BeschreibungScheepsmodel van een Zuidlaardermeerjol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker. De mast wordt gehouden door metalen stagen: één voorstag en twee zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een ring in d voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan de mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek een giekring met een stang naar achteren. Aan de giekring een tweeschijfs blok. De grootschoot loopt door dit blok en door een blok op de kuipvloer. De zwaardval van het midzwaard loopt via twee ringen in de voorwand van de kuip naar achteren en is belegd op een nagel in de kuipvloer (aan bakboordzijde naast de achterkant van de zwaardkast). In het grootzeil de klasse-aanduiding (letters ZM) en het zeilnummer 11. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Over het voordek loopt een V-vormige waterlijst die bij de kuip overgaat in opstaande kuipranden. De mastkoker staat in een uitsparing van het voordek. In de voorwand van de kuip drie ringen waar zeil- en zwaardvallen op belegd zijn. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en is scharnierend opgehangen aan het bovenste deel van het roer. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, gangboorden en de wanden van de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. De kuipvloer is grijs. Het bovenste deel van het roer is bruin. De metalen delen (giekring, midzwaard, roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe Zuidlaardermeerjol met zeilnummer 11 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1959: het was de BelAir van P.J. Kielman uit Westerbroek. Westrijden voor de Zuidlaardermeerjol zijn alleen bij de Sneekweek van 1959 gehouden. Er waren toen 19 deelnemers, waarvan de meeste kwamen uit Hogezand, Sappemeer, Martenshoek, Foxhol. Er waren echter ook Friese deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 56-57
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 74-75
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de centaurklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtercentaurklasse
Objektnummer1998-325
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de centaurklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag, vier zijstagen (twee aan elke kant, waarvan de langste door een zaling wordt geleid) en een achterstag. De achterstag eindigt aan de onderkant in een A-vormige draad die is bevestigd aan de punten van de spiegel. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en zijn belegd op korvijnagels die vlak achter de schootogen in de gangboorden zijn gestoken. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een twee houten blokken (één aan de giek en één op de bodem van de kuip) en ligt opgschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter C) en het zeilnummer 58. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven (lepelboeg). Gebogen spiegel (van boven gezien), die schuin naar achter op het water staat. De boot is uitgerust met een vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd en daar achter een bolder. De kuip is aan de voorkant rond van vorm. In de kuip twee dwarsbanken. De roerspil steekt door het achterdek. De helmstok van het roer is van hout. Achter de helmstok is op het achterdek nog een bolder geplaatst. Kleuren: De romp is groen. De kiel en het roerblad zijn zwart. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn wit. De twee banken, de helmstok en de houten blokken zijn gelakt. De metalen rondhouten zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de Centaur: lengte 6.20 m., breedte 2.00 m., diepgang 0.85 m, oppdervlakte grootzeil 11 m², oppervlakte genuafok 7.60 m² en oppervlakte stagfok 6 m². De centaur kan uitgevoerd worden met een vaste kiel of met een midzwaard. De centaur is een Nederlands ontwerp en wordt geleverd door jachtwerf Zaadnoordijk te Uitgeest. De Centaur met zeilnummer 58 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. De klasse leverde deelnemers aan de Sneekweken van 1975-1989 (in de jaren 1986 en 1988 geen deelnemers). Veel waren het er niet: het begon met 17 in 1975 en het eindigde met 8 in 1989. Gerrut Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van de boeier Constanter. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast, die staat in een mastkoker. De mast worden gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een klamp op de achterkant van de voorsteven. De botteloef is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door vier boegstagen (ook stangen, aan weerszijden twee). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de fok hangt los van de voorstag. De fok wordt gehesen door de fokkeval, die loopt door een blok aan top van het zeil en door een mast in de mast en die is belegd op een klamp aan de mastkoker. De hals van de fok is met een haak vastgezet op de botteloef. De fokkeschoten lopen door jufferblokken aan de schoothoek en blokken op de overloop. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast (geen raktouwen). Het grootzeil heeft een gebogen gaffel, die wordt gehesen door een klauwval en een piekeval. De klauwval (op de gaffelbek) loopt door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval (op de kromming van de gaffel) loopt door een blok op de gaffel en door een blok aan de mast. De piekeval is belegd op de nagelbank. De halstalie loopt door een blok aan de hals van het grootzeil en is vastgezet op een oog aan de voet van de mast. De halstalie loopt door een blok aan de hals van het grootzeil en is vastgezet op een oogbout in het dek. Het onderlijk van het grootzeil hangt los van de giek (losse broek). De onderkant van het achterlijk is met een ring vastgezet op de achterkant van de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierend lummel in een lummelpot in de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De kraanlijn loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet aan een oog op de kielbalk. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond, met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en niet gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is bekleed met een metalen strip. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Zij zijn met schilderwerk versierd: sterren en bladertakkken. Er is geen bedelbalk. De boeisels zijn niet voorzien van gillings. Aan de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. Voor de mast zijn in het voordek twee luiken (de uitwip) die verwijderd worden wanneer de mast wordt gestreken, om het ondereind van de mast door te laten. Boven de uitwip de overloop van de fokkeschoten. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met opgeschilderde sterren. De zwaardlopers gaan door een gat in het boeisel naar binnen en zijn belegd op de bolders in de stuurkuip. De zwaardlopers zijn niet getakeld. Achter de mast de nagelbank. Daarachter de kajuit. De kajuit heeft een gebogen (hol) dak. In de voorwand van de kajuit twee ronde ramen van koper. In de zijwanden zijn dezelfde soort ramen aangebracht (aan weerszijden één). In de achterwand van de kajuit twee deuren met ramen. De achterwand is langs de dakrand versierd met geschilderde bladertakken. Aan de achtereinden van de gangboorden zijn waterlijsten gemaakt. De kuip is voorzien van een vast dek. Langs de zijwanden en de achterwand van de kuip zijn kistbanken gemaakt. Op het deurtje van het achterhuis een onleesbaar opschrift. Langs de bovenrand van het achterhuis de hennebalk die is versierd met schilderwerk: vaas met bladertakken. Tegen boeisels van het achterschip zijn bolders gemaakt. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt en er staat een roerleeuw op. Uit de voorkant van de roerkop steekt een houten helmstok met een houten handgreep. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart (ook van het roer). De berghouten zijn zwart met witte biezen. Ook het boeisel is zwart met witte biezen en goudkleurige versieringen op de gillings (voluten). De zwaarden zijn gelakt, de zwaardkoppen zijn zwart (met witte bies), de boutversiering is goudkleurig en de randen van de zwaarden zijn metaalkleurig. De kluisborden en berentanden zijn meerkleurig: goud, rood en groen op een witte ondergrond. De hennebalk is beschilderd in goud en rood op wit. De dekken, de gangboorden, de kajuit, de stuurkuip en de rondhouten zijn gelakt. De sierrand op de achterwand van de kajuit is beschilderd in goud op wit. Het roer is gelakt. De roerkop is zwart (met witte bies). De roerleeuw is goudkleurig. Accessoires: geen
HintergrundinformationG. Ooms heeft het model gemaakt naar opmetingstekeningen in het boek Ronde en Platbodemjachten van H. Huitema. Van de boeier is daarvoor de Constanter opgemeten. De boeier Constanter is gebouwd in 1876/1877 door Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. Opdrachtgever was Minnema Buma te Leeuwarden. Later is de opdracht overgenomen door W.A. Tromp te Woudsend. Prijs: f. 20.000,=. Afmetingen: lengte 8.05 m., breedte 3.20 m., holte 1.10 m., zeiloppervlak 58 m². Wedstrijden voor boeiers waren er bij de Sneekweken van 1956-1960, 1962-1964, 1968 en 1969. Het waren de begin- en hoogtijdagen van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Regelmatige deelnemers waren het statenjacht Friso, C.J.W. van Waning te Rotterdam in de boeier Maartje (voorzitter van het Stamboek), Mr. T. Huitema in de boeier Eudia (secretaris van het Stamboek), en H. Halbertsma te Grou in de boeier Constanter (1956-1960). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- H.G. van Slooten, 'De Friese boeier Constanter 1877-1977' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-18976, pp. 50-84.
- H.G. van Slooten, 'Constanter Semper Constant' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, pp. 48-54.
- T. Huitema, Ronde en Platbodemjachten (Amsterdam, 1977), pp. 222-224
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhondertwintig-klasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtervierhondertwintig-klasse
Objektnummer1998-311
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhonderdtwintig-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een steekmast die is gestoken in de kielbalk en in een metalen houder aan de V-vorm van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen een een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast, door een ring aan de voet van de mast en is belegd op de overloop in de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast, door een ring aan de voet van de mast en is belegd op een overloop in de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een ring aan de overloop in het midden van de kuip. De vallen van het midzwaard lopen in een W-vorm (door ringen aan de voet van de mast en vastgezet op de overloop in de kuip). In het grootzeil de klasse aanduiding (420) en het nummer zeilnummer H19871. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen (van boven gezien) spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. De zeeg is enigszins negatief. Het voordek is bol. het voordek is klein en de kuip is groot. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. De achterkant van het voordek is V-vormig en is afgesloten met een waterlijst, voor de mast. Voor in de kuip de metalen houder voor de mast. Achter de mast de kwast van het midzwaard. Boven de achterkant van de midzwaardkast loopt een stang dwars door de kuip: de overloop van de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. Het helmhout is van metaal en voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (boven en onder water). Het voordek heeft dezelfde kleur. De kuip is wit. Het roer en het midzwaard zijn metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de vierhonderd-twintigklasse: lengte 4.20 meter, breedte 1.71 meter, zeiloppervlakte 10.25 m² (grootzeil en fok), uit te breiden met een spinnaker van 9 m². De vierhonderdtwintig-klasse heeft een romp van polyester en rondhouten van aluminium. Het is één van de meest verkochte moderne wedstrijdboten. De 420 is in 1960 ontworpen door de fransman Christian Maury. In 1973 kreeg het de internationale wedstrijdstatus. Voor veel wedstrijdzeilers is de 420 de overgang naar de iets grotere (eveneens Franse) vierhonderdzeventig-klasse. Vooral bij vrouwen is de vierhonderdtwintig populair. Hoewel het in Nederland geen grote klasse is, plaatst het KNWV het type wel in de voorkeurslijn, als overgangsboot tussen de Cadet (die ook in de voorkeurslijn is geplaatst) en de Olympische vierhonderdzeventig-klasse. De vierhonderdtwinting met zeilnummer 19871 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 108-109
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van het Fries jacht Neptunus. Op spanten gebouwd. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage: De boot heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank. De mast wordt gehouden door een voorstag die is getakeld met een strijktalie, die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een metalen klamp op het voordek. De botteloef (in het fries 'loefbyter') is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok hangt los van de voorstag. De hals van de fok is met een haak vastgezet op een ring van de botteloef. Aan de schoothoek van de fok een ring de fokkeschoten lopen. De vaste einden van de fokkeschoten zijn vastgezet in een klos op het voordek (ter hoogte van de mast). De halende einden van de fokkeschoten lopen door de ring aan de schoothoek naar het achterschip, vervolgens door schootogen aan de binnekanten van de boeisels en zijn daar opgeschoten. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. De klauwval loopt door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval loopt door een blok op de ronding van de gaffel en door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast (geen raktouwen). De halstalie loopt over een enkelschijfs blok aan de zeilhals, door ringen in de messelbank en is daar ook op belegd. De onderkant van het achterlijk is met een haak vastgezet in een touwlus aan de achterkant van de giek. De voorkant van de giek rust met een lummel (scharnierbare pen) in de lummelpot aan de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in de kraanlijn. Deze loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op de bodem van het schip. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. Op de top van de mast een rode vleugel met metalen scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond. Opvallend is dat de bodem over de gehele lengte gepiekt is. Het jacht heeft een kielbalk. Het model van voor naar achter: De voorsteven is met metaalplaat bedekt. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. Beide zijn met schilderwerk versierd: bladmotieven, halve manen. etc. Het boeisel is versierd met geschilderde voluten met bladertakken: drie op het voorschip en twee op het achterschip. De boeisels zijn op de lange zijden versierd met geschilderde biezen. Achter de voorsteven de bedelbalk. Deze is aan de achterzijde versierd met geschilderde voluten. Het schilderwerk is in relief uitgevoerd. In het voorschip is een dek gemaakt. Voor de mast een uitwip: een luik dat wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken. Onder het luik is het contragewicht van de mast te zien. In de messelbank de mastkoker met klampen op de wangen en aan de achterkant een nagelbank. De ruimte onder de messelbank is open. Midscheeps zijn de boeisels aan de binnenkant gedubbeld. Aan deze gedubbelde boeisels hangen de zwaarden. De zwaarden hebben verdikte koppen. Rond het boutgat versieringen in de vorm van een ster. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar achteren en zijn belegd op korvijnagels die door spanten zijn gestoken. Het achterschip is open. De bodem is bedekt met buikdenningen. Langs de zijwanden en de achterwand zijn kistbanken gemaakt. Over de voorwand van het achterhuis loopt de hennebalk. Deze is versierd met beschilderingen in reliëf: bladertakken. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt. Daarop een roerleeuw. Aan de voorkant van de roerkop is de metalen helmstok bevestigd. Deze heeft aan de voorkant een handgreep. Op de rug van het roer een vlaggenstokhouder met (metalen) vlaggenstok. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart (ook bij het roer). Het berghout is zwart met twee witte biezen. De boeisels zijn zwart met groene biezen en goudkleurige voluten op het voor- en achterschip. Op de bovenkant van de boeisels, de bedelbalk, de hennebalk en de zwaarden is bronskleur aangebracht: het suggereert een bedekking door koperplaat. Hetzelfde is gedaan met de rug van het roer: metaalkleur. De binnekant van het boeisel is blauw. De spantkoppen zijn wit met rood. De boeiselverdikkingen bij de zwaarden zijn groen met rood. Het voordek, de banken en de rondhouten zijn gelakt. De bovenkant van de mast is zwart en het beslag is daar wit. Het roer is gelakt. De roodleeuw is groen met gouden hoofd. Accessoires: reddingboei.
