BeschreibungScheepje in de fles. Tjalk. Decor op de fles geschilderd: een boerderij, twee huizen en een molen. De tjalk is groen en heeft bruine zeilen. De fles wordt gesloten door een stop, met daar achter een kruishoutje dat d.m.v. een touwtje aan de stop is verbonden. Op stander.
HintergrundinformationSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 septemeber 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 22
TitelHalfmodel van een tjalk gebouwd op de werf van J.O. van der Werff.
HerstellerWerff, Gurbe van der
Stichwörtertjalken
Objektnummer1987-054
Periode van1986
Periode tot1986
BeschreibungHalfmodel van een tjalk. Gebouwd volgens de stapelmethode. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond met terugvallend boeisel. Het achterschip is rond en niet gepiekt. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de scheg, het berghout en de achtersteven zijn aangebracht. Het halfmodel is geplaatst op een plank. Kleuren: De romp is geheel wit geschilderd. De plank is gelakt. Accessoires: geen
HintergrundinformationHet model is gemaakt naar een plantekening van een tjalk van de hand van J.O. van der Werff te Buitenstvallaat (Drachten).
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19
TitelOpen halfmodel of nestmodel van een tjalk of skûte.
HerstellerWerff, H.P. van der ; Drachten
Stichwörtertjalken
Objektnummer1994-481
Periode van1890
Periode tot1900
BeschreibungHalfmodel van een skûte. Nestmodel: dunne latten tegen zeven spanten die de vorm hebben van dwarsschotten. Het voorschip en het achterschip wordt gevormd door gestapelde planken. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Voor- en achterschip zijn rond. De bodem is vlak en loopt naar voren en achteren rond op. De boeisels ontbreken. Het model van voor naar achter: Het voorschip is rond, opgebouwd met gestapelde planken. De boorden zijn open. De latten zijn om een om op de spanten genageld. Enkele latten ontbreken. Alleen het berghout loopt door van voor naar achter. Het boeisle erboven ontbreekt. Het achterschip is ook opgebouw uit een gestapeld blok. De achtersteven is recht. Het nestmodel is gemonteerd op een plank met daarin twee ophanggaten. Op de achterkant van de plank staat meerdere keren de naam vermeld van de scheepswerf waar het model is gemaakt: 'H.P. van der Werff, Langewijk, Drachten'. Tevens zijn de jaartallen 1890 en 1894 genoteerd. Kleuren: model en plank zijn gelakt. Accessoires: geen
HintergrundinformationGezien de verhoudingen van het model zal het een halfmodel zijn van een tjalk, en dan van wat Friese scheepsbouwers een 'skûte' noemden (tussen skûtsje en zeetjalk in). Het model is afkomstig van de scheepswerf van Haike Pieters van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Zijn vader Pieter Haikes van der Werff, die een werf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten, kocht de werf van diens oom Ate Pyters van der Werff aan de Langewijk voor zijn zoon. Van deze werf is een werfboek bewaard gebleven en tevens enige scheepsbouwtekeningen. Werfboek en tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. In het werfboek worden geen schepen vermeld die voor 1900 zijn gebouwd. En ook uit de tekeningen is niet na te gaan voor welke opdrachtgever het model is gemaakt. De schenker, Durk Lourens van der Werff, is een zoon van Haike Pieters van der Werff. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen).
TitelScheepsmodel van een hektjalk. Gebouwd als speelscheepje.
HerstellerEisenga, Sjoerd
Stichwörterhektjalken, tjalken, Eisenga, Sjoerd
Objektnummer1979-004
Periode van1865
Periode tot1875
BeschreibungScheepsmodel van een hektjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Gebouwd als speelscheepje en daarom voorzien van een zware kiel.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. Deze mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van twee hooftouwen en door een lopend want (bakstag). De stagen zijn met puttingijzers vastgezet aan het boeisel. De zeilen zijn van lichtbruine katoen. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder op het voorschip. In het doek van de kluiver zijn gaten gevallen. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. De stagfok is voorzien van een enkele rij reefringen. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. In het grootzeil een enkele rij reefringen. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. Op het achterschip staat wel een gebogen vlaggenmast, maar daar wordt geen vlag in gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip met oplopend hek. De bodem is rond en voorzien van een zware kiel (gebouwd als speelscheepje).
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven kluisborden en berentanden. Over beide kluisborden is een stokanker gehangen. Aan de ankerketting hangen rood-wit-blauwe ankerboeien. Achter de kluisborden een braadspil, het luik dat toegang geeft tot het vooronder, de kist met daarin het ankerketting, twee watervaten en twee losse ankers. De kluiverboom rust in een scepter op het voordek en een ring op de steven. Voor de mast de overloop van de stagfok. Het want en de bakstagen zijn met puttingijzers bevestigd aan de romp van het schip. De zeezwaarden zijn aan haken bevestigd. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De zwaardloper gaat door twee vioolblokken en wordt belegd op een bolder op het achterschip. Achter de mast een ruim dat wordt afgesloten met twee rijen van zeven luiken (vastgezet). Ter hoogte van het ruim zijn zetboeisels aangebracht. Achter het ruim een kleine roef. Achter de roef een scepter. Op het achterdek zijn voetlijsten aangebracht zodat de roerganger zich schrap kan zetten. Het boeisel van het achterschip loopt niet met de ronde romp mee, maar loopt naar achter toe op in een punt: het hek. Door een gat in het hek (hennegat) draait de helmstok van het roer. Het roer heeft een hoge roerkop. Op het helmhout een vlaggenstok, die waarschijnlijk later is bijgemaakt.
Kleuren: De romp is groen met een zwart berghout. De puttings, het zwaardbeslag en de zwaardkoppen zijn zwart. De kluisborden zijn geel met rode randen rond de kluisgaten. De berentanden zijn zwart. Het hennegat en het bovendeel van het roer zijn wit met een zwarte bies. Het dek en de luiken zijn bruin (houtimitatie). De roef is groen met witte en zwarte biezen. De watervaten en het deksel van de kist met het ankerketting zijn groen.
Accessoires: dekzwabber, twee vaarbomen, twee bokken. Het model is vastgeschroefd op een plank.
HintergrundinformationVererving van het model:
-1- Sjoerd Eisenga (geboren Gorredijk 24 dec. 1841, overleden Schenkenschans/Deinum 1924).
-2 Dochter Minke Eisenga (getrouwd met Roel de Groot).
-3 Zoon Sjoerd de Groot.
-4 Zoon Roel de Groot., Het model heeft de kenmerken van een speelscheepje: een grote kiel en een groot roer. De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Dit model zal echter niet gebruikt zijn in wedstrijden., Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Het opvallende aan een hektjalk is het hek, ook wel statie genoemd, op het achterschip. Het boeisel van het schip loopt vanaf het achterdek schuin omhoog naar achteren. Bij andere tjalken liep het vloeiend rondom het achterdek. Waar bij de hektjalk de boeisels elkaar raken vormen ze met het achterdek een driehoekgie opening (hennegat) waardoor het helmhout steekt. Er zijn veel houten hektjalken gebouwd en slechts enkele (vijf) van ijzer., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, p. 17
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschreibungOpen halfmodel (of nestmodel) van een tjalk. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter. De spanten zijn gemaakt als schotten (mallen). Daar overheen dunne latten die de lijnen van de romp aangeven. Boven het berghout is het model dicht. Naast de romp zijn ook de plaats van de mast en het roer aangegeven. Van het roer ontbreekt een deel van de kop. Het model is geplaatst op een plank. Op de plank een etiket met het nummer 465. Kleuren: Het onderwaterschip is wit. Het berghout is zwart. De roerkop is groen. De plank is blauw. Accessoires: geen.
HintergrundinformationHoutworm in 1991 behandeld, Het halfmodel is afkomstig uit de collectie van de Koninklijke Marine in het RIjksmuseum te Amsterdam. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., Literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76 (FSM nr. H-398)
- Jaarboek Fries Scheepvaart museum 1983, p. 21
BeschreibungScheepsmodel van de paviljoentjalk Fortuna. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel aan de voorsteven vastgezet en aan de achterkant scharnierend bevestigd in een soort scepter op het voordek. Aan de voorkant wordt de boom gehouden een een waterstag en door een boegwant van twee hoofdtouwen. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). De zeilen zijn van bruine katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de wordt belegd op een bolder. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. In de top van de gaffel een metalen fokkegaffel. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorziel van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. De blokken zijn voorzien van lopende, metalen schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, vlakke bodem. Het model van voor naar achter: Over het voorboeisel aan bakboord hangt het stokanker aan een ketting dat door het kluisgat, over de braadspil, door klapmutsen in het vooronder verdwijnt. Op het voordek de braadspil, het luik van het vooronder met aan weerszijden daarvan de klapmutsen. Aan weerszijden op het voordek een bolder, waarop ondermeer de kluiverschoot is belegd. Voor de mast het luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken, om zo ruimte te maken voor het ondereind van de mast. Het luik geeft tevens toegang tot het voorruim. Over het luik een gebogen overloop voor de stagfok. Het vaste want is voor de kop van het zwaard met twee puttingijzers aan de romp bevestigd. Achter het zwaard de bakstagen. Aan bakboordzijde een lijn voor het hijsen voor lantaarns of seinvlaggen. Achter de mast het ruim dat wordt afgesloten met luiken die weer overdekt zijn door een presenning (getaand dekkleed) dat met schalkkeggen is vastgezet. De gangboorden zijn aan de voorzijde afgesloten met een waterlijst. Op de scheerboom van het ruim een bak met daarin diverse rondhouten en uitzetters. De zwaarden hebben een verdikte kop die aan de bovenkant is afgedekt met koperplaat. Het boutgat is versierd met een ster. De zwaardloper gaat door een schildpadblok en door twee enkelschijfsblokken en wordt op de achterbolders vastgezet. Op de boeisels op het voorschip en langs het ruim zijn zetboeisels geplaats. Achter het ruim de schoorsteen die tevens dienst doet als stander voor de giek. Daarachter de grootschoot en de voetlijsten op het dek. Het paviljoen is het verblijf in het achterschip. Het dak ervan is zo hoog als de bovenkant van het achterboeisel (een licht verhoogd achterdek). Een schuifluik aan bakboordzijde geeft toegang tot deze ruimte. Omdat de stuurman voor het paviljoen staat is de helmstok lang. Op de helmstok een tonnetje. De roerklik is hol en versierd met drie tonnetjes aan de punt. De wangen van de klik zijn onversierd. Het roer is voorzien van een roerlichter (ketting en touw men twee eenschijfs blokken). Op het achterschip aan weerszijden van het roer twee koperen platen met daarop in wit twee maal de naam van het schip: 'Fortuna' Kleuren: De romp van het schip is lichtgroen, het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. Het dek is gelakt. De bovenkant van het boeisel is bruin, de binnenkant is aan de voorzijde blauw. Het beslag is metaalkleurig. De kop van het zwaard is groen. Op het achterschip een gele band op het boeisel en onder het berghout. Het roer heeft dezelfde gele kleur, een groene bies en is onder water zwart. De roerklik is donkerblauw met groene lijst en bovenop zwart. De punt van de klik is versierd met rood-wit-blauwe tonnetjes. De loopplank is zwart met een witte lijst. De schoorsteen is zwart met groene lijsten. Accessoires: stokanker, loopplank, twee lange vaarbomen in het gangboord aan bakboord, een boom en een fokuitzetter (met zwanehals en oog) in het gangboord aan stuurboord. In een bak op het ruim: een pikhaak, een stokdweil en drie korte rondhouten voorzien van divers beslag (lummels, ogen, punten en bouten). Het model heeft een stander.
HintergrundinformationMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Het model is in 1983 gerestaureerd. Het dek van grenenhout was aangetast door de houtworm en is vernieuwd. Ook de zeilen die verweerd waren zijn toen door conciërge P. Alkema vervangen. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk is genoemd naar het paviljoen: het verhoogd achterdek op de hoogte van de bovenkant van het boeisel. Onder het verhoogde achterdek is de roef gesitueerd. De schipper stond vóór het paviljoen te sturen. het helmhout was daarom opvallend lang.
TitelScheepsmodel van een dektjalk, schippersmodel.
HerstellerBerg, J. van der
Stichwörterdektjalken, tjalken
Objektnummer1989-240
Periode van1988
Periode tot1989
BeschreibungScheepsmodel van een dektjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Ronhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag, die loopt door een blok op de voorsteven en is vastgemaakt op de lier op het voordek. Met deze lier kon de mast gestreken worden. Aan weerszijden wordt ge mast gehouden door twee zijstagen, die met wantspanners op het boeisel zijn bevestigd. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de fok is met enkele touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgeknoopt aan de voorsteven. De fokkeschoot loopt door twee blokken en is belegd op de onderste van deze twee (het is echter geen hakkeblok), die is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen aan de mast bevestigd. De hals is vastgezet aan de voorpunt van de giek. De onderkant van het achterlijk van het grootzeil is vastgezet op een oog op de achterkant van de giek. De giek rust aan de voorkant met een zwanehals in de nagelbank. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. Van de top van de gaffel naar de zwanehals van de giek loopt een neerhaler. De grootschoot loopt door twee blokken en is belegd op de onderste van de twee (wat echter geen hakkeblok is). Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de wangen van de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. Op het helmhout van het roer een gebogen vlaggenstok met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van kunststof en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De bodem is vlak.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de steven hangen ankers. De ankerkettingen lopen door de kluisgaten naar binnen, lopend over de braadspil en gaan via twee klapmutsen naar het vooronder. Achter de braadspil de lier van de voorstag en twee luiken. Tegen het boeisel van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Tussen de bolders en de zijstagen zijn zetboeisels op het boeisel gemaakt. Langs de gangboorden zijn op de boeisels ook zetboeisels geplaatst. De zwaarden hangen met een spijker aan de boeisels. De zwaarden zijn langs de randen voorzien van metaalbeslag en ook overdwars zijn er metaalstrippen op gezet. De koppen van de zwaarden zijn niet verdikt. De zwaardlopers zijn kettingen die door een gat in het boeisel, over de gangboorden naar achter lopen en op ankerlieren op het achterdek zijn vastgezet. Achter de mast het luikhoofd van het ruim, dat wordt bedekt door houten luiken (één plaat met lijnen die tweemaal twaalf luiken suggereren). Op het ruim een houder met daarin een peilstok en twee vaarbomen (vastgelijmd). Naast de houder liggen op de luiken ene loopplank en een stokdweil. Het schip heeft geen roefopbouw. Achter het ruim staat een schoorsteen met U-vormige bovenkant, zodat de schoorsteen ook kan dienen als mik. Aan weerszijden van de schoorsteen twee watervaten. Op het achterdek is aan stuurboord een luikenkap met deuren gemaakt die toegang verschaft tot het achteronder. Daarachter zijn voetlijsten gemaakt, waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Tegen de boeisels van het achterschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Tegen het achterboeisel aan staan de twee zwaardlieren met daartussen de lichtkap van het achteronder. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ramen gemaakt. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. Het helmhout is voorzien van een handgreep in de vorm van een korvijnagel. Op het helmhout een vlaggenstok en een bolle roerklik.
Kleuren: De romp is lichtgroen. Het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. De zwaarden zijn gelakt. De dekken en gangboorden zijn zwart. De binnenkanten van de boeisels zijn lichtgroen. De lieren, de luikhoofden, de mastkoker, de watervaten en de toegang tot het achteronder zijn groen. De rondhouten zijn gelakt, evenals de luiken van het ruim en de schoorsteen. De loopplank is zwart met wit. De peil is groen, zwart, rood en wit. Het helmhout heeft een rode handgreep. De roerklik is aan de bovenkant goudkleurig e de wangen zijn groen met witte stippen.
Accessoires: loopplank, peilstok, twee vaarbomen, stokdweil.
HintergrundinformationDe vervaardiger J. van der Berg uit Alkmaar was oud-schipper. Hij was 85 jaar oud toen hij het model vervaardigde. Het is een typisch schippersmodel: ruw maar zeer compleet.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen).
Het model is vervaardigd naar een dektjalk: de roef is gesitueerd onder het achterdek. Daardoor is de roef erg laag en donker. het licht komt alleen via lichtkappen in het dek naar binnen., literatuur:
- F. Loomeijer, Met zeil en treil (Alkmaar, 1980), pp. 30-33.
TitelScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek.
HerstellerMeekeren, Frits van
Stichwörtertjalken, beurtschepen, Koudum
ObjektnummerK-041
Periode van1947
Periode tot1947
BeschreibungScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij metalen reefringen aangebracht. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil een dubbele rij metalen reefringen. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast en blauwe vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Met een vorkverbinding is aan de voorsteven een botteloef (in het fries loefbyter) bevestigd. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. In het voordek is een dubbel luik gemaakt, dat toegang biedt tot het vooronder en dat wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken, om zo plaats te bieden aan het contragewicht. Wanneer het luik wordt verwijderd is het contragewicht zichtbaar. Net voor de mast de overloop van de fok, die is bevestigd in ogen in het boeisel. Net achter de overloop aan stuurboordzijde een lenspomp. Achter de mast het ruim dat wordt gesloten met tien (vastgezette) luiken. Tussen het ruim en de boeisels brede gangboorden. Het ruim gaat in een vloeiende lijn over in de roef. In het dak van de roef een schoorsteen. In de wanden ervan geen ramen. In de achterwand van de roef dubbele openslaande deuren. De roef is ingericht met een vloerkleed, een tafel, zijbanken en een schouw. Achter de roef een verlaagd achterdek (bollestal) zijbanken en een achterbank. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn aan de onderkant beschermd door metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een tweetal blokken naar achteren en is daar belegd op een klamp op de buitenkant van het boeisel. De kop van het roer is bekleed met koperplaat. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is zwart. De koppen van de zwaarden zijn groen. De botteloef is zilverkleuring. De top van de mast is wit. De lijsten van de roefdeur zijn groen. Het helmhout is groen en de kop van het roer is zwart. Accessoires: twee vaarbomen (zwarte teen), een fokuitzetter (gelakte teen en een haak).
HintergrundinformationVan het schip is een foto aanwezig in het foto-archief van het museum (beurtschepen - zeilend, nr. 14) Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 4 november 1949, 12 okt. 1972
BeschreibungScheepsmodel van een paviljoentjalk, het beurtschip Bolsward. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De top van de kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de mast en wordt gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen. In het midden wordt de kluiverboom gehouden door een beugel aan de voorsteven en het einde ervan is vastgezet in een metalen kluiverboomstoel op het voordek. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers en rusten (horizontale balken) vastgezet op het boeisel. De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiver, een stag fok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een van de voorbolders. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ring is vastgezet op een houten overloop (van boeisel tot boeisel). In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop in het achterdek. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast en op de voorwand van het ruim. Op de top van de mast een rode vleugel en daarboven een mastwortel. Op het helmhout een rechte vlaggenmast met rood-wit-blauwe vlag. De houten blokken zien niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Het anker is over het voorboeisel gehaakt. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar binnen, is vastgezet op de braadspil op het voordek en loopt dan via een scharnierend luik in het voordek (durksluik) naar het vooronder. Verder in het voordek een luik (uitwip - die verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten), twee pompen en de houten overloop van de fok (van boeisel tot boeisel). Over het boeisel van het voorschip hangen aan weerszijden twee wrijfhouten. Naast de mast (aan stuurboord een watervat). Achter de mast een nagelbank en het hoofdruim, dat met elf paar luiken wordt bedekt. Op de luiken een bak met daarin een peilstok, een vaarboom en een loopplak met voetlijsten. De zwaarden zijn voorzien van een verdikte kop. Langs de onderkant van de zwaarden metaalbeslag en overdwars drie metaalstrippen. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en door twee blokken naar het achterschip waar de val is belegd op een klamp. Achter het ruim de roef. In de wanden daarvan zijn geen ramen of deuren gemaakt. Het dak is puntig is en kan verwijderd worden. Over het boeisel van het achterdek hangt aan weerszijden een wrijfhout. Op het achterdek een paviljoen: een verblijf waarvan het dak even hoog is als de bovenkant van het achterboeisel. Het paviljoen is bereikbaar door een schuifluik aan bakboord. In het dek an van het paviljoen is een lichtkap gemaakt. Het helmhout van het roer loopt over het paviljoen naar voren. Het is voorzien van een rechte vlaggenstok, waarin een rood-wit-blauwe vlag wordt gevoerd. Daarachter een roerkop in de van een mannekop met in zijn mond een korte pijp. Het roer hangt in drie roerhaken. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ovale ramen gemaakt. Daarboven is (tweemaal) op het boeisel geschilderd: 'BOLSWARD'. Kleuren: De romp is ongeverfd. Alleen over het achterschip is een rood-wit-blauwe bies geschilderd, die doorloopt over het roer. Bij de overgang van het achterdek in het paviljoen is op het boeisel een rood-wit-blauwe bies geschilderd. De bovenkant van het achterboeisel is zwart. De wanden van de roef zijn groen geschilderd met witte lijnen die planken suggereren. Accessoires: stander, loopplank, peilstok, vaarboom, watervat.
HintergrundinformationPaviljoentjalken onderhielden de beurtvaart tussen Friese steden en Amsterdam en Rotterdam, maar ook wel op Zwolle, Groningen, etc. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk is genoemd naar het paviljoen: het verhoogd achterdek op de hoogte van de bovenkant van het boeisel. Onder het verhoogde achterdek is de roef gesitueerd. De schipper stond vóór het paviljoen te sturen. het helmhout was daarom opvallend lang. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 18.
BeschreibungScheepsmodel van een Lemster beurtman in de vorm van een paviljoentjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De mast heeft een steng, die met twee metalen beugels (ezelshoofden) aan elkaar verbonden zijn. VAn de onderkant van de steng is een splinter afgebroken. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag die met een jufferblok (stagblok) met vijf gaten is vastgezet op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders), door een staand want van één hoofdtouw dat hoger aan de mast is vastgezet en door een lopend want (bakstag). De staande wanten zijn met paren jufferblokken vastgezet op puttingijzers op de zwaardklos (in de functie van rust). De kluiverboom rust aan de achterkant in een metalen houder op het voordek en in een beugel die aan bakboord aan de voorsteven is bevestigd. De voorkant van de kluiverboom hangt in een kraanlijn. De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiverfok, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiverfok wordt uitgezet met een traveller op de kluiverboom. De traveller wordt naar voren getrokken met een lijn die loopt over een schijf in de top van de kluiverboom en die is belegd op de beretand aan bakboord en op een klamp op het achtereind van de kluiverboom. Van de traveller loopt naar de top van de mast een vaste (ongetakelde lijn, een soort stag). Het voorlijk van de kluiverfok is met metalen leuvers aan deze lijn bevestigd. De hals van de kluiverfok is vastgehaakt aan de traveller. De kluiverschoot is aan stuurboord belegd op een bolder in het voorschip. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een blok vastgezet op de voorsteven. In de top van de stagfok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt door een blok aan de schoothoek van de fok en door een hakkeblok dat is vastgezet op de overloop op het voordek. De fokkeschot is belegd op dit hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. De piek van de gaffel wordt gehesen met een piekeval die in een kruisvorm is gespannen over een vioolblok aan de gaffel. De klauw wordt met de klauwval gehesen. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgezet aan de mast. De halstalie van het grootzeil is met twee blokken getakeld en belegd aan de voet van de mast. Het grootzeil heeft geen giek: het wordt gezeild met losse broek. Aan de onderkant van het grootzeil is een bonnet gemaakt. Dit is een afknoopbaar gedeelte, waarmee het zeil bij harde wind werd gereefd. Aan het achterlijk is een gei gemaakt: een lijn die werd gebruikt om het achterlijk van het zeil in de richting van de mast te trekken. Van de gaffelnok naar het achterdek lopen aan weerszijden twee geerden (touwen die de gaffel in bedwang moeten houden). Aan de onderkant van het achterlijk van het grootzeil is de grootschoot bevestigd. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan het zeil en enkelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het achterschip. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen en kraanlijnen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en op de nagelbank achter de mast. In de top van de steng een rode vleugel aan een koperen scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond en hebben terugvallende boeisels. De bodem is vlak en rond. De achterkant van de bodem is gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. De kluisgaten zijn versierd met snijwerk in de vorm van een ster. Over het boeisel aan stuurboord hangt een stokanker met houten stok. Het ankertouw loopt door het kluisgat aan stuurboord naar binnen, is geslagen over de braadspil en verdwijnt door een luik in het voordek naar binnen. Achter de braadspil de metalen stander van de kluiverboom. Tegen de boeisels van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Daaronder hangen over het berghout aan weerszijden drie wrijfhouten. In het voordek zijn twee luiken gemaakt. Het voorte luik is scharnierbaar. Het twee, grotere luik is los. Voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Achter de mast een losstaande nagelbank. Ter hoogte van de nagebank zijn de zwaarden aan de boeisels gehangen. De zwaarden hebben verdikte koppen en zijn aan de bovenranden versierd met ingesneden schulpvormen. Aan de onderkant zijn de zwaarden verstevigd met vier houten dwarslatten en een halfronde metalen strip. Ook langs de randen van de zwaarden is metaalbeslag aangebracht. De zwaardlopers lopen naar achter, door en staartblok aan een ketting op de buitenkant van het boeisel, terug naar voren, door een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel en zijn belegd op de bolders op het achterschip. Achter de nagelbank het luikhoofd van het ruim dat met vijf bolle luiken wordt overdekt. De kajuit daarachter heeft een bol dak. In de zijwanden van de kajuit ovale lichtranden met schuifluiken. In de achterwand van de kajuit dubbele deuren. Achter de kajuit is de plaats van de roerganger. Het achterdek is een paviljoendek (het dek is even hoog als de bovenkant van het boeisel). Het lange helmhout steekt over het paviljoen heen naar voren. Op de voorkant van het paviljoen de overloop van de grootschoot. Over de berghouten van het achterschip hangen twee wrijfhouten (aan beide kanten één). In de boeisels van het achterschip zijn ramen gemaakt om licht te scheppen in het paviljoen. Onder de ramen geschilderde wapens: aan bakboord het wapen van Lemsterland (hand met aardkloot) en aan stuurboord het wapen van Amsterdam (drie Andreaskruisen). Het roer is smal en hoog van vorm. Het hangt met vier roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met drie tonnetjes. Het helmhout is gebogen en aan de voorkant voorzien van een koperen knop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Het berghout en de bovenkant van het boeisel is zwart. De boeisels zijn gelakt, alleen in het voor- en achterschip zijn ze groen met een goudkleurige bies. De kluisborden zijn groen met ene goudkleurige ster. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen en de inschulpingen zijn groen. De dekken zijn gelakt, evenals de luiken, het ruim en de kajuit. Er zijn enkele groen accenten aangebracht: de koppen van de bolders, de koppen van de nagelbank en de luiken van de kajuit. De rondhouten zijn gelakt. Het roer en de roerkop zijn gelakt. De drie tonnetjes op het roer zijn rood, wit en blauw. Accessoires: stander en pikhaak.
HintergrundinformationDe aanwezigheid van de wapens van Lemsterland en Amsterland onder de ramen van het paviljoen maken waarschijnlijk dat het beurtschip de dienst tussen Lemmer en Amsterdam onderhield: 'de Lemster beurtman'. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk dankt zijn naam aan het paviljoen in het achterschip: een verhoogd achterdek op het niveau van de bovenkant van het boeisel. Onder het paviljoen bevindt zich het verblijf van de bemanning of de passagiers. De schipper staat vóór het paviljoen te sturen. Opvallend is het lange helmhout. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
TitelScheepsmodel van een houten tjalk: een turfschip.
Herstelleronbekend
Stichwörterskûtsjes, tjalken, turfschepen
ObjektnummerK-051
Periode van1900
Periode tot1950
BeschreibungScheepsmodel van een houten turfschip. Uitgehold blokmodel, aan de buitenkant met latten bekleed. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een metalen voorstag op de voorsteven en door een voorstag op de kluiverboom. Deze laatste voorstag loopt door een blok op de punt van de kluiverboom naar achter en is belegd op de beretand aan stuurboord. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen en door twee lopenden wanten (bakstagen) die ieder met twee blokken getakeld zijn. Het touw van de voorste bakstag is belegd op het staande wand en het touw van de achterste bakstag is op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. De stagen zijn aan de boorden vastgezet met puttingijzers. De boegspriet rust aan de achterkant in een metalen stander. De voorkant van de kuiverboom hangt in de voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiver wordt uitgezet met eem traveller. De kluiverschoot is belegd op een voorbolder aan bakboord. De stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is met een halstalie die loopt door twee blokken vastgezet op de voorsteven en belegd op de beretand aan bakboord. De fokkeschoot loopt via twee blokken. Het onderste blok is een hakkeblok, waarop de fokkeschoot is belegd. Dit hakkeblok is met een ring vastgezet op een metalen overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het voorlijk van het goortzeil is voorzein van metalen beugels. Daaraan zijn touwen bevestigd die rond de mast zijn bevestigd. De halstalie van het grootzeil loopt door twee blokken en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is vastgezet op een giek. De voorkant van de giek rust met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot van het grootzeil loopt door een tweeschijfs blok aan het achtereind van de giek en door een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voor en het achterschip zijn rond. De bodem is vlak. De bouwwijze is er de oorzaak van de het model tamelijk hoekig is. De op de romp aangebrachte latten zijn niet gebogen. Het voor- en achterschip zijn uitgezaagd en geplakt aan de lange rechte gangen. De hoekigheid wordt nog geaccentueerd door het verschil in kleur tussen de uitgezaagde en de rechte gangen. Het model van voor naar achter. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Achter de voorsteven een scepter waarin de kluiverboom rust. Achter de scepter een braadspil en twee luiken. Tegen het voorboeisel zijn aan weerszijden twee bolders geplaatst. Op de boeisels van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst. Achter de mast het luikhoofd met daarop tweemaal vier luiken (drie luiken ontbreken). Ook op de boeisels ter hoogte van het ruim zijn zetboeisels geplaatst. De zwaarden zijn tamelijk smal van vorm. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van koperbeslag en de onderkant zijn eveneens van metaalbeslag voorzien. De zwaardlopers gaan via een metalen schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar achteren, zijn daar getakeld met zwaardtalies die door twee blokken lopen en die zijn belegd op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. Het schip heeft geen roef of kajuit. Op het achterdek staat een schoorsteen met een U-vormige bovenkant (mik-functie). Daarachter is het hakkeblok van de grootschoot vastgezet in het dek. Onder de helmstok van het roer bevind zich het luik van het achteronder. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ramen gemaakt (voor het achteronder). Tegen de boeisels van het achterschip zijn twee bolders geplaatst. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. Het roer is voorzien van een vast helmhout. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart, evenals het berghout. Het dek, de luiken, de rondhouten en de losse onderdelen zijn alle gelakt. Accessoires: een vaarboom, een pikhaak, een uitzetter, een mik en een loopplank.
HintergrundinformationVan alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje.
BeschreibungScheepsmodel van het houten potschip Yn 't Potskip'. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het potschip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven. De voorstag is niet getakeld maar vastgeknoopt. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want (zijstag) dat aan een oog in het boeisel is vastgezet. Het postschip heeft geen zeilen. Achter de mast hangt een giek in de kraanlijn, die is vastgezet op de nagelbank. De giek draait in een gat in deze nagelbank. De giek is niet lang. Het achtereind steekt niet buiten de achterkant van de roef. Dat zou problemen geven bij het hanteren van de grootschoot. Deze schoot ontbreekt. Wel is er een schootblok aan de onderkant van de giek bevestigd. De gaffel ontbreekt. Ook de bevestigingspunten voor de grootschoot en de fokkeschoot ontbreken. De tuigage is incompleet en defect. De witten touwen zijn niet origineel. Alleen de bruine zwaardloper is van het origineel gebruikte garen. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Tegen de binnenkanten van de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. In het voordek zijn twee luiken. Het voorste is los en is aan de binnenkant beschilderd met de Friese vlag. Het tweede luik in het voordek is de uitwip die wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken om het ondereind van de mast door te laten. Op het boeisel van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst met daarop de naam van het schip: 'Yn 't Postkip'. Aan de voet van de mast de mastkoker met daaraan klampen en achter de mastkoker een nagelbank. Ter hoogte van de mast zijn de zwaarden opgehangen. De zwaarden voorzien van verdikte koppen en ingekerfde lijnen suggereren de beplanking. Van het zwaard aan bakboord ontbreekt de zwaardloper (een schildpadblok een een blok aan de buitenkant van het achterschip zijn er wel). Het zwaard aan stuurboord heeft wel een zwaardloper. Deze loopt via een schildpadblok naar een blok aan de buitenzijde van het schip. Dar blok wordt met een wit touw getakel aan één van de achterbolders. Achter de mast het ruim annex verkoopruimte. Wanneer de luiken worden verwijderd is het ruim te zien. In het midden twee bakken met daarin miniaturen van te verkopen goederen: stapels borden, thee- en koffiepotten. inmaakpotten, Keulse potten en kannen. voorraadpotten. testen, doofpotten, et cetera. Waar geen bakken in het ruim zijn gemaakt, zijn in de wanden ramen (twee aan elke zijde) aangebracht. Daarachter prijkt ook koopwaar: vazen, kannen en zilverbollen. Achter het ruim de roef. In de zijwanden daarvan ramen (één aan elke kant). In de achterwand de toegang met dubbele deurtjes en een schuifluik (met ingesneden traliewerk) in het dak. Achter de roef het achterdek. Aan het boeisel zijn daar twee bolders bevestigd. Achter het achterdek het verhoogde achterschip (een soort paviljoen) waaronder de slaapverblijven. Die zijn toegankelijk door een luik aan stuurboordzijde. Ook dit luik is voorzien van gesneden traliewerk. In de achtersteven zijn aan weerszijden van het roer twee vensters gemaakt. De onderkanten van deze ramen zijn met snijwerk versierd. Op de boeisels van het achterschip en op de boeisels langs de gangboorden zijn metalen relingen geplaatst. Aan de achtersteven hangt het roer (twee roerhaken). De helmstok ervan heeft een metalen handgreep (tonnetje) en een roerklik die met snijwerk is versierd (hoorn des overvloeds). Kleuren: De romp is geheel gelakt, ook het onderwaterschip en het berghout. De dekken, de luiken, het ruim en de roef zijn gelakt. Restanten van schilderwerk zijn te zien op de schuifluiken (roef en achterschip), op de roerklik en op de achtervensters. De rondhouten zijn gelakt. De top van de mast is wit. Accessoires: miniaturen van potten en pannen, losse vleugel, losse mik, watervat.
HintergrundinformationDe vervaardiger van het model is Durk Lourens van der Werff (Drachten 1908-1997). Hij is een zoon van Haike Pieters van der Werff, die een scheepswerf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten. Durk van der Werff houdt de herinnering aan de Drachtster scheepsbouw levend door zijn schilderwerk (in naïeve trant). Ook dit model past in deze naïeve werktrant: met name de weergave van de potten en pannen zijn daar een voorbeeld van. Het model werd gebouwd in de winter van 1944-1945. Het hout dat hij er voor gebruikte was eikenhout van afgedankte stoelen. Zijn vader Haike van der Werff gaf Durk adviezen bij de bouw.
Een potschip is een tjalkachtig schip dat werd gebruikt voor het verkopen van potten en pannen. Ze waren meestal klein van formaat, zodat ze veel dorpen konden bereiken. Mensen konden aan boord kopen, maar de potschippers laadden hun koopwaar ook wel over op kruiwagens om zo langs de deuren te gaan.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Lieuwe Westra, 'Familie van der Werff: dynastie van Friese scheepsbouwers' in: Spiegel der Zeilvaart, mei 1997, pp. 28-34.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 29
TitelScheepsmodel van het aardappelscheepje Gudsekop.
HerstellerBosma, Andries
Stichwörterskûtsjes, tjalken
Objektnummer1999-001
Periode van1999
Periode tot1999
BeschreibungScheepsmodel van het skûtsje of aardappelschip Gudsekop. Het model is gebouwd uit zinkplaat dat op spanten is geklonken. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter') en door een staand want van twee zijstagen. De zijstagen zijn met wantspanners bevestigd op puttingijzers op de boorden van het schip. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in vouwplooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een harpsluiting vastgezet op de botteloef. In de top van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt over twee tweeschijfsblokken. De onderste daarvan is een hakkeblok, dat is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. De fok is niet voorzien van reeftouwen. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Deze wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met rakkralen) bevestigd aan de mast. De halstalie van het grootzeil loopt over een blok aan de hals van het zeil en over twee blokken aan weerszijden van de giek. De schoothals van het grootzeil is met een harpsluiting vastgezet aan de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De grootschoot loopt over een tweeschijfsblok aan het einde van giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van twee rijen reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn getakeld met blokken en zijn belegd op de nagelbank. er zijn geen lieren aan boord. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan metalen scheerhout. De blokken zijn deels van hout en voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Tegen het boeisel van het voorschip zijn twee bolders geplaatst. In het voordek een luikhoofd met scharnierend luik dat toegang verschaf tot het vooronder. Daarachter een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. Voor de mast de metalen overloop van de fokkeschoot. De mast staat in een metalen mastkoker. Aan de wangen van de mastkoker en aan de nagelbank aan de achterkant van de mastkoker zijn de zeilvallen, de kraanlijn en de voorstag belegd. Achter de nagelbank het ruim, dat wordt afgesloten door tweemaal tien houten luiken. Op de luiken liggen een loopplank, een vaarboom en een pikhaak. Over de gehele lengte van het ruim zijn op de boeisels houten zetboeisels geplaatst. De zwaarden hangen met bouten aan het boeisel. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van opgenageld metaalbeslag. Rond het boutgat een stervormige versiering. Langs de onderrand van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op het boeisel naar achteren. Daar zijn ze getakeld met zwaardtalies die lopen door twee enkelschijfs blokken op de buitenkant van het boeisel. De halende einden van de zwaardtalies zijn belegd op klampen op het achterboeisel en zijn opgeschoten in haken aan de buitenkant van het achterschip. Achter het ruim de roef. De voorwand en de zijwanden zijn blind (geen ramen). In de achterwand van de twee ruitvormige ramen en in het midden een dubbele metalen deur met schuifluik in het dak. Achter de roef in de bollestal een plank met voetlijsten waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Ook is er een achterbank. Tegen de boeisels van het achterschip zijn vaste bolders en steekbolders geplaatst. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is plat en ligt los over de roerkop. De ruig van het roer is voorzien van metaalplaat. Kleuren: De romp van het schip is havannabruin. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is donkerbruin. De bovenkant van het boeisel is donkerbruin en wit. De boeisels zijn aan de binnenkant donkerbruin. Het voordek, het achterdek en de gangboorden zijn zwart. De luiken in het voorschip zijn havannabruin, evenals de wanden van de roef. Het dak van de roef is lichtgroen met een donkerbruine buitenrand. Het luikhoofd van het ruim is bruin en de luiken zijn gelakt. De achterbank is grijs. De voetlijsten zijn gelakt. Het roer is gelakt. De roerkop is groen, evenals het helmhout. Het beslag op de rug van het roer is wit (boven) en zwart (onder). De zwaarden zijn gelakt. Het beslag op de zwaarden is zwart, de stervormige versiering is wit. De loopplank is grijs met wit. De zetboeisels en de rondhouten zijn gelakt. De top van de mast is zwart en het mastbeslag is wit. De kluisborden en berentanden zijn geel. Accessoires: pikhaak, vaarboom en een loopplank. Het model is vastgezet op een stander.
HintergrundinformationAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het skûtsje of aardappelschip Gudskop is in 1908 gebouwd door Auke van der Zee te Joure. Afmetingen: lengte 46¼ voet (=13,15 meter), breedte 10= voet (=3.02 meter), holte 3= voet (=1.07 meter). Het schip werd gebouwd in opdracht van aardappelhandelaar C. Walma te Joure. In 1919 werd het verkocht aan Aardappelhandelaar de firma Doevendans en Van der Veen te Sneek. In 1934 kocht de Zeeverkennersgroep Greate Pier te Sneek te schip. Sinds 1960 is het schip eigendom van de Stichting Kamp- en Reiswerk van de V.C.J.C.
Het model is gebouwd naar de tekeningen in het boek dat in 1974 over de Gudsekop is geschreven (zie literatuur) en naar tekeningen uit het Fries Scheepvaart Museum (inv.nrs. T-127, T-128 en T-129).
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Een scheepje gebouwd.... De Gudsekop (Utrecht, 1974).
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1999, p. 22
BeschreibungScheepsmodel van de zeetjalk Spes. Op spanten gebouwd (zinkplaat op koperen spanten). Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom hangt aan de voorkant in een kraanlijn aan de mast en wordt gehouden door een waterstag en een boegwant van twee hoofdtouwen. Onder de kluiverboom een paard (looptouw met knopen). Bij de steven rust de kluiverboom in een ring en aan de achterkant is de boom vastgezet in een metalen kluiverboomstoel op het voordek. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen met daartussen weeflijnen (touwladders) en door een lopend want (bakstag). In het want is aan stuurboord een lantaarn gehangen (rondschijnend wit licht). De zeilen zijn van witte katoen: een buitenkluiver, een binnenkluiver, een stagfok, een grootzeil en een topzeil. De buitenkluiver is aan de voorkant vastgezet op een ring op de punt van de kluiverboom. Het voorlijk van de buitenkluiver is met metalen ringen bevestigd aan de kraanlijn van de kluiverboom. De schoot van de buitenkluiver is belegd op een van de bolders in het voorschip. De hals van de binnenkluiver is bevestigd op een ring op de helft van de kluiverboom. Het voorlijk van de binnenkluiver is met metalen ringen bevestigd aan de eerste voorstag. De schoot van de binnenkluiver is belegd op een van de bolders op het voordek. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de tweede voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op de overloop op het voordek. In de stagfok zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel (met hanekam) en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een korte overloop op het achterdek. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. Het top zeil is driehoekig van vorm. Het is gespannen tussen de nok van de gaffel en de top van de mast. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. Op het helmhout een Nederlandse vlag. De houten blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, plat vlak. Het schip van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Twee ankers hangen over de kluisborden en zijn met touwen aan de berentanden bevestigd. Achter de voorsteven een braadspil, het luik tot het vooronder en het luikhoofd van het voorruim, dat wordt afgedekt met houten dekplanken. Daarachter de overloop van de stagfok, de mast en de nagelbank. De mast kan gestreken worden met behulp van een bok. De poten van de bok draaien op de uiteinden van de overloop. Aan de punt van de bok is een groot blok gemaakt. De zwaarden zijn met metaal verstevigd: platen op de kop, beslag langs de onderrand en overdwars vier metaalstrippen. De boutgaten zijn versierd met sterren. De zwaardloper (ketting) gaat via een schildpadblok naar de zwaardtalie (touw door twee blokken) aan de buitenkant van het boeisel, die aan binnenboord is belegd op een bolder op het achterschip. Achter de mast het ruim dat wordt afgedekt door 32 houten luiken. De roef heeft in de voorwand twee patrijspoorten, in de zijwanden twee ramen met schuifluiken en in de achterwand een raam met scharnierbare luiken en een dubbele deur. Op het dak van de roef twee handrelingen, een lichtkap en een schoorsteen. Op het achterdek de voetlijsten voor de roergangen en de lichtkap van het benedendekse achteronder. Het roer is versierd met een open roerklik (versier met een gegolfde tongvorm en drie tonnetjes). Het helmhout is voorzien van een koperen helmhouttonnetje en een met spiraal- en tulpvormen versierde vlaggenstokhouder. In deze houder een rechte vlaggenstok met rood-wit-blauwe vlag. Het roer kan worden opgehesen met een roertakel. Bovendien is het roerblad voorzien van kettingen (roertalies) die zijn vastgezet op de buitenkant van het achterboeisel. Op het achterschip twee naamborden met daarop: '19 SPES' en SPES 03'. Kleuren: Het onderwaterschip is zwart, de rest van de romp is wit met een zwart zwart berghout en een zwarte boeiselkop. Het dek is grijs. De wanden van de roef zijn wit met rode versiering op de raamluiken. Het dak van de roef is groen. De achterzijde van de roef en de rand van de ruimen zijn havannabruin. Het houtwerk is gelakt op geteerd. Accessoires: stander.
HintergrundinformationAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar een tekening van Murk Brandsma uit Franeker (inv.nr. 1983-348). Het was een lestekening die Brandsma maakte bij tekenleraar Ritskes uit Harlingen. De tekening is gedateerd 5 nov. 1903. Rond 1900 schakelde veel scheepswerven over van houtbouw op staalbouw. Vader Rients Brandsma hield zich bij de houtbouw, maar zoon Murk Brandsma volgde tekenlessen om de staalbouw onder de knie te krijgen. De ontworpen tjalk was 102 ton groot, 77 voet lang (21,79 m) 16¼ voet breed (4,61 m) en 6½ voet hol (1,83 m). Het model is gebouwd uit zinkplaat op koperen spanten. De huidplaten zijn geklopt en met klinknagels bevestigd op de spanten. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Het model is een voorbeeld van het laatstgenoemde type., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, pp. 17-18.
TitelScheepsmodel van het skûtsje 'De Twee Gebroeders' uit Drachten.
HerstellerBosma, Andries
Stichwörterskûtsjes, tjalken, skûtsjesilen
Objektnummer1995-171
Periode van1995
Periode tot1995
BeschreibungScheepsmodel van het skûtsje 'De Twee Gebroeders' uit Drachten. Het model is gebouwd uit zinkplaat dat op spanten is geklonken. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het skûtsje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter') en door een staand want van twee zijstagen. De zijstagen zijn met wantspanners bevestigd op puttingijzers op de boorden van het schip. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in vouwplooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. In de top van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt over twee tweeschijfsblokken. De onderste daarvan is een hakkeblok, dat is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. De fok is voorzien van een enkele rij reeftouwen. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Deze wordt gehesen met een kaluwval en een piekeval. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met rakkralen) bevestigd aan de mast. De halstalie van het grootzeil loopt over een blok aan de hals van het zeil en over twee blokken aan weerszijden van de giek. De onderkant van het zeil is vastgezet aan een giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. In het achterlijk van het zeil drie zeillatten. De grootschoot loopt over een tweeschijfsblok aan het einde van giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van twee rijen reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn worden bediend met twee lieren aan weerszijden van de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan metalen scheerhout. De blokken zijn deels van metaal (voorstag, fokkeval, kraanlijn en een piekeval) en deels van hout. De blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Het boeisel van het voorschip is voorzien van een L-vormig profiel, waarin twee steekbolders en vier vaste bolders (twee aan elke kant). In het voordek een luikhoofd met scharnierend luik dat toegang verschaf tot het vooronder. Daarachter een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. Op de voorste zetboeisels staat de naat van het schip: 'TWEE GEBROEDERS DRACHTEN Tj. V.D. VEEN 40 TON'. Voor de mast de metalen overloop van de fokkeschoot. De mast staat in een metalen mastkoker. Aan weerszijden daarvan de lieren voor de vallen en de kraanlijn. Achter de mast zijn op het dek de blokken van de halstalie vastgezet. Daarachter het luikhoofd van het ruim, dat wordt afgesloten door tweemaal twaalf houten luiken. Op de luiken liggen een loopplank, een vaarboom en een pikhaak. Over de gehele lengte van het ruim zijn op de boeisels houten zetboeisels geplaatst. Ter hoogte van de roef worden deze voortgezet als metalen relingen. De zwaarden hangen met bouten aan het boeisel. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van opgenageld metaalbeslag. Rond het boutgat een stervormige versiering. Langs de onderrand van de zwaarden metaalbelsag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok, langs de buitenkant van het boeisel, door een gat in het boeisel naar de ankerlieren op het achterdek. Achter het ruim de roef. De voorwand daarvan is blind (geen ramen). In de zijwanden van de roef aan weerszijden twee ramen met schuifluiken. In de achterwand van de roef aan bakboord een ovale lichtrand met tralies en aan stuurboord dubbele houten deuren. Op het dak van de roer een afneembare schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat de schoorsteen ook als mik kan worden gebruikt. Langs de randen van het roefdak handrelingen. In het dak zijn twee lichtkappen met tralies gemaakt. De achterste daarvan fungeert tevens als schuifkap boven de deuren. Achter de roef een plank met voetlijsten waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Tegen de boeisels van het achterschip zijn bolders geplaatst. Daarachter staan de zwaardliere opgesteld. Onder de helmstok de lichtkap van het achteronder (alkoof), die net als die van de roef is bedekt met traliewerk. Op de bovenkant van het achterboeisel twee steekbolders. Op de buitenkant van het boeisel, aan weerszijden van de achtersteven twee houten naamborden met daarop 'DE TWEE' en 'GEBROEDERS'. Daaronder twee lichtranden van het achteronder (alkoof). Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is aan de voorkant voorzien van een koperen helmhouttonnetje (handgreep) Op het helmhout een roerklik die met snijwerk is versierd: hoorn des overvloeds met bladertak. Over de rug van het roer metaalbeslag. Kleuren: De romp van het schip is havannabruin. Het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. Op het achterschip een donkerbruin veld. De boeisels zijn aan de bovenkant zwart en aan de binnenkant grijs. De botteloef en de waterstagen zijn wit. Het dek is grijs. Het luik van ht vooronder, de luiken voor de mast en het luikhoofd van het ruim zijn havannabruin. De luiken van het ruim zijn gelakt. De mastkoker is bruin, evenals de lieren die ernaast staan. De mast en de andere rondhouten zijn gelakt. De voor- en achterwanden van de roef zijn havannabruin. De zijwanden van de roef zijn wit. Het dak van de roef is lichtgroen met rondom een zwarte rand. De koppen van de zwaarden zijn zwart met witte nagelkoppen en sierster. De kluisborden, berentanden, zetboeisels, naamborden, lichtkappen, schoorsteen, roer, helmhout, zwaarden, deuren, voetlijsten en rondhouten zijn gelakt. De masttop is zwart en de hanepoten zijn wit. De roerklik is meerkleurig beschilderd. Accessoires: pikhaak, vaarboom en een loopplank. Het model is vastgezet op een stander.
HintergrundinformationAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar het Drachtster skûtsje De Twee Gebroeders. Dat heeft verschillende redenen. Het schip doet, samen met het S.W.H.-skûtsje, het langst mee aan het skûtsjesilen van de S.K.S. Al is 1926 komt het voor op de deelnemerslijsten van een wedstrijd te Grou en het heeft vanaf 1952 onafgebroken meegezeild bij de S.K.S. Een andere reden is dat het schip werd gebouwd op scheepswerf De Piip van de gebroeders Roorda te Drachten. Uit het archief van de werf (aanwezig in het museum) is nog na te gaan hoe het schip werd gebouwd: er is nog een tekening en een spantenlijst van. De tekening heeft inv.nr. 1991-376. In het archief van de werd komt het schip voor onder de inv.nrs. 3 en 58. In het werfboek van De Piip heeft het schip nr. 64.
Naar de genoemde tekening zijn meerdere schepen gebouwd. De Twee Gebroeders is het oudste uit de serie. Het schip werd in 1912 gebouwd voor Tj. van der Veen uit Drachten. Daarna volgden schepen voor G. Knol, G. van der Schuit (in 1995: Sneker Pan), B. Setsema te Grou (1914) en F. van Deinum (voorheen het Leeuwarder skûtsje en in 1992 als Lytse Sipke deelnemer aan de I.F.K.S.).
Gemeten naar de tekening zou het schip circa 59½ voet lang moeten zijn. Volgens een opmerking in het schrift met de spantenlijsten was de lengte 60 voet. Op dezelfde tekening staat een opmerking: 'Het schip voor Van der Veen 5 voet langer'. Dat werd dus 64½ voet. En de meetbrief van 1932 vermeldt een gemeten lengte van ruim 65 voet. Gerekend in meters betekent dat 18,48 meter. Het werkelijke schip is 17,84 meter (63 voet) lang. Van deze maat is de modelbouwer uitgegaan. In 1994 is het schip met 1½ meter verlengd en is de mast naar achteren verplaatst. De kleuren zijn aan de hand van oude foto's en op basis van herinneringen van de oud-schipper Hattum Hoekstra aangebracht.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 25-26
BeschreibungScheepsmodel van een houten tjalk. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De mast wordt gehouden door twee voorstagen op de voorsteven en op de kluiverboom. De voorstag op de voorsteven is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken en die is belegd op de braadspil op het voordek. De mast kan gestreken worden aan deze voorstag. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van een scharende bok, waarvan de twee poten aan de achterkant zijn gehaakt in de overloop van de fok. De bok zorgt bij het strijken van de mast voor een hefboomwerking. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend wand (bakstag). De wanten zijn aan de boorden vastgezet met puttingijzers. De kluiverboom rust aan de achterkant in een beugel op het voordek en in een beugel op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van aan weerszijden één hoofdtouw. Aan bovenkant hangt de kluiverboom in een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de kluiver is met metalen leuvers bevestigd aan de voorste voorstag. De hals van de kluiver wordt uitgezet met een traveller over de kluiverboom. De beide schoten van de kluiver zijn belegd op een bolder op het voorschip. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is vastgehaakt aan de voorsteven. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op de metalen overloop het het voordek. Het grootzeil is voorzien van een sterk gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen bevestigd aan de mast. De halstalie loopt over een blok aan de hals van het grootzeil en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het achterlijk zij vastgehaakt aan de giek. Aan de voorkant is de giek met een scharnierbare lummel gehangen in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van het giek hangt in een kraanlijn. Opvallend is de neerhaler van de gaffel, die loopt van de top van de gaffel naar de voorkant van de giek. De grootschoot loopt over twee blokken: een blok aan de giek een een hakkeblok op het achterdek. De grootschoot is op dit hakkeblok belegd. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. Op het helmhout een gebogen vlaggenmast met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van pokhout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond met in een punt uitlopende boeisels. De bodem is rond en midscheeps vlak. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Aan beide berentanden hangen metalen stokankers. Het ankerketting van het anker aan stuurboord loopt door het kluisgat en is vastgezet op de braadspil op het voordek. Tegen de boeisels van het voorschip zijn twee bolders gemaakt. Op het voordek de braadspil, de beugel van de scepter en het scharnieren luik van het vooronder. Daarachter een luikhoofd met vier luiken. Tussen de mast en dit luikhoofd loopt de metalen overloop van de fokkeschoot. Over het gehele voordek lopen de twee poten van de bok. Op de boeisels van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst met daarop geschilderd: 'HOOP OP ZEGEN' (het zetboeisel aan bakboord is afgebroken). Tegen de wangen van de mastkoker zijn klampen bevestigd. Achter de mast een nagelbank. De zwaarden hangen scharnierend met ogen in haken aan de buitenkant van het boeisel. De zwaardkoppen zijn verdik en bedekt met koperplaat. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbelsag. De zwaardlopers gaan via schildpadblokken op de buitenkant van het schip naar achter. Daar zijn de lopers getakeld met zwaardtalies (op de buitenkant van het schip) die lopen door twee blokken en die zijn belegd op een houten klap op het achterboeisel. Achter de zwaarden zijn op de boeisels zetboeisels geplaatst. De boeisels zijn midscheeps aan weerszijden voorzien van drie loosgaten. De berghouten zijn voor en achter voorzien van een metalen stootrand. Het luikhoofd van het ruim is bedekt met tweemaal vijf genummerde luiken (één ontbreekt). Achter het ruim de roef. De voorwand van de roef heeft twee ovale ramen. De zijwanden zijn voorzien van twee ramen (met geschilderde gordijnen). Op beide zijwanden is geschilderd: 'D.vd.HEIDE / LEEUWARDEN'. In de achterwand aan stuurboord een dubbele deur en aan bakboord een ovale lichtrand. In het dak van de roef is aan bakboord een metalen schoorsteen met kap gemaakt. Achter de roef een plank met voetlijsten waarachter de roerganger zich schrap kon zetten. Aan weerszijden is tegen de boeisels van het achterschip een bolder geplaats. Op het achterschip een vierkant lichtkap met zijramen die licht schept in het achteronder (alkoof). Op de buitenkant van het boeisel van het achterschip twee metalen naamborden met daarin ingepunt: 'HOOP OP' en 'ZEGEN'. Onder het berghout zijn aan weerszijden van de achtersteven ramen gemaakt voor het achteronder. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is voorzien van een koperen handgreep (soort korvijnagel). Op het helmhout een vlaggenstok en een holle roerklik zonder versiering. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. De zwaarden en boeisels zijn gelakt. De dekken, luikhoofden, luiken en de roef zijn gelakt, evenals de rondhouten. Het metaalbeslag op de rondhouten, de puttingijzers, de veren op het roer en de metalen randen op de berghouten zijn metaalkleurig geverfd. De wangen van de roerklik zijn blauw met een witte bies. Opvallende zijn de rode rakkralen aan de mast. Accesoires: vaarboom en pikhaak.
HintergrundinformationDoeke van der Heide was schipper. Hij hield in 1917/'18 op met de vrachtvaart. Een tijd lang heeft hij daarna met zijn gezin aan de kade gelegen van de Westersingel ter hoogte van de Molenstraat in Leeuwarden. Hij werkte toen voor een brandstoffenhandle in de Molenstraat. Het gezin is vóór 1919 aan de wal gaan wonen in de molenstraat en Doeke heeft zijn schip verkocht. De tjalk waarnaar dit model gemaakt is, voer van Leeuwarden op Sneek. In 1951 bouwde hij in twee maanden dit model. Hij deed dat zonder tekening, geheel op het gevoel. Het wordt beschreven in een artikel in het Sneeker Nieuwsblad van 17 aug. 1951: "Alles wat bij een echte tjalk kan bewegen, draaien en alles wat daar los of vast zit, zit ook los en vast, kan bewegen en draaien op dit miniatuurscheepje. Breinaalden, kogelhulzen, dobbertjes en alle mogelijke andere voorwerpen hebben hem tot materiaal voor de tjalk gediend. Het anker is van tin en gegoten in een aardappel, waarin eerst het model was uitgesneden". De zeilen voor het model zijn gemaakt door Gosselina Jansen-Van der Heide, dochter van de vervaardiger. In juli 1957 is het scheepje in bruikleen gegeven aan het Fries Scheepvaart Museum.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Leeuwarder Courant 17 aug. 1951
BeschreibungScheepsmodel van een skûtsje. Messingplaat. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De botteloef is van metaal. Met een vorkvorm is de botteloef vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op de boeisels. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Ze zijn genaaid in geplooide banen, waardoor er enige bolling in kon worden worden gemaakt. De stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. In de bovenpunt van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt over twee blokken en is de onderste daarvan (een hakkeblok) belegd. Dit hakkeblok is met een ring vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fok heeft een enkele rij reeftouwen. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel. Het voorlijk van de fok is met rakbanden met kralen vastgezet aan de mast. De halstalie loopt over een blok aan de hals en twee blokken aan weerszijden van de giek en is belegd op de nagelbank. Het is grootzeil is aan de onderkant bevestigd aan een giek. De voorkant van de giek hangt met een scharnierende lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn (deels van touw, deels van metaaldraad) die aan de voet van de mast is getakeld met twee blokken. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De grootschoot loopt via een tweeschijfs blok aan de giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van het grootzeil en van de fok zijn belegd op de nagelbank en de klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een houten scheeprhout. De blokken zijn deels van metaal (kraanlijn, voorstag, zwaardlopers) en deels van pokhout. Ze zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond en heeft invallende boeisels. Het achterschip is rond en is niet gepiekt. De bodem is in het midden vlak. Het model van voor naar achter. Aan weerszijden van de voorsteven getande kluisborden (zonder kluisgat) en berentanden. Over de kluiborden hangen twee L-vormige katankers. Op het voordek ligt een metalen stokanker en twee opgerolde landvasten. Tegen de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. Voorts op het voordek het luikhoofd van het vooronder (met scharnierend luik) en een schuifluik dat wordt gebruikt wanneer de mast wordt gestreken het ondereind van de mast door te laten. Voor de mast de gebogen overloop van de fokkeschoot. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. In de voorste zetboeisels is de naam van het schip aangebracht: 'D. BLOM HINDELOOPEN VIER GEBROEDERS 32 TON'. De mastkoker is voorzien van houten klampen en een nagelbank waarop de vallen, de kraanlijn en de halstalie zijn belegd. Achter de mast het luikhoofd van het ruim. Dat wordt afgesloten met tweemaal dertien (genummerde) houten luiken. Op de luiken liggen los een loopplank, een pikhaan, een vaarboom en een stokdweil. Aan weerszijden van het ruim de gangboorden. De zwaarden hangen met een bout met splitpen aan de boeisels. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden en de randen zijn voorzien van metaalbeslag. Rond het boutgat een versiering in de vorm van een vijfpuntige ster. De metalen zwaardlopers lopen via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel, door een langgerekt gat in het boeisel daarachter, achter het zetboeisel langs en vastgezet op één van de twee metalen zwaardblokken. De zwaardlopers zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door de twee metalen zwaardblokken en die zijn belegd op een metalen klamp op het achterbloeisel en die zijn opgeschoten op een haak daarachter. Achter het ruim de roef. Op het dak van de roef een houten (afneembare) schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat de schoorsteen ook die kan doek als mik. Voorts op het dak van de roef twee lichtkappen met tralies. De achterste daarvan is tevens het schuifluik van de roefdeur. De voor- en achterwanden van de roef zijn blind (geen lichtranden). In de achterwand aan bakboord een ovale lichtrand met tralies. Aan stuurboord is in de achterwand van de roef een dubbele houten deur gemaakt. Boven de deur de schuivende lichtkap. Op het achterdek een plank met voetlijsten, waarop de roerganger zich schrap kon zetten. Tegen de boeisel van het achterschip zijn bolder gemaakt. Op het achterdek een metalen lutsemmer. Aan de achtersteven is met drie roerhaken het roer opgehangen. Op het roer een helmhout dat aan de voorkant is voorzien van een koperen helmhouttonnetje (als handgreep). Op het helmhout een roerklik die met snijwerk is versierd: hoorn des overvloeds met tak. De rug van het roer is voorzien van metaalbeslag. Kleuren: De romp van het schip is geschilderd in de kleur havannabruin. Het onderschip is zwart. Het achterschip is voorzien van een okerkleurig veld. Ook de voorsteven en de achtersteven zijn okerkleurig. De zetboeisels zijn gelakt. De binnenkanten van de boeisels zijn havannabruin. De dekken zijn zwart. Het luikhoofd van het vooronder is havannabruin, evenals de mastkoker. Ook het luikhoofd van het ruim en de wanden van de roef zijn bruin. Het dak van de roef is lichtgroen. De lichtkappen, de schoorsteen en de deuren van de roef zijn gelakt. Het zwaard is gelakt en het metaalbeslag van het zwaard is donkerbruin. De ster rond het boutgat is wil. Het helmhout is groen met op de achterkant een rood-witte zandlopervorm. De roerklik is meerkleurig beschilderd: groen, gele bies, blauwe achtergrond, geel-rode hoorn en groene tak. Het roer is gelakt. Accessoires: loopplank, pikhaak, vaarboom, stokdweil, putsemmer.
HintergrundinformationIege Blom werd in 1915 geboren als zoon van de visserman Dirk Blom, die ook vracht vervoerde met een skûtsje. Iege Blom was ook visserman tot hij in 1957 de helling van Douwe Wijbrands aan de Nieuwe Weide te Hindeloopen kocht. Op de werf werden veel oude schepen tot jacht verbouwd. Ook werden er tal van nieuwe jachten gebouwd in traditionele vorm. Vooral zijn Lemsteraken kregen grote bekendheid. De zeilen zijn gemaakt door conciërge Pieter Alkema.
Tot voorbeeld diende het schip van vader Durk Blom. Een 32 ton metende skutsje met de naam Vier Gebroeders, en wel zoals het in de 20-er jaren voer, namelijk zonder lieren en nog met kleine gaffel en opsteker van normale lengte. Het model is gemaakt uit messing en is geklonken. De romp is gebouwd op een houten mal, die wordt bewaard op de zolder van Fredehiem.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat).
Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1986-17-18.
BeschreibungSchippersmodel van een zeer smal skûtsje. Blokmodel, schaal onbekend.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast werd waarschijnlijk gehouden door een voorstag (hangt nu los) op de metalen botteloef en door een staand want van twee zijstagen. De zijstagen zijn met jufferblokken bevestigd op puttingijzers op de boorden van het schip (aan bakboord hant het voorste want los). De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel.
Er is alleen een opgebonden gaffelgrootzeil uit één lap waarin met stiksel naden zijn gesuggereerd. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Deze wordt gehesen met een klauwval en een piekeval (beide nu losgekomen van de mast). Het voorlijk van het grootzeil is met rakbanden bevestigd aan de mast. De giek heeft aan de voorkant een scharnierbare lummel en hoort in een afgebroken deel van de nagelbank. De grootschoot loopt over een tweeschijfsblok aan het einde van giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. (nu los van de giek). De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn getakeld met blokken en zijn belegd op de nagelbank (alleen de klauwval loopt nog naar de top van de mast. Er zijn geen lieren aan boord. De blokken zijn van hout en en hebben geen lopende schijven. Aan de masttop hangt een bronskleurige lantaarn.
De romp: Voor- en achterschip zijn rond met sterk terugvallende boeisels. De bodem is rond. Voor en achter stevens die ver onder het schip doorlopen (geen doorlopende kiel)
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven metalen kluisgaten, waarvan één met metalen anker, en houten berentanden. Tegen het boeisel van het voorschip is een braadspil geplaatst waarover de ankerketting loopt. Verder naar achteren zijn aan weersijden bolders geplaatst. In het voordek een luikhoofd met luik dat toegang verschaft tot het vooronder. Daarachter twee dekpooten in één waarvan de ankerketting verdwijnt. Hierachter een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Over de uitwip van boord tot boord een metalen overloop voor de fokkeschoot. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. De mast staat in een houten mastkoker. Aan de wangen van de mastkoker en aan de nagelbank aan de achterkant van de mastkoker zijn de zeilvallen, de kraanlijn en de voorstag belegd. Achter de nagelbank het ruim, dat wordt afgesloten door houten luiken. Op de luiken liggen twee pikhaken en een bak voor losse spullen. Over de gehele lengte van het ruim zijn op de boeisels houten zetboeisels geplaatst. De zwaarden hangen met bouten aan een rail achter het boeisel. Voor de zwaarden een zwaardklamp. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden zijn uitgestoken en rond het boutgat voorzien van een een cirkelvormige metalen versiering. Langs de zij- en onderranden van de zwaarden door verf gesuggereerd metaalbeslag. De zwaardlopers (ketting) gaan via een schildpadblok op het boeisel naar achteren. Daar zijn ze getakeld met zwaardtalies (touw) die lopen door twee enkelschijfs blokken op de buitenkant van het boeisel. De halende einden van de zwaardtalies zijn belegd op klampen op het achterboeisel. Achter het ruim de roef. De voorwand heeft twee lichtranden en de zijwanden grote ramen. In de achterwand aan stuurbord een deur met schuifluik in het dak. Op de rief verder een koekoek en een klamp voor de grootschoot. Achter de roef een overloop voor de grootschoot en een koekoek op dek Hierachter een drinkwatervat. Tegen de boeisels van het achterschip zijn bolders geplaatst. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is gebogen en ligt los over de roerkop. Op de roerkop een roerleeuw. De ruig van het roer is voorzien van metaalplaat.
Kleuren: Vrijwe het gehele schip is blank gelakt. Het berghout en het potdeksel zijn roze/oranje. Het roer is gelakt. de roerleeuw is bronskleurig. De zwaarden zijn gelakt. De zetboeisels en de rondhouten zijn gelakt. De top van de mast is zwart en het mastbeslag is goudkleurig.
Accessoires: twee pikhaken en een losse vlaggenstok met vlag. Het model staat op een losse stander.
BeschreibungScheepsmodel van een tjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De mast wordt gehouden door twee voorstagen op de voorsteven en op de kluiverboom. De voorstag op de voorsteven is bevestigd aan twee bokkepoten die aan de achterkant zijn gehaakt in de overloop van de fok. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen. De wanten zijn aan de boorden vastgezet met oogjes. De kluiverboom rust op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van aan weerszijden één hoofdtouw. Aan de bovenkant hangt de kluiverboom in een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de kluiver is met metalen leuvers bevestigd aan de voorste voorstag. De hals van de kluiver is geknoopt aan de kluiverboom. De beide schoten van de kluiver zijn belegd op een bolder op het voorschip. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is geknoopt aan het einde van de bokkepoten. De fokkeschoot is belegd op twee blokjes die zijn vastgezet op de metalen overloop het het voordek. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen bevestigd aan de mast. De halshoek is geknoopt aan een oogje in de mast. Aan de voorkant is de giek met een lummel gehangen in de nagelbank. De achterkant van het giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt over twee dubbelschijfs blokken: een blok aan de giek en één op het achterdek. De grootschoot is niet belegd maar vastgeknoopt. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een uithouder voor een vlaggelijn (ontbreekt). Op het helmhout een vlaggenstokhouder (vlaggenstok ontbreekt). De blokken zijn van plastic en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Voor- en achterschip zijn rond. De bodem vlak met ronde kimmen waarbij het vlak voor en achter oploopt.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Uit beide kluisborden hangen metalen ankerkettingen (zonder ankers). De ankerkettingen zijn belegd op een braadspil op het voordek. Het braadspil is opgehangen tussen wangen met een rood-wit-blauwe decoratie. Tegen de boeisels van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Op het voordek een luikhoofd (luik ontbreekt), een kistluik met vier luiken en de metalen overloop van de fokkeschoot. Over het gehele voordek lopen de twee bokkepoten. Tegen de wangen van de mastkoker zijn klampen bevestigd. Achter de mast een nagelbank. De zwaarden hangen scharnierend aan spijkers tegen de buitenkant van het boeisel. De zwaardkoppen zijn verdikt met dunne houten plaat. De zwaardlopers bestaan uit dunne ketting en gaan via schildpadblokken op de buitenkant van het schip naar achter. Daar gaan zij door een gat in het gangboord en zijn zij verlijmd tegen het boeisel. Naast en achter de zwaarden zijn op de boeisels zetboeisels geplaatst. De boeisels zijn voor en achter aan weerszijden voorzien van één loosgat. De berghouten zijn voor en achter voorzien van een houten stootrand. Het luikhoofd van het ruim is bedekt plaatmateriaal waarop getekend de contouren van tweemaal negen luiken. Middenop de luiken liggen een loopplank en een vaarboom. Achter het ruim de roef. De voorwand van de roef heeft twee (getekende) ovale ramen. De zijwanden zijn elk voorzien van twee ramen (met geschilderde gordijnen). Achter elk raam een schuifluik voor afsluiten bij zwaar weer. In de achterwand aan beide zijden een dubbele deur. In het dak van de roef is in het midden een een metalen schoorsteen gezet waarchter een houten koekoek. Achter de roef een plank met (getekende) voetlijsten waarachter de roerganger zich schrap kon zetten. Aan weerszijden is tegen de boeisels van het achterschip een dubbele bolder geplaatst. Hierachter op het dek een (zeer gestileerde) zwaardlier. Op het achterschip een vierkante lichtkap. Op het boeisel van het achterschip een metalen reling. Onder het berghout zijn aan weerszijden van de achtersteven ronde ramen gemaakt voor het achteronder. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is voor en achter voorzien van een rood-wit-blauwe decoratie. Voor de handgreep een koperen knop. Op het helmhout een vlaggenstokhouder en een bolle roerklik zonder versiering.
Kleuren: Afgezien van enkele kleine decoraties is het gehele model blankt gelakt.
Accesoires: vaste stander
HintergrundinformationDe achtergronden van het model zijn onbekend.
BeschreibungHalfmodel van een skûtsje. Het model is gebouwd uit zinkplaat dat op spanten is geklonken. Schaal 1:20. Het model is net ten stuurboord van de middenlijn doorgesneden.
Rondhouten en tuigage: Het skûtsje heeft alleen het onderste deel van een mast. De mast staat scharnierend in een mastvoet en wordt onderdeks voortgezet. Aan de voet van de mast aan de voorzijde een verzameling metalen plaatjes die dienen als tegenwicht bij het strijken van de mast. Aan de steven een metalen botteloef (in het fries 'loefbyter') welke wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door de bakboord boegstag.
Het model heeft geen zeilen.
De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond. De bodem is rond (midscheeps vlak). Langs de romp een metalen berghout versterkt met een platronde metalen strip. Het model van voor naar achter (alleen de bakboordzijde, bij een volledig model zou veel van de nu volgende beschrijving nog eens gespiegeld zijn) : Op de voorsteven een houten dekplaat. Naast de voorsteven een houten kluisbord en berentand. Het boeisel van het voorschip is voorzien van een L-vormig profiel, het potdeksel, waarin een steekbolder en twee vaste bolders. In het voordek een luikhoofd met scharnierend luik dat toegang verschaf tot het vooronder. Daarachter een luik in twee delen (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op het boeisel zijn voor en midscheeps houten zetboeisels geplaatst. Ter hoogte van de roef worden deze voortgezet als metalen relingen.
De mast staat in een metalen mastkoker. Aan weerszijden daarvan klampen voor de vallen en de kraanlijn. Aan de achterzijde van de mast een metalen plaat waaraan een lummel en de halstalie bevestigd kunnen worden. Daarachter het luikhoofd van het ruimdat in een ronde hoek doorgaat in de den die tegen de roef aansluit. In de den ogen met ringen voor het vastsjorren van de luiken
Ter hoogte van de mastvoet aan het boeisel twee puttings voor het zijwant. Daaronder een houten zwaardklamp met een ijzeren rand. Het zwaard hangt met een bout aan het boeisel. Het zwaard is van hout. De kop van het zwaard is aan beide zijden voorzien van opgenageld metaalbeslag. Rond het boutgat aan de buitenzijde een stervormige versiering. Om het zwaard metaalbeslag met uitzondering van de kop. Aan het beslag twee ogen: één voor de zwaardloper en één voor een haak die het zwaard in rust houdt. De zwaardloper is niet aangebracht. Hiervoor is wel direct achter het zwaard een schildpadblok geplaatst.
Achter het ruim de roef. De voorwand daarvan is blind (geen ramen). In de zijwand van de roef twee ramen met schuifluiken. In de achterwand van de roef aan bakboord dubbele houten deuren. Op het dak van de roef een afneembare houten schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat de schoorsteen ook als mik kan worden gebruikt. Op de zijkant van het roefdak een handreling. In het dak zijn twee lichtkappen met tralies gemaakt. De achterste daarvan fungeert tevens als schuifkap boven de deuren. Achter de roef een oog in het dek voor bevesitiging van de grootschoot. Hierachter een gekromde plank met voetlijsten waartegen de roerganger zich schrap kan zetten. Tegen het boeisel van het achterschip is een bolder geplaatst. Verder naar achteren in het potdeksel een steekbolder. Op de achtersteven een houten dekplaat. Naast de achtersteven, onder het berghout een metalen lichtrand van het achteronder (alkoof).
Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is aan de voorkant voorzien van een koperen helmhouttonnetje (handgreep) Op het helmhout een roerklik die met snijwerk is versierd: hoorn des overvloeds met bladertak. Over de rug van het roer metaalbeslag.
Interieur: Het model is van voor naar achter voorzien van metalen spanten en kattensporen. Tussen ruim en vooronder een metalen schot. Hierachter begint een lichte binnenkiel. Onder de mastvoet een metalen plaat over drie kattensporen. Tussen het ruim en de roef een metalen schot waarin een eveneens metalen deur. Het interieur is niet betimmerd. Dwars over het ruim twee gebogen binten waarop de schaarbalk rust. Tegen het roefschild een enkel bakboordluik.
Kleuren: De romp van het schip is van binnen en van buiten in de oranje menie gezet. De houten delen zijn gelakt. Het beslag op de houten delen is zwart . De roosters op de koekoek en het schuifluik zijn wit. De kop van van de zwaarden zijn zwart met een witte sierster. De roerklik is meerkleurig beschilderd.
Het model is vastgezet op een stander.
HintergrundinformationAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen., Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje.