordt het gebruikt. Het patentrif vereist dat de grootschoot niet met oogbouten aan de giek is bevestigd. Rond de giek zijn daarom twee giekringen gemaakt die rond de draaiende giek kunnen rollen. Een metalen stang verbindt beide giekringen met elkaar en is aan de achterkant vastgezet op afsluitdop van de giek. De stang zorgt ervoor dat de schootblokken aan de giekringen naar beneden blijven hangen. De grootschoot is vastgezet aan deze stang, loopt vervolgens door een blok op het achterdek en twee blokken aan de giekringen naar de kuip, waar het halende einde van schoot is belegd op een klamp op de kielbalk. Op de top van de mast een witte windvaan die bevestigd aan een metalen pin. De blokken zijn van metaal en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een platte, verticale spiegel. De bodem is rond (U-vormig) en voorzien van een aangehangen kiel. Aan de kiel is ook het roerblad bevestigd. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien koperbeslag. Van de steven tot het achterschip is op de hoek van dek en romp een stootrand gemaakt. Over de dekken en gangboorden lopen van voor naar achter waterlijsten, waarin loosgaten ijn gemaakt. Ook van de stevenpunt tot de mast loopt een waterlijst met gaten. Op het voordek twee metalen klampen. Achter de mast begint de boven het dek uitstekende kuiprand. De kuip is van boven gezien grantaatvormig: van voren puntig en van achteren plat. De zijranden lopen naar achteren toe door en zijn daar afgeschuind. Van het midden van de achterste kuiprand tot het midden van de spiegel loopt een waterlijst met gaten. Daarop zijn bevestigd het helmhout van het roer en het achterblok van de grootschoot. In de kuip drie lattenbanken tegen de achter- en zijkanten met daarachter kastjes (die onder het achterdek is afsluitbaar). Op de bodem van de kuip twee buikdenningen. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig (anti-fowling). Het voordek en de gangboorden zijn tussen de waterlijsten groen. De rand buiten de waterlijsten is donkerbruin. De waterlijsten, de kuiprand en alles wat binnen de kuip is, is gelakt. Mast, rondhouten en helmstok zijn eveneens gelakt, evenals de vaarboom, de pikhaak en de uitzetter. De stander is zwart. Accessoires: stander, vaarboom, pikhaak en uitzetter.
HintergrundinformationRoel Ernst Wester is de vader van de schenker, Albert Wester. Roel Wester had een boot in de zeven-meter-tien-klasse, genaamde 'Anna'. Het had zeilnummer 41. In 1931 deed Roel Wester met dit schip mee aan de Sneekweek. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij de Anna als voorbeeld voor dit model gehad.
De zeven-meter-tien-klasse was een door de N.N.W.B. erkende beperkte klasse. De beperkingen van de klasse waren: lengte ten hoogste 7,10 meter, grootste breedte 2,15 meter, diepgang 0,90 meter, en zeiloppervlak van grootzeil en fok ten hoogste 30 m². Het zeilteken was een streep met daaronder het zeilnummer. De klasse werd ook wel 'onder de streep' genoemd. Er werd veel geëxperimenteerd met de vorm van de romp, de kiel, etc. In de dertiger jaren was men dat moe. Het animo voor de klasse verdween. In 1936 besloot de N.N.W.B. daarom de klasse nieuw leven in te blazen door er een eenheidsklasse van de maken. Ir. S. Veeman ontwierp de boot naar voorbeeld van de boot van W. Geveke. De huid van gangen werd vervangen door een huid van latten. Zo ontstond de dertig-kwadraat-klasse., literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 88.
BeschreibungHalfmodel van het fregat De Vrede. Blokmodel met bedekking van huidplanken. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen. Alleen de plaats van de drie masten, de boegspriet en de vlaggemast is aangegeven. De romp: Het voorschip is rond en voorzien van een scheg met een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat en loopt breed uit met zijgalerijen. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: De versieringen aan de romp zijn gedetailleeerd weergegeven. Op de scheg staat de galjoensleeuw. Daarachter het galjoen met drie regelingen. De slooiknie (de balk tussen scheg en boeg) is versierd met C-vormige bladornamenten. Op het voorschip een schuin naar voren stekende kraanbalk, die is voorzien van een schijf (gebruikt bij het ankeren). Daarachter de reling. Van de staande wanten zijn allen de jufferblokken en de koperen puttingijzers te zien. Ze zijn vast gezet op drie rusten (horizontale balken op het boeisel). Midscheeps, rechts van de rust van het middenwand, is op de scheepswand een trap gemaakt door middel van voetlijsten (valreep). Op het bovendek zijn in de verschansing twaalf geschutsopeningen gemaakt voor de kanonnen. De twee achterste zijn afgesloten met een luik (voorzien van koperen scharnieren en een hijsring). Ook op het dek eronder (geschutsdek) konden kanonnen staan. In de scheepswand zijn ter hoogte van het geschutsdek vijf grote en zeven kleine geschutspoorten gemaakt, die allemaal zijn afgesloten met luiken. Onder deze rij geschutspoorten het berghout. De dekken zijn niet gedetailleerd weergegeven. De niveauverschillen tussen voordek, middendek en achterdek worden aan de zijkanten geaccentueerd door snijwerk in de vorm van gillings: spiraalvormen (alsof het dek zich oprolt). Het achterschip is rijk versierd met houtsnijwerk. In de bovenkant van de spiegel is een galerij van 3½ toogvormige ramen (7 in totaal) gemaakt. Deze galerij zet zich over de zijkant door naar voren in een zijgalerij van 3 gelijksoortige ramen. Onder de zijgalerij snijwerk in de vorm van een hoorn en een duif. Onder de achtergalerij is zwarte rand die meerkleurig is beschilderd met voluten. In de wulf (terugzwenkend gedeelte onder de spiegel) is een luik gemaakt. De bovenkant van het roer steekt door de wulf naar binnen. Het roer is met vijf roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Onder de kiel van het schip balustervormige steunen. Het model is bevestigd op een plank. De plank is gevaat in een zwarte, geprofileerde lijst die is voorzien van een vergulden binnenlijst. Tussen de grote mast en de fokkemast zijn de resten van een etiket te zien. Kleuren: De romp is gelakt, het opliggende berghout is zwart, het onderwaterschip is transparant grijs. Het snijwerk is gelakt en geverfd in een donkere kleur. De plank waarop het model is bevestigd is geschilderd in een transparante bronskleur. Op de plaats waar een etiket heeft gezeten is deze kleur aangetast. De standers onder de kiel zijn gemarmerd. Accessoires: geen.
HintergrundinformationGezien de aanwezigheid van een duif in de versiering van het achterschip kan worden aangenomen dat het een halfmodel is van het fregat De Vrede, gebouwd op de werf 'De Boot' te Amsterdam in 1768 (Herkomst de heer Groen van Waarden).
De aanwezigheid van de gemarmerde staander op het halfmodel duidt aan dat het model is gemaakt door Willem Lodewijk van Genth. Deze scheepsbouwmeester ontwierp schepen voor zowel de Amsterdamse als voor de Friese Admiraliteitswerven. Willem Lodewijk van Genth was een leerling van de bouwmeester C. Bentam (één van de drie Engelse scheepsbouwers, die naar Nederland waren gehaald om de vermeende achterstand in de scheepsbouw met Engeland in te halen). Schepen die Willem Lodewijk van Genth voor de Friese admiraliteit bouwde waren het fregat De Eendracht (1769, Harlingen), het schip van 36 stukken De Prins Willem (1757, Harlingen), het schip van 50/56 stukken De Prinses Maria Louise (1760, Harlingen) en een naamloos Staten- of Transportjacht (1770, Harlingen).
Een fregat is in het algemeen een oorlogsschip met één volle laag geschut, soms aangevuld met kanons op bak en campagne. Het fregat had meestal één of twee dekken en weinig opbouw. De eerste Nederlandse fregatten hadden een platte spiegel. Na 1720 werd deze, onder invloed van Engelse bouwmeesters, vervangen door ronde spiegels. Ze waren als volschip getuigd: drie masten. De vorm en de bouw waren gericht op snelheid en niet op een hecht constructie, zoals bij linieschepen. Ze waren bestemd om dienst te doen als verkenner of voor het overbrengen van berichten. De vroege fregatten waren derhalve klein en bewapend met niet meer dan twaalf stukken. Latere fregatten waren grote en voerden 54-60 stukken. In de negentiende eeuw waren er ook koopvaardijfregatten, die qua vorm en tuigage leken op de oorlogsfregatten, maar waren ingericht voor de handelsvaart., literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76 (FSM-nr. H-398)
- C.W.J. Schaap 'De Admiraliteit van Friesland - haar vlagofficieren en schepen' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 56.
- A.J. Hoving, 'De Marine Modellen' in: De Modelbouwer LIV (1992) 101-102.
- S. Haagsma, 'Een Harlinger fregat naar Algiers' in: Friesche Volks Almanak 1896, pp. 58-69.
- A. Lemmers 'De achttiende-eeuwse scheepsbouw controvers herzien' in: Erfgoed van Industrie en techniek 2 (1993), nr. 4, pp. 98-105.
- A. Lemmers, Techniek op schaal (Amsterdam, 1996), pp.15-41.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, pp. 22-23.
BeschreibungHalfmodel van een smakschip. Nestmodel: latten op spanten. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond, het achterschip is rond en de bodem is tamelijk vlak. Het berghout is breed. Het model van voor naar achter: Het model is gebouwd uit latten op spanten (eigenlijk tussenschootten) en in het voor- en achterschip op blokken. Details zijn op het model niet weergegeven. Alleen de plaats van de mast is te zien. De kop van het roer loopt hoog op en buigt naar voren, zodat de bovenkant ervan in lijn ligt met de bovenkant van het boeisel aan het hek. De kop van het roer is versierd met opgeschilderde biezen, die groeven suggereren. Het boeisel is aan de achterkant versierd met een opgeschilderde dolfijn. Het model is is bevestigd op een plank met daarin twee gaten en aan de bovenkant twee metalen ophangogen. Rechtsonder op de plank een etiket met daarop nr. 466. De blokken in voor- en achterschip en de mast zijn aangetast door houtworm. Kleuren: De spanten, de latten en het boeisel zijn gelakt. Het onderwaterschip is wit geschilderd en het berghout zwart. De kop van het roer en het hek zijn groen met witte versieringen. De plank waarop het model is bevestigd is blauw. Accessoires: geen
HintergrundinformationHoutworm in 1991 behandeld, Het halfmodel is afkomstig uit de Marinecollectie van het Rijksmuseum. De smak is een kustvaarder voor de vaart op Frankrijk, Engeland en Scandinavië en werd ook gebruikt als beurtvaarder en zelfs als oorlogsschip. Al in de 16de eeuw waren smakken reeds in de vaart. Het is een tajlkachtig schip. De inrichting was als die van een binnenvaartschip: achter de mast het ruim, de lage roef en de stuurplaats. In het achterschip is een paviljoen ingelaten en er is een staatse met hennegat. De tuigage bestaat uit een korte mast met spriettuig met hoge nok. Op het hek stond een druilmast met bezaanzeil. Het schip was voorzien van zwaarden. In de 18de eeuw werd het schip verzwaard. Het spriettuig werd toen vervangen door een staand gaffeltuig en de mast werd verlengd met een opgelaste steng, waardoor ook een ratopzeil gevoerd kon worden., literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 21 - Horst Menzel, Smakken, Kuffen, Galioten, Drei fast vergessene Schiffstypen des 18. und 19. Jahrhunderts (Hamburg, 1997)
TitelHalfmodel van een kustvaarder, gebouwd op de werf Zwolsman te Workum.
Herstelleronbekend
Stichwörterkustvaarders, Workum
ObjektnummerK-034
Periode van1914
Periode tot1918
BeschreibungHalfmodel van een kustvaarder. Stapelmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: Scherpe, steile voorsteven (steilsteven). Rod, geveegd achterschip. Vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Op de romp zijn 75 genummerd spanten getekend. Spant 1 is het achterste spant. Spant 75 het voorste. Bij sommige spanten een aantekening: bij spant 15 '0,6 lengte', bij spant 19 '1/2 lengte', bij spant 35 PLIMSOL-merk, bij spant 57 '1/2 lengte', bij spant 63 '0,6 lengte'. Het halfmodel is bevestigd op een plank met ophangogen.
Kleuren: het model is gelakt.
Accessoires: geen
HintergrundinformationHet halfmodel is afkomstig van de scheepswerf van Ulbe Zwolsman te Workum. Daar werden dergelijke kustvaarders gebouwd.
Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af.
TitelScheepsmodel van het motorvrachtschip Winterswijk.
Herstelleronbekend
Stichwörtermotorvrachtschepen
Objektnummer1995-008
Periode van1974
Periode tot1974
BeschreibungScheepmodel van een motorvrachtschip, genaamd Winterswijk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een seinmast op het voordek). De romp: De voorzijde van het schip is plat en vanuit het vlak oplopend in een flauwe hoek. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is vlak. Van voor naar achter: Aan de platte voorsteven hangen uit de kluisgaten twee ankers. Aan weerszijden op het voorschip de naam: 'Winterswijk / Amsterdam N'. Op voorboeisel een witte stok, waarschijnlijk gebruikt bij het sturen en navigeren. Het schip heeft immers geen puntige boeg waar de roerganger zich op kan richten. Op het voordek een haspel, twee houders voor kabels, twee opgerolde trossen (ijzerdraad) een dubbele ankerlier met daaraan een scheepsbel. Voorts twee luiken en een seinmast met daarin een drie lantaarns en vier verticaal gespannen draden (voor het hijsen van seinen, vlageen etc.). Het ruim wordt afgedekt met elf gebogen metalen rolkappen, waarvan de voorste mechanisch verplaatst kan worden (hydraulische armen). Achter het ruim het dekhuis: machinekamer met daarboven een naar voren overhellende stuurhut en erachter de roef. Voor de stuurhut een klein verhoogd dek. Op de stuurhut twee antennes, een schijnwerper en een houder voor negen seinlichten. Op de machine kamer twee schoorstenen. Op het dak van de roef een aantal schoorstenen en ontluchtingspijpen en de bakken van de zijlichten. Achterop het dat staat de reddingsloep, die is bevestigd aan een davit die op het achterdek staat. Op dat achterdek voorts een dubbele ankerlier en een Nederlandse vlag. Uit het achterschip hangen twee ankers. Op et boeisel van het achterschip :'Winterswijk'. Het schip heeft twee scheepsschroeven en een dubbel roer. Kleuren: De romp is geheel (inclusief het onderwaterschip) zwart. Het boeisel van het achterschip is wit. Dek en gangboorden zijn groen. De den van het ruim is bruin, de rolluiken zijn grijs. Het dekhuis en de stuurhut zijn wit. De lieren, de mast en de davit zijn okergeel. Accessoires: Het model is gemonteerd op een plank met daaromheen een opstaande rand, waartussen een doosvormige glazen overkapping past. Het model is met twee knoppen in het vlak aan de plank gemonteerd. Op de plank 'MS Winterswijk / 1974'.
HintergrundinformationHet motorvrachtschip Winterswijk werd in 1974 gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F56). Opdrachtgever: N.R.M. te Amsterdam., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschreibungScheepsmodel van een opdrukker. Op spanten gebouwd: koperen spanten, bedekt met zinkplaat. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De voorsteven is scherp en steil (verticaal). Het achterschip is rond en geveegd (sleepboot-kont). De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Over de romp lopen over de rand van het boeisel en over het berghout ronde stootranden. Op het voordek een bolder en een lichtrand. Achter het voordek de machinekamer. In de zijwanden daarvan aan weerszijden drie lichtranden (patrijspoorten). Langs de randen van de machinekamer zijn op het dak handrelings gemonteerd. Het voorste deel van het dak van de machinekamer is als scharnierbaar luik te openen. Achter dit luik op het dak van de machinekamer een ventilatiekap met twee luiken. Links daarvan een afneembare schoorsteen. Op de achterrand van het dak drie haken, een blok en een gashendel. Tegen de achterwand van de machinekamer is aan bakboord een een stuurwile gemaakt. Aan stuurboord is in de achterwand een deur gemaakt die toegang verschaft tot de machinekamer. Achter de machinekamer de kuip. De zijwanden van machinekamer lopen langs de kuiprand door. Op de buitenkant van deze kuipranden zijn metalen klampen gemaakt. De bodem van de kuip is bedekt met een houten buikdenning. In het midden van de kuip een keerkoppeling. Tegen de kuipwand is aan stuurboord een hevelpomp gemaakt. Op het achterdek een bolder en op het boeisel van het achterschip een beugel over de roerkoning. De ruimet onder het achterdek is open. Kleuren: De romp is havannabruin. Het onderwaterschip is dofzwart. Op de voorsteven is net boven de waterlijn een rood hoekje gemaakt. De stootranden op berghout en boeiselrand zijn zwart. De binnenkant van de voorplecht is grijs. Het voordek en de gangboorden zijn lichtgroen. De wanden van de machinekamer en de kuip zijn cremekleurig met zwarte randen. Het dak van de machinekamer is groen en de ventilatiekap is bruin. De wanden van de kuip zijn bruin en de buikdenning is gelakt. Het achterdek is lichtgroen. De bolders zijn zwart. De schoorsteen en de gashendel zijn zilverkleurig. Accessoires: stander.
HintergrundinformationAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen. Bij de motorisering van schepen in de 20-er jaren kon een motor ingebouwd worden, maar in het noorden werd veel gebruik gemaakt van een opdrukker. De opdrukker werd bediend vanaf het achterdek van het vrachtschip. Met een systeem van kabels werd de handels bediend. Opdrukken was voordeliger dan slepen: één keer bruggeld betalen (slepen twee keer). De broers Harm en Wieger de Wit uit Akkrum bouwden aan de hande van de tekening van dit model de opdrukker na. Ze kregen daartoe de beschikking over de tekeningen van modelbouwer Andries Bosma., literatuur:
- Wijd en Zijd, 5 aug. 1992.
- Richard de Jonge, 'Jongens van Jan de Wit bouwen opduwer met plofmotor' in: Waterkampioen 1994, nr. 9, pp. 70-73.
TitelDiorama met daarin een als bark getuigde baanschaats van het merk Nooitgedagt.
HerstellerNooitgedagt, J.
Stichwörterbarken
Objektnummer1985-195
Periode van1900
Periode tot1925
BeschreibungDiorama met daarin een als bark getuigde baanschaats. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft drie masten en een boegspriet. De fokkemast en de grote mast zijn in drieën gedeeld (mast, marssteng en bramsteng) en de bezaanmast in tweeën. De fokkemast wordt gehouden door drie voorstagen op de boegspriet en de voorsteven. Aan weerszijden wordt de fokkemast gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen (tussen mars en boord) en door twee lopende wanten of bakstagen (tussen top van de marssteng en het boord en tussen de top van de bramsteng en het boord). De grote mast wordt aan de voorkant gehouden door twee voorstagen op de fokkemast. Aan weerszijden wordt de grote mast gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen (tussen mars en boord) en door twee lopende wanten of bakstagen (tussen de top van de marssteng en het boord en tussen de top van de bramsteng en het boord). De bezaanmast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag (tussen de top van de bezaansteng en het ezelshoofd tussen mars- en bramsteng van de grote mast). Aan weerszijden wordt de bezaanmast gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen (tussen mars en boord) en door een lopend want of bakstag (tussen de top van de steng en het boord). De boegspriet bestaat uit een boegspriet en een kluifhout. De boegspriet rust op het voorsteven en is aan de voorkant voorzien van een stampstok (naar beneden wijzende stok, ook wel Spaanse ruiter genoemd). Deze stampstok wordt aan weerszijden gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen, die zijn vastgezet op het voorschip. Het kluifhout rust op de boegspriet en wordt aan de onderkant gesteund door twee waterstagen op de stampstok en aan de bovenkant hangt de boegspriet in de voorstagen van de fokkemast. Het schip voert geen zeilen. Aan de ra's en gaffels is echter af te leiden welke zeilen gevoerd kunnen worden: het model is als bark getuigd. Tussen de fokkemast en de boegspriet kunnen een stagfok en twee kluiverfokken gevoerd worden. De fokkemast en de grote mast zijn beide voorzien van vijf ra's voor dwarsscheepse razeilen. Aan de achterkant van beide mast zijn gaffels en gieken gemaakt voor langsscheepse gaffelzeilen. De bezaanmast is voorzien van een gaffel en een giek. Onder de gaffel van de bezaanmast hangt een rood-wit-blauwe vlag. Bij de tuigage van het model is geen gebruik gemaakt van blokken. De romp: De romp heeft het model van een baanschaats, compleet met ijzeren schenkel, waarin de inslag 'J. Nooitgedagt IJlst' is te lezen. Het model van voor naar achter: Over het voorschip hangen twee ankers aan kraanlijnen. Langs de boorden van het schip is een witte reling gemaakt. Op het achterschip is deze reling open (de verlaging van de hiel in het schaatshout). Voorts de romp van het model niet gedetailleerd. Kleuren: De romp (schaatshout) is gelakt. Het schaatsijzer is zilverkleurig geverfd. De relingen zijn wit. De masten en de boegspriet zijn wit. De stengen, het kluifhout, de ra's, de gaffels en de gieken zijn gelakt met witte accenten op de uiteinden. Accessoires: Het model is geplaatst in een vast vitrine met houten achterwand en houten bodem. De zijwanden, voorwand en het deksel zijn van glas. De ribben zijn van hout.
HintergrundinformationHet model is afkomstig van J. Drescher te Amsterdam.
In de 19de eeuw was een bark een schip met drie, vier of vijf masten, waarvan de achterste mast niet vierkant maar langsscheeps getuigd was. Sindsdien bleef dat het voornaamste kenmerk van de bark. Barken werden in Friesland voornamelijk aangetroffen in de haven van Harlingen. Ze werden gebruikt voor het vervoer van hout.
TitelModel van de binnentanker AEOLES uit Leeuwarden vervaardigd door K. Smit.
HerstellerSmit, K.
Stichwörterbinnentankers, Leeuwarden
Objektnummer1989-108
Periode van1989
Periode tot1989
BeschreibungScheepsmodel van de binnentanker AEOLES uit Leeuwarden. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een lantaarnmast). De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Uit het kluisgat aan stuurboordzijde hangt een anker. Op het boeisel van de naam van het schip: 'AEOLES'. Op het verhoogde voordek de ankerlier en de toegang tot het vooronder (opbouw met dubbele deuren). Op het hoofddek vier luikhoofden met daar tussenin leidingen en kranen (appendage). Rond de luikhoofden een reling van kettingen. Aan bakboord worden de luiken geflankeerd door een houten kist, waarin de brandblusapparatuur is opgeborgen. Tussen het eerste en tweede luikhoof de lantaarnmast, die wordt gehouden door een voorstag en twee zijstagen. In de mast hangen drie lantaarns. Op de top van de mast een blauwe vleugel. Op het achterste luik een blauw bord met daarop in het wit de letter F. Het achterdek is net als het voordek enigszins verhoogd. Op het achterdek de opbouw van de machinekamer. Daarin twee parijspoorten en aan stuurboord een deur met luik. Op de machinekamer een schoorsteen. Boven de machinekamer de houten opbouw van de stuurhut. Achter de stuurhut de roef. In de zijwanden daarvan twee ramen en in de achterwand een patrijspoort. Op het dek achter de roef een luik en een lier. Langs de roef is op het achterboeisel een reling gemaakt. Op het achterboeisel de plaats van herkomst: 'LEEUWARDEN'. Kleuren: De romp is zwart, het berghout is wit de boeisels zijn lichtblauw. Het dek is grijs en de luikhoofden lichtblauw. De luiken, de toegang tot het vooronder en de roef zijn wit. De appendages zijn grijs, de kranen zijn rood. Stuurhut, dekkist en mast zijn gelakt. Accessoires: houten stander.
HintergrundinformationBinnentankers moesten herkenbaar zijn door een blauwe band op de romp. Op dit model is daarom het boeisel blauw. De letter F op het achterluik is het teken voor licht-ontvlambare stoffen., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 18-19
BeschreibungScheepsmodel van een blazer. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen ontbreken. Wel zijn de vallen en de rondhouten (gebogen gaffel, giek en kluiver) aangebracht. De vallen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: De voorsteven is gebogen en vallend. De achtersteven is recht en vallend. De romp is zwaar gebouwd. Het vlak is plat met hoekige kimmen. Het achterschip is gepiekt. Het boeisel is breed. De bunplaten ontbreken.
Het model van voor naar achter: Voorsteven met berentanden, een beugel waardoor de kluiverboom wordt uitgezet en een snoes (rol) waarover het anker kan worden neergelaten. Op het voordek een braadspil, een schoorsteen, het luik van het vooronder en de overloop van de fok. Op het luik van het vooronder is een V gekerfd. Achter de mast de waterbalk. De zwaarden zijn voorzien van beslag aan de onderkant en van een verdikte kop. De zwaardloper gaat door een gat in het boeisel naar binnen en is belegd op een klamp tegen het boeisel. Op het achterdek een bun met vier luiken, een rooster en een korte overloop voor de grootschoot. Het eerste luik achter de waterbalk leidt naar een trap naar de bunnen. Achter de overloop van de grootschoot een verlaagd dek (bollestal) voor de roerganger. Op het achterhuis de stuurboog: een balk met gaten waarin het roer met korvijnagels vastgezet kan worden. Aan de einden van deze balk bolders en kniestukken met daarin korvijnagels. Het roer heeft een hoge kop, die is versierd met een wit tongetje op groene achtergrond en met drie tonnetjes in de kleuren rood, wit en blauw. Opvallend is dat hoewel het schip is voorzien van een bun, er in de romp geen bunplaten zijn gemaakt.
Kleuren: Het houten model is geheel gelakt. Kleur is alleen gebruikt op de roerkop.
Accessoires: stander.
HintergrundinformationHet model is gebouwd naar de blazers zoals die werden gebouwd op de werven van Zwolsman in Workum en Ynte Alkema te Makkum. Alkema werkte in hoofdzaak voor de Waddenvissers uit Wierum, Paesens en Moddergat en van Wieringen en Texel. Op de werf van Alkema was als meesterknecht werkzaaam de stamvader van het bekende scheepsbouwersgeslacht Zwolsman, waarvan de gebroeders Evert en Klaas Zwolsman de bekendsten zijn geweest. Zij waren aktief in Workum en IJlst.
De blazer is de opvolger van de Wierumer aak. De ramp van 1883, waarbij bijna de gehele vloot aken van Paesens-Moddergat verloren was gegaan, had geleerd dat de aken niet zeewaardig genoeg waren. Daarom werd gekozen voor een groter schip de blazer. Blazers zijn groter (circa 16 meter lang) en ronder van vorm. Het is een zwaargebouwd kielschip met een plat vlak en hoekige kimmen, een volle, zware romp, waarvan het achterschip gepiekt is. De voorsteven is gebogen en vallend, de achtersteven is recht en vallend. Het boeisel is zeer breed en nog verhoogd door een zetboord. De romp heeft weinig zeeg en is gedekt tot voorbij de mast. De tuigage bestaat uit een zware, ongestaagde steekmast met een bezaantuig. Grote blazers uit Paesens en Moddergat hadden een doorlopend dek en waren getuigd met twee masten. De blazers van Texel en Terschelling hadden één mast. De blazers werden te Makkum en Workum gebouwd. Op blazers werd gevist met de beug en met het schrobnet., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 1 mei 1967 en 1 juni 1967.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Muesum 1967-1968, p. 15
- S.J. van der Molen, Vissers van Wad en Gat
TitelScheepsmodel van een Bolle of ook wel kleine blazer met visserijnummer WL-1
HerstellerVisser, G.
Stichwörterblazers, vissersschepen, Wierum
ObjektnummerK-005
Periode van1954
Periode tot1954
BeschreibungScheepsmodel van een Bolle of ook wel kleine blazer met visserijnummer WL 1. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt uitgelaten door een ring aan de voorsteven. Aan de achterkant is de kluiverboom gehaakt in een metalen beugel op het voordek. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver wordt belegd op een van de bolders op het voordek. De stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. In de top van de stagfok een metalen fokkegaffel. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op de overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het groozeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgemaakt op een korte overloop op het achterdek. In het zeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. Met zwarte letters is in het grootzeil het visserijnummer aangebracht: 'WL 1'. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe wimpel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. In de bodem zijn bunplaten aangebracht. Het model van voor naar achter. Aan de voorsteven een snoes (rol voor het laten zakken van het anker). Het anker ontbreekt. Op het voordek een braadspil, het luik van het vooronder, een schoorsteen, een luikhoofd en twee glazen dekramen. Aan de binnenkant van het luik op het voordek is de naam van de maker ingekerfd: 'G. Visser / Dokkum / 1954'. De overloop van de stagfok loopt van boeisel tot boeisel. Achter de mast de waterbalk. Twee smalle zwaarden met verdikte kop. De zwaardloper gaat door een gat in het boeisel naar binnen en is daar belegd op een korvijnagel. Op het achterdek een bun met vijf luiken, de overloop van de grootschoot en voetlijsten (waartegen de roerganger is schrap kan zetten). Op het achterhuis de stuurboog: een balk met gaten waarin met korvijnagels het roer vastgezet kan worden. Het roer is voorzien van een hoge roerkop met tongetje en drie tonnen. In de romp een koperen bunplaat. Van de bun ontbreekt een van de luiken. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is zwart met een groene waterlijn. De roerkop is groen met een witte tong en is versierd met drie tonnetjes in de kleuren rood, wit en blauw. Onder de roerkop prinswerk (driehoekjes in rood-wit-blauw). De koppen van de bolders zijn versierd met rood-witte zandlopers. Accessoires: geen.
HintergrundinformationGerrit Visser uit Dokkum was zoon van een schipper. Hij was werkzaam in de zeefdrukkerij van een Sociale Werkplaats. Als hobby maakte hij houtsnijwerk en beelden in hout en gips. Ook maakte hij scheepsmodellen (model van een Wierumer aak in dit museum en modellen van een blazer en een boeier in het Admiraliteitshuis te Dokkum). Hij had de gewoonte zijn werkstukken, nadat hij ze vervaardigd had, meteen te vernietigen. Slechts sporadisch is er werk van hem bewaard gebleven., De Bolle of Lytse Blaes/kleine blazer was een vissersschip uit de nadagen van de visserij rond Wierum en Moddergat. S. J. van der Molen omschrijft ze als volgt: 'Ze waren gebouwd bij Alkema, te Makkum, niet voor de Noordzee bestemd en er werd alleen maar mee op het wad gevist. Ze waren 45 voet lang, hadden een dicht dek en een mast met fok en zeil. Een bezaan ontbrak.', Voor 1876 werd er voor de Friese Noordzeevisserij gebruik gemaakt van (Wierumer) aken. In 1876 kwam daarvoor een nieuw scheepstype in de plaats: de blazer. De eerste blazer, Vrouwe Trijntje met nummer WL1 van T.W. Post uit Moddergat werd in 1876 opgeleverd door Zwolsman te Makkum. Bij de beruchte ramp van Moddergat in 1883 waren al 8 blazers betrokken tegen 9 aken. De WL1 kon worden geborgen en bleef na de ramp nog lang in de vaart. Het had de naam een gelukkig schip te zijn. Na de ramp werden er vrijwel alleen nog blazers gebruikt. Een latere en kleinere versie daarvan werd omschreven als "Lytse Blaes".
Blazers waren groter (circa 16 meter lang) en ronder van vorm. Het is een zwaargebouwd kielschip met een plat vlak en hoekige kimmen, een volle, zware romp, waarvan het achterschip gepiekt is. De voorsteven is gebogen en vallend, de achtersteven is recht en vallend. Het boeisel is zeer breed en nog verhoogd door een zetboord. De romp heeft weinig zeeg en is gedekt tot voorbij de mast. De tuigage bestaat uit een zware, ongestaagde steekmast met een bezaantuig. Grote blazers uit Paesens en Moddergat hadden een doorlopend dek en waren getuigd met twee masten. De blazers van Texel en Terschelling hadden één mast. Blazers werden te Makkum en Workum gebouwd. Op blazers werd gevist met de beug en met het schrobnet., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 12 april 1955 en 20 mei 1955
- S.J. van der Molen, Vissers van Wad en Gat
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1955
- 'Houtsnijden, boetseren en modelbouw zijn voor Gerrit Viser te Dokkum meer dan een hobby, een levensbehoefte' in: Leeuwarder Courant 10 jan. 1966.
TitelHalfmodel van het kieljacht Silvana van de familie Stam te Sneek.
Herstelleronbekend
Stichwörtercenterboards
Objektnummer1982-044
Periode van1895
Periode tot1895
BeschreibungHalfmodel van de centerboard Silvana. Blokmodel, gebouwd volgens de stapelmethode: om en om verschillende houtsoorten. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Van de mast is alleen de onderkant weergegeven. De boegspriet is wel in zijn geheel op het model gemaat. De boegspriet is aan de achterkant vastgezet op het voordek. Op de plank, waarop het halfmodel is gemonteerd, is met een getekende lijn de plaats van de waterstag aangegeven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft een clipperboeg. Het achterschip heeft een schuine, overhangende spiegel. De bodem is gepiekt. Op de plank, waarop het model is gemonteerd, is de waterlijn aangegeven. Het model van voor naar achter: Op het boeisel van het voorschip is de naam van het schip geschilderd: 'SILVANA'. De rest van het schip heeft geen boeisels. Het is gladdeks. Het dek de de gangboorden hebben een getekend lattenpatroon. Achter de mast is de bovenrand van de kuip aangegeven. De kuip is echter niet ingebouwd. Het halfmodel is gemonteerd op een plank met lijst. Op de plank is linksonder geschilderd: 'SILVANA 1:10'. Kleuren: Het halfmodel is geheel gelakt. De scheepsnaam op de boeg is geschilderd in wit. De plank waarop het model is gemonteerd is zwart en de lijst eromheen is gelakt. Het opschrift op de plank is aangebracht in wit. Accessoires: geen.
HintergrundinformationDe Silvana is gebouwd in 1890 bij de werf Heidtmann in Hamburg. Deze werf leverde meer jachten voor Nederlandse opdrachtgevers. De oplevering werd vermeld in het tijdschrift De Nederlandse Sport. Het jachtje werd aan boord van een stoomschip afgeleverd in Nederland. Tjomme A. Stam uit Sneek kocht de centerboard Sylvana rond 1895 in de provincie Utrecht. Hij nam met het jacht deel aan de Sneker Hardzeildagen van 1895, 1900, 1901, 1902, 1903, 1905, 1907, 1910, 1912 en 1913. In de naamlijsten van de Hardzeildagen wordt het jacht steeds Sylvana genoemd (en niet Silvana zoals op het halfmodel staat).
Van de 17de tot de 19de eeuw heeft de scheepsbouw zich geleidelijk ontwikkeld van ronde naar scherpe schepen. In de Verenigde Staten begon men onstreeks 1840 dergelijke schepen te bouwen, die door hun geringe weerstand meer over het water glijden dan dat zijn water verplaatsen. Ze waren voorzien van een ophaalbare kiel, waardoor afdrijven onder invloed van de werking van de wind voorkomen werd. Zwaarden werden daardoor overbodig. Al voor het midden van de 19de eeuw werd zo'n Amerikaans jacht in Nederland ingevoerd. Een dergelijk schip won in 1856 op het IJ te Amsterdam een wedtrijd van de Koninklijke Jachthaven. In de naamlijsten van zeilwedstrijden worden deze midzwaard-jachten ingedeeld in de klasse 'Centerboards'. Dat duidt al op de Amerikaanse oorsprong van dit jachttype: de engelstalige naam ervan werd in Nederlands overgenomen., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 17
- Zie de documentatiemap "Centerboards." Daarin zit o.a. een opzet voor een artikel van de hand van Jaap Bernhard. Hij vond o.a. de gegevens betreffende de bouw van de Silvana.
TitelOpen halfmodel of nestmodel van een tjalk of skûte.
HerstellerWerff, H.P. van der ; Drachten
Stichwörtertjalken
Objektnummer1994-481
Periode van1890
Periode tot1900
BeschreibungHalfmodel van een skûte. Nestmodel: dunne latten tegen zeven spanten die de vorm hebben van dwarsschotten. Het voorschip en het achterschip wordt gevormd door gestapelde planken. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Voor- en achterschip zijn rond. De bodem is vlak en loopt naar voren en achteren rond op. De boeisels ontbreken. Het model van voor naar achter: Het voorschip is rond, opgebouwd met gestapelde planken. De boorden zijn open. De latten zijn om een om op de spanten genageld. Enkele latten ontbreken. Alleen het berghout loopt door van voor naar achter. Het boeisle erboven ontbreekt. Het achterschip is ook opgebouw uit een gestapeld blok. De achtersteven is recht. Het nestmodel is gemonteerd op een plank met daarin twee ophanggaten. Op de achterkant van de plank staat meerdere keren de naam vermeld van de scheepswerf waar het model is gemaakt: 'H.P. van der Werff, Langewijk, Drachten'. Tevens zijn de jaartallen 1890 en 1894 genoteerd. Kleuren: model en plank zijn gelakt. Accessoires: geen
HintergrundinformationGezien de verhoudingen van het model zal het een halfmodel zijn van een tjalk, en dan van wat Friese scheepsbouwers een 'skûte' noemden (tussen skûtsje en zeetjalk in). Het model is afkomstig van de scheepswerf van Haike Pieters van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Zijn vader Pieter Haikes van der Werff, die een werf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten, kocht de werf van diens oom Ate Pyters van der Werff aan de Langewijk voor zijn zoon. Van deze werf is een werfboek bewaard gebleven en tevens enige scheepsbouwtekeningen. Werfboek en tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. In het werfboek worden geen schepen vermeld die voor 1900 zijn gebouwd. En ook uit de tekeningen is niet na te gaan voor welke opdrachtgever het model is gemaakt. De schenker, Durk Lourens van der Werff, is een zoon van Haike Pieters van der Werff. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen).
BeschreibungSpeelscheepje. Model Meteoor. Blokmodel.
Rondhouten en tuigage Het speelscheepje heeft één mast. De mast aan de voorkant gehouden door twee voorstagen: één stag van de zaling naar de voorsteven en één stag van de masttop naar de voorsteven. Aan de zijden wordt de mast gehouden door twee zijstagen: één van de top van de mast, via de zaling naar de voet van de mast en één van de zalingkruising naar de rand van de romp. Aan de achterkant wordt de mast gehouden door een achterstag op de achtersteven. De stagen zijn verstelbaar met houten blokken. De zeilen zijn van blauwe kunststof-textiel: een fok en een grootzeil. De bovenpunt van de fok is met een val vast aan een oog in de mast bevestigd. De hals van de fok is met een touw vast aan de voorsteven vastgezet. Langs de achterste helft van het onderlijk van de fok een soort giek. De fokkeschoot is instelbaar met een houten blok. Het grootzeil heeft de vorm van een bermudazeil (torentuig). De bovenpunt is met een touw bevestigd aan een oog in de mast. Het onderlijk is bevestigd aan een giek. De giek is met een oog aan een rail aan de mast bevestigd. De grootschoot is met een houten blok verstelbaar. In het grootzeil aan beide zijden het zeilteken (witte ster) met daarin het zeilnummer (67). Op de top van de mast een rode windvaan met draadmetalen geraamte.
De romp: Het voorschip is scherp, evenals het achterschip. Het speelscheepje is voorzien van een grote, achterwaarts geplaatste kiel. Aan de onderkant van de kiel een loden sigaarvorm. Het schip heeft geen roer. Het model van voor naar achter. De romp is geheel dicht: geen boeisels. Op het dek is langsscheeps (van steven naar steven) een verdikking aangebracht. Verder zijn op het dek alleen de ogen van de stagen en schoten aangebracht. Op de zijkanten van de romp de scheepsnaam: 'RIXT'.
Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is blauw met op de waterlijn een rode bies. Het dek is gelakt, evenals de rondhouten en de stander.
Accessoires: stander. De bouwtekeningen worden onder hetzelfde nummer bewaard in het prentenkabinet.
HintergrundinformationHet speelscheepje van het type Meteoor is ontworpen door J. Stelwagen te Grou., De ontwerptekeningen van Stelwagen zijn bewaard bij het model en zijn genummerd 1990-095-a en 1990-095-b., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1990, p. 14
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)