HintergrundinformationG. Ooms heeft zich bij de bouw van het model gebasserd op de tekeningen in het boek van T. Huitema (Ronde en Platbodemjachten). Huitema gebruikte als voorbeel het Fries jacht Neptunus. Het Fries jacht Neptunus is gebouwd in 1918 door Auke van der Zee te Joure. Opdrachtgevers waren Melis en Eelke Haagsma te Sloten. Kostprijs: f. 4.800,=. Het was een luxe uitgevoerd jacht. Afmetingen: lengte 6.90 m, breedte 2.90 m., holte 1.29 m., zeiloppervlak 46 m². In 1955 kwam het jacht in bezit van Douwe Egberts te Joure, en dat bedrijf bleef de eigenaar ervan. Een Fries jacht is een open rond zeilvaartuig, in grootte en vorm een tussenvorm tussen de boeier en de tjotter. Oorspronkelijk werd het gebruikt als vrachtscheepje. Tot in de 20ste eeuw werd het type door scheepsbouwers 'Boat' genoemd. Pas toen men enkele 'boaten' louter voor de pleziervaart ging bouwen kwam de benaming Fries jacht in zwang. Het schip heeft een los-vast voordek, waaronder vracht gestuwd kon worden. Het gedeelte achter de mast is open. Het Fries jacht onderscheidt zich van de tjotter door een smal roer met roerleeuw (als op een boeier), door zijn berghouten die met een kniestuk (slemphout) tegen de voorsteven sluiten en door de rondere vorm van de boorden en het vlak. Van de boeier verschilt het Friese jacht zich door het ontbreken van een kajuit en door de geringere holte. Friese jachten zijn veelal rijk versierd: bedelbalk, hennebalk, kluisborden, boeisels, etc. Het Fries jacht Neptunus heeft meerdere malen deelgenomen aan de Sneekweek. Eigenaar waren E.D. en J.H. de Jong te Joure (later Bilthoven). Ze deden mee in 1956-1960, 1962, 1973 en 1974. Wedstrijden voor Friese jachten waren er bij de Sneekweken van 1956-1979 m.u.v. de jaren 1961, 1965, 1966 en 1967. Het aantal deelnemers was niet groot: gemiddeld zeven. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. Vermeer, Het Friese Jacht (Leeuwarden, 1992) pp. 92-95
- T. Huitema, Ronde en Platbodemjachten (Amsterdam, 1977), pp. 225-227.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de clippersklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterclipperklasse
Objektnummer1998-324
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de clipperklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat op de bodem van het schip en wordt gehouden door twee zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen (waarvan er vier zijn) op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een houten tweeschijfs blok aan de giek en door een houten ring op een overloop, en is belegd op een oogbout op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard loopt via twee ogen in de voorkant van de kuip naar achteren en is belegd op de overloop van de grootschoot. In het grootzeil de klasse aanduiding (halve pijl) en het zeilnummer 50. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte, zelflozende spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. In de achterkant van het voordek is een sleuf gemaakt. Daaronder de ogen van de zwaardval. De mast staat in de open kuip. Het midzwaard achter de mast heeft geen kast, maar steekt zo uit de bodem. Achter de sleuf van het midzwaard een dwarse stang: de overloop van de grootschhot. De kuip heeft geen banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een metalen helmstok, die aan de voorkant is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (ook het onderwaterschip). Het voordek, de gangboorden en de kuip zijn wit. De bovenkant van het roer is bruin. De rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe clipper met zeilnummer 50 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1971, 1976 en 1986. In 1971 was de boot van St. de Jong te Vinkeveen (scheepsnaam Bell Rain). In 1976 heette de boot Bleuster en was van Wim van Dijk te Rosmalen. In 1986 was de boot van J. Huisman te Groningen (scheepsnaam Freek de verschrikkelijke). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de regenboogklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterregenboogklasse
Objektnummer1998-284
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de regenboogklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag op de voorsteven, door een diamantstag (door naar voren wijzende zaling en terug naar de mast), door twee zijstagen (waarvan de langst wordt geleid door een zaling). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen blok aan de mast en die is belegd op klamp aan de mastkoker. De fokkehals is vastgemaakt aan de gatenrail waar ook de voorstag aan bevestigd is. De fokkeschoten lopen door een duubelschijfs blok aan de schoothals. De vaste einden van de fokkeschoten zijn op ringen op de gangboorden vastgezet. De halende einden van de fokkeschoten lopen door het blok aan de fok, door de schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. De klauwval loopt door een blok op de gaffelbek, door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval loopt door een blok op het midden van de gaffel, door een blok aan de mast en belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is met een omhoogwijzende zwanehals aan de mast bevestigd. De halstalie is rond de giek gedraaid. Aan giek twee giekringen die met een touw naar voren of naar achteren verplaatst kunnen worden. Aan de giekringen hangen de blokken voor de grootschoot. De grootschoot loopt van het achtereind van de giek, door een een blok op de overloop op het achterdek, terug omhoog door de twee blokken aan de giekringen en langs een haak op de kuipvloer. De grootschoot is belegd op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. In het grootzeil de klasse-aanduiding (regenboog) en het zeilnummer 1. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel, die zeer laag is. Sterke overhangen (zowel voor als achter). De boot is uitgerust met een vaste kiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven de gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter op het voordek een bolder en de mast. Achter de mast beding de kuip. De kuip is granaatvormig. Langs de randen van de kuip een opstaande rand (als waterlijst). LAngs de boorden zijn kastjes gemaakt. Langs de achterwand van de kuip een dwqrsbank. Achter de kuip een groot achterdek. Daarop eerst twee klampen en vervolgens het roer. De roerspil steekt door het achterdek. De gebogen helmstok is van hout. Op het achterste deel van het achterdek de overloop van de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken en de gangboorden zijn grijs. Het waterlijst en het houtwerk in de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe regenboogklasse is ontworpen door G. de Vries Lentsch uit Nieuwendam en als nationale eenheidsklasse door het KNWV erkend in 1917. De boot heeft lange en volle overhangen en is derhalve geschikt voor meren en plassen, maar niet voor al te woelig water. Het heeft een steil gepiekt gaffeltuig. De naam regenboog is gekozen omdat het oorspronkelijk de bedoeling was elk schip een andere kleur te geven. Dat hield met niet vol: de meeste latere regenbogen zijn gelakt. De klasse was tot de Tweede Wereldoorlog populiar. Daarna verminderde de belangstelling. Na oprichting van de Regenboogclub en na de bouw van de nieuwe regenboog (nr. 94) in 1968 (de eerste na 40 jaar stilstand) leefde de klasse weer op. Sindsdien zijn er 40 nieuwe regenbogen gebouwd. Het schip bleef klassiek, maar voor de westrijdzeilers zijn er een aantal moderniseringen doorgevoerd: spinnaker, hangbroek (als trapeze) en zelflozers. De regenboog met zeilnr. 1 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek veelvuldig voor. Van 1935-1957 deed de boot onafgebroken mee. Stuurman was K. Vrolijk uit Sneek. Van 1993-1995 was de regenboog 1 van Bouw van Wijk te Woubrugge. IN 1995 en 1996 deed Cees Nater in de nr. 1 mee aan de Sneekweek. Vanaf 1935 zijn er bij de Sneekweek wedstrijden gehouden voor de regenboog. Gemiddeld verschenen er 28 deelnemers aan de start. Legendarisch zijn de teamwedstrijden Friesland Holland op de Kaag en bij de Sneekweek. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 84-85.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 60-61
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van een O.K. jol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten steekmast. De mast is door het voordek gestoken. De mast is niet gestaagd. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek heeft een vast verbinding met de mast: de giek steekt in een vertikale sleuf in de mast. Dat betekent dat de mast met de giek mee moet draaien. Aan de giek hangen twee houten blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en een blok op de overloop in de kuip. De val van het midzwaard loopt door een ring aan de voet van de mast, door twee ringen aan de achterkant van het voordek en is belegd op een dubbele bolder aan bakboord. In het grootzeil de klasse aanduiding (liggende granaat) en het zeilnummer 310. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een handgreep. Het voordek is relatief groot. De mast staat in het voorste deel van het voordek. Achter de mast zijn aan weerszijden op het voordek nog wtee handgrepen gemaakt. De kuip is relatief klein. Het midzwaard loopt gedeeltelijk door een sleuf in het voordek en gedeeltelijk door een zwaardkast in de kuip. Ter hoogte van de kuip zijn op de boorden twee bolder geplaatst. Dwars door de kuip loopt een dwarsstang: de overloop van de grootschoot. Daaronder de ring waaraan de grootschoot is vastgemaakt. Op het achterdek nog twee handgrepen. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De boorden en de spiegel zijn oranje. Het vlak is wit. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn gelakt. Ook de rondhouten en de blokken zijn gelakt. Het metalen roer is ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de O.K. jollen: lengte 4.00 meter, breedte 1.42 meter, zeiloppervlakte 8.54 m². De O.K. jol is in 1961 ontworpen door de Deen Knud Olsen. Het is een wedstrijdboot voor één persoon. Om de prijs laag te houden werd voor de knikspantvorm gekozen, die ook door amateurs gebouwd kan worden. De Finnjol bestond al, maar er bleek behoefte aan een eenvoudiger en vooral goedkopere soortgenoot. De eerste O.K. jollen waren van hout, later werden ze ook van polyester gemaakt of uit een combinatie (polyester romp en houten dekken). De boot heeft geen spanten maar dwarsschotten. De ruimte onder voordek en achterdek is waterdicht, zodat er een groot drijfvermogen ontstaat. De tuigvorm lijtk op die van de Europe of de Finnjol. In Nederland werd de O.K. jol in 1965 toegelaten en in 1967 erkend als nationale klasse. De O.K. jol met zeilnummer 310 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1967-1969. Het was de Ellert van L. Hamminga te Zuidlaren. Wedstrijden voor de O.K. jol waren er in de Sneekweken van 1964-1980. In 1964 waren er 25 deelnemers. Dat groeide al snel naar 63 deelnemers in 1969. Daarna verminderde de belangstelling: 49 deelnemers in 1972, 30 in 1976 en het eindigde met 13 in 1980. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 50-51
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de drakenklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterdrakenklasse
Objektnummer1998-288
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de drakenklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen steekmast. De mast wordt gehouden door metalen stagen. Aan de voorkant van de mast is een voorstag en een diamantstag (door een zaling terug naar de mast geleid). Aan de achterkant zijn er een achterstag op het achterdek en twee achterstagen op de boorden. Aan de zijkanten van de mast zijn er twee stagen, die beide door zalingen geleid worden in een diamantverstaging. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door de voorzaling en door een gat in het voordek. De fokkeval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De hals van de fok is vastgezet op de ring op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden terug naar voren en worden bediend met winches bij de buiskap. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De val van het grootzeil loopt door een ring aan de top van de mast en door een gat in het voordek. De grootzeilval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een metalen giek. De giek is met een lummel gehangen in een lummelpot aan de mast. Aan de giek hangt een dubbelschijfs blok van kunststof. De grootschoot loopt door dit blok en door een houten blok op de kuipvloer en ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasseaanduiding (letter D) en eronder het zeilnummer H44. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en van kunststof en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant met S-vorm. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel, die schuin achterover op het water staat. Het achterschip is overhangend. Het schip is uitgerust met een vast balastkiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op het voordek een bolder en het belsag waaraan de voorstag en de fokkehals aan zijn vastgezet. De mast is gestoken door het voordek. Daarachter een vaste buiskap. De kuip heeft opstaande randen. Langs de zijwanden zijn banken. Achter de kuip een groot achterdek. De spil van het roer steekt door het achterdek. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, de gangboorden en het dak van de buiskap zijn crêmekleurig. De opstaande kuipranden en het houtwerk aan de binnenkant van de kuip is gelakt, evenals de helmstok. De metalen delen (rondhouten en beslag) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de drakenklasse: lengte 8.90 meter, breedte 1.96 meter, zeiloppervlakte grootzeil 15.9 m², fok 10.7 m², spinnaker 35 m². De romp en de rondhouten werden oorspronkelijk van (goedkoop) grenen gemaakt. Later is men overgestapt op polyester voor de romp en aluminium voor de rondhouten. De draak is in 1929 op verzoek van de Zweedse Zeilclub ontworpen door de Noor Johan Anker. Het was een schip dat geschikt moest zijn voor wedstrijden en toertochten, geschikt voor binnenwater en op zee, en geschikt voor betaalbare bouw. Het ontwerp sloeg aan in Scandinavië en later ook in Europa en Amerika. Van 1948-1972 was het een olympische klasse. De Scandinavische zeilbonden bleven aanvankelijk toezien op de betaalbaarheid van de klasse: geen tropisch hout en alleen een genua als hulpzeil. In 1964 moest men toch bezwijken onder de druk van hen die vroegen om verdere moderniseringen. Sindsdien is de draak is een echt wedstrijdschip (sompleet met spinnaker). De belangstelling is altijd gebleven. De draak met zeilnummer 44 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de drakenklasse waren er bij de Sneekweken van 1936-1940 en van 1945-1949. Gemiddeld verschenen er dan 7 deelnemers aan de start. Museumvoorzitter A.M. Sustring deed in 1948 mee in de draak met zeilnummer 28 (Greate Pier). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 16-17
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 72-73
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de spankerklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterspankerklasse
Objektnummer1998-315
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de spankerklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een blok op de bodem van het schip en wordt gesteund door een inkeping in de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: één voorstag en twee zijstagen die door naar achter gerichte zalingen worden geleid. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen houder aan de mast en is belegd op korvijnagel aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten zijn vastgezet op korvijnagels die in gatenrails in het gangboord zijn gestoken. De fokkeschoten liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een korvijnagel aan de voet van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met ringen aan de mast bevestigd. De halstalie is vastgemaakt aan een ring aan de voet van de mast. De grootschoot loop door beslag (geen blok) aan de giek en door een gatenrail op de bodem van de kuip, waaraan de schoot ook is vastgezet. De zwaardval van het midzwaard loopt aan weerszijden van de mast naar voren en is onder het dek vastgezet. In het grootzeil de klasse-aanduiding (gekantelde cirkel met aan de onderkant een onderbreking) en het zeilnummer 75. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die licht schuin (naar achter) op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Op de achterkant van het voordek een V-vormige waterlijst. Achter de mast kuip. Voor in de kuip de kast van het midzwaard. Daarachter de gatenrail van de grootschoot. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, gangboorden en de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten en het roer. De metalen delen (midzwaard, roerblad en beslag) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de spankerklasse: lengte 5.75 m, breedte 1.90 m., zeiloppervlakte grootzeil 9.6 m², zeiloppervlakte fok 4.2 m², zeiloppervlakte genua 6.3 m². De spanker is in 1961 op verzoek van het KNWV ontworpen door E.G. van de Stadt. Er was behoeft aan een klasse tussen de schakel en de valk (of pampus). Het moest een wedstrijd- en een toerschip zijn. Door de knikspant en het gebruik van hechthout is het schip ook geschikt voor amateurbouw. In wedstrijden wordt de boot gevaren met spinnaker en wordt gebruik gemaakt van een trapeze. De kuip is ruim: er kunnen vier mensen in liggen. Spankeren betekent hardlopen en in de zeezeilerij wordt het woord spanker gebruikt voor spinnaker. Dat verklaart ook het zeilteken: spinnaker van boven gezien. De spanker met zeilnummer 75 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Westrijden voor de spanker zijn tijdens de Sneekweken georganiseerd van 1963 tot heden (1998). De deelname was tamelijk groot en constant: 11 in 1963, 18 in 1965, 42 in 1970, 49 in 1975, 28 in 1980, 31 in 1985, 31 in 1990, 18 in 1995, 26 in 1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 56-57
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 74-75
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van een laser 2. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is bevestigd in het voordek en is gestaagd (diamantverstaging) met twee metalen zijstagen en één voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (grootzeil (torentuig)) en een fok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een lus aan de mast en die is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op de ring op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee gatenrails (aan weerszijden van de mast) en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een sleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is vastgelijmd aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de metalen giek . De giek is met een ring om de mast bevestigd. Aan de giek is geen halstalie gemaakt (hoort wel zo). De grootschoot loopt door twee ringen aan de giek en een ring over een overloop (van touw dat in lengte verstelbaar is) op het achterschip. De grootschoot is niet belegd. Het midzwaard is een steekzwaard dat aan een touwlus wordt opgetrokken en vastgezet. In het zeil het nummer 150000. Geen windvaan. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een ring waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Aan bakboord is in het voordek een gat gemaakt dat dient voor het opbergen van de spinnaker. Aan weerszijden van de mast twee gatenrails waardoor de fokkeschoten lopen. In de voorwand van de kuip een ring waaraan enkele vallen zijn vastgezet. Op het achterdek de overloop die is vastgezet in twee ringen. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Aan de helmstok is een metalen joystick gemaakt. Kleuren: De romp is wit. De dekken en de cockpit zijn eveneens wit. De rondhouten zijn van metaal en ongeverfd. Het midzwaard en het roer zijn metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe laser 2 is ontworpen door Frank Bethwaite in 1979. Het is een vergroting van de laser die in 1969 is ontworpen. Het is een tweemansboot. De romp is iets groter, maar heeft dezelfde vorm en de tuigage is uitgebreid met een fok en een spinnaker. De kuip is klein en het water kan via een zelflozer worden afgevoerd. Door het geringe vrijboord komt er snel water over. Ook deze laser is een strikte eenheidsklasse. De boten worden identiek door de fabriek afgeleverd. In Nederland heeft de laser 2 lang niet zoveel aanhangers als de laser. In zijn soort (vaurien, stern en flying junior) delft de laser 2 het onderspit. Afmetingen: lengte 4.42 m., breedte 1.42 m., diepgang 1.00 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 11.52 m2.
Het zeilnummer 150000 is een fictief nummer. Op dit moment (2010) ligt het hoogst uitgegeven nummer rond de 10800., Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 44-45
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de optimistenklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörteroptimistenklasse
Objektnummer1998-298
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de optimistenklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Deze is niet gestaagd maar vastgezet in een messelbank in het voorschip. Aan de mast wordt alleen een grootzeil gevoerd. De bovenkant van het grootzeil wordt gehouden door een rondhout dat qua vorm en functie het midden houdt tussen een gaffel en een spriet: het rondhout heeft geen gaffelbek en is met een lus aan de mast bevestigd, echter niet bij de hals van het zeil (zoals bij een spriet) maar halverwege de mast. Het zeil is met touw aan de mast geknoopt. De giek is voorzien van een gaffel bek. Het zeil is met losse broek aan de giek bevestigd. Aan de onderkant van de giek een soort overloop, waaraan de grootschoot is bevestig. Deze loopt door twee opgen in de bodem van de boot. In het zeil het zeilnummer Q H1235. Op de top van de mast geen vleugel. De romp: Platte bodem. Enkelgangs boorden. Rechte voorsteven (schuin naar voren hellend) en rechte spiegel (loodrecht op het vlak). Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. In het voorschip een messelbank, waarin de mast is gestoken. Het gedeelte achter de mast is door een dwarsplank gescheiden in twee compartimenten. In het voorste compartiment twee drijfkussens en de zwaardkast, waarin de uitneembare kiel gestoken wordt. In het achterste compartiment de grootschoot en een dwars tegen de spiegel geplaatste drijfkussen. Het roer hangt aan de spiegel. De scharnierbare helmstok op het roer is van metaal. Kleuren: De romp is wit, evenals het onderwaterschip. Aan de binnenkant is de boot eveneens wit. Het dwarsschot is bruin. Het midzwaard en het roerblad zijn ook bruin. De mast en de helmstok zijn metaalkleurig. De giek en de gaffel/spriet zijn gelakt. De drijfkussens zijn blauw. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe optimist bestaat al sinds 1948. Toen werd namelijk in Florida van een 'zeepkist op wielen met een zeiltje' een bootje ontworpen. Het initiatief hiervoor kwam van de serviceclub Soroptimist International (vandaar het zeilteken OI). In 1954 zag een Deense architect het Amerikaanse bootje en introduceerde het model in Scandinavië. In 1965 werd de Internationale Optimist Dinghy Association opgericht. In 1973 volgde de internationale status van de IYRU. In 1992 stonden er internationaal 150.000 optimisten geregistreerd. De optimist is een klein handzaam bootje voor jeugdzeilers van 6-15 jaar en is zeer geschikt voor beginnende zeilers. Het spriettuig zorgt voor een laag zeilpunt, waardoor de boot gemakkelijk overeind te houden is. De rompvorm geeft veel stabiliteit. Door de eenvoudige rompvorm (knikspant) is het tamelijk eenvoudig zelf te bouwen van hechthout. Afmetingen: lengte 2.30 m., breedte 1.15 m., diepgang midzwaard 0.80 m., zeiloppervlak 3,5 m2. Het zeilnummer 1235 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek voor in 1985. Eigenaar was R. Woortman te Groningen. De boot had de naam Opti-Miss. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar (Eemdijk, 1998), pp. 54-55
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijheidsklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtervrijheidsklasse
Objektnummer1998-296
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijheidsklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker en is gestaagd met twee metalen zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de top van de mast en die is belegd op een nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel van het grootzeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een ring aan de mastbeugel bevestigd. De halstalie die de giek naar beneden houdt is belegd op de nagelbank. De grootschoot loopt door een tweeschijfs blok aan de giek en is belegd op het daarvoor bestemde beslag op de bodem van de kuip. In het zeil het de klasseaanduiding (letter V) en het zeilnummer 1414. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Licht gepiekte rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die schuin naar achter op het water staat. Vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag van de fokkehals en een bolder. Voor de mast een V-vormige waterlijst. Aan de voet van de mast een nagelbank met korvijnagels die boven en onder het voordek uitsteken. De kuip is open. In de kuip geen banken. Achter de kuip het achterdek. Hoer roer hangt aan de spiegel. Het roer is voorzien van een houten helmstok. Kleuren: De romp is blauw-groen. Het onderwaterschip is wit. De dekken, gangboorden en de kuip zijn gelakt. De rondhouten en blokken zijn gelakt, evenals het roer. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de vrijheid: lengte 5.40 meter, breedte 1.65 meter, zeiloppervlakte grootzeil 9.7 m², fok 3.9 m², genua 5.9 m², spinnaker 9.8 m². In 1942 schreef het K.N.W.V. een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een zeilboot met 12 vierkante meter zeil, als opvolger van de B.M. klasse maar die niet dezelfde eigenschappen mocht hebben als de 12 m² sharpie. De prijsvraag zou kunnen leiden tot een nieuwe klasse. Het moest een stabiel kieljacht worden, dat vooral de jeugd zou aanspreken, dat snel moest zijn maar ook geschikt voor het maken van tochten, dat een lage bouwprijs zou moeten hebben en daarom door amatuers gemaakt moest kunnen worden. Er kwmane 55 inzendingen binnen: Workum, Viking, Vlinderjacht, Zomerweelde, Zomerwind, Oostergoo, etc. Siep van der Meer won de eerste prijs met de Zomerweelde. Er waren dire derde prijzen voor L. Moerman (maasjol), Chr. van der Zee (Kilpalipude een soort vergrote olympiajol) en Romke de Vries. Toch was het K.N.W.V. niet tevreden met de winnaar en maakte van de Zomerweelde geen eenheidsklasse (waar overigens wel werden meerdere van gebouwd zijn). De technische commissie van het K.N.W.V. moest zelf een nieuwe klasse ontwerpen met als basis de inzendingen van de prijsvraag. Het nieuwe ontwerp was smaller dan de Zomerweelde en er waren nog een paar verschillen. De romp kon zowel met gangen als met latten (amateurbouw) gemaakt worden. Ook in tuigage kon men kiezen tussen een torentuig of een gaffeltuig (de meeste werden uitgevoerd met een gaffeltuig). In december 1945 werd het schip gepresenteerd: de vrijheid. Het ontwerp sloeg goed aan. Al in 1947 waren er 100 gebouwd. Ook voor het buitenland werden er schepen gebouwd, met name ook in Indonesië. Ook kwam er een vergrote vrijheid op de markt (jachtwerf A. de Jong te Joure en jachtwerf Moedt te Sneek). In de loop van de jaren zijn er verbeteringen aangebracht in de klasse: trapeze, verplaatsbare mast, geprofileerd houten roer. De vrijheidsklasse-organisatie heeft bijna 300 leden. De vrijheid met zeilnummer 1414 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1967-1998. Het schip is gebouwd door R. Alberda te Sneek. Die bleef er in varen tot 1968. De scheepsnaam bleef Astarte. In de periode 1969-1977 was J.F. Westers (eerste Terherne, later Sneek) de eigenaar. In 1978-1988 was D. Zwart (Sneek) eigenaar en van 1989-1998 was het S.P. de Jong te Rozenburg. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 15
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 74
- J.K. Kuipers 'De Vrijheidsklasse' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 67-72.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 94-95
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van een laser. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is niet gestaagd. Het is een steekmast die wordt gestoken in een buis op het voorschip. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil in de vorm van een grootzeil (torentuig). Het voorlijk is om de mast geregen. Het onderlijk is los aan de giek bevestigd (alleen aan de achterkant vastgezet). De giek is van metaal en scharniert aan de mastkoker. Aan de giek een halstalie die is vastgezet aan de voet van de mastkoker. De grootschoot loopt door twee ringen aan de giek en een blok over een overloop (van touw dat in lengte verstelbaar is) op het achterschip. Het midzwaard wordt bediend met een midswaardval die loopt via een blok op de voorsteven en is vastgemaakt aan de mastkoker. In het zeil het nummer H1414. Geen windvaan. Het blok is niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Direct achter de voorsteven een metalen blok met schijf waardoor de midzwaardval loopt. Daarachter de mastkoker (buis). Achter de mast een kleine cockpit met daarin de zwaardkast. Op het achterdek twee ringen waaraan de overloop is vastgemaakt. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Aan de helmstok is een metalen joystick gemaakt. Kleuren: De romp is groen. De dekken en de cockpit zijn wit. De rondhouten zijn van metaal en ongeverfd. Het midzwaard is gelakt. Het roer is bruin en metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe laser is ontworpen door Bruce Kirby in 1969. In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw verspreidde de klasse zich over de wereld in een ongekend tempo. De laser is een simpele, uitgekiende eenmansboot en blinkt uit door zijn eenvoud: een minimum aan onderdelen, allemaal zorgvuldig ontworpen voor hun specifieke taak. Het is een zeer strikte eenheidsklasse. Je mag niets veranderen, maar door de zeer eenvoudige uitvoering is er ook eigenlijk niets dat je kunt veranderen. De lichte romp (57 kg) kan op het dak van een auto worden vervoerd. De mast is deelbaar. Afmetingen: lengte 4.23 m., breedte 1.37 m., diepgang 0.70 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 7.06 m2. De laser met zeilnummer 1414 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek niet voor. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 42-43
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Tasarklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtertasarklasse
Objektnummer1998-327
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de Tasarklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een fok. De fok is met een touwlus aan de mast bevestigd en heeft geen fokkeval. De hals van de fok is vastgezet op een oog op de voorsteven. De fokkeschoten lopen door twee gatenrails op de achterkant van het voordek en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. De halstalie loopt van de giek, schuin naar voren en is vastgemaakt aan een ring in de voorwand van de kuip. De grootschoot loop door houten blok aan de giek en door een ring op de bodem van de kuip. Het midzwaard is niet voorzien van een zwaardval. In het grootzeil de klasse-aanduiding (twee open cirkels in elkaar) en het zeilnummer 335. Op de top van de mast geen windvaan. Er is één houten blok op het model en dat is niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die vrijwel loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals is bevestigd. In de achterkant van het voordek is de mast gestoken. Aan weerzijden van de mast (in een V-vorm) de gatenrails voor de fokkeschoten. De kuip is door een dwarsbalk in tweeën gedeeld. In het voorste deel de zwaardkast van het midzwaard. In het achterste deel de ring van de grootschoot. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (boven en onder water). De dekken, gangboorden en de kuip zijn wit. Het midzwaard is bruin. De metalen delen (rondhouten en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de Tasarklasse: lengte 4.52 m., zeiloppervlak grootzeil 8.36 m², fok 3.07 m². De romp wordt van polyester gemaakt en de rondhouten van aluminium. De klasse is in 1976 ontworpen door Frank Betwaite en Ian Bruce uit de Verenigde Staten. Daar is het type ook populair. Licentiebouwers zijn gevestigd in de Verenigde Staten, Australië en Engeland. In de Nederland is het nooit een nationale klasse geworden. De Tasar met zeilnummer 335 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Alleen bij de Sneekweek van 1978 waren er wedstrijden voor de tasarklasse. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Internetsite www.tasar.org
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vauriënklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtervauriënklasse
Objektnummer1998-303
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de vauriënklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast. De mast is gestaagd met een voorstag en twee zijstagen (nylondraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een stagfok en een grootzeil (torentuig). De top van de stagfok is vastgemaakt aan een oog in de mast (niet met vallen). De hals van de stagfok is vastgezeg op een oog in het voorschip (waar ook de voorstag aan vastgezet is). Het voorlijk van de fok is niet bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoten lopen door schootogen op de boorden naar binnen en zijn belegd op een dwarsscheepse nagelbank. Het grootzeil heeft de vorm van een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is in een sleuf in de mast geregen. Het onderlijk is op dezefde manier bevestigd aan de giek. De giek is met scharnierend beslag aan de mast bevestigd. De halstalie loopt van de giek naar een klamp aan de voet van de mast. De grootschoot is vastgemaakt aan het achtereind van de giek, loopt door twee ogen op de spiegel en is niet belegd. In het grootzeil het zeilnummer H21271. Het doek van het grootzeil is door vocht verkleurd. Op de top van de mast een metalen pin met daaraan een witte windvaan. Het model is niet voorzien van blokken. De romp. De bodem is vlak. Het jacht heeft geen kiel, maar een midzwaard. De voorsteven is scherp en licht hellend. De spiegel is recht en staat loodrecht op het water. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Over het voorschip een dek met voor de mast een V-vormige waterlijst. De mast staat in een messelbank. Tussen de waterlijst en en messelbank een driehoekige open ruimte. Achter de mast de zwaardkast van het steekzwaard. Het steekzwaard heeft een metalen hengsel. Achter de mast een dwarsscheeps bank met daarin nagels, waarop de schoten worden belegd. Langs de boorden twee lage banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is gelakt, zowel onder water als boven water. Ook de binnenkant van het jacht is gelakt, evenals de mast en de giek. Alleen de bovenkant van het roer is bruin geverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationJean Jaques Herbulot uit Frankrijk is de ontwerper van de vauriën (frans voor deugniet). Het doel was een boot te maken die door beginnende zeilers veilig gebruikt kon worden en die tevens geschikt was om als tweemans-eenheids wedstrijdboot te dienen voor beginners. Herbulot maakte het ontwerp in 1951 en al in 1952 werden er 200 van gebouwd. In 1953 werd in Frankrijk de vauriën-klasseorganisatie opgericht (Asvauriën). De organisatie staat amateurbouw niet toe en verleent alleen bepaalde werven de toestemming tot het bouwen van de boot. De regels daarbij zijn zeer precies vastgelegd, opdat de vaurien een zo zuiver mogelijke eenheidsboot is en blijft. Ook in Nederland is de vauriën een succes. Het type werd door de IYRU toegelaten als internationele klasse. In 1961 is in Nederland de Vaurien Klasseorganisatie opgericht. Afmetingen: lengte 4.08 m., breedte 1.47 m., diepgang midzwaard 0.96 m., zeiloppervalk (grootzeil en fok) 8.8 m2. Het zeilnummer H 21271 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek niet voor. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 36-37.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van een finnjol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten steekmast. De mast is door het voordek gestoken. De mast is niet gestaagd. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek heeft een vast verbinding met de mast: de giek steekt in een vertikale sleuf in de mast. Dat betekent dat de mast met de giek mee moet draaien. Aan de giek hangen twee metalen ringen. De grootschoot loopt door deze twee raingen en een ring op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard loopt door twee ringen in de voorwand van de kuip en is belegd op een klamp aan de achterkant van de zwaardkast. In het grootzeil de klasse aanduiding (twee golven) en het zeilnummer 224. Op de top van de mast geen windvaan. Op het model zijn geen blokken. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Bol voordek. De mast staat in het voorste deel van het voordek. Achter de mast een V-vormige waterlijst. De voorkant van de kuip is bol van vorm. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Achter de zwaardkast de ring van de grootschoot. De achterwand van de kuip is ook bol. In de kuip zijn geen banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok van het roer is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken, boorden en de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. De metalen delen (midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de finnjollen: lengte 4.50 meter, breedte 1.51 meter, zeiloppervlakte 10 m². De Finnjol is in 1952 ontworpen door de Zweed Rickart Sarby. Voor de Olypische Spelen in 1952 in Finland schreef de Fnise zeilbond een prijsvraag uit. Het ontwerp van kapper en amateur-ontwerper Sarby werd niet bekroond, maar bij proefwedstrijden bleken de zeileigenschappen zo opmerkelijk dat de Finnjol toch voor de Spelen werd aangewezen. De finnjol bleef een internationale klasse. Finnjollen werden oorspronkelijk van hout gemaakt, later ook van polyester (of een combinatie van beide). De mast was van hout, later van aluminium of koolstofvezel. De finnjol kan goed getrimd worden maar het vergt wel de nodige ervaring om het goed te doen. Internationaal is de klasse populair, ook in Nederland. Roy Heiner behaalde in de Finnjol olympisch brons in 1996 (Atlanta). De Finnjol jol met zeilnummer 224 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de Finnjol waren er in de Sneekweken van 1956-1998 (met uitzondering van 1958 en de periode 1988-1993). Het aantal deelnemers is wisselend: 3 in 1956, 17 in 1960, 42 in 1965, 33 in 1970, 22 in 1975, 16 in 1980, 9 in 1985, 8 in 1995 en 16 in 1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 22-23
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 38-39
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de schakelklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterschakelklasse
Objektnummer1998-314
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de schakelklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat op de bodem van het schip, wordt gesteund in een inkeping in de achterkant van het voordek en wordt gehouden door twee metalen zijstagen en een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door een gatenrail op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met ringen aan de mast bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een houten tweeschijfs blok aan de giek en door een gatenrail op de bodem van de kuip, waarop de schoot ook is vastgezet. De val van het midzwaard loopt via twee ogen in de voorkant van de kuip naar achteren en is belegd op een oogbout bij de achterkant (bakboord) van de zwaardkast. In het grootzeil de klasse-aanduiding (gekantelde 8-vorm) en het zeilnummer 849. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Op de achterkant van het voordek een V-vormige waterlijst. De kuip is groot: er is geen achterdek. Achter de mast de kast van het midzwaard. Daarachter de gatenrail van de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is van hout en is aan de voorkant voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is wit (ook het onderwaterschip). Het voordek, de gangboorden en de kuip zijn eveneens wit. De bovenkant van het roer is bruin. De rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de schakel: lengte 4.71 m., breedte 1.70 m., zeiloppervlak grootzeil 7.7 m², fok 4.2 m². De schakel is in 1961 door G.J.M. Luyten en D.J. Koopmans ontworpen op intiatief van het KNWV. Er was behoefte aan een nieuwe midzwaard-klasse die tussen de jeugdklassen en de grotere wedstrijdklassen zoals de Vrijheid in zou zitten. Het ontwerp moest geschikt zijn voor toer- en wedstrijdzeilers. Er volgden een aantal testwedstrijden. Het schakelontwerp won. Binnen twee jaar werden er al 250 schakels gebouwd. Sindsdien is dat aantal alleen maar gegroeid. De schakel dankt zijn populariteit niet in de laatste plaats aan de actieve schakelorganisatie. In Friesland is de boot populair bij zeilers die uit de Flits zijn gegroeid. De schakel heeft een V-vormige bodem, is gemaakt van watervast multiplex. De trimmogelijkheden zijn eenvoudig maar goed. Een spinnaker is niet toegestaan. Wel is er een trapeze. Door het ontbreken van een achterdek kunnen twee volwassenen in de kuip slapen. Grote veranderingen in het ontwerp zijn er niet geweest. De grootste wijziging was in 1994 toen de vorm van het roer is veranderd. De schakel met zeilnummer 849 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1969-1972. De scheepsnaam bleef toen onveranderd Knuppel. In de periode 1967-1969 was de boot van mej. F. van der Feer te Sneek en in de periode 1970-1972 was de boot eigendom van J. de Bruin te Sneek. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 54-55
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 64-65
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhonderdzeventig-klasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtervierhonderdzeventig-klasse
Objektnummer1998-316
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhonderdzeventig-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een steekmast die is gestoken in de kielbalk en in een ronde houder aan de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen (die door een zaling aan de mast zijn geleid) en door een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. De schootogen zijn gestoken in een gatenrail (ze kunnen daarin naar believen naar voren of naar achteren geplaatst worden). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. De halstalie is belegd aan de voet van de mast. De grootschoot loop door twee houten blokken aan de giek en door een ring aan de overloop in het midden van de kuip. De vallen van het midzwaard lopen in een W-vorm (door ringen aan de voet van de mast en vastgezet op de overloop in de kuip). In het grootzeil de klasse aanduiding (470) en het nummer zeilnummer H790. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. De romp is in hoge mate gestroomlijnd. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Het voordek wordt aan de achterkant afgesloten met een gebogen waterlijst. Daarachter de houder waarin de mast is gestoken. In het voorste deel van de kuip is de zwaardkast van het midzwaard. Boven de achterkant van de zwaardkast loopt een stang dwars door de kuip: de overloop van de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. Het helmhout steekt door een sleuf in de spiegel. Aan de voorkant van het helmhout een joystick. Kleuren: De romp is blauw (boven en onder water). Het voordek en de kuip zijn wit. Het roer en het midzwaard zijn metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de vierhonderd-zeventigklasse: lengte 4.70 meter, breedte 1.68 meter, zeiloppervlakte 13.62 m² (grootzeil en fok), uit te breiden met een spinnaker van 13 m². De vierhonderdzeventig-klasse heeft een romp van polyester en rondhouten van aluminium. Het ontwerp is in 1963 gemaakt door de fransman André cornu. De boot wordt gezien als opvolger van de vierhonderdtwintig-klasse. Zoals ook bij andere Franse klassen (vaurien bijvoorbeeld) zijn de klassevoorschriften zeer streng: er wordt gelet op een hoge mate van eenheid. In 1976 werd de vierhonderdzeventig een olympische klasse. In Nederland worden wel wedstrijden georganiseerd voor deze klasse, maar het aantal deelnemers daaraan nam na 1995 af. Internationaal waren er wel grote Nederlandse successen: de gebroeders Kouwenhoven werden er in 1994 en 1996 wereldkampioen mee. De zeileigenschappen van de klasse zijn aantrekkelijk. Bij windkracht 3-4 planeert de boot al en de boot beschikt over uitgebreide trimmogelijkheden. De vierhonderdtwinting met zeilnummer 790 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1988. Eigenaar was B. Kouwenhoven te Oppenhuizen. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 110-111
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de jeugdklasse (pluis).
HerstellerOoms, G.
Stichwörterjeugdklasse
Objektnummer1998-299
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de jeugdklasse (pluis). Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker op de overgang avn voordek en kuip. De mast wordt gehouden door metalen stagen: wtee zijstagen en één voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt over metaalbeslag aan de mast, door een gat in het voordek naar achteren en is vastgezet op een nagel bij de zwaardkast (stuurboord). De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door gatenrails op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een metalen ring aan de giek en is belegd op een gatenrail op de bodem van de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt via ringen aan de mastvoet naar achter en is vastgezet op een korvijnagel naast de zwaardkast (bakboord). Op de top van de mast geen windvaan. In het grootzeil het zeilnummer 107. Het model heeft geen blokken. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die schuin achterover hellend op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Over het voordek loopt een V-vormige waterlijst. Achter de mast de kuip. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Daarachter de gatenrail van de grootschoot. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is wit (boven en onder water). De dekken en gangboorden zijn wit. Het houtwerk in de kuip is gelakt, evenals de waterlijst en de rondhouten. De bovenkant van het roer is bruin. De metalen delen (roerblad en midzwaard) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de jeugdklasse (pluis): lengte 3.80 meter, breedte 1.42 meter, zeiloppervlakte 7.2 m² (grootzeil en fok). De romp en de rondhouten zijn van hout. De jeugdklasse (vaak pluis genoemd) is in 1949 ontworpen door A.N. van den Brink. Tot de Tweede Wereldoorlog was de twaalf-voets-jol de enige boot voor het jeugdzeilen. Daar wilde het KNWV verandering in brengen en schreef een wedstrijd uit die werd gewonnen door Van den Brink. De boot was meteen populair en bleef dat tot midden jaren zestig. Men stapte toen vaak over op modernere boten. Door aanpassingen en moderniseringen (hoger zeil, spinnaker, zelflozers) in 1993 groeit de belangstelling nu weer. De jeugdklasse werd tegelijk met de cadet geïntroduceerd. De cadet verloor toen. Maar inmiddels zijn de rollen omgedraaid. De cadet behoort nu (1998) tot de voorkeurslijn van het KNWV. De meeste jeugdklasseboten varen in het westen van Nederland (Kaag, Braassemermeer). De klasse heeft geen zeilteken. De jeugdklasse met zeilnummer 107 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in een aantal jaren. In 1954-1956 was de boot van J. of N. Wierda te Haren (naam: Kalong). In 1964 voer A.B. Loomeijer uit Paterswolde met de jeugdklasse 107 (naam: Fitis). Zeilwedstrijden voor de jeugdklasse waren er bij de Sneekweken van 1951-1969 en in 1985, 1986, 1988 en 1989. Het aantal deelnemers schommelde dan rond de tien. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 40-41
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Europeklasse.
HerstellerOoms, G.
StichwörterEurope
Objektnummer1998-319
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de Europeklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. Het is een ongestaagde steekmast. Aan de mast wordt één zeilgevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de giek. De giek heeft een vaste verbinding met de mast: hij is gestoken door een gat in de mast. De grootschoot loopt door twee metalen blokken aan de giek en door een houten blok op een boogvormig overloop in de kuip. Aan het midzwaard zijn geen vallen gemaakt. In het grootzeil de klasse-aanduiding (cirkel en daarin de letter E) en het zeilnummer 483. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een houten midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek staat de mast. Het voordek loopt door tot achter de mast. De kuip is open. In het voorste deel van de kuip de kast van het midzwaard. Over de achterkant van de zwaardkast een gebogen overloop. Langs de randen van de kuip de drijfkasten. In de kuip zijn geen banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het roer is van metaal en is aan de onderkant voorzien van een beweegbaar roerblad. De helmstok van het roer is van metaal. Kleuren: De romp is rood. Het voordek en de kuip zijn wit. De rondhouten en het midzwaard zijn gelakt. Het roer is metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de Europeklasse: lengte 3.35 meter, breedte 1.38 meter, zeiloppervlakte 7 m². Aanvankelijk was de klasse bekend als Europe Moth. De Europe is dan ook voortgekomen uit de internationale Mothklasse, een beperkte eenheidsklasse uit Amerika, waarvoor alleen de lengte (11 voet) en zeiloppervlak (7 m²) was voorgeschreven. De Moth dateert al van 1935 en was geliefd in België. De Belg Aloïs Roland ontwierp in 1965 een Europese versie, die een grotere eenheid heeft. Vanaf 1966 werden er onderlinge internationale wedstrijden in de Europe gehouden. In 1972 werd de klasse erkend door het KNWV. Een jaar eerder al was besloten het woord Moth weg te laten uit de klasseaanduiding, om verwarring met de Amerikaanse Moth te voorkomen. De Europe heeft een romp van plakhout of van polyester. De rondhouten zijn van hout (later van aluminium of koolstof). Het is een gevoelig zeiler. Er zijn goede trimmogelijkheden. Opvallend is de vaste verbinding van giek en mast. De mast draait met de giek mee. Voor veel zeilers is de Europe de opvolger van de optimist. Op zijn beurt levert de Europe vaak zeilers af in de laser of Finnjol. In 1988 werd de Europe olympische klasse voor vrouwen. In 1996 won de Nederlandse Margriet Matthijse het zilver bij de Olympische Spelen te Atlanta in de Europe. De Europe met nr. 483 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1989, 1992-1995. In 1989 was R. Poulie te Bussum de eigenaar. In 1992 en 1993 was het M.C. Poulie te Bussum. In 1994 en 1995 was H.A.T. Kooistra uit Leeuwarden de eigenaar. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 20-21
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de gemengde klasse: een zomerweelde.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterzomerweelde
Objektnummer1998-297
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de gemengde klasse: een zomerweelde. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een uitsparing van het achterdek en is aan de achterkant vastgezet met een beugel. De mast wordt gehouden door metalen stagen: twee zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een piekeval (die loopt door het beslag aan de top van de mast) en een klauwval (die loopt door een houten blok aan de mast. De beide grootzeilvallen worden belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een omhoogwijzende zwanehals aan de mast bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee giekringen met daartussen een stang. De grootschoot loopt via gaten in de stang van de giekringen en door een bolok op de bodem van de kuip. Er is ook nog een losse set giekringen met een houten verbinding. In het zeil geen klasse-aanduiding. De plaats van het opgespelde zeilnummer gaf aan welke tot dat de deelnemer aan de gemengde klasse deelnam (bijvoorbeeld 50 cm boven de giek in het voorlijk). Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel die schuin achterover op het water staat. De boot is uitgerust met een vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Voor de mast loopt over het voordek een V-vormige waterlijst. Achter de mast en granaatvormige kuip, die langs de boorden wordt afgesloten met een opstaande rand (lage waterlijst). In de kuip twee dwarsbanken. Achter de kuip het achterdek. De roerspil van steekt door het achterdek. De helmstok is van metaal. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip (inclusief kiel en roerblad) is bronskleurig. De achterplecht is gelakt, evenals de stootrand van het dek. De dekken en gangboorden zijn crêmekleurig. De waterlijst en het houtwerk in de kuip is gelakt, evenals de rondhouten. Accessoires: extra giekringenset (met houten verbinding) en tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe gemengde klasse is, zoals de naam al suggereert, geen eenheidsklasse en ook geen beperkte klasse. Het was meer een voorgifteklasse, waarbij schepen van allerlei soort mee mochten doen. De uitslag van de wedstrijd werd dan gecorrigeerd door een TCF (tijd-correctie-factor). Bij de Sneekweek waren er wedstrijden voor de gemengde klasse van 1946-1967. Vaak staat in de deelnemerslijsten aangegeven dat deze wedstrijden alleen open stonden voor leden van de SZC. In de jaren 1953-1959 werd er onderscheid gemaakt tussen kajuitzeilboten en open boten. Deelnemers waren mensen met schepen die niet binnen een eenheidsklasse vielen (een afwijkend type, een bastaard) en die toch mee wilden doen aan de wedstrijden. Per keer werd een zeilnummer toegekend, dat in het zeil werd gespeld. Na 1967 zijn deze wedstrijden niet meer gehouden. De bouwer heeft voor de gemengde klasse gekozen voor een zomerweeldejacht. De zomerweelde is de voorloper van de vrijheidsklasse. In 1942 schreef het K.N.W.V. een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een zeilboot met 12 m² zeil. De prijsvraag zou kunnen leiden tot een nieuwe klasse. Het moest een stabiel zeiljacht worden, dat vooral de jeugd zou aanspreken, dat snel moets zijn maar ook gschikt voor het maken van toertochten, dat een lage bouwprijs zou moeten hebben en derhalve door amateurs gebouwd moest kunnen worden. Er kwamen 55 inzendingen binnen: Workum, Viking, Vlinderjacht, Zomerweelde, Zomerwind, Oostergoo, etc. Siep van der Meer won de eerste prijs met de Zomerweelde. Er waren drie derde prijzen voor L. Moerman (maasjol), Chr. van der Zee (Kilpalipude, een soort olympiajol) en Romke de Vries. Het verbond maakte van de Zomerweelde geen eenheidsklasse. Wel werden er meerdere van gebouwd. De technische commissie van het K.N.W.V. moest zelf een nieuwe klasse ontwerpen met als basis de inzendingen van de prijsvraag. In december 1945 werd het ontwerp gepresenteerd: de Vrijheid. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 67-68
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 22
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Jan van Gentklasse.
HerstellerOoms, G.
StichwörterJan van Gentklasse
Objektnummer1998-329
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de Jan van Gentklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen (geleid door zalingen). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. Aan de schoothoek van de fok is een blok gemaakt waardoor de fokkeschoten lopen. Deze worden geleid door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee houten blokken (één aan de giek en één op de bodem van de kuip) en ligt opgschoten in de kuip. Het midzwaard is niet voorzien van een zwaardval. In het grootzeil de klasse-aanduiding (vogel) en het zeilnummer 12. Op de top van de mast een zwarte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel (van boven gezien), die vrijwel loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. In de achterkant van het voordek is de mast gestoken. De kuip is niet voorzien van banken. In het voorste deel van de kuip steekt de handgreep van het midzwaard uit de bodem (geen zwaardkast). Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is oranje (boven en onder water). De dekken, gangboorden en de wanden van de kuip zijn wit. De bodem van de kuip is gelakt. De metalen delen (rondhouten en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de Jan van Gent: lengte 5.25 m., breedte 1.79 m., zeiloppervlak grootzeil 9.5 m², zeiloppervlak genua 7.3 m², zeiloppervlak spinnaker 17.7 m². De romp is van polyester en het dek van mahonie multiplex. Het ontwerp is in 1988 gemaakt door J. Woort te Den Helder. Verkooppunt voor de Jan van Gent is het Studiecentrum Jachtbouw en Begeleiding te Den Helder. De Jan van Gent met zeilnummer 12 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in de jaren 1995-1998. Eigenaar is M.C. Woort uit Den Helder (1995-1997) en later te Hoorn (1998). Wedstrijden voor de Jan van Gentklasse waren er tijdens de Sneekweken van 1995-1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Waterkampioen septmeber 1989
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de cadetklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtercadetten
Objektnummer1998-300
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de cadetklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen (geen voorstag). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fook hangt met een touw lus aan de mast (geen fokkeval). De hals van de fok is vastgezet op een oog op de voorsteven. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. er is geen grootzeilval. De giek is van metaal. De voorkant van de giek is met een ring aan de mastbeugel bevestigd. De grootschoot loopt via een ring aan het achtereind van de giek en twee ringen op de spiegel, en ligt opgeschoten in de kuip. Het midzwaard is niet voorzien van een zwaardval. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter C) en het zeilnummer 7571. Op de top van de mast een witte windvaan. Het model is niet voorzien van blokken. Het grootzeil is in de schoothoek vuil. De romp. Knikspant. Stompe voorsteven. Rechte spiegel die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals is bevestigd. Aan weerszijden op het voordek twee handgrepen. Voor de mast een V-vormige waterlijst op het voordek. Achter de mast in de kuip de zwaardklast van het midzwaard. De handgreep van het midzwaard steekt boven de zwardkast uit. Aan weerszijden van het achterdek twee handgrpen. Op de spiegel twee ringen voor de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is rood (boven en onder water). De dekken, gangboorden en kuip zijn wit. Het roer is bruin. De metalen delen (rondhouten, midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de cadetklasse: lengte 3.22 m, breedte 1.27 m, zeiloppervlak grootzeil 3.9 m², fok 1.26 m², spinnaker 4.25 m². De romp is van hechthout (later ook van polyester). De rondhouten zijn van hout of metaal. De Cadet is in 1949 ontworpen door de engelsman Jack Holt. Kenmerkend voor zijn ontwerpen is de knikspant rompvorm met de stompe voorsteven. . Tegelijk met de invoering van de Cadet in 1949 werd de Nederlandse Jeugdklasse door het KNWV erkend. De Cadet kreeg daardoor in Nederland weinig kans. Buiten Nederland drong de Cadet wel goed door. In 1958 kreeg de klasse de internationale status. Toen in Nederland de interesse voor de jeugdklasse afnam, kwam vanaf 1970 de Cadet opzetten. In 1973 werd de Cadet Klasse Organisatie opgericht. Het is een goede tweemans jeugdboot, eenvoudig ingericht maar met voldoende trimmogelijkheden. Het KNWV heeft de Cadet opgenomen in de voorkeurslijn. Vanuit de Cadet wordt meestal overgestapt op de Vaurien of de vierhonderdtwintigklasse. De cadet met zeilnummer 7571 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Alleen bij de Sneekweek van 1996 waren er wedstrijden voor de cadet. Er waren toen 7 deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 10-11
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de flying dutchmanklasse.
HerstellerOoms, G.
StichwörterFlying Dutchmanklasse
Objektnummer1998-301
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de flying dutchmanklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een steekmast die is gestoken in de kielbalk . De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen (geleid door zalingen) en een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen blok aan de mast en die is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en zijn belegd op korvijnagels op een dwarsstang in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek heeft een scharnierende verbinding met de mast. De halstalie loopt van de giek schuin naar voren en is vastgezet op een ring aan de mastvoet. Aan de giek hangt een houten blok. De grootschoot loopt door dit blok en door beslag op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard loopt door twee ringen in het voorschip, naar achteren en is belegd op de dwarsstang in de kuip. In het grootzeil de klasse aanduiding (letter FD) en het zeilnummer H 16. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek een handgreep en het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Voor de mast een V-vormige waterlijst die tevens de voorkant van de kuip begrenst. Achter de waterlijst de mast. Daarachter de lange zwaardkast van het midzwaard. Boven de achterkant van de zwaardkast is een dwarsstang geplaatst in de kui. Daarin twee korvijnagels (voor het vastzetten van schoten en vallen). Achter de kuip het achterdek. Aan weerszijden zijn op het achterdek twee handgrepen geplaatst. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken en gangboorden zijn wit. Het houtwerk van de kuip is gelakt, evenals de helmstok. Het roer is bruin. De metalen delen (roerblad, roerkop, midzwaard en rondhouten) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de flying dutchmanklasse: lengte 6.06 meter, breedte 1.78 meter, zeiloppervlakte grootzeil 10.2 m², genua 8.4 m² en spinnaker 21 m². De romp is van polyester en de rondhouten van aluminium. De flying dutchman is in 1951 door Conrad Gülcher en Uus van Essen ontworpen. De IYRU stelde in 1949 de Tornadoklasse in als nieuwe tweemans midzwaardboot. De Tornado viel echter tegen. Zeiler Gülcher en verbondsmeter Van Essen maakten daarom een ander ontwerp: de Flying Dutchman. Dat erkende ook de IYRU: het werd een eenheidsklasse. Ook bij de Olympische spelen deed de klasse van 1960 tot 1992 mee (is toen vervangen door de 49'er). Het is een uitgesproken wedstrijdschip dat snel is en gauw planeert. De trim is niet eenvoudig. De ontwikkelingen in de zeilsport werden op de voet gevolgd: plakhout werd polyester, stagfok werd genua (1953), er werd een trapeze toegestaan. De flying dutchman met zeilnummer 16 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek een keer voor: in 1953 was de boot van J. Helder te Paterswolde (naam: Favonius). Wedstrijden voor de flying dutchman waren in 1953 en 1954, 1957-1960, 1962-1967. Het aantal deelnemers varieerde van 3 (1953) tot 17 (1963). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 28-29
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 44-45
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de twaalf-kwadraat-klasse (sharpie)
HerstellerOoms, G.
Stichwörtertwaalf-kwadraat-klasse
Objektnummer1998-290
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de twaalf-kwadraat-klasse (sharpie). Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is staat in een mastkoker en wordt gehouden door metalen stagen (twee zijstagen en één voorstag). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een ring aan de mast en is belegd op de nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op de het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door houten schootogen op de gangboorden en zijn belegd op nagels die in de kuipwanden zijn gestoken. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgemaakt aan de mast. De rechts gaffel is nogal hoog. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval, die lopen door blokken aan de mast. Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een oog aan de mast bevestigd. Aan de giek hangt een giekring met een metalen stang naar achteren. Aan de giekring hangt een blok. De grootschoot loopt door het blok aan de giek, door een blok in de kuip en is ligt opgeschoten in de kuip. De val van het midzwaard loopt door een blok op het zwaard en door twee ringen aan de mastvoet. De zwaardval is belegd op een korvijnagel die in de midscheepse dwarsbank is gestoken. In het grootzeil de klasseaanduiding (12 met streep) en het zeilnummer H100. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Zeer ranke vorm. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die bijna loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek een ring waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Voor de mast een V-vormige waterlijst. Achter de mast de kuip. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. In het midden van de kuip een dwarse bank. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het is omhoog te halen met een touw dat op de helmstok is vastgezet. Het roer heeft een dubbele, gebogen helmstok met tussenbalk (A-vorm). Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen (inclusief midzwaard en roerblad). De dekken, de gangboorden, de kuip en de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de twaalf-kwadraat-klasse: lengte 5.99 m, breedte 1.43 m, zeiloppervlakte grootzeil 8.97 m², genuafok 3.20 m². De romp en de rondhouten zijn van hout. De twaalf-kwadraat-klasse (ook wel sharpie genoemd) is in 1931 ontworpen door H. Kröger. Hij won een door het Deutscher Segler Verband uitgeschreven ontwerpwedstrijd. Meteen werd de twaalf-kwadraat in Nederland ingevoerd. In 1933 werd de klasse internationaal erkend door de IYRU. In 1970 verloor de twaalf-kwadraat deze status weer. De twaalf-kwadraat is hoog gepiekt. De naam is misleidend. Door nieuwe klassevoorschriften is een genuafok toegestaan, waardoor het zeiloppervlak boven de 12 m² uitkwam. Een trapeze mag niet gebruikt worden, maar door het relatief grote zeiloppervlak is het wel noodzakelijk dat aan hangbanden buitenboord gehangen wordt. De twaalf-kwadraat met zeilnummer 100 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1935. Eigenaar was D. van der Werf te Sneek (scheepsnaam Rampy). Voor de klasse werden wedstrijden gehouden bij de Sneekweken van 1935-1961 (behalve in 1946) en in 1975. Het aantal deelnemers was niet groot: het schommelde rond de 5 met uitschieters in 1937 (2 deelnemers) en in 1975 (17 deelnemers). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 99-99
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 42-43
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p.
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de splashklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtersplashklasse
Objektnummer1998-330
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de splashklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een ongestaagde steekmast. Aan de mast wordt één zeilgevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de mast, door ringen op het voordek en in de kuip en is belegd op de ringen in de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de giek. De giek is bevestigd aan de mast door middel van een ring om de mast. De hals van het grootzeil wordt neergehaald met een halstalie die loopt door een ring op het voordek en een ring in de kuip. Ook de giek kan neergehaald worden. Deze neerhaler is vastgemaakt aan de voet van de mast. De grootschoot loopt door twee blokken aan de giek en door een blok op touw overloop op het achterdek. De grootschoot is belegd op een ring in de kuip. De touwoverloop is gespannen tussen twee ogen op de zijkanten van het achterdek en is strak te zetten met een touw op een korvijnagel in de achterwand van de kuip. Aan het midzwaard geen zwaardval. In het grootzeil de klasse-aanduiding (eend met spattend water) en het zeilnummer 737. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant met in dwarsdoorsnede een lichte V-vorm. Scherpe voorsteven. Rechte, lage spiegel, die loodrecht op het water staat. Brede boorden. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek staat de steekmast. Aan de voet van de mast twee ringen (halstalie en grootzeilval). De kuip is aan de voorkant voorzien van een V-vormige waterlijst. Het voorste deel van de kuip is verhoogd: stuurkast en beslag voor halstalie en zeilval. Achter de kuip het achterdek met touwoverloop. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en hangt scharnierend in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is oranje. Het voordek, het achterdek, de gangboorden en de kuip zijn wit. De bovenkant van het roer en de midzwaard zijn bruin. De metalen rondhouten en het metalen roerblad zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de splash: lengte 3.55 meter, breedte 1.30 meter, zeiloppervlakte 5.5 m². In de categorie eenmansboten bestond in Nederland geen overgangsklasse voor kinderen die uit de optimist zijn gegroeid, maar die nog te onervaren waren voor de europe of de laser. Scheepsbouwer Roel Wester vroeg scheepsontwerper Ja. de Ridder in 1987 daarvoor een ontwerp te maken. Het werd de splash: een snelle en gemakkelijke boot. De splash is goed te trimmen. De splesh is een strikte eenheidsklasse voor jongeren tot 18 jaar. De klasse was zeer populair. In de tien jaar die volgden op het ontwerp zijn er meer dan duizend exemplaren van gebouwd. De klasse groeide tot een van de grootste in 1998. De splash wordt ook gevaren in Australië, Nieuw-Zeeland en Amerika. De splash met zeilnummer 737 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1995 en 1996. Jos Hiemstra uit Sneek zeilde toen in de boot. Vanaf het begin van de klasse in 1987 waren er bij de Sneekweken wedstrijden voor de splash. Het aantal deelnemers groeide explosief: 7 in 1987, 12 in 1988, 23 in 1989, 38 in 1990, 69 in 1991, 98 in 1992, 117 in 1993, 96 in 1994, 100 in 1995, 126 in 1996, 135 in 1997 en 129 in 1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-330)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 76-77
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de javelinklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterjavelinklasse
Objektnummer1998-318
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de javelinklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen (die door een zaling geleid worden). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en door een gat in het voordek en is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen. Deze zijn gestoken in gatenrails op de gangboorden. In dezelfde rails zijn ook de korvijnagels gestoken waarop de fokkeschoten zijn belegd. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en door een gat in het voordek. De grootzeilval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De giek is van metaal. De voorkant van de giek is met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee houten blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en door ringen op de kielbalk en ligt opgeschoten in de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt via een ring in de voorwand van de kuip naar achter en is daar belegd op een korvijnagel in de dwarsbank in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (cirkel met pijl naar rechtsboven) en het zeilnummer 35. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel die loodrecht op het water staat. De romp is van voren ronder dan van achter, waar de boot schuin oploopt. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Achter de mast de kuip. De voorwand van de kuip is gebogen en is aan de bovenkant voorzien van een opstaande rand (soort waterlijst). Voor de dwarsbank in de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Aan weerszijden daarvan liggen vallen en schoten opgeschoten. Het gedeelte van de kuip achter de mast wordt alleen gevult met de ringen van de grootschoot. Er is geen achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout (metaalkleurig) en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is zwart (boven en onder water). Het voordek en de kuip zijn wit. De metalen delen (roer, midzwaard en rondhouten) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de javelinklasse: lengte 5.37 m, breedte 1.69 m, zeiloppervlak grootzeil 10.9 m², fok 4.8 m², spinnaker 17.5 m². De romp is van polyester en de rondhouten van aluminium. De Javelin is in 1965 ontworpen in Groot-Brittannië door Peter Milne. Het prototype was er in 1965, vervolgens werd het stil. Pas in 1968 verscheen een eerste versie op het water. In Nederland sloeg de klasse niet erg aan. In 1976 werd de klasse door het KNWV toegelaten. De javelin is een snelle wedstrijboot. De rompvorm maakt dat het schip snel planeert. De romp is door de dubbele bodem goed stijf. Het type is ontworpen als wedstrijdboot: snelle romp, trapeze, spinnaker, trimmogelijkheden. De javelin met zeilnummer 35 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Alleen bij de Sneekweek van 1981 waren er wedstrijden voor de Javelin. Er waren toen 12 deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 38-39
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van een olympiajol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast, die staat in een klos aan het achtereind van het voordek. De mast wordt gehouden door nylon stagen: een voorstag en twee zijstagen. De stagen zijn niet vastgezet op beslag maar verdwijnen door gaten in het voordek en de gangboorden. Voor het buigen van de mast is een stag over een uithouder geplaatst aan de voorkant van de mast. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is met twee ringen verbonden aan de mast. Aan de mast hangt een tweeschijfs blok. De grootschoot loopt door dit blok en door twee ringen op de kuipvloer. De zwaardval van het midzwaard loopt door een blok aan de bovenkant van het midzwaard en twee ringen in het voorschip en ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse aanduiding (letter O) en het zeilnummer 46. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Langs de rand van de kuip een opstaande rand. In de kuip is in het midden de zwaardkast van het midzwaard geplaatst. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Aan de onderkant van het roer een draaibaar, metalen roerblad. Dat wordt bediend met een touw dat loopt over de rug van het roer en dat is vastgezet op de dwarsbalk in het helmhout. Het helmhout is A-vormig: twee stokken met daartussen een dwarsbalk. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn gelakt, evenals de mast en de blokken. Het roer is bruin. De metalen delen (midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de olympiajollen: lengte 5.00 meter, breedte 1.66 meter, zeiloppervlakte 10.5 m². De olympiajol werd ontworpen voor de Olympische Spelen van 1936. De Duitse zeilbond schreef een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een eenmans-wedstrijdboot. De inzendingen werden vervolgens gebouwd en getest. er werd toen gekozen voor het ontwerp van H. Stauch uit Berlijn. Zijn ontwerp bestond uit een karveel gebouwde middenzwaardboot. De boot werd breed gehouden om de invloed van het lichaamsgewicht van de zeiler - een factor van beland voor het rechtop houden van de boot - niet te groot te doen zijn. De jol is voorzien van een gestaagd toren-cattuig. Twee jaar na de Olympische Spelen in Berlijn werd in 1938 de olympiajol door de I.Y.R.A. erkend als internationale klasse. Door concurrentie van de Finnjol (sinds 1952) verloor de olympiajol aan populariteit. Het leidde er toe dat de Olympiajol in 1970 haar internationale erkenning weer verloor. De klasseorganisatie had nu weer het heft in handen en besloot tot modernisatie: rompen van polyester, metalen rondhouten. Sinds 1990 groeit de klasse weer gestaag. Het zeilteken is een O, gevolgd door een landenletter (Nederland: H) en een volgnummer. De olympiajol werd populair in Duitsland, Nederland en Zwitserland. De olympiajol met zeilnummer 46 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1937-1948. De scheepsnaam bleef Fram. Eigenaars: 1937-1941 Corrie van Gool uit Hommerts, 1942 M. van Dijk uit Hommerts, 1945-1948 P. Vlaskamp uit Sneek. Wedstrijden voor de olympiajollen waren er in de Sneekweken van 1937-1963, 1967, 1968, 1975, 1985-1987 en 1989-1998. Het aantal deelnemers was gemiddeld per jaar 15. Maar het aantal wisselde sterk. Rond 1939 was het een populaire klasse. Na 1955 nam het aantal deelnemers af, zelfs zodanig dat er soms geen wedstrijden meer werden gehouden voor deze klasse. Vanaf 1990 zit de klasse weer in de lift. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 52-53
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 40-41
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 19-20
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de efsixklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterefsixklasse
Objektnummer1998-326
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de efsixklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door het voordek. De mast wordt gehouden door een voorstag en door twee metalen zijstagen (waarvan de langste wordt geleid door een zaling). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een fok. De fok wordt gehesen door de fokkeval die loopt door een blok in de mast en die is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet aan het beslag op het voordek waaraan ook de voorstag is bevestigd. Aan de schoothoek van de fok een blok waardoor de fokkeschoten lopen. Met het vaste eind zijn de fokkeschoten vastgemaakt aan een ring op het gangboord. De halende einden van de kkeschoten lopen door het blok aan de fok en door schootogen in gatenrails op de gangboorden. De fokkeschoten zijn belegd op nagels die zijn gestoken in de gatenrails op de gangboorden. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de mast en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een houten blok op de kuipvloer. In het grootzeil de klasse-aanduiding (liggende lijn met schuine dwarsstreep) en het zeilnummer 2004. Op de top van de mast een rode windvaan. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De twee metalen blokken aan de giek zijn wel voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe, schuine voorsteven. Rechte spiegel, die schuin naar voren op de spiegel staat. De boot is uitgerust met een balastkiel, die aan een geleider omhoog kan worden getrokken. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals is bevestigd. Daarachter een handfreep. Het voordek is bol. De kuip is ruim. In het voorste deel van de kuip is de bovenkant van de balastkiel te zien. Deze kiel kan langs een schuine geleider (onder het voordek) omhoog gehaald worden (de takelage en de lier daarvoor zijn niet aanwezig). Achter de kuip een achterdek. Daarop twee handgrepen. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roe is van metaal en hangt scharnierend in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is groen (boven en onder water) met een zwarte bies langs de dekrand. De dekken, gangboorden en de kuip zijn wit. De kiel en het bovenste deel van het roer zijn bruin. De metalen delen (roerblad en rondhouten) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de efsix: lengte 6.00 m, breedte 2.00 m, zeiloppervlak grootzeil 12 m², fok 6.8 m², spinnaker 22.3 m². De romp wordt van polyester gemaakt en de rondhouten van aluminium. De efsixklasse is in 1975 ontworpen door E.G. van de Stadt. Het is een strikte eenheidsklasse (eenheidsbeslag, één zeilmaker). Opvallend is het verhoogde voordek. De kuip is ruim, mede door het ontbreken van een midzwaard. De efsix is uitgerust met een balastkiel van 150 kilo, die met een liertje omhoog kan worden gehaald (voor vervoer bijvoorbeeld). Bij wedstrijden is een trapeze toegestaan. Jarenlang kwam de klasse niet verder dan de status van toegelaten klasse. In 1991 kreeg de klasse een nieuwe impuls doordat een nieuwe werf het schip ging maken en er verbeteringen werden aangebracht. In 1995 is de efsix erkend als nationale klasse. De efsix met zeilnummer 2004 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1993, 1995 en 1996. Eigenaar was W. Brandsma te Grijpskerk. Wedstrijd voor de efsixklasse waren er bij de Sneekweken van 1975-1981, 1991-1993 en 1995-1998. Het aantal deelnemers was gemiddeld per jaar 13. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 18-19
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de sternklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtersternklasse
Objektnummer1998-305
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de sternklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast (metaal). De mast is gestaagd met een voorstag en twee zijstagen (metaaldraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een stagfok en een grootzeil (torentuig). De fokkeval loopt door een blok aan de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de boorden naar achter en zijn niet belegd. Het voorlijk van de fok is niet bevestigd aan de voorstag. Het grootzeil heeft de vorm van een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een sleuf in de mast en het onderlijk is op dezelfde wijze bevestigd aan de giek. De grootzeilval loopt door een gat in de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De halstalie loopt door een blok aan de giek naar een ring aan de voet van de mast en is daarop ook belegd. De grootschoot loopt door twee blokken aan de giek en een overloop op de spiegel. De grootschoot is belegd op een metalen blok op de bodem van de boot. In het zeil het zeilnummer 167. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Op de top van de mast een metalen pin met daaraan een rode windvaan. De romp. Rondspantromp met enigszins wegvallende boeg. Scherpe voorsteven. Licht gebogen spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Bol voordek met gebogen waterlijst voor de mast. Steekmast met daaraan enkele klampen voor de vallen. Achter de mast de kast van het midzwaard. Het midzwaard wordt met midzwaardvallen omphoog getrokken. Deze vallen lopen door ogen die onder het voordek zijn bevestigd en worden belegd op de achterkant van de zwaardkast. In het achterschip twee vaste luchtkasten. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een houten helmstok, dat onder de overloop van het grootzeil door loopt. In de spiegel twee rode vlakken: zelflozers. Kleuren: De romp is wit, zowel onder water als boven water. Oop de binnenkant van de boot is wit. De metalen mast en giek zijn ongeverfd. Het roer is bruin, het onderste roerblad is ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe sternklasse en de flying junior zijn beide in de jaren vijftig ontstaan. Er is altijd enige rivaliteit geweest tussen aanhangers van beide klassen. Het Watersportverbond benaderde in 1955 E.G. van de Stadt voor het ontwerp van de stern. Het was de bedoeling de leemte tussen de jeugdklasse en de vijheidsklasse op te vullen. Volgens de klassevoorschriften kon de stern zowel van gevormd plakthout als van polyester gebouwd worden. Er zijn in het begin een tiental houten schepen gebouwd, maar de meeste zijn toch van polyester. Vanaf het begin is de stern uitgerust met spinnaker en trapeze. Opvallend aan de tuigage is het grote grootzeil. Junior Club opgericht om Afmetingen: lengte 4.25 m., breedte 1.55 m., diepgang 0.95 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 11.2 m2. De stern met zeilnummer zeilnummer 167 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek voor van 1959 tot 1968. Deelnemers waren verschillende leden van de familie Niermeijer uit Sneek. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 36-37.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998) pp. 80-81.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de klasse tempo scow.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtertempo scow
Objektnummer1998-317
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een tempo scow. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast staat in een balk op de kuipvloer. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen. Aan de zijkanten van de mast is bovendien een diamantverstaging aangebracht: stagen die lopen door zalingen en die niet zijn vastgezet aan de romp maar terug lopen naar de mast. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan top van de mast en die is belegd op een metalen klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waaraan ook de voorstag is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. Aan de voorkant is de giek met een beugel aan de mast bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loopt door een metalen blok en een ring aan de giek en door een houten blok op een overloop in de kuip. De grootschoot ligt opgeschoten in de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt via twee ringen in de voorwand van de kuip en is vastgezet in het achterschip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter T) en het zeilnummer 575. Op de top van de mast een witte windvaan. De twee houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Het metalen schootblok heeft wel een lopende schijf. De romp. In dwarsdoorsnede een V-vorm. De romp heeft een geringe hoogte en is zeer plat. Van boven gezien is de voorsteven rond. De spiegel is plat en staat loodrecht op het water. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Over het voordek loopt een balk die aan de achterkant overgaat in een V-vormige waterlijst. Op de balk het beslag van voorstag en fokkehals en een bolder. De mast staat in de voorkant van de kuip. Achter de mast de zwaardkast van het midzwaard. Over de voorkant en de achterkant van de zwaardkast lopen dwarsplank. Op de achterste dwarsplank is de overloop van de grootschoot bevestigd. De achterwand van de kuip is rond van vorm. Achter de kuip een achterdek. De gangboorden (of zijdekken) zijn breed. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en is scharnierend opgehangen aan het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is oranje (ook onder water). De dekken en gangboorden zijn ook oranje. De balken op voor- en achterdek en de waterlijst zijn wit. Ook de kuip is wi. Het bovenste deel van het roer is bruin. De metalen delen (rondhouten, midzwaard, roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de tempo scow: lengte 4.72 m, breedte 1.52 m., zeiloppervlakte grootzeil 8.5 m², zeiloppervlakte fok 3 m², zeiloppervlak genua 3.9 m², zeiloppervlak spinnaker 13 m². De romp was oorspronkelijk van hechthout en later alleen nog van polyester. De rondhouten waren vroeger van hout en later van aluminium. De tempo scow (ook wel scow tempo) is in 1964 ontworpen in Zuid Afrika door Jack Köper. Scow betekent platte boot. De boot heeft een hydrodynamisch vorm, die het best tot zijn recht komt als de boot schuin wordt gezeild. De brede gangboorden voorkomen dat er veel water in de kuip komt. Het ontwerp is gericht op zelfbouw met hechthout. Tegenwoordige worden de tempo scow's van polyester gemaakt, maar nog steeds niet op jachtwerven maar door middel van mallen die gehuurd worden van de klasse-organisatie. In 1964 werd in Nederland de eerste tempo scow gebouwd en het ontwerp sloeg meteen aan. In hetzelfde jaar werd meteen een klasseorganisatie opgericht. In 1970 werd het een nationale klasse. De tempo scow met zeilnummer 575 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de tempo scow waren er bij de Sneekweken van 1968 (14 deelnemers) en 1969 (12 deelnemers). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 66-67
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de ynglingsklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterynglings
Objektnummer1998-320
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de ynglingklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast staat op de bodem van het schip en is gestoken door de vaste buiskap. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag, vier zijstagen (twee aan elke kant, waarvan de langste door een zaling wordt geleid) en een achterstag. De achterstag is voorzien van een houten blok en is met een touw te trimmen aan een ring op het achterdek. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast, door een gat in de buiskap en is belegd op een ring aan bakboordzijde van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door in gatenrails verplaatsbare schootogen op de gangboorden en zijn belegd op korvijnagels in de zijwanden van de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast, door een gat in de buiskap en is belegd op een ring aan stuurboordzijde van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een metalen blok op een overloop op het achterdek. De grootschoot ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter Y) en het zeilnummer 176. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout of metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant (lichte S-vorm). Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel (van boven gezien), die schuin naar voren op het water staat. De boot is uitgerust met een vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd en een handgreep. De achterkant van het voordek is opbollend: een vaste buiskap. De mast is door de buiskap gestoken. De kuip is open. Aan de achterkant van de kuip een dwarsbank. Het achterdek is tamelijk groot. De roerspil steekt door het achterdek. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is rood. De kiel en het roerblad zijn bruin. De dekken en gangboorden zijn wit. De kuip is grijs. De achterbank, de helmstok en de houten blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de Yngling: lengte 6.35 m, breedte 1.73 m, zeiloppervlak grootzeil 8.9 m², fok 5.1 m², spinnaker 22 m² De Yngling is in 1967 ontworpen door de noor Jan Linge. Het is de kleinere uitvoering van de Soling (ook een ontwerp van Jan Linge). In de jaren zeventig (van de twintigste eeuw) maakte de klasse in Europa en ook in Nederland een tontstuimige groei door. In 1998 waren er in Nederland circa 300 Ynglings. Sinds 1972 zijn er wereldkampioenschappen in deze klasse. In 1979 werd de Yngling een internationale klasse. De Yngling is onzienkbaar, stabiel en degelijk gebouwd. De bemanning bestaat bij de meeste wedstrijden uit drie personen. De Yngling met zeilnummer 176 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1979-1998. De scheepsnaam was Dictator. In 1979 was de boot van H. Veldhuis te Oudega (W) die in 1981 weer meedeed (woonplaats Bilthoven. In 1988 werd de boot bestuurd door D. Veldhuis uit Bilthoven. In 1922 deed D. Nauta te Uitwellingerga mee in de Yngling 176 en in de periode 1996-1998 was F. van 't Oever te Nijmegen de eigenaar. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 96-97
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Simoun-485-klasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtersimoun-485-klasse
Objektnummer1998-321
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de Simoun-485-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast staat op de bodem van het schip en wordt gehouden door twee metalen zijstagen (geleid door zalingen) en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen (gestoken in gatenrails op de gangboorden) en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de metalen giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee houten blokken aan de giek en door een ring op een overloop, en is belegd op een nagel die in deze overloop is gestoken. De val van het midzwaard loopt via twee ogen in de voorkant van de kuip naar achteren en is belegd op de overloop van de grootschoot. In het grootzeil de klasse aanduiding (letter S met pijl en de lengte aanduiding 4.85) en het zeilnummer H33. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Licht gebogen, zelflozende spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Het voordek loopt naar achteren omhoog en fungeert zo als buiskap. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Achter het voordek de kuip. De voorwand van de kuip is gebogen. De mast staat los van deze voorwand. Achter de mast een sleuf in de kuipvloer, waardoor het midzwaard omhoog steekt. Voor het midzwaard is geen zwaardkast. De vloer in het voorste deel van de kuip is geheel hoger dan de vloer in het achterste deel van de kuip. Achter de midzwaardgleuf de overloop van de grootschoot. Het is een stang die dwarsscheeps geplaatst is tussen de boorden. In het achterste (lage) deel van de kuip een langsscheepse balk. In de spiegel twee zelflozers. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een houten helmstok, die aan de voorkant is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (ook het onderwaterschip). Het voordek is blauw. De gangboorden en de kuip zijn wit. Het roer is bruin en metaalkleurig. De metalen delen (rondhouten, midwaard, roerblad en overloop) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de Simoun-485-klasse: lengte 4.85 m, breedte 1.77 m., zeiloopervlak grootzeil 9.8 m², fok 4.3 m², spinnaker 17 m². De romp is van polyester en de rondhouten zijn van metaal. De Simoun-485 is in 1968 ontworpen door de fransman S.A. Gouteron. In de jaren 70 zijn er duizenden van gebouwd, maar daarna zakte de markt in en ging de werf failliet. Twee mallen kwamen terecht in Nederland en Zwitserland. Daar is de klasse nog steeds actief. Het is een echter wedstrijdboot: trapeze, spinnaker, planerende romp, afgeronde boorden, uitgebreide trimmogelijkheden. De Simoun-485 is in Nederland nooit in spectaculaire aantallen op het water verschenen. De Simoun-485 met zeilnummer 33 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de Simoun-485-klasse waren er bij de Sneekweken van 1977-1933 en in 1991. Gemiddeld verschenen er 11 deelnemers aan de start. In Sneek waren het Theo Wams en B. Onstwedder die in deze klasse voeren. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 68-69
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de soloklasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtersoloklasse
Objektnummer1998-307
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de soloklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is gestoken in een gleuf in de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast, door een ring aan de voet van de mast en is belegd op de nagelbank in het midden van de kuip. De giek is van hout. De giek is met en ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee metalen blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en is belegd op de nagelbank in het midden van de kuip. In het achterlijk van het zeil zijn zeillatten gestoken die doorlopen tot het voorlijk. De zwaardval van het midwaard loopt door twee ringen in de voorwand van de kuip en is vastgezet op de midscheepse nagelbank. In het grootzeil de klasseaanduiding (gehoekte S-vorm) en het zeilnummer 507. De blokken zijn van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. In de top van de mast een zwarte windvaan. De romp. Dubbele knikspant. Stompe voorsteven. Rechte spiegel die schuin naar voren hellend op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven de ring van de voorstag. Voor de mast loopt over het voordek een V-vormige waterlijst. Achter de mast de kuip. In het midden van de kuip een lage zwaardkast voor het midzwaard. Daarboven een dwarsbalk, waarin drie korvijnagels zijn gestoken. De zeilval, de zwaardval en de grootschoot zijn hier op belegd. In het achterste deel van de zwartkast twee zelflozers. De boot heeft geen achterdek. In de spiegel twee gaten (lozers) en een sleuf waardoor de helmstok de boot in steekt. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is groen: boven water, onder water, dek en gangboorden. De kuip is wit, evenals de waterlijst. De bovenkant van het roer is bruin. De onderkant van het roer is metaalkleurig. Ook de andere metalen delen (midzwaard en helmstok) zijn ongeverfd. De rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de soloklasse: lengte 3.78 m, breedte 1.50 m, zeiloppervlak grootzeil 8.4 m². De romp is van hechthout (later soms van polyester). De rondhouten zijn metaal. De Solo is in 1957 ontworpen door de engelsman Jack Holt. In opdracht van het blad Yachting World ontwierp hij de solo. De romp heeft een dubbele knikspant. In de zijden zijn vast luchtkasten gebouwd. In zijn soort past de solo tussen de olympiajol en de finnjol. De knikspantconstructie maakt de solo echter veel goedkoper dan de andere twee. In 1962 werden de eerste solo's tot wedstrijden toegelaten. In 1965 werd de klasse erkend door het KNWV. De meeste solo's varen in Noord- en Zuid-Holland. Soms organiseert de klasseorganisatie ook wedstrijden in andere gebieden. De solo met zeilnummer 507 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1988. Eigenaar was H. Gorter uit Wormerveer. Wedstrijden voor de soloklasse waren er in 1964-1968 en in 1988. Het aantal deelnemers schommelde rond de 15. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 36-37
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.). pp. 58-59
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de B.M. klasse.
HerstellerOoms, G.
StichwörterB.M. klasse
Objektnummer1998-287
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de B.M. klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker in de voorkant van de kuip en is gestaagd met twee zijstagen en één voorstag (metaaldraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast en die is belegd op een ring aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Het grootzeil is op het model niet uitgerust met een zeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een metalen giekgaffel tegen de mast bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangt een giekring, die met een lijn naar voren en naar achteren gehaald kan worden. De grootschoot loopt door een blok aan de giekring en door een blok op de overloop op het achterdek. De grootschoot is belegd op een ring in de kuip. In het zeil het nummer 5. De vallen van het midzwaard zijn vastgezet aan ringen in de mastvoet. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Op het voordek een bolder. Voor de mast een V-vormige waterlijst, die in een granaatvorm doorloopt naar de achterkant van de kuip. Aan de mastvoet zijn ringen gemaakt waaraan vallen zijn belegd. Achter de mast de open kuip. In de kuip zijn langs de gangboorden zitbanken gemaakt. Op het achterdek de overloop van de grootschoot en twee bolders. Het roer hangt aan de spiegel en is voorzien van een houten helmstok. Kleuren: De romp is blauw-groen en het onderwaterschip is zwart. De dekken en gangboorden zijn cremekleurig met gelakte stootranden. Het houtwerk in de kuip is gelakt. Ook de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de klasse: lengte 4.75 meter, breedte 1.50 meter, zeiloppervlak 11.80 m². De B.M. (Bergumermeer) werd ontworpen door Hendrik Bulthuis (Burgum 1892-1948), kapper te Burgum. Hij ontwikkelde in 1928 een bouwmethode die de democratisering van de zeilsport in Nederland inluidde. De B.M.jachten, die volgens deze methode zijn ontworpen, konden door amateurs op goedkope wijze worden gemaakt. De jachten werden gebouwd met smallen latten, die eenvoudig gebogen konden worden. Al in de 19de eeuw werd in de V.S. de lattenbouw toegepast. Het nieuwe van het ontwerp van Bulthuis was dat hij de latten rond de mallen boog en de mallen liet zitten. Anderen verwijderden de mallen en plaatsten dan spanten. Ook nieuw was dat hij de latten met de ruwe zaagkanten met een grote hoeveelheid nagels aan elkaar spijkerde: het maakt de boot waterdicht en zorgde voor een goede stijdheid. In de jaren dertig maakte de klasse een grote vlucht. Er werden veel van gebouwd. eerst erkende de NNWB het model als klasse, in 1931 gevolgd door het KNWV. Na de Tweede Wereldoorlog nam de belangstelling voor de klasse af. In 1961 hief het KNWV de klasse op. Alleen in het noorden werden nog wedstrijd voor de B.M.klasse gehouden. De door Bulthuis ontworpen zestien-kwadraat-klasse zou echter populair blijven. De B.M. met zeilnummer 5 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in de jaren 1940-1942. Eigenaar was toen H. Miedema uit Stiens (scheepsnaam Puck). Daarvoor kwam de zeilboot wel voor in de naamlijsten van andere zeilwedstrijden: 1929 B. van Dam te Burgum (scheesnaam Henk), 1931 O. Bijlsma te Earnewâld (scheepsnaam Swealtsje), 1931 Chr. van der Zee te Sneek (scheepsnaam Pirate), 1933-1934 K.F. Bergsma te Tersoal (scheepsnaam Sylnocht), 1939 T. Lameris te Grou (scheepsnaam Puck). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 60.
- J.K. Kuipers, 'Hendrik Bulthuis' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1992, pp. 34-36.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van een twaalf-voets-jol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast. De mast is gestaagd met twee zijstagen (metaaldraad). Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een zogenaamd 'basterd' loggertuig. Het grootzeil is met lussen vastgemaakt aan een lange rechte gaffel. De piekeval van de gaffel loopt door een schijf in de top van de mast, via een oog aan de voet van de mast en is belegd in het achterschip. De piekeval is dusdanig strak aangetrokken dat het midden van de gaffel de mast bijna raakt. Het onderste deel van de gaffel hangt los van de mast en wordt naar achteren gehouden door een lijn die is vastgezet op het achtereind van de giek. De giek heeft aan de voorkant een gaffelklauw. Het onderlijk van het grootzeil is met lussen vastgezet aan de giek. De grootschoot is vastgezet op het achtereind van de giek, loopt via een overloop op de spiegel terug naar de giek (door twee ringen) en is belegd in het achterschip. In het zeil het zeilnummer 154. Op de top van de mast een metalen pen met daaraan een witte windvaan. Het model heeft geen blokken. De romp. Rondspant. Overnaads gebouwd (aan het model niet te zien). Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Direct achter de voorsteven een blok waarin de mast is gestoken. Achter de mast een dwarsbank. Daarachter de kast van het midzwaard. Het midzwaard wordt met zwaardvallen opgetrokken, die lopen via ogen in het voorschip en zijn belegd op de tweede dwarsbank (achter de zwaardkast). Achter de tweede dwarsbank een zij- en achterbank (met luchtkussens). In het midden van het achterschip een ring waarop de piekeval en de grootschoot zijn belegd. Op de spiegel een metalen overloop voor de grootschoot. Het roer hangt in twee ringen aan de spiegel. Het helmhout is van hout. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip (ook het onderwaterdeel van het roer) is groen. Van binnen is de boot gelakt. Ook de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe twaalf-voets-jol (ook wel Dinghy genaamd) werd door de K.V.N.W.V. in 1914 als internationale klasse ingesteld, maar pas in 1919 vond de feitelijke erkenning plaats. De ontwerper was de Engelsman George Cockshott. Hij beoogde met zijn ontwerp een eenheidsbijboot voor grotere jachten te maken. In Nederland, België, Duitsland en Italië maakte de klasse opgang, maar na de Tweede Wereldoorlog werd er met twaalf-voets-jollen nog slechts in Nederland gezeild. In 1964 verloor het type de internationale status. Inmiddels is het tij gekeerd. Oude boten zijn gerestaureerd en er wordt weer volop mee gevaren. Afmetingen: lengte 3.66 m., breedte 1.40 m., diepgang 0.92 m., zeiloppervlak (grootzeil) 9.3 m2. De twaalf-voets-jol met zeilnummer 154 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek onafgebroken voor van 1922 tot 1952. Als eigenaar werd genoemd K. of C. Edel uit Sneek (m.u.v. de jaren 1930 en 1931 toen de St. H. Stam als eigenaar werd aangemerkt). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 34-35
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 100-101 - Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschreibungScheepsmodel van een lark. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast, die is geplaatst in een mastkoker op het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: twee zijstagen en een voorstag (die door een uithouder aan de voorkant van de mast wordt geleid). Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een gaffelzeil. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. Het zeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). De vallen zijn belegd op ringen aan de voet van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. Aan de voorkant van de giek een omhoogwijzende zwanehals die is gestoken in een ring aan de mast. De giek blijft op zijn plaats door het zeil goed omhoog te trekken. De grootschoot loopt door twee houten blokken aan de giek en een houten blok op de overloop (op het achterdek). De grootschoot is vastgezet op een haak op de bodem van de kuip. In het achterlijk van het grootzeil zijn tien zeillatten gestoken die doorlopen tot aan het voorlijk: een zogenaamde katterug of vleermuiszeil. In het zeil de klasse-aanduiding (letter L) en het zeilnummer 8. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De romp. De voorsteven van de lark is rond. De voorsteven staat niet verticaal op de kielbalk maar horizontaal: van boven gezien een T-vorm. Het vlak is plat en loopt naar voren toe omhoog. In doorsnede heeft de larkt een knikspantmodel. Het model is voorzien van een vaste kiel met aangehangen roer. De spiegel is plat en verticaal. Het model is (op de kuip na) geheel bedekt. Het model van voor naar achter. Aan de voorkant van het voordek een ring waaraan de voorstag is bevestigd. Voor de kuip is op het voordek de mastkoker geplaatst. De kuip is granaatvormig. Onder de gangboorden zijn kastjes gemaakt. In het midden van de kuip de haak waaraan de grootschoot is bevestigd. De roerspil steekt door het achterdek. Het roer hangt aan de kiel. De helmstok is van hout. Op het achterdek de overloop van de grootschoot. Kleuren: De boorden zijn rood. Het vlak is zwart. De dekken en gangboorden zijn wit. De wanden van de kuip zijn gelakt en de bodem van de kuip is grijs. De rondhouten en blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationDe lark hoorde tot een beperkte klasse met een aantal regels betreffende de afmetingen: lengte ten hoogste 4 meter, zeiloppervlakte ten hoogste 11 m². De eerste lark voer waarschijnlijk te Loosdrecht. Jachtwerf Beekhuis aldaar bouwde larken, maar was niet de ontwerper ervan. Het ontwerp is waarschijnlijk rond 1905 in Amerika gemaakt. A. van Gool uit Hommerts was de eerste die de lark in Friesland introduceerde. In 1927 deden er voor het eerst larken mee aan de Sneekweek. Het werd een populaire klasse van de NNWB. Het was een bepekte klasse: lengte ten hoogste 4 meter, cattuig van ten hoogste 11 m², etc. Na de Tweede Wereldoorlog is de klasse nooit meer zo populair geweest als daarvoor. Een lark is een boot waarbij de kielbalk niet overgaat in een verticale voorsteven, maar in een horizontale. Van boven gezien vormen de kielbalk en de voorsteven een T-vorm. Een lark is behoudens de kuipopening geheel bedekt. Het cattuig van de lark kenmerkt zich door een kleine mast met een hoge giek. Aanvankelijk waren de zeilen voorzien van een recht achterlijk. Romke de Vries uit Leeuwarden ontwierp voor de Lark 51 van G. de Boer een zeil met kattenrug en met 7 tot 11 doorlopende zeillatten (vleermuistuig).
De lark met zeilnummer 8 heeft vele eigenaars gekend. In de naamlijsten van de Hardzeildagen en Sneekweken komt de zeilboot voor het eerst voor in 1927. Eigenaar was P. Boomsma te Sneek. In 1929 was de eigenaar U. Zijlstra te Uitwellingerga (scheepsnaam Sjors), in 1932 en 1933 was de eigenaar H. Kampman uit Sneek (scheepsnaam Lytse Griene), in 1942 was K.A. Kingma uit Dokkum de eigenaar (scheepsnaam Granaat), in 1946 P.E. van der Wenden te Enschede (scheepsnaam In the Mood) en in 1951 W. Wibbelink te Deventer (scheepsnaam Nereus).
Voor de lark werden vele jaren achtereen wedstrijden georganiseerd tijdens de Hardzeildagen en Sneekweken. Van 1927 tot 1965 waren er (met uitzondering van de oorlogsjaren 1942-1945) elk jaar wedstrijden voor de lark., Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De Lark' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 43-48.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 32
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtertweeëntwintig-kwadraat-klasse
Objektnummer1998-292
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker. De mast wordt gehouden door stagen van metaaldraad: een voorstag en aan elke kant twee zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de top van de mast en die is belegd op de mastkoker. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen los in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast. De gaffel van het grootzeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een ring bevestigd aan de mastbeugel. De halstalie is vastgezet op een ring aan de mastvoet. Aan de giek hangen twee giekringen die met een touw te verschuiven zijn. Aan de giekringen hangen twee blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken, door een blok aan het achtereind van de giek en door een blok op de overloop (op het achterdek). De grootschoot is vastgezet op een ring op de bodem van de kuip. In het zeil de klasseaanduiding (open driehoek met gebogen basis) en eronder het zeilnummer 7. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die achterover hangend op het water staat. Vaste kiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op het voordek een gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter een bolder. Voor de mast een V-vormige waterlijst die doorloopt langs de randen van de kuip. Achter de V-vorm (nog op het voordek) de mastkoker. Aan de voet van de mast een angelbank. Daarachter begint de kuip. Aan de zijwanden en aan de achterwand van de kuip zijn zitplanken bevestigd. Achter de kuip het achterdek. De roerspil steekt door het achterdek. De gebogen helmstok is van hout. Achter het roer een korte overloop voor de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken en gangboorden zijn lichtblauw. Het houtwerk in de kuip is gelakt. Ook de rondhouten en blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de tweeëntwintig-kwadraat-klasse: lengte 7 meter, breedte 1.90 meter, zeiloppervlakte grootzeil 17.6 m², fok 6.8 m², genua 9.7 m², spinnaker 20.9 m². De romp en de rondhouten worden van hout gemaakt.
In 1935 was de N.N.W.B. van oordeel dat er ruimte was voor een nieuwe klasse van halfgedekte kieljachten, die in grootte zouden liggen tussen de zestien-kwadraat-klasse en de dertig-kwadraat-klasse. De bond schreef daarom een prijsvraag uit. Die werd gewonnen door ir. Sj. Veeman. Het werd de tweeëtwintig-kwadraat-klasse, die nog datzelfd jaar (1935) door de N.N.W.B. werd ingesteld. Het naar het ontwerp gebouwde jacht werd getoond op de nijverheidstentoonstelling HAWATSO te Sneek. Het jacht wer uitgevoerd in latten, zodat ook amateurs het konden bouwen. Maar omdat de mallen vervangen dienden te wodren door spanten was het niet echt geschikt voor amateurbouw. De spantvorm is geschikt voor de Friese wateren: U-vormig met sterke kimbocht, wat veel stabiliteit geeft, zodat de ballast gering kan blijven. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er veel schepen in deze klasse gebouw (P. Olij te Sneek bouwde er zo'n 15). Na de oorlog was er echter nog maar weinig animo voor de klasse. Commissaris der Koningin Van Linthorst Homan was enthousiast 22 m²-zeiler en blies de klasse in 1957 nieuw leven in. Er kwamen enkele moderniseringen: een zwaardere kiel en daardoor de mogelijkheid meer zeil te voeren (van 22 m² naar 26.8 m²) en toestemming voor het voeren van een spinnaker. Aan het einde van de jaren zeventig was er wederom weinig belangstelling. In 1980 waren er bij de Sneekweek zelfs geen wedstrijden voor de 22m². In 1983 is de klasseorganisatie opgericht die wedstrijden ging organiseren. Zo kwam er wederom nieuw leven voor de klasse en ook de erkenning als nationale klasse door het KNWV. Dat had zolang geduurd omdat de 22m² veel concurrentie ondervond van de pampus en de 30m².
De tweeëntwintig-kwadraat met zeilnummer 7 (naam: Hoants) komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in de jaren 1936-1940, 1942 en 1947 als eigendom van E.W. de Jong te Akkrum en in de jaren 1983 en 1984 als eigendoom van A. Pietersma te Heerenveen. Wedstrijden voor de tweeëntwintig kwadraat waren er bij de Sneekweken van 1935 tot heden (1998) met uitzondering van he tjaar 1980. Er waren gemiddeld 12 deelnemers per jaar.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 104-105
- H. Boersma 'De Geschiedenis van de 22m² klasse in een notedop' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 73-74.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 86.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van de tjotter Vrouwe Anna Beatrijs.
HerstellerOoms, G.
Stichwörtertjotters
Objektnummer1998-281
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van de tjotter Vrouwe Anna Beatrijs. Op spanten gebouwd. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage: De tjotter heeft één mast. De mast staat in een mastkoker (aan de messelbank). Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken en die is belegd op een nagel in het voorschip. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de fok hangt los van de voorstag. De fok wordt gehesen met eem fokkehals doe loopt door een blok aan de mast en die is belegd op een krovijnagel in de messelbank. De hals van de fok is met een haak vastgezet in een ring op de botteloef. De fokkeschoten lopen door schootogen op de messelbank en liggen opgeschoten in het achterschip. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel met een houten klauw. De gaffel wordt gehesen met een klauwval (aan de gaffelbek) en een piekeval (aan de top van de gaffel). De klauwval loot door een blok aan de gaffel en een blok aan de mast en is belegd op een korvijnagel in de messelbank. De piekeval loopt door een blok aan de mast en een blok op de ronding van de gaffel en is belegd op een korvjinagel in de messelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De halstalie is belegd op een korvijnagel in de messelbank. Het ondereind van het achterlijk is vastgehaakt aan de giek. De giek rust aan de voorkant met een zwanehals in een lummelpot aan de mast. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. De kraanlijn loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een korvijnagel in de messelbank. De grootschoot loopt door twee dubbelschijfs blokken. Het bovenste daarvan hangt aan een beugel om de giek. Het onderste blok is vastgezet op de bodem van het schip. In het grootzeil het zeilnummer (11 met eronder een streep). Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is de botteloef bevestigd. Op de boeisels zijn aan de voorkant gillings aangebracht. Er is geen stootrand op de bovenste huidgang (als een soort berghout). Tussen de boeisels is een bedelbalk. Deze is aan de bovenkant bedekt met koperplaat. De achterkant van de bedelbalk is met versierd met geschilderde bladertakken (goud op wit). Aan de binnenkant van het schip zijn de spanten te zien. Het hele schip is open. Op de bodem van het schip zijn buikdenningen aangebracht (voor en achter de mast). In het midden van de messelbank de mastkoker. In de messelbank zijn korvijnagels gestoken waaraan de vallen en de kraanlijn zijn belegd. Ter hoogte van de messelbank zijn de zwaarden opgehangen. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en bedekpt met koperplaat. De vallen van de zwaarden lopen door gaten in de boeisels naar binnen en zijn belegd op korvijnagels in de achterbank. Achter de messelbank zijn tegen de boorden kistbanken gemaakt. Tegen de achterwand is ook een kistbank. Daarboven de hennebalk die is versierd met (geschilderde) bladertakken (goud op wit). Het achterschip heeft een achterhuis. Het roer hangt aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met een (geschilderde) papegaai. Over de kop van het roer een koperen strip. Het helmhout valt over de kop van het roer. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip (ook van het roer) is zwart. De boeisels zijn groen met een witte bies. Ook aan de binnenkant zijn de boeisels groen. De binnenkanten van de boorden zijn gelakt. De koppen van de spanten zijn wit. De buikdenningen zijn grijs. De bedelbalk en de hennebalk zijn beschilderd in goud op wit. Het achterhuis is groen. Het roer is gelakt. De roerkop is beschilderd in wit, rood, goud en groen. Accessoires: tijdelijke stander
HintergrundinformationG. Ooms baseerde zich bij de bouw van het model op tekeningen van de tjotter Vrouwe Anna Beatrijs in het boek van T. Huitema (Ronde en Platbodemjachten). De tjotter Vrouwe Anna Beatrijs is gebouwd in 1907 door Lolke Lantinga te IJlst. Opdrachtgever: P. Kuipers te Workum. Prijs: f. 402,62. Afmetingen: lengte 4.90 meter, breedte 2.18 m., holte 0.99 m., zeiloppervlak 25.3 m². De tjotter was 4.80 meter lang. Zo'n tjotter werd een 'fjouwer-acht' genoemd. De breedte van het schip werd in de loop van de tijde enige malen gewijzigd van 2.10 meter (in 1856) naar 2.30 meter (in 1859) en 2.40 (in 1874). De lengte-breedte-verhouding was toen dus 1:2. Tjotter is niet een benaming die al lang gangbaar is in Friesland. De Friese scheepsbouwers spraken niet van een tjotter maar van een 'boat'. Ze werden gebruikt als werkboten: visserij, vervoer van personen (overzet), kleinvee en kleine vrachten (kruideniers, bakkers, etc.). Deze boten waren nauwelijk gebonden aan maten. Men bouwde kleine boten, boten en grote boten. Pas in de loop van de twintigste eeuw raakte een nadere aanduiding in zwang: de kleinste boten behielden de naam 'boat', tjotters werden die schepen genoemd met een lengte tot circa 4.80 meter en de grotere boten, die ook anders gebouwd waren, werden Friese jachten genoemd. De meest voorkomende maat tjotter is 4.80 meter lang en 2.40 meter breed. (ook de tjotter Albert en Nelly voldoet aan deze maten). De tjotter toont gelijkenis met het Fries jacht en de boeier, maar is daar van te onderscheiden door de geringere afmetingen, de sterke zeeg, het ontbreken van een berghout, het brede roer met het over de klink gelegde houten helmhout. De tjotter is open en heeft soms een dek voor de mast. De tjotter voert een bezaantuig, de fok staat op een botteloef. De tjotter Vrouwe Anna Beatrijs deed enkele malen mee aan de Sneekweek. In 1957 was mevr. C.J. van Alphen eigenaar en in 1974 J. van der Sijp te Wassenaar. Wedstrijden voor tjotters werden gehouden bij de Sneekweken van 1935-1946 en van 1956-1980 (m.u.v. 1961, 1965 en 1967). Het aantal deelnemers wisselde nogal, maar gemiddeld waren het er tien per wedstrijd. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- E.Q. Duyvis, 'De Fjouwerachten van Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973/1974, pp. 63-73.
- J. Vermeer, Tjotters en Boatsjes (Leeuwarden, 1997) - T. Huitema, Ronde en Stamboekjachten (Amsterdam, 1977) pp. 228-230.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de zestien-kwadraat-klasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterzestien-kwadraat-klasse
Objektnummer1998-289
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de zestien-kwadraat-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker en is gestaagd met twee zijstagen en één voorstag (nylondraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de top van de mast en die is belegd op een nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel van het grootzeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan de bovenkant van de gaffel). Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een metalen giekgaffel tegen de mast bevestigd. De halstalie houdt de giek naar onderen en is belegd op de nagelbank. Aan het achtereind van de giek zijn twee giekringen gemaakt. Daaraan hangen de blokken van de grootschoot. De grootschoot loopt door deze twee blokken en door een blok op een overloop op het achterdek. De grootschoot is belegd op een blok in de kuip. In het zeil het nummer 111. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Voor de mast een V-vormige waterlijst, die in een granaatvorm doorloopt naar de achterkant van de kuip. Aan weerszijden van de mast een nagelbank met metalen korvijnagels. Achter de mast de open kuip. In de kuip een dwarsbank. Onder de gangboorden zijn open kastje gemaakt. Tegen de achterwand van de kuip een bank. De roerspil is door het achterdek gestoken. Het helmhoutis van metaal. Achter het roer de overloop van de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleuring. Ook de rondhouten en blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de zestien-kwadraat-klasse: lengte 6 meter, breedte 1.92 meter, zeiloppervlakte 16 m². De zestien-kwadraat-klasse is in 1931 ontworpen door Hendrik Bulthuis (Burgum 1892-1948), kapper te Burgum. Hij ontwikkelde in 1928 een bouwmethode die de democratisering van de zeilsport in Nederland inluidde. De B.M.-jachten, die volgens deze methode is ontworpen, konden door amatuers op goedkope wijze gemaakt worden. De jachten werden gebouwd uit smalle latten, die eenvoudig gebogen konden worden. Al in de 19de eeuw werd in de V.S. de lattenbouw toegepast. Het nieuwe van Bulthuis was dat hij de latten rond de mallen boog en de mallen liet zitten. Anderen verwijderden de mallen en plaatsten dan spanten. Ook nieuw was dat hij de latten met de ruwe zaagkanten met een grote hoeveelheid nagels aan elkaar spijkerde: het maakte de boot waterdicht en zorgde voor een goede stijfheid. In de jaren 30 maakte de klasse een grote vlucht. Bulthuis wilde echter ook een grotere boot met dezelfde methode maken: het werd een jacht van 6 meter lengte en met een zeiloppervlakte van 16 m². Na enige veranderingen door de Technische Commissie van de NNWB werd het type in 1931 als klasse erkend en in 1939 ook door het KNWV. Rond 1930 werden er zeer veel van gebouwd. Van de zestien-kwadraat-klasse zijn ruim 4500 wedstrijdjachten en 5000 toerjachten gebouwd. In de loop van de tijd is er het een en ander aan het ontwerp gesleuteld. Het leidde tot een nadere onderverdeling: de toerklasse was de vrije klasse tot 1939, de puntklasse voldeed aan de voorschriften van 1939 en de streepklasse voldeed aan de voorschriften van 1948. De zestien-kwadraat met zeilnummer 111 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Volgens een lijst van de NNWB uit 1934 was de nr. 111 toen eigendom van J. Dijkstra uit Drachten en heette toen Jokla. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 102-103
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 60.
- J.K. Kuipers, 'Hendrik Bulthuis' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1992, pp. 34-36.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de dertig-kwadraat-klasse.
HerstellerOoms, G.
Stichwörterdertig-kwadraat-klasse
Objektnummer1998-294
Periode van1990
Periode tot1998
BeschreibungScheepsmodel van een zeiljacht uit de dertig-kwadraat-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker. De mast wordt gehouden door stagen van nylondraad: twee zijstagen aan elke kant en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de top van de mast en die is belegd op de mastkoker. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel van het grootzeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een ring bevestigd aan de mastbeugel. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee giekringen die met een touw te verschuiven zijn. Aan de giekringen hangen twee blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken, door een blok aan het achtereind van de giek en door een blok op de overloop (op het achterdek). De grootschoot is vastgezet op een ring op de bodem van de kuip. In het zeil de klasseaanduiding (streep) en eronder het zeilnummer 1. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Vaste kiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op het voordek een gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter een bolder. De mastkoker staat op het (en door) het voordek). Achter het voordek de granaatvormige kuip. Langs de wanden van de kuip open kastjes. Het vooronder is afgesloten met luiken. In de kuip twee dwarsscheepse banken. De roerspil steekt door het achterdek. De helmstok is van hout. Achter het roer de overloop van de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken en gangboorden zijn lichtgroen. Het houtwerk in de kuip is gelakt. Ook de rondhouten en blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
HintergrundinformationAfmetingen van de dertig-kwadraat-klasse: lengte 7.50 meter, breedte 2.14 meter, zeiloppervlakte grootzeil 22.6 m², fok 7.7. m². De romp en de rondhouten worden van hout gemaakt. De dertig-kwadraat-klasse is voortgekomen uit de beperkte zeven-meter-tien-klasse van de N.N.W.B. In deze klasse werd naar hartelust geëxpirimenteerd met de vorm van de romp, het roer, de kiel, het tuig, etc. In de dertiger jaren was men het kostbare uitproberen moe. Het bestuur van de N.N.W.B. besloot daarom in 1936 de klasse nieuw leven in de blazen door van de beperkte klasse een eenheidsklasse te maken. De boot van W. Geveke diende als voorbeeld voor ir. Sj. Veeman die de eenheidsklasse zou ontwerpen. Zo ontstond de dertig-kwadraat-klasse, die zeer strikt omschreven was. De lengte was voortaan 7.50 meter en het zeiloppervlak 30 vierkant meter. De door H. Bulthuis geïntroduceerde lattenbouw werd voortaan ook bij de dertig-kwadraat toegepast. De dertig-kwadraat komt alleen in het noorden voor en is nooit een grote klasse geworden (de regenboogklasse is groter). Tot 1980 was de dertig-kwadraat dan ook alleen erkend door de N.N.W.B. Veel schepen zijn er echter niet van gebouwd. Het was een nogal duur schip. In 1990 zijn de klassevoorschrijften aanmerkelijk gemoderniseerd. Zo mogen er sindsdien twee trapezes worden gebruikt.
De dertig-kwadraat met zeilnummer 1 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek veelvuldig voor, namelijk van 1937 tot 1980. Van 1937 tot 1951 werd er jaarllijks meegedaan in deze boot door dr. G.W. van der Meer te Leeuwarden. In 1952 deed de boot niet mee. Maar van 1953 tot 1980 deed W. van der Meer uit Leeuwarden weer jaarlijks mee aan de Sneekweek in deze zeilboot. De naam bleef van 1937 tot 1980 steeds Li. De dertig-kwadraat heeft van 1937 tot heden (1998) onafgebroken meegezeild in de Sneekweek. Het deelnemersveld was tamelijk constant: 12 in 1937, 15 in 1940, 15 in 1950, 10 in 1960, 8 in 1970, 10 in 1980, 11 in 1990 en 14 in 1998.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 106-107
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 88-89
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 15-16.
- J.K. Kuipers, 'De 30 m² klasse' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1984, pp. 61-66.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27