TitelFlessenscheepje met viermaster in een kusttafereel.
Herstelleronbekend
Stichwörterviermasters, zeilvaart
Objektnummer1980-185
Periode van1960
Periode tot1970
BeschreibungFlessenscheepje. Viermaster in een kusttafereel: rood-witte huizen, molen en vuurtoren. De fles is beschilderde met aluminiumverf. Met houten voetstuk.
Hintergrundinformationliteratuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980, p. 20
TitelFlessenscheepje met viermaster in kusttafereel.
Herstelleronbekend
Stichwörterviermasters, zeilvaart
Objektnummer1980-187
Periode van1960
Periode tot1970
BeschreibungFlessenscheepje. In de fles een viermaster in een kusttafereel: rood-witte huzien en onstuimige zee. De fles heeft een omhulsel van koperdraad.
Hintergrundinformationliteratuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980, p. 20
TitelScheepje in de fles: driemaster in een gloeilamp.
Herstelleronbekend
Stichwörterdriemasters
Objektnummer1984-253
Periode van1925
Periode tot1950
BeschreibungScheepje in de fles. Driemaster in een gloeilamp. Masten en ra's zijn gemaakt van stokjes, de zeiltjes van was (?). Het scheepje is geplaatst op een kurk.
TitelFlessenscheepje met driemaster en dorpstafereel.
Herstelleronbekend
Stichwörterdriemasters
ObjektnummerJ-228
Periode van1850
Periode tot1900
BeschreibungFlessenscheepje. Driemaster. Op de achtergrond een dorp: witte huizen, een kerk en een vuurtoren op een roze berg. De lucht is blauw met een bruine wolk.
HintergrundinformationDe herkomst van het flessenscheepje is niet bekend.
BeschreibungFlessenscheepje. Vierkante fles. Taps model. In de fles een viermastbark en twee sleepboten met rokende schoorstenen. Achter het schip een spoorbrug met daarop een trein, met stomende locomotief. Op de achtergrond een antal huizen, een kerk, een rokende schoorsteen, een molen, een vuurtoren, etc.
HintergrundinformationDe schenker heeft als jongen rond 1900 een reis gemaakt van Batavia naar Amsterdam. De bootsman die toen op hem moest passen, sneed het schip., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 5 februari 1954
TitelScheepsmodel van een veerschip voor autovervoer.
Herstelleronbekend
Stichwörterveerschepen, Luanda, Angola
Objektnummer1995-005
Periode van1979
Periode tot1979
BeschreibungScheepmodel van een veerschip voor het vervoer van auto's, genaamd de '11 de novembro'. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen (twee lantaarnmasten) De romp: Het voorschip is plat en voorzien van een luik. Het achterschip is plat en enigszins geveegd. De bodem is plat. Het model van voor naar achter: Aan bakboord hangt uit een kluisgat een anker. Aan weerszijden van de boeg de naam '11de novembro'. De boeg is plat en kan neergeklapt worden om zo te dienen als oprit voor auto's. Aan weerszijden van deze neerklapbare boeg een verhoogd dek. Op het dek aan bakboord de ankerlier, de bedieningskast voor het luik en een scheepsbel. Op het dek aan stuurboord een haspel. Op het voorschip een A-vormige mast, waarvan de poten rusten op de beide voordekken. De mast wordt aan weerszijden gehouden door twee zijstagen. Aan de top van de mast een boordlicht. Het dek is plat en is voorzien van ringen waaraan de auto's vastgesjord kunnen worden. Op het dek staan zes modellen van auto's (twee busjes, een pickup, een 2 CV, een stationcar en een sedan). Op het achterschip de brug met daaronder de machinekamer. Aan weerszijden van de brug twee schoorstenen. Achter de brug een dek dat het hele achterschip overdekt. Op dat hoge achterdek een reddingsloep in davit, twee reddingvlotten en zoeklichten aan de schoorstenen. Op het dak van de brug een seinmast met rood-wit-blauwe vlag, een radarantenne, een kompas en een schijnwerper. Op het achterdek beneden een ankerlier voor het anker dat middenachter uit het schip hangt. Boven het kluisgat van dit anker de naam '11de novembro'. Het schip heeft twee schroeven. Kleuren: De romp is grijs, het onderwaterschip is rood. De dekken op het voorschip en op het achterschip zijn groen, het dek voor de auto's is rood. Het dekhuis en de brug zijn wit met een rode dakrand. Accessoires: het model is gemonteerd op een plank met daaromheen een opstaande rand, waartussen een doosvormige glazen overkapping past. Op de plank in plakletters: '19 ms '11de novembro' 79 / Luanda'. het model is met twee houten knoppen in het vlak aan de plank gemonteerd.
HintergrundinformationHet veerschip 11de novembro werd in 1979 gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F71). Opdrachtgever: Rederij Cabotang te Luanda (hoofdstad van Angola). Het is een zusterschip van het veerschip 10de Dezembro (voor dezelfde Angolese rederij) dat ook in Franeker werd gebouwd (bouwnummer F70)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschreibungFles met houten stop. Aan de stop is een touwspoel gehangen. De spoel of haspel is kruislings omwoeld met rood touw. Aan het einde van het touw een kleine ronde haspel. Aan de bovenkant van de grote spoel een blauwe strik.
HintergrundinformationHet voorwerp is afkomstig uit Beetgum of Berlikum., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 3 januari 1963
- Leeuwarden Courant 11 mei 1976
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1962, p. 12
TitelDiorama met havengezicht: sleepboot, volschip en een havenhoofd.
Herstelleronbekend
Stichwörterkotters, sleepboten, volschepen
Objektnummer1985-152
Periode van1900
Periode tot1925
BeschreibungScheepsdiorama. Havenhoofd met stoomsleepboot (kotter) en driemastvolschip. Het schip heeft tussen de eerste en tweede mast een dekhuis en tussen de tweede en de derde mast een luikhoofd. In de voorste mast een Rotterdamse vlag (groen-wit-groen). Op de tweede mast een rode wimpel en op de derde mast een serie gefingeerde seinvlaggen. Het achterschip is even scherp als de voorsteven. De zee is van stopverf gemaakt. Op de zij- en achterkanten is een blauwe lucht geschilderd. De kast is aan de buitenzijde in houtimitatie beschilderd. De voorzijde is scharnierend.
Hintergrundinformationliteratuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 29
TitelModel van een niet aangelegde keersluis in de Zuiderhaven te Harlingen.
Herstelleronbekend
StichwörterHarlingen, sluizen
Objektnummer1977-095
Periode van1825
Periode tot1830
BeschreibungModel van een niet aangelegde de keersluis in de Zuiderhaven te Harlingen. Mahoniehout. Het model is gebouwd op schaal 1:40.
HintergrundinformationDe keersluis is ontworpen door ingenieurs van Rijkswaterstaat na de grote overstromingen van 4 en 5 februari 1825.
In het bestek voor het maken van bruggen in Zuider- en Noorderhaven, dat berust in het Gemeentearchief Harlingen (inv.nr. 3354), worden de maten de de 'SAS-sluis' vermeld, alsmede de bouwwijze (o.a. dat er 542 palen gebouwd moesten worden). Naast de uitvoerige beschrijving en tekeningen moest er ook een model gemaakt worden. Zij werden vervaardigd door de aannemer, Teunis Swets uit Hardinxveld, die daar 50 gulden voor kreeg. Van soortgelijke modellen in Utrecht en Leiden is bekend dat de aannemers het maken van zo'n model uitbesteedden. Wie het Harlinger model maakte is niet bekend., Literatuur:
- Berg, Herma M. van den 'Bouwen aan de havens (1775-1900)' in: Harlingen - Bijdragen tot de geschiedenis van de laatste twee eeuwen pp. 149-152.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1977, p. 15
BeschreibungScheepmodel van de kustvaarder Imke uit Delfzijl. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De kustvaarder heeft twee liermasten en een antennemast op het dekhuis. De voorste liermast staat op het voordek. Aan bakboord is tegen de mast een ladder gemaakt. Op de voorkant van de mast een boordlicht. De mast heeft een achterwaarts gerichte liergiek die hangt in een kraanlijn die wordt bediend met een motorlier, net achter de liermast. Zijwaarts wordt de giek bediend met schoten die via blokken aan de boeisels, aan het uiteinde van de lier en aan de top van mast worden bediend door een motorlier, die net voor de liermast staat. Het einde van de liergiek rust in een mik aan stuurboord. De tweede liermast staat op een boven het ruim gebouwd bordes. De mast is voorzien van een ladder, een antenne en een toplicht. Aan de mast hangen twee liergieken. Deze hangen in kraanlijnen doe worden bediend met motorlieren. Ook de schoten van de lieren, die lopen via blokken op de relingen, de uiteinden van de gieken en de top van de mast, worden bediend met motorlieren. De vier motorlieren staan rondom de liermast opgesteld op het bordes. De liergieken rusten in mikken: de naar voren gerichte giek in een mik aan bakboord en de achterwaart gerichte giek in een mik aan stuurboord. Op het dekhuis staat een antennemast. Aan en op de mast zijn drie boordlichten, een sprietantenne en een radarantenne geplaatst. Aan een uithouder is aan een vlaggelijn een rood-witte-blauwe vlag gehesen. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is plat en geveegd. De bodem is plat. Het model van voor naar achter: Uit de kluisgaten hangen twee ankers. Op het voorschip is aan weerszijden met plakletters de scheepsnaam aangebracht: 'Imke'. Op het voordek een dubbele ankerlier, zes dubbele bolders en enige luiken. Centraal op het voordek een liermast. Vervolgens het voorruim. Tussen het voorruim en het kleinere achterruim een bordes met daarop een tweede liermast. Op het achterschip het dekhuis van vier etages. Voor een brug over de gehele breedte van het schip. Daarachter de verblijven en de machinekamer. Op het dak van deze verblijven een radarantenne en de antennemast. Op het achterdek een reddingsloep in davit en aan de relings twee reddingvlotten. Op de schoorsteen een dubbele blauwe band en de letter 'D'. Op het achterschip: 'Imke / Delfzijl'. Kleuren: De romp is grijs, het onderwaterschip zwart het het boeisel van het voorschip wit. De dekken zijn groen. De masten zijn okergeel, De luikhoofden zijn grijs en de luiken bruin. Het dekhuis is wit. Accessoires: het model is geplaatst op een houten plank met glazen kap. Op de houten plank met witte plakletters: '19 m/s 'IMKE' 76'.
HintergrundinformationDe kustvaarder Imke uit Delfzijl werd in 1976 gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker. Opdrachtgever was de familie Damhof uit Delfzijl. Bouwnummer F63. Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschreibungFlessenscheepje. Stolpfles met glazen dop. In de fles een driemastfregat met volle tuigage. Aan de mast een rode wimpel. Naast het schip een omgeslagen sloep met op de kiel daarvan drie drenkelingen (een staat, gehouden door de twee zittende anderen). In een andere sloep roeien vijf redders naar de drenkelingen toe.
HintergrundinformationDe fles is uitgeleend geweest aan de Windvaan-tentoonstelling en raakte daar beschadigd. Toen in 1974 de soortgelijke stopfles in Antwerpen beschadigd raakte, en daar werd gerestaureerd, is daarna besloten ook dit oude exemplaar te restaureren. Onder in de fles nog enige afgebroken figuurtjes en vlaggen. De fles is lange tijd in bruikleen geweest bij Joost Halbertsma uit Den Haag, die een zomerhuis had aan de Potten en bovendien een woning aan de Geeuwkade 10 te Sneek. Joost Halbertsma was een neef van conservator Herre Halbertsma. Hij heeft als onbetaalde kracht de catalogus van het museum samengesteld., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 5 feb. 1954, 30 oktober 1958, 28 januari 1974
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973-1974, p. 8
- H. van Zijl 'een redding op zee' in Ons Amsterdam 1978, pp. 130-131.
TitelDiorama voorstellende een havenplaats met enkele (beweegbare) schepen.
Herstelleronbekend
Objektnummer1989-1095
Periode van1900
Periode tot1925
BeschreibungDiorama. Kistvorm met opbouw tegen de achterwand en de zijwanden. De opbouw voorzien van heuvels met daarop huizen, een kerk en een vuurtoren. In de baai ervoor liggen vier schepen. Links een viermastclippper. Daarnaast een stoomschip met twee schoorstenen en twee masten. Dan een driemastbark. Geheel rechts een stoomschip met één schoorsteen en twee masten. Op de voorgrond is op twee klossen een draaiende band gemaakt. Daarop zijn zeven schepen van verschillende vorm bevestigd. De band kan met een zwengel worden gedraaid zodat de schepen in beweging komen. Het diarama is bont gekleurd, evenals de schepen. De kist, waar het geheel op is gebouwd zijn roze met bruine sierbanden.
HintergrundinformationDe herkomst van het diorama is niet bekend. De stijl van de schepen en de stoffering doet vermoeden dat het diorama is gemaakt door een bouwer van flessenscheepjes.
TitelPrijsstander: een kajuitzeiljacht. Wisselprijs in de schakelklasse.
Herstelleronbekend
Stichwörterkajuitzeiljachten, schakelklasse
Objektnummer1978-082
Periode van1967
Periode tot1967
BeschreibungPrijsstander. Trofee in de vorm van een kajuitzeiljacht op golven. Het jacht heeft een mast waaraan twee kluivers en een fok, een gaffelgrootzeil en een topzeil worden gevoerd. De kajuit en de kuiprand zijn goudkleurig. Het model is geplaatst in een zee van uit metaal gedreven golven. Deze 'zee' is vervolgens geplaatst in een vitrine met houten ribben. Voor het model vier zilveren plaatjes met inscriptie: '1967 B. Bouma Grouw / 1968 M. v.d. Meer Heerenveen / 1969 M. v. Paridon Leiden / 1970 C.A. Lonterman / Ark Johanna Elburg / 1972 E. Hinrichs / Steendam / 1973 J. v.d. Kroot / Zoeterwoude'.
HintergrundinformationHet model werd uitgeloofd als wisselprijs bij wedstrijden in de schakelklasse.
TitelHalfmodel van een straalbuis viskotter, ontworpen door W. Zwolsman.
Herstelleronbekend
Stichwörterviskotters, kotters, vissersschepen
Objektnummer1981-482
Periode van1925
Periode tot1950
BeschreibungHalfmodel van een straalbuis viskotter. Stapelmodel. Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage: geen. Alleen de plaats van de beide masten is aangegeven.
De romp: scherpe voorsteven, rond achterschip, bodem met kiel.
Het model van voor naar achter: Op het dek is rudimentair de stuurhut, de machinekamer, de lichtkap en de plaats van de twee masten aangegeven. Opvallend is de gedetailleerde weergave van de straalbuis rond de schroef. Het model is bevestigd op een plank.
Kleuren: het halfmodel is zwart geschilderd en de plank waarop het is bevestigd grijs.
Accessoires: geen.
HintergrundinformationHet model van de straalbuis viskotter is in 1946 ontworpen door W. Zwolsman, werkzaam bij Holland Launch te Zaandam. Hij stamt uit de Makkumer tak van de familie Zwolsman en is daar ook geboren. Het speciale aan het ontwerp was de straalbuis rond de schroef. Deze buis draait mee met het roer. De straalbuis moest zorgen voor een beter voorstuwing, met name wanneer niet rechtuit gevaren werd. Het ontwerp is gerealiseerd in de UK3 300 en in de KW 53. Van de UK 300 is in 1988 een model gemaakt: inv.nr. 1988-1. Het halfmodel is in 1991 gerestaureerd. De viskotter is in Nederland het meest gebruikte motorschip voor de kustvisserij (trawlvisserij, boomkorvisserij en spanvisserij). Op kotters wordt het meest gevist op haring en platvis. In de loop de tijd wordt er steeds meer over het achterschip gevist. Men spreekt dan van een hekkotter. Afhankelijk van de grootte varen op een kotter 4 tot 7 man.
BeschreibungScheepsmodel van een fregat. Dwarsdoorsnede: instructiemodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen Romp: Alleen het bovenste gedeelte van een bakboordhelft van een oorlogsschip is weergeven: het bovendek en twee verdiepingen daaronder. Het model van voor naar achter: Van de scheepshuid zijn de verticale inhouten (spanten) te zien en de horizontale wegering aan de binnenkant en de horizontale huidplanken aan de buitenkant. Van de dekken zijn de dekbalken en de dekstutten te zien. In het midden zijn in het bovendek twee roosters gemaakt en in het geschutsdek een trapgat, waarin de trap naar het dek eronder is gemaakt. In de scheepshuid zijn vier geschutsopeningen gemaakt: voor het bovendek één, voor het geschutsdek twee en voor het dek daaronder weer één. De openingen zijn afgesloten met luiken. Alleen het luik van het bovendek is geopend. Het touw van het luik is aan de binnenkant vastgezet op een klamp. Door de geschutsopening steekt de loop van een gegoten kanon. Het is geplaatst op een houten rolpaard met metalen wielen. De rolpaard is aan de beide zijkanten en aan de achterkant vastgesjord met touwen. Deze touwen lopen die twee blokken naar ringen in het dek. Boven de geschutopening hangt aan de binnenkant van het schip de stok waarmee het kanon werd geladen. Kleuren: De scheepshuid is bruin geschilderd. De bovenkant van de verschansing is zwart met daarop S-vormige blad-krullen in goudkleur. De scharnieren van de luiken zijn zwart, evenals het berghout. Aan de binnenkant is de wegering rood geschilderd. De dekken zijn niet beschilderd. De dekstutten en de trap zijn groen. Het rolpaard van het kanon is gelakt. Accessoires: stampstok van het kanon.
HintergrundinformationHet model is waarschijnlijk een uit Engeland afkomstig instructiemodel waarmee geleerde moest worden hoe scheepskanonnen geladen en vastgesjord moesten worden. De sjortouwen aan het rolpaard werden gebruikt om de terugslag van het kanon tegen te houden, wanneer het gevuurd werd. Ook werden de touwen gebruikt voor het terugrollen van het kanon om het opnieuw te kunnen laden. De gebruikte kanonnen waren namelijk voorladers.
Een fregat is in het algemeen een oorlogsschip met één volle laag geschut, soms aangevuld met kanons op bak en campagne. Het fregat had meestal één of twee dekken en weinig opbouw. De eerste Nederlandse fregatten hadden een platte spiegel. Na 1720 werd deze, onder invloed van Engelse bouwmeesters, vervangen door ronde spiegels. Ze waren als volschip getuigd: drie masten. De vorm en de bouw waren gericht op snelheid en niet op een hechte constructie, zoals bij linieschepen. Ze waren bestemd om dienst te doen als verkenner of voor het overbrengen van berichten. De vroege fregatten waren derhalve klein en bewapend met niet meer dan twaalf stukken. Latere fregatten waren groter en voerden 54-60 stukken. In de negentiende eeuw waren er ook koopvaardijfregatten, die qua vorm en tuigage leken op de oorlogsfregatten maar waren ingericht voor de handelsvaart., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1978, p. 11
TitelSpeelscheepje in de vorm van een zeiljacht met zelfstuurinrichting.
Herstelleronbekend
Objektnummer1991-334
Periode van1990
Periode tot1990
BeschreibungSpeelscheepje in de vorm van een zeiljacht. Blokmodel.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast is in de romp gestoken en wordt gehouden door een voorstag van metaaldraad. De zeilen (stagfok en grootzeil) zijn van witte nylondoek, met verstevigigingen in geel, zomen in blauw en stiksels in zwart en rood. De fok is met een zoom aan de voorstag verbonden. De fokkeschoot loopt van de schoothoek naar voren, door een oog aan de voorstag, terug naar achter, door een kunststof oogblok (vlak achter de mast) en is belegd op een klamp van kunststof op het achterschip. Het grootzeil is met een zoom aan de mast bevestigd. De bovenkant van het grootzeil is rond. De giek bestaat uit een plaat kunststof. Daaraan is de grootschoot bevestigd, die met een metalen ring is vastgezet op een metalen overloop. De hals van het grootzeil is vastgezet op de kunststof giekplaat. De halstalie loopt via een dubbel oogblok van kunststof (vlak achter de mast) naar een kunststof klamp op het achterschip.
De romp: Het voorschip is scherp en loopt schuin op. Het achterschip is rond en loopt schuin af. De bodem is plat is voorzien van achterwaarts gerichte kiel. Deze kiel is aan de onderkant verzwaard met metaal. Het roer is druppelvormig (gemaakt van halftransparante kunststof).
Het model van voor naar achter: Het speescheepje is gladdeks. Op het dek zijn alleen de voorziening van de tuigage en de stuurinrichting gemaakt. Op het achterschip is de zelfstuurinrichting te zien. Uit het achterschip steekt de roerspil omhoog. Deze is naar voren gebogen voorzien van een langwerpig oog. Voor de roerspil is in het dek een windvaan van kunststof (transparant en oranje) gestoken. Deze windvaan is voorzien van een achterwaarts gerichte stang die is gestoken in het oog aan de roerspil. Op deze wijze bepaalt de windrichting de stand van het roer.
Kleuren: De romp is rood. De kiel is wit. Het dek is gelakt. De zeilen zijn veelkleurig. Het kunststof beslag op het dek is rood. De stander is van plexiglas en ongeverfd hout.
Accessoires: Z-vormige stander van hout en plexiglas. Op de stander staat aan twee kanten de naam van de school waar het speelscheepje is vervaardigd: 'de ABS'.
HintergrundinformationHet speelscheepje is gemaakt door leerlingen van de A.B.S. (Algemene Beroeps School) te Sneek. Het maken van het speelscheepje was onderdeel van een mulitidisciplinair project: geschiedenis en het verwerken van diverse materialen in één product: hout, metaal, kunststof en textiel. De bij het projekt gemaakte lesstof en syllabi zijn opgenomen in de bibliotheek onder nr. A-205.
Het projekt werd afgesloten met een wedstrijd voor de speelscheepjes.
BeschreibungSpeelscheepje in de vorm van een viskotter. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model is onttakeld. De mast is aanwezig en voorzien van de zijstagen (met puttingijzers), maar is niet geplaatst. De andere rondhouten (gaffel, giek, boegspriet, etc) zijn ook gemaakt, maar evenmin geplaatst. Het model heeft geen zeilen. In een kistje worden enkele losse onderdelen van de tuigage bewaard (blokken, ringen, haken).
De romp: Het voorschip is scherp en de boeg is verticaal. Het achterschip is overhangend en voorzien van een bijna vertiakle speigel. De bodem is rond en vroosien van een kiel, die aan de onderkant is verzwaard met metaal.
Het model van voor naar achter. Op het voordek staat een kluiverboomstok en een houder voor een braadspil. De braadspil is gemaakt en wordt bewaard in het kistje met losse onderdelen, evenals de andere houder van de spil). Achter de braadpil een opbouw met deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. De plaats van de mast is aangegeven met een gat in het dek. Op het achterschip een opbouw met deuren die toegang verschaffen tot het verblijf in het achterschip. Voorts staat op het achterdek een lossen luikenkanp. Op de bovenrand van de spiegel een metalen overloop. Het boeisel van het achterschip is eversierd met een geschilderde goudkleurige voluut. Op de spiegel is met goudkleur, binnen een ovale rand met bladversieringen, de naam van het schip geschilderd: 'DOLPHIJN HARLINGEN / 1908'.
Kleuren: De romp is wit. Delen van de witte verf zijn afgeschuurd en beschadigd. Het onderwaterschip is lichtgroen. Het dek en de rondhouten zijn gelakt. De stander is donker gelakt.
Accessoires: dichte stander.
HintergrundinformationDe eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 23
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschreibungModel van de romp van een zeiljacht uit de centaurklasse. Polyester kuip met los dek. Schaal 1:10. Tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp en de boeg is licht gebogen (lepelboeg). Het achterschip is voorzien van een schuingeplaatste spiegel. De bodem is U-vormig. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op het dek zijn alleen de plaatsten aangegeven die opgeruwd zijn. Ook is de plaats van de kuip aangegeven (een gat met kuiprand). Kleuren: Het kunststof heeft zijn oorspronkelijk kleur: wit. Accessoires: geen
HintergrundinformationHet model is gemaakt als proefmodel. Het is afkomstig van jachtwerf Zaadnoordijk te Uitgeest. Technische gegevens van de Centaur: lengte 6.20 m., breedte 2.00 m., diepgang 0.85 m, oppdervlakte grootzeil 11 m², oppervlakte genuafok 7.60 m² en oppervlakte stagfok 6 m². De centaur kan uitgevoerd worden met een vaste kiel of met een midzwaard.
BeschreibungHalfmodel van een zeegaand zeiljacht. Stapelmodel (op elkaar gestapelde planken). Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp en heeft een lepelboeg . Het achterschip is overhangend en heeft een kleine, schuine spiegel. Het schip heeft een S-spant waarbij de bodem vloeiend overgaat in de lange kiel. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de vorm van de romp is weergegeven. Op de achterzijde zijn de maten van de spanten weergegeven. Het model is niet bevestigd op een plank. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is gedeeltelijk zwart. De overgang van wit naar zwart geeft echter geen realistische waterlijn. Deze zal hoge moeten liggen. Accessoires: geen.
HintergrundinformationHet model was op het moment van verwerving bruin en wit geschilderd. Op de voorsteven de naam 'SIPPY'. Door uitdroging waren de planken losgeraakt. In 1988 is het halfmodel gerestaureerd. De planken zijn vastgezet. De kleuren en de scheepsnaam zijn verwijderd omdat ze niet origineel waren.
BeschreibungScheepmodel van de kustvaarder Marie uit Foxhol. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De kustvaarder heeft een liermast en een lantaarnmast. De liermast staat tussen de twee ruimen. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door twee zijstagen op het boeisel (enkele stagen zijn afgebroken). Aan bakboord is aan de mast een ladder gemaakt. Aan de mast hangen twee liergieken, die beide hangen in kraanlijnen die worden bediend met motorlieren aan de voet van de mast. Aan de onderkant van de gieken hangen de schoten waarmee de gieken zijwaarts worden bewogen. De voorwaats gerichte liergiek rust aan het uiteinde in een mik op het voordek. De achterwaarts gerichte liergiek rust in een houder aan het brugdek. Op het dekhuis is een lantaarnmast geplaatst met daarin vier boordlichten en erop een antenne. De mast wordt aan weerszijden gehouden door twee zijstagen. Op het achterschip een vlaggenstok met rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Uit de kluisgaten hangen twee ankers. Op de boorden van het voorschip is aan weerszijden de scheepnaam geschilderd: 'Marie'. Op het verhoogde voordek een dubbele ankerlier, een reserve-anker, een scheepsbel en een schoorsteen. achter het voordek een voorruim en een achterruim, met daartussen in de liermast met dubbele giek. Op het achterhuis een dekhuis van twee etages met daarboven een dek dat ook het gangboord langs het dekhuis overdekt. Op dit achterdek de brug (stuurhuis van hout), de seinmast, de antennes, de radar, twee reddingsloepen in davits, een kompas en een takel. Op de schoorsteen een embleem (tandrad met daarin de latter 'H'). Op het achterschip is geschilderd 'Marie / Foxhol'. Kleuren: De romp is grijs, het onderwaterschip zwart het het boeisel van het voor- en achterschip wit. De dekken van het voorschip en het ruim zijn zwart. Hetbovendek is van gelakt hout. De luikhoofden zijn bruin, de luiken gelakt. De masten, de schoorstenen en de takel zijn okergeel. Het dekhuis is wit en de brug is gelakt. Het metaal roest op enkele plekken. Accessoires: het model is geplaatst op een houten plank met glazen kap. Het model is met een blok hout op plank bevestigd met een blok hout op het vlak.
HintergrundinformationDe kustvaarder Marie uit Foxhol is in 1972 op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker verbouwd tot zandzuiger (bouwnummer F53). Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschreibungOnvoltooid speelscheepje van het type Lytse Folle. Blokmodel.
Rondhouten en tuigage De mast ontbreekt. Wel zijn er voorlopige koperen stagen aan de romp bevestigd.
De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip is rond. De bodem is voorzien van een kiel, die aan de onderkant is voorzien van een metalen verzwaring. Aan de achterkant van de kiel is een roer opgehangen. De houten spil van het roer steekt uit model.
Het model van voor naar achter: Op het dek zijn nog geen detailleringen aan gebracht. Te zien zijn alleen het gat waarin de mast moet worden geplaatst en het gaat waaruit de houten spil van het roer naar boven steekt.
Kleuren: het model is ongeverfd.
Accessoires: geen
HintergrundinformationDe herkomst van het onvoltooide speelscheepje is niet bekend. het behoort tot het type Lytse Folle: het is korter dan 55 cm. (lyts) en het is massief (fol). De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyst Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschreibungScheepsmodel van een houten viskotter. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft twee masten (grote mast en bezaanmast) en een boegspriet. De grote mast staat op het voordek. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag op de voorsteven en door twee voorstagen op de boegspriet. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staandwant van één hoofdtouw (zijstag) en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast wordt aan weerszijden gehouden door een zijstag die met twee blokken is getakeld en is vastgezet op het boeisel van het achterschip. De boegspriet rust aan de achterkant in een stoel op het voordek en in een beugel aan de voorsteven. Aan de voorkant wordt de boegspriet niet gestaagd, maar hangt in de voorstagen van de grote mast. Het model heeft geen zeilen. Aan de rondhouten, valeen en schoten is echter wel af te leiden welke zeilen er op het schip gevoerd konden worden. Aan de voorstagen kunnen twee kluivers en een stagfok gehesen worden. De vallen en schoten ervan ontbreken. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. De klauwval van de gaffel loopt over twee blokken (één aan de klauw en één aan de mast). De piekeval loopt over vier blokken (twee aan de gaffel en twee aan de mast). De onderkant van het grootzeil kan worden bevestigd aan de giek. Deze hangt aan de voorkant met een zwanehals in een oog aan de mast. De achterkant van de giek hangt in een touw aan de top van de gaffel (geen kraanlijn). De grootschoot loopt over twee blokken en is belegd op het onderste van deze twee blokken (dat echter geen hakkeblok is). Aan de bezaanmast kan een bezaanzeil gehesen worden. Het is een driehoekig zeil zonder gaffel. De onderkant van het bezaanzeil wordt vastgezet aan de giek. Deze hangt aan de voorkant met een zwanehals in een oog aan de bezaanmast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn aan de mast. De bezaanschoot loopt over een blok aan de giek en via een papegaaiestok (die uit het achterschip steekt) naar voren en is belegd op een klamp aan het boeisel aan stuurbord. De vallen van de zeilen (voorzover aanwezig zijn belegd op ogen in het dek aan de voet van de beide masten. Op het model worden geen vlaggen gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en verticaal. Het achterschip heeft een smalle, schuinstaande spiegel en is daaronder geveegd. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Aan de boegspriet is met een touw het anker vastgezet. Het ankertouw is vastgezet op de bolder op de stoel van de boegspriet. Het voordek is verhoogd: het is evenhoog als de bovenkant van de boeisels. Op de boeisels van het voordek zijn relingen gemaakt. Achter de grote mast is in het dek een schuifluik gemaakt. In de wand eronder zijn dubbele deuren, die toegang verschaffen tot het verblijf in het vooronder. Op het middendek staat aan stuurboord voor de genoemde wand een watervat. Over de gehele breedte van het dek zijn twee banken en een achterbank gemaakt. Deze zijn aan de boorden voorzien van kniestukken. Tussen de achterbank en de bank ervoor zijn bovendien langs de boorden zijbanken gemamkt. Achter de tweede bank isstaat een lenspomp met hevel. Het achterdek is enigszins verhoogd. Op het achterdek staat de bezaanmast. Daarachter stektde spil van het roer omhoog. Daaraan is een metalen helmhout gemaakt dat rond de bezaanmast is gebogen. Uit het achterschip steekt de papegaaiestok van de bezaanschoot. Kleuren: De rond is gelakt. De boeisels zijn zwart. De dekken en rondhouten zijn gelakt. Het anker, de relingen en het helmhout zijn zwart. Accessoires: vaste stander, anker en vast watervat.
HintergrundinformationDe herkomst van het model is niet bekend. Het model is waarschijnlijk gemaakt naar een Engels vissersvaartuig., literatuur:
- John Leather, Gaff Rig (Londen, 1970)
- Sneeker Nieuwsblad 9 okt. 1975
BeschreibungSpeelscheepje in de vorm van een zeiljacht, gelijkend op een dertig-kwadraat-klasse of een regenboogjacht. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage. Het speelscheepje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door een metalen zijstag. De zeilen zijn van witte (verkleurde) katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de fok is met touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgeknoopt aan een ring op de voorsteven. De fokkeschoot bestaat uit een dubbele ring die is vastgezet op een metalen overloop op het voorstel. Het grootzeil heeft de vorm van een catzeil: een rechte gaffel die uitsteekt boven de top van de mast. Het grootzeil is met raktouwen vastgezet aan de gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De halstalie is vastgeknoopt aan een oog in de voet van de mast. De giek hangt met een houten klauw tegen de mast. De grootschoot loopt van de achterkant van de giek naar een oog in het achterdek en vervolgens via twee giekringen naar een oog in de kuip, waar de schoot op is vastgeknoopt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank (zonder nagels). Op de top van de mast een rode windvaan. bij de tuigage van het speelscheepje is geen gebruik gemaakt van blokken.
De romp: Het voorschip is scherp met een lepelvormige boeg. Het achterschip is licht overhangend en voorzien van een schuine spiegel. De bodem is U-vormig en is voorzien van een kiel die aan de onderkant is verzwaard met metaal. Het roer is aan de kiel opgehangen.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag, waarop de voorstag en de hals van de fok zijn vastgezet. Op het voordek een metalen overloop die scharniert in de ogen waaraan de zijstagen zijn bevestigd. De mast staat in een mastkoker. Aan de voet van de mast een dwarslat (soort nagelbank), waarop de vallen zijn belegd. Achter de mast de kuip, die van boven gezien granaatvormig is. Langs de randen van de kuip een waterlijst. De kuip is voorzien van een buikdenning. Langs de zijwanden van de kuip twee losse banken. Uit het achterdek steekt de spil van het roer omhoog. Aan de spil is een krom helmhout bevestigd. Achter het helmhout een houten klamp en een metalen oog.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is donkergroen. Het dek is gelakt. De binnenkant van het schip is wit. De buikdenning en de banken in de kuip zijn gelakt. De rondhouten zijn gelakt, evenals de stander. De lak is geoxideerd zodat de gehele romp is bedekt met donkere vlekken.
Accessoires: stander.
Scherp spiegel-zeiljacht. Getuigd met fok en gaffelzeil. De blokken ontbreken. Open kuip. Het touwwerk loopt door schroefoogjes. Het model is blank gelakt (sterk verweerd). Het onderwaterschip is zwart.
HintergrundinformationHet speelscheepje is afkomstig uit de Sneker familie J.C. Gorter. De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschreibungHalfmodel van een Rivierschip. Blokmodel gemaakt volgens de stapelmethode (op elkaar gelijmde planken). Gemaakt uit twee soorten houten. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: geen Romp: Het voorschip is scherp en heeft een zogenaamde ramsteven. In zijaanzicht steekt het onderwaterschip in een bolle vorm door naar voren, als ene omgekeerd vraagteken. Het achterschip rond en geveegd (motorkont). De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Het model is weinig gedetailleerd. Alleen de vorm van de romp is nauwkeurig aangegeven. Boven het berghout is een rij luiken gemaakt: zes in het voorschip en vier in het achterschip. Het roer is halfrond en hangt voor de scheepsschroef (die niet is aangegeven). Op het dek is de plaat van een ruim aangegeven. Het halfmodel is bevestigd op een plank die is ingelijst. De lijst is voorzien van twee ophangogen. Kleuren: De romp is gelakt, zodanig dat de verschillende houtsoorten ook verschillende kleuren opleveren. De luiken zijn zwart geverfd, evenals het dek. De plank is zwart en de lijst is gelakt. Accessoires: geen
HintergrundinformationTussen 1875 en 1900 werden veel oorlogsschepen voorzien van een ramsteven. Bekend zijn de ramschepen Buffel en Schorpioen, die werden ingezet voor de verdediging van de kusten. Ook de grote rivieren in Nederland werden verdedigd met dergelijke schepen, rivierschepen genaamd. In 1870 werd het eerste rivierschip, de Vahalis, gebouwd. Het was een zogenaamde brugrammer (365 ton en twee kanonnen), geschikt voor het stukrammen van vijandelijke pontonbruggen. Tussen 1876 en 1879 volgden de Merva, de Mosa, de Isla en en Rhenus. Het waren behoorlijk gepantserde schepen. In het begin van de 20ste eeuw werden deze schepen afgevoerd., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 30 juli 1948
BeschreibungScheepsmodel van een driemaster. Uitgehold blokmodel. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: geen. Wat ervan resteert zijn aan bak- en stuurboord series van vier en vijf gesmede spijkers, waaraan de staande wanten bevestigd waren. De romp: Het voorschip is rond en is voorzien van een campagne. Het achterschip is voorzien van een platte spiegel. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het galjoen is dichtgemaakt. Het bestaat uit drie profileringen die de regelingen moeten voorstellen. Het galjoen is aan de voorkant afgebroken en gebrokkeld. De dekken zijn niet aangebracht. Aan de romp is te zien dat het voordek hoger was dan het hoofddek. Achter het hoofddek een verhoogd halfdek en een nog hogere campagne. Op de buitenkant van de romp drie berghouten. Daartussen twee rijen geschutsopeningen met (grotendeels afgeknapte) houten kanonlopen (aan twee kanten twee rijen van zes). Tussen de geschutsopeningen op beide zijden een opschrift in vergulde letters: 'DIE MYN NAEM BEGERICH IS / OM TE WEETEN 'T WAEPEN VAN DIE STADT YLST BEN ICK GEHEETEN'. Aan het achterschip twee verbredingen vanuit de spiegel: de galereien. De spiegel en de wulf zijn niet versierd. In de wulf (het gebogen vlak tussen spiegel en de waterlijn), aan weerszijden van de achtersteven, nog twee geschutsopeningen. Dat brengt het totale aantal kanonnen op 26. Onder de achterste geschutsopeningen de ingekerfde letters 'FP'. In de romp een oog, waaraan het model gehangen heeft. Het model heeft geen roer. Kleuren: Delen van de meerkleurige beschildering zijn nog te zien. Het onderwaterschip is wit met daarboven een golvende lijn in blauw en donkerblauw. De berghouten zijn verguld. De ruimten daartussen lichtblauw met daarop vergulde letters met schaduw. Het galjoen, de verschansing en de campagne (galereien en spiegel) zijn verguld.
HintergrundinformationHet model is waarschijnlijk afkomstig uit het raadhuis van IJlst. Het ophangoog en de geschilderde golven maken aannemelijk dat het hier een kerkscheepje betreft. In dat geval zou het oorspronkelijk afkomstig kunnen zijn uit de in 1830 afgebroken Mauritiuskerk van IJlst. Het feit dat het model niet is uitgerust met een roer houdt verband met de legende van het roerloze IJlster koggeschip, dat wordt afgebeeld in het wapen van IJlst. Kerkscheepjes zijn scheepsmodellen ter opsiering van een kerkinterieur en daarin meestal opgehangen. Ze waren over het algemeen door zeelieden aan de kerk geschonken in gevolge een gelofte (ex voto) of uit dankbaarheid voor een behouden thuiskomst, een gunstige wending in een zeeslag, een rijke visvangst, etc., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1986, pp. 16-17. - Sneeker Nieuwsblad 29 juli 1947
- Ingekomen stukken 24 maart 1950, 30 maart 1950.
BeschreibungHalfmodel van een smakschip. Nestmodel: latten op spanten. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond, het achterschip is rond en de bodem is tamelijk vlak. Het berghout is breed. Het model van voor naar achter: Het model is gebouwd uit latten op spanten (eigenlijk tussenschootten) en in het voor- en achterschip op blokken. Details zijn op het model niet weergegeven. Alleen de plaats van de mast is te zien. De kop van het roer loopt hoog op en buigt naar voren, zodat de bovenkant ervan in lijn ligt met de bovenkant van het boeisel aan het hek. De kop van het roer is versierd met opgeschilderde biezen, die groeven suggereren. Het boeisel is aan de achterkant versierd met een opgeschilderde dolfijn. Het model is is bevestigd op een plank met daarin twee gaten en aan de bovenkant twee metalen ophangogen. Rechtsonder op de plank een etiket met daarop nr. 466. De blokken in voor- en achterschip en de mast zijn aangetast door houtworm. Kleuren: De spanten, de latten en het boeisel zijn gelakt. Het onderwaterschip is wit geschilderd en het berghout zwart. De kop van het roer en het hek zijn groen met witte versieringen. De plank waarop het model is bevestigd is blauw. Accessoires: geen
HintergrundinformationHoutworm in 1991 behandeld, Het halfmodel is afkomstig uit de Marinecollectie van het Rijksmuseum. De smak is een kustvaarder voor de vaart op Frankrijk, Engeland en Scandinavië en werd ook gebruikt als beurtvaarder en zelfs als oorlogsschip. Al in de 16de eeuw waren smakken reeds in de vaart. Het is een tajlkachtig schip. De inrichting was als die van een binnenvaartschip: achter de mast het ruim, de lage roef en de stuurplaats. In het achterschip is een paviljoen ingelaten en er is een staatse met hennegat. De tuigage bestaat uit een korte mast met spriettuig met hoge nok. Op het hek stond een druilmast met bezaanzeil. Het schip was voorzien van zwaarden. In de 18de eeuw werd het schip verzwaard. Het spriettuig werd toen vervangen door een staand gaffeltuig en de mast werd verlengd met een opgelaste steng, waardoor ook een ratopzeil gevoerd kon worden., literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 21 - Horst Menzel, Smakken, Kuffen, Galioten, Drei fast vergessene Schiffstypen des 18. und 19. Jahrhunderts (Hamburg, 1997)
TitelHalfmodel van een kustvaarder, gebouwd op de werf Zwolsman te Workum.
Herstelleronbekend
Stichwörterkustvaarders, Workum
ObjektnummerK-034
Periode van1914
Periode tot1918
BeschreibungHalfmodel van een kustvaarder. Stapelmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: Scherpe, steile voorsteven (steilsteven). Rod, geveegd achterschip. Vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Op de romp zijn 75 genummerd spanten getekend. Spant 1 is het achterste spant. Spant 75 het voorste. Bij sommige spanten een aantekening: bij spant 15 '0,6 lengte', bij spant 19 '1/2 lengte', bij spant 35 PLIMSOL-merk, bij spant 57 '1/2 lengte', bij spant 63 '0,6 lengte'. Het halfmodel is bevestigd op een plank met ophangogen.
Kleuren: het model is gelakt.
Accessoires: geen
HintergrundinformationHet halfmodel is afkomstig van de scheepswerf van Ulbe Zwolsman te Workum. Daar werden dergelijke kustvaarders gebouwd.
Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af.
TitelScheepsmodel van het motorvrachtschip Winterswijk.
Herstelleronbekend
Stichwörtermotorvrachtschepen
Objektnummer1995-008
Periode van1974
Periode tot1974
BeschreibungScheepmodel van een motorvrachtschip, genaamd Winterswijk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een seinmast op het voordek). De romp: De voorzijde van het schip is plat en vanuit het vlak oplopend in een flauwe hoek. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is vlak. Van voor naar achter: Aan de platte voorsteven hangen uit de kluisgaten twee ankers. Aan weerszijden op het voorschip de naam: 'Winterswijk / Amsterdam N'. Op voorboeisel een witte stok, waarschijnlijk gebruikt bij het sturen en navigeren. Het schip heeft immers geen puntige boeg waar de roerganger zich op kan richten. Op het voordek een haspel, twee houders voor kabels, twee opgerolde trossen (ijzerdraad) een dubbele ankerlier met daaraan een scheepsbel. Voorts twee luiken en een seinmast met daarin een drie lantaarns en vier verticaal gespannen draden (voor het hijsen van seinen, vlageen etc.). Het ruim wordt afgedekt met elf gebogen metalen rolkappen, waarvan de voorste mechanisch verplaatst kan worden (hydraulische armen). Achter het ruim het dekhuis: machinekamer met daarboven een naar voren overhellende stuurhut en erachter de roef. Voor de stuurhut een klein verhoogd dek. Op de stuurhut twee antennes, een schijnwerper en een houder voor negen seinlichten. Op de machine kamer twee schoorstenen. Op het dak van de roef een aantal schoorstenen en ontluchtingspijpen en de bakken van de zijlichten. Achterop het dat staat de reddingsloep, die is bevestigd aan een davit die op het achterdek staat. Op dat achterdek voorts een dubbele ankerlier en een Nederlandse vlag. Uit het achterschip hangen twee ankers. Op et boeisel van het achterschip :'Winterswijk'. Het schip heeft twee scheepsschroeven en een dubbel roer. Kleuren: De romp is geheel (inclusief het onderwaterschip) zwart. Het boeisel van het achterschip is wit. Dek en gangboorden zijn groen. De den van het ruim is bruin, de rolluiken zijn grijs. Het dekhuis en de stuurhut zijn wit. De lieren, de mast en de davit zijn okergeel. Accessoires: Het model is gemonteerd op een plank met daaromheen een opstaande rand, waartussen een doosvormige glazen overkapping past. Het model is met twee knoppen in het vlak aan de plank gemonteerd. Op de plank 'MS Winterswijk / 1974'.
HintergrundinformationHet motorvrachtschip Winterswijk werd in 1974 gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F56). Opdrachtgever: N.R.M. te Amsterdam., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
TitelHalfmodel van het kieljacht Silvana van de familie Stam te Sneek.
Herstelleronbekend
Stichwörtercenterboards
Objektnummer1982-044
Periode van1895
Periode tot1895
BeschreibungHalfmodel van de centerboard Silvana. Blokmodel, gebouwd volgens de stapelmethode: om en om verschillende houtsoorten. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Van de mast is alleen de onderkant weergegeven. De boegspriet is wel in zijn geheel op het model gemaat. De boegspriet is aan de achterkant vastgezet op het voordek. Op de plank, waarop het halfmodel is gemonteerd, is met een getekende lijn de plaats van de waterstag aangegeven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft een clipperboeg. Het achterschip heeft een schuine, overhangende spiegel. De bodem is gepiekt. Op de plank, waarop het model is gemonteerd, is de waterlijn aangegeven. Het model van voor naar achter: Op het boeisel van het voorschip is de naam van het schip geschilderd: 'SILVANA'. De rest van het schip heeft geen boeisels. Het is gladdeks. Het dek de de gangboorden hebben een getekend lattenpatroon. Achter de mast is de bovenrand van de kuip aangegeven. De kuip is echter niet ingebouwd. Het halfmodel is gemonteerd op een plank met lijst. Op de plank is linksonder geschilderd: 'SILVANA 1:10'. Kleuren: Het halfmodel is geheel gelakt. De scheepsnaam op de boeg is geschilderd in wit. De plank waarop het model is gemonteerd is zwart en de lijst eromheen is gelakt. Het opschrift op de plank is aangebracht in wit. Accessoires: geen.
HintergrundinformationDe Silvana is gebouwd in 1890 bij de werf Heidtmann in Hamburg. Deze werf leverde meer jachten voor Nederlandse opdrachtgevers. De oplevering werd vermeld in het tijdschrift De Nederlandse Sport. Het jachtje werd aan boord van een stoomschip afgeleverd in Nederland. Tjomme A. Stam uit Sneek kocht de centerboard Sylvana rond 1895 in de provincie Utrecht. Hij nam met het jacht deel aan de Sneker Hardzeildagen van 1895, 1900, 1901, 1902, 1903, 1905, 1907, 1910, 1912 en 1913. In de naamlijsten van de Hardzeildagen wordt het jacht steeds Sylvana genoemd (en niet Silvana zoals op het halfmodel staat).
Van de 17de tot de 19de eeuw heeft de scheepsbouw zich geleidelijk ontwikkeld van ronde naar scherpe schepen. In de Verenigde Staten begon men onstreeks 1840 dergelijke schepen te bouwen, die door hun geringe weerstand meer over het water glijden dan dat zijn water verplaatsen. Ze waren voorzien van een ophaalbare kiel, waardoor afdrijven onder invloed van de werking van de wind voorkomen werd. Zwaarden werden daardoor overbodig. Al voor het midden van de 19de eeuw werd zo'n Amerikaans jacht in Nederland ingevoerd. Een dergelijk schip won in 1856 op het IJ te Amsterdam een wedtrijd van de Koninklijke Jachthaven. In de naamlijsten van zeilwedstrijden worden deze midzwaard-jachten ingedeeld in de klasse 'Centerboards'. Dat duidt al op de Amerikaanse oorsprong van dit jachttype: de engelstalige naam ervan werd in Nederlands overgenomen., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 17
- Zie de documentatiemap "Centerboards." Daarin zit o.a. een opzet voor een artikel van de hand van Jaap Bernhard. Hij vond o.a. de gegevens betreffende de bouw van de Silvana.
BeschreibungScheepsmodel van de romp van een hektjalk. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen Vorm: rond voorschip, rond achterschip met oplopend hek, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Het model bestaat alleen uit een casco van een romp en is wat de opbouw betreft niet gedetailleerd. Te zien is de stevenbalk, de leggers en de spanten. De huidplanken aan stuurboordzijde ontbreken. Wel is daar het boeisel aangebracht. Op het voor een hektjalk typerende achterschip is gemaakt: het boeisel volgt op het achterschip niet de ronding van de romp maar loopt uit in een omhoog staande punt (het hek). De helmstok van het roer kan door een gat in dit hek (hennegat) gestoken worden. Kleuren: het hout is donker gebeitst. Accessoires: geen
HintergrundinformationDe herkomst van het model is niet bekend. Waarschijnlijk is het een werfmodel, bedoeld om te laten zien hoe een dergelijk schip werd gebouwd. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Het opvallende aan een hektjalk is het hek, ook wel statie genoemd, op het achterschip. Het boeisel van het schip loopt vanaf het achterdek schuin omhoog naar achteren. Bij andere tjalken liep het vloeiend rondom het achterdek. Waar bij de hektjalk de boeisels elkaar raken vormen ze met het achterdek een driehoekgie opening (hennegat) waardoor het helmhout steekt. Er zijn veel houten hektjalken gebouwd en slechts enkele (vijf) van ijzer.
TitelScheepsmodel (speelscheepje) van de driemastclippers Anna Augusta.
Herstelleronbekend
Stichwörterspeelscheepjes, klippers
Objektnummer1976-075
Periode van1875
Periode tot1885
BeschreibungScheepsmodel (speelscheepje) van de driemastclipper Anna Augusta. Gemaakt van metaal. Niet op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage. Het model heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet is vastgezet in het voorschip en steekt onder het voordek door naar binnen. De boegspriet wordt gehouden door een waterstag (beneden) en door een boegwant van aan weerszijden één hooftouw. De touwen van het boegwant zijn vastgezet op knoppen aan de buitenkant van het voorschip. De drie masten: voormast, grote mast en bezaanmast. De masten zijn gemaakt uit één stuk. De voormast wordt gehouden door twee voorstagen (op de boegspriet en op de voorsteven) en door een staand want van twee hoofdtouwen (zonder weeflijnen). De grote mast wordt gehouden door vijf voorstagen die zijn vastgezet op de voormast en door een staand want van twee houdtouwen (zonder weeflijnen). De bezaanmast wordt gehouden door vijf voorstagen die zijn vastgezet op de grote mast, door een achterstag op de spiegel en door een staand want van twee hoofdtouwen (zonder weeflijnen). De staande wanten zijn vastgezet op knoppen op de wand van het schip. De masten zijn dwarsgetuigd en hebben ieder vier ra's. Deze zijn met de punten aan elkaar verbonden met lijnen van boven naar beneden. De schoten van de ra's aan de voormast en aan de grote mast lopen naar achter en zijn vastgezet op de mast erachter (respektievelijk de grote mast en de bezaanmast). De schoten van de ra's van de bezaanmast lopen naar voren en zijn vastgezet op de mast ervoor (grote mast). Het model is niet voorzien van zeilen.
De romp: Het schip heeft een scherpe, schuine voorsteven (clippersteven). Het achterschip is geveegd en heeft een platte, schuine spiegel. De bodem is in het midden plat.
Het model van voor naar achter: Het voordek is verhoogd. Over het boeisel aan bakboord hangt over het boeisel een anker. Het ankerketting loopt door het kluisgat naar binnen en loopt onder het voordek door naar achter, waar het is vastgezet op een oog. Op de voorsteven van het schip is aan beide kanten (er aan weerszijden van de kluisgaten) is de naam van het schip geschilderd: 'ANNA AUGUSTA'. Vlak voor de voormast begint het lage hoofddek. Voor alledrie masten loopt is tussen de boeisels een metalen overloop gemaakt. Alleen op de achterste overloop zijn schoten bevestigd. Op het dek tussen de voormast en de grote mast een hoge opbouw en een laag luikhoofd. Op het dek tussen de grote mast en de bezaanmast een reddingsloep op stander en een opbouw. Het achterdek is verhoogd. Uit het achterdek steekt de roerspil die is voorzien van een nar achter stekende, metalen helmstok.
Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is rood. De dekken zijn grijs. De dekhuizen en het luik zijn bruin. De sloep is wit en rood. De rondhouten (masten en ra's) zijn gelakt.
Accessoires: stander en sloep.
HintergrundinformationHet speelscheepje Anna Augusta is afkomstig van W.W. Hopperus Buma (1865-1934), die van 1898 tot 1905 burgemeester van Hennaarderadeel was. De naam Anna Augusta is die van Jonkvrouw Anna Augusta van Eysinga (1863-1960).
De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Dit speelscheepje zal echter niet voor wedstrijden gebruikt zijn.
De clipper is ontstaan uit snelle Amerikaanse schoeners, die door loodsen, douane en marine werden gebruikt. Het waren schepen met een scherpe romp, een lage opbouw, sterk vallende masten met een lichte maar hoge tuigage. Deze schepen werden in het begin van de 19de eeuw vergroot (80-110 voet). het centrum van de bouw van deze schepen lag in Baltimore. het was de zogenaamde Baltimore-clipper, een schip met twee masten. Ze waren getuigd als schoenerbrik. Ze konden snel zeilen, maar hadden geen economisch laadvermogen. Na de Engels-Amerikaanse oorlog (1812-1814) richtte Amerika zich op vergroting van de overzeese handel met Chine en Europa door regelmatige en veelvuldige (snelle) vrachtdiensten (paketvaart) in te stellen. Omdat snelheid succesvol bleek te zijn in het vergroten van de handel werden oude schepen sneller getuigd en werden nieuwe schepen gemaakt op snelheid. Daarbij was de Baltimore-clipper het voorbeeld voor het lijnenplan van de romp. De nieuwe clippers waren echter grote dan de Baltimore-clipper en getuigd met drie masten. Ook in Engeland ontwikkelde men snelle koopvaardijschepen, naar voorbeeld van de Amerikaanse clippers. Met name de Engelse theelclippers waren zee snel, de Cutty Sark bijvoorbeeld. In Nederland was het handelssysteem protectionistisch en daarom meer gericht op de oude trage koopvaarders dan op het ontwikkelen van snelle schepen. Pas na circa 1850 zag men in Nederland de voordelen in van snelle koopvaarders. De Nederlandse clippers werden gebouwd naar Amerikaans voorbeeld: ze waren van ijzer, hadden ijzeren ondermasten en een stalen want. Het centrum van de Nederlandse clipperbouw lag te Dordrecht. Na 1880 werden de meeste Nederlandse clippers verkocht en vervangen door motorschepen., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, p. 28
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschreibungScheepsmodel van een boatsje. Blokmodel met ingelegde spanten. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met invallende boeisels. De bodem is rond en niet gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is met koperbeslag bedekt. In het voorschip een bord met accoladevormige inschulpingen aan de onderkant. De boot is open, heeft geen dekken en derhalve zijn de spanten zichtbaar. De bodem is bedekt met buikdenningen. De messelbank rust op twee spanten en is aan de bovenkant vastgezet met twee brede kniestukken. In het midden van de messelbank is een mastkoker gemaakt. De borg van de mastkoker ontbreekt. De boeisels zijn aan de binnenkant, achter de messelbank, gedubbeld. De zwaarden hangen met houten aan deze gedubbelde boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De zwaardkoppen zijn aan de onderkant versierd met dezelfde accoladevormige inschulpingen als het bord in het voorschip. Langs de onderrand van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een gat in het boeisel naar binnen en zijn daar belegd op korvijnagels door het achterste spanten van de boot. Achter de zwaarden zijn op de boeisels twee paren roeidollen geplaatst. In het achterschip een tweede dwarsbank. Daarachter is in de bodem een oog gemaakt waarop het hakkeblok van de grootschot kan worden vastgezet. Voor de achterbak is een vast buikdenning geplaatst. Achter de achterbank het achterhuis dat aan de bovenkant een boogvormige lijst heeft (hennebalk). Het roer hangt met twee roerhaken aan de achterstven. De kop en de rug van het roer zijn voorzien van koperbeslag. Het helmhout valt los over de roerkop. De kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. De zwaardkoppen zijn zwart met witte invulling van de inschulpingen. Het metaalbeslag van de zwaarden is metaalkleurig. De binnenkanten van de boorden zijn gelakt. De buikdenningen zijn donkergrijs. De handgreep van helmhout is zwart. Het hoosvat is grijs met een rode binnenkant. Accessoires: hoosvat.
HintergrundinformationTjotter is niet een benaming die al lang gangbaar is in Friesland. De Friese scheepsbouwers spraken niet van een tjotter maar van een 'boat'. Ze werden gebruikt als werkboten: visserij, vervoer van personen (overzet), kleinvee en kleine vrachten (kruideniers, bakkers, etc.). Deze boten waren nauwelijk gebonden aan maten. Men bouwde kleine boten, boten en grote boten. Pas in de loop van de twintigste eeuw raakte een nadere aanduiding in zwang: de kleinste boten behielden de naam 'boat', tjotters werden die schepen genoemd met een lengte tot circa 4.80 meter en de grotere boten, die ook anders gebouwd waren, werden Friese jachten genoemd. Het slankere type wordt boatsje genoemd. Het meet 3.80 tot 5 meter lang bij een breedte van 1.35 tot 1.80 meter. Het heeft een plat vlak, waar de zijden onder een hoek tegenaan staan., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 13 oktober 1950
BeschreibungHalfmodel van een stoomboot. Stapelmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: scherpe voorsteven, rond en geveegd achterschip, plat vlak. Het model van voor naar achter: het model is voorzien van een berghout. Het boeisel valt aan de voorkant naar binnen. Kleuren: het model is gelakt, alleen het berghout is zwart geschilderd. Accessoires: geen.
HintergrundinformationHet halfmodel is afkomstig van de werf van Klaas Zwolsman te IJlst. Daar werden dergelijke schepen gebouwd.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor heveig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof na minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de beurtschepen. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1967/1968, p. 15
TitelScheepsmodel van het Engelse oorlogsschip Queen Elisabeth.
Herstelleronbekend
Stichwörteroorlogsschepen, Groot-Brittannië
ObjektnummerK-049
Periode van1914
Periode tot1918
BeschreibungScheepsmodel van een Engels oorlogsschip Queen Elisabeth. Blokmodel en waterlijnmodel (alleen het gedeelte boven de waterlijn is gebouwd). Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: Het model is uitgerust met twee antennemasten. De voorste wordt gehouden door twee voorstagen op de voorsteven en door twee schuin naar achter gerichte balken. De achtermast wordt gehouden door een achterstag op de achtersteven en door twee zijstagen. Aan de voorkant van de achtermast is een liergiek bevestigd. Tussen de beide masten twee vierdradige antennes, die naar achteren schuin naar beneden lopen en daar worden afgetapt. Voorts aan de masten zalingen met vlag- en signaallijnen. Aan de voorste mast zijn twee zwarte kegelvormige seinen gehangen. Aan de achterste mast hangt aan stuurboord een groene bal en aan bakboord een rode zwaluwstaartvormige wimpel. De romp: het voorschip is scherp en steil. Het achterschip is rond. Omdat het een waterlijnmodel is kan van de vorm van de bodem niets beschreven worden. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een Britse vlag. Langs de randen van de dekken zijn van voor naar achter relings gemaakt. Uit het voorschip hangen twee ankers. In de boorden van het voorschip zijn twee rijen patrijspoorten geschilderd. Op het voordek twee bolders, een lichtkap en een dubbelloops kanon. Daarachter het voorste dekhuis. Op het lage deel daarvan een dubbelloops kanon. Op het hoge deel van het dekhuis zijn op drie niveau's open commandobruggen gebouwd. Uit de bovenste daarvan steekt de voormast. In de boorden van het schip zijn aan beide zijden, ter hoogte van het dekhuis, rijen van zes kanonnon gemaakt. Achter het voorste dekhuis twee schoorstenen. Aan weerszijden van de eerste schoorsteen hangen twee sloepen in davits. Schuin achter de tweede schoorsteen staan twee sloepen op het dek. Aan de voorkant van het tweede dekhuis staat de achtermast. Achter het tweede dekhuis een naar achter gericht dubbelloops kanon. Het achterdek is verlaagd. Aan weerszijden van het achterdek hangen twee sloepen in davit. Onder deze sloepen zijn in de boorden van het schip aan beide zijden twee achterwaarst geriht kanonnen gemaakt. Op het achterdek: een achterwaarts gericht dubbelloops kanon, twee luiken en een lichtkap. Op de buitenkant van het achterschip is de naam van het oorlogsschip geschilderd: 'QUEEN ELISABETH'. Kleuren: De romp is grijs met geschilderde patrijspoorten (zwart) en witte biezen bij de lopen van de kanonnen die uit de boorden steken. De dekken zijn gelakt. de dekhuizen zijn grijs met opgeschilderde ramen en deuren. Ook de kanonnen, masten, schoorstenen, sloepen en lichtkappen op het dek zijn grijs geschilderd. Accessoires: Het model is geplaatst in een vitrine waarvan het glas is vastgezet met houten wartels. De opstaande wanden van de bodem en van de dekplaat zijn versierd met inlegwerk. De ronde standers tussen bodem en dekplaat zijn gecannelleerd. In het hout van de bodemplaat is geschilderd (zwart met goudkleurige slagschadus): 'H.M.S. QUEEN ELISABETH'.
HintergrundinformationHet model is vervaardigd door een Britse krijgsgevangene die in Leeuwarden tijdens de Eerste Wereldoorlog in een kamp gevangen zat. In Leeuwarden waren 600 Engelse zeelieden geïnterneerd. Ze waren gehuisvest in de zogenaamde Engelse huizen aan de Engelse straat en de Harlingerstraatweg. Ze waren bemanningsleden van de Engelse kruisers Aboukis, Cressy en Hoque die in de nacht van 22 op 23 september 1914 voor de Nederlandse kust werden getorpedeerd door een Duitse onderzeeër. De drenkelingen kwamen in Nederland aan wal. Omdat Nederland neutraal was werden de Engelsen geïnterneerd. Om de verveling te verdrijven zorgde Roelof Buisman voor afleiding. Buisman was van 1915 tot 1932 consul van Groot-Brittannië. Roelof Buisman (geboren Grou 19 juni 1874, overleden ?). Boterexporteur te Leeuwarden. Lid van de Kamer van Koophandel van 1936-1951 en voorzitter daarvan van 1938-1942 en van 1945-1951. Ook voorzitter van de V.V.V. Leeuwarden en van de Koninklijke Zeilvereniging Oostergoo te Grou. H.M.S. Queen Elisabeth was een slagschip van de Britse marine. Het model is er één van het schip in zijn oorspronkelijke uitvoering., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 15 december 1955.
BeschreibungScheepsmodel van een loodslogger. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip is voorzien van een kluiverboom en twee masten. De kluiverboom rust in een scepter, die aan stuurboordzijde aan de steven is bevestigd, en in de kluiverboomstoel op het voordek. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door een waterstag (beneden) en door een boegwant van aan weerszijden twee hoofdtouwen. De voormast is voorzien van een steng (aan elkaar verbonden door en metalen en een houten ezelshoofd). Deze mast wordt gehouden een metalen voorstag en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen die zijn voorzien van weeflijnen (touwladders) en door een lopend want van twee bakstagen. De steng wordt gehouden door een voorstag en een stag die loopt naar de achtermast en aan weerszijden door twee zijstagen die via twee zalingen naar het boeisel lopen. De achtermast wordt aan weerszijden gehouden door een staand want van twee hoffdtouwen die zijn voorzien van weeflijnen (touwladders). Het lopende en staande want van beide masten zijn met puttingijzers vastgezet op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een fok, een grootzeil en een bezaan. De kluiver is met metalen ringen aan een voorlijn (niet een stag) bevestigd. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder in het voorschip. Het voorlijk van de fok is ook met metalen ringen aan een voorlijn (niet een stag) bevestigd. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het lage achterdek. De bezaan is zoorzien van een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van de bezaan is met raktouwen aan de mast bevestigd. De schoot van de bezaan loopt via twee blokken en is belegd op een klamp op het verhoogde achterdek. De vallen van de zeilen zijn belegd op nagelbanken, onder aan de beide masten. In de top van de voormast geen wimpel maar een knop. Aan het want van de achtermast is aan bakboord een rode wimpel bevestigd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Scherpe, steile voorsteven. Rond, geveegd achterschip. Vlakke bodem. Het model van voor naar achter: In het voorschip twee kluisgaten. Op het voordek de toegang tot het vooronder en de overloop van de fok. Net voor de mast de overloop van de fok en een nagelbank. Achter de mast een dekhuis met schuifluik, lichtkap, reling en schoorsteen. Achter het dekhuis de overloop van de grootschoot en de bezaanmast met nagelbank. Het achterdek is een paviljoendek (even hoog als de bovenkant van het boeisel) en is aan twee kanten te bereiken met trappen. Op het achterdek de roerspil en het helmhout en de bevestiging van de schoot van de bezaan. Langs de achterkant van het achterdek een reling. Kleuren: Van de romp is het onderwaterschip donkergroen en de rest wit. De dekken en de opbouw op het dek zijn gelakt. De relingen en het beslag op de rondhouten zijn wit. Accessoires: stander
HintergrundinformationDe herkomst van het model is niet bekend. Loggers werden meestentijds ingezet voor de visserij. Dat is met dit type echter niet het geval: er zijn geen bunnen en er zijn geen voorzieningen voor het binnenhalen van netten. Vermoedelijk werden dergelijke loggers gebruikt door het loodswezen. Een logger was van oorsprong een snel kustvaartuig, ontstaan in de 18de eeuw in het Engelse Kanaalgebied. Het had steile steven en een gestrekte rompvorm, een V-vormig spant en een tuig van één, twee of drie masten. In Nederland werden dergelijke loggers ook ingezet in de vloot of bij douanediensten. In 1885 werd in Nederland de eerste vislogger (in Frankrijk gebouwd) in gebruik genomen door een Schevenigse reder, als vervangen van de bomschuit. In Vlaardingen werd de eerste Nederlandse logger gebouwd: eerst van hout en met drie masten, later van ijzer met twee masten. Deze Vlaardinger loggers hadden een rechte, verticaal staande voorsteven met ronde voet en een overhangend achterschip met rond hek. Het grootspant had een ronde dwarsdoorsende en de geheel gedekte romp had een vij hoge kop. Het kitstuig was samengesteld uit een grote mast met een grootzeil, een gaffeltopzeil, een stagfok en een kluiver op een kluiverboom De bezaansmast voerd een bezaanzeil met een gaffeltopzeil. Afmetingen: lengte 20.40 meter, breedte 5.60 meter en holte 2 meter. Sinds 1908 werden loggers gaandeweg uitgevoerd met hulpmotor. De laatste loggers verdwenen rond 1930. Veel bestaande loggers werden verlengd tot 30 à 35 meter en voorzien van een motor.
TitelScheepsmodel van het veerschip Kaduna uit Port Harcourt.
Herstelleronbekend
Stichwörterveerschepen, Port Harcourt, Nigeria
Objektnummer1995-006
Periode van1972
Periode tot1972
BeschreibungScheepmodel van een veerschip genaamd Kaduna. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Op het voordek twee liermasten en op het bovendek een lantaarnmast en een korte mast. De liermasten op het voordek zijn geplaatst tegen de voorkant van het dekhuis. In de mast aan bakboord hangt een liergiek met takelage. De haak van de takel is vastgezet op de kast van de ankerlier. De liermast aan stuurboord is niet voorzienv an een liergiek. Achter het stuurhuis staat op het bovendek een lantaarnmast met daarin een toplicht, een antenne en aan bakboord een rood-wit-blauwe vlag. De lantaarnmast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door twee zijstagen. Op het achterste deel van het bovendek staat een korte mast, die wordt gehouden door een achterstag. In een gaffel hangt een kraanlijn met blok. Op het achterschip wordt aan een vlaggenstok een groen-wit-groene vlag gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het spiegel van het achterschip heeft een lichte ronding. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Aan bakboord en stuurboord hangen uit de kluisgaten twee ankers. Aan weerszijden van de boeg de naam 'Kaduna'. Op de punt van het voordek een vlaggemast en een bolder. Op het voordek een dubbele ankerlier, een luikhoofd en twee liermasten. Vervolgens de opbouw: de passagiersruimte in twee etages. Op de zijkant daarvan een rederij-embleem en 'Waterlines'. Op het dak van de passagiersruimte de stuurhut en het bovendek. Op de stuurhut een radarantenne en een schijnwerper. Achter de stuurhut de lantaarnmast. Op het bovendek liggen vijf paar reddingvlotten. Op het achterste deel van het bovendek vier schoorstenen en een kleine mast. Achter het passagiersverblijf het achterdek, dat wordt overdekt door een zonnetent. Daarachter hangt in een davit een reddingsloep. Het schip heeft twee scheepsschroeven. Op de achtersteven: 'Kaduna / Port Harcourt'. Kleuren: De romp is blauw met een witte bovenrand, het onderwaterschip is rood. De bovenetage van de passagiersruimte is wit. De dekken zijn groen. De schoorstenen en masten zijn geel. De reddingvlotten rood en wit. Accessoires: het model is gemonteerd op een plank met daaromheen een opstaande rand, waartussen een doosvormige glazen overkapping past. Het model is met twee standers in het vlak aan de plank gemonteerd.
HintergrundinformationHet veerschip Kaduna werd gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F50). Opdrachtgever: regering van Nigeria. Het veerschip voer voor de rederij Waterlines in Port Harcourt in Nigeria., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
TitelZilveren model van een twaalf voets jol. Zeilprijs.
Herstelleronbekend
Stichwörtertwaalf-voets-jollen, jollen
Objektnummer1985-209
Periode van1915
Periode tot1915
BeschreibungZilveren model van een twaalf voets jol. Het gehele model is van zilver: de romp, de rondhouten, de zeilen en het touwwerk. Het model is met twee standers gemonteerd op een houten plank. Op deze plank tien ovale, zilveren plaatjes met inscriptie. Op het grootste plaatje: 'Jol prijs / uitgeloofd door een lid / van de Zeil- en roeivereniging / 'Hollandia' '. Op de negen kleinere plaatjes de namen van de winnaars: '1915 G. Hoogerhoud Willgerr / 1916 G. Hoogerhoud Willgerr / 1917 J. Swart Liberty / 1918 J. Swart Liberty / 1919 C.N. Hin Beatrijs III / 1920 M. de Wit Boreas / 1922 A.J.H. Dokkum Snapje / 1923 A.J.H. Dokkum Snapje / 1927 E.R. Zweep Karekiet / 1928 E.R. Zweep Karekiet / 1929 E.R. Zweep Karekiet'.
HintergrundinformationDe zilveren model werd gebruikt als wisselprijs in de klasse van twaalf-voets-jollen. De prijs is in 1928, 1929 en 1930 gewonnen door E.R. Zweep in zijn twaalf-voets-jol met de naam Karekiet. Hij mocht de wisselprijs toen houden.
De twaalf-voets-jol (ook wel Dinghy genaamd) werd door de K.V.N.W.V. in 1914 als internationale klasse ingesteld, maar pas in 1919 vond de feitelijke erkenning plaats. De ontwerper was de Engelsman George Cockshott. hij beoogde met zijn ontwerp een eenheidsbijboot voor grotere jachten te maken. In Nederland, België, Duitsland en Italië maakte de klasse opgang, maar na de Tweede Wereldoorlog werd er met twaalf-voets-jollen nog slechts in Nederland gezeild. In 1964 verloor het type de internationale status. Inmiddels is het tij gekeerd. Oude boten zijn gerestaureerd en er wordt weer volop mee gevaren.
In “Het zeilen, met allerlei vaartuigen, ter spelevaart en ten wedstrijde” door C.H.M. Philippona (Amsterdam 1919) staat op pagina 162 een foto van een vrijwel identiek model (misschien hetzelfde?) uitgevoerd door Corn. Schoorl "In den Zilveren Molenbeecker" te Amsterdam, literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 34-35
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998) pp. 100-101
BeschreibungOpen halfmodel (of nestmodel) van een tjalk. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter. De spanten zijn gemaakt als schotten (mallen). Daar overheen dunne latten die de lijnen van de romp aangeven. Boven het berghout is het model dicht. Naast de romp zijn ook de plaats van de mast en het roer aangegeven. Van het roer ontbreekt een deel van de kop. Het model is geplaatst op een plank. Op de plank een etiket met het nummer 465. Kleuren: Het onderwaterschip is wit. Het berghout is zwart. De roerkop is groen. De plank is blauw. Accessoires: geen.
HintergrundinformationHoutworm in 1991 behandeld, Het halfmodel is afkomstig uit de collectie van de Koninklijke Marine in het RIjksmuseum te Amsterdam. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., Literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76 (FSM nr. H-398)
- Jaarboek Fries Scheepvaart museum 1983, p. 21
BeschreibungHalfmodel van de brik de Gier. Op spanten gebouwd nestmodel: spanten (of mallen) van eikenhout die gedeeltelijk overdekt zijn met latten van palmhout. Schaal weergeven in Amsterdamse voeten. Rondhouten en tuigage: geen. Alleen de plaats van de twee masten is aangegeven. Deze masten hellen achterover. De romp: Het voorschip is rond en voorsien van een scheg. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Op het voorschip is het achterstuk van de boegspriet weergegeven. Daaronder de scheg. Van de romp zijn de de spanten (mallen) en een deel van scheepshuid aangebracht. Ook het berghout is te zien. Het roer is tamelijk smal. Het geheel is geplaatst op een plank, die aan de onderkant is versierd in ingezaagde halve acooladevormen. In de bovenkant van de plank drie paar ophanggaten. Links van de grote mast een etiket met daarop een schaalverdeling in 'Amsterdamsche Voeten'. Rechts van de grote mast een zwarte ovale naamplaat met daarop in wit geschilderd: '2 / GIER 16 ST / GB 1795'. Rechtsonder is op de plank een etiket geplakt met daarop het nummer '357'. Kleuren: De romp is gelakt, met uitzondering van het onderwaterschip dat wit is. Het berghout en de bovenste huidplank (verschansing) zijn zwart. De onderkant van het roer, de voor- en achtersteven zijn wit. De bovenkant van de scheg is zwart. De plank is ongeverfd. Accessoires: geen.
HintergrundinformationHet halfmodel is afkomstig uit de Marinecollectie van het Rijksmuseum. Na de opheffing van de Friese Admiraliteit in 1795 werden op de admiraliteitswerf te Harlingen nog vier oorlogsschepen gebouwd. Eén daarvan was de brik de Gier, een oorlogsschip van 18 stukken. De brik werd gebouwd voor rekening van de Bataafsche Republiek. Het werd in het jaar 1797 afgeleverd. Afmetingen: lengte 100 voet, breedte 31 voet, holte 17 1/3 voet. Over de deelname van de brik de Gier aan de oorlog op de Zuiderzee tegen de Engelsen is geschreven in het Sneeker Nieuwsblad van 27 december 1955. De Engelsen wisten de brik in handen te krijgen. Het werd meegenomen naar Engeland en is nooit terug gekeerd. Een brik is een tweemastkoopvaardij- of oorlogsschip dat in de loop van de 18de eeuw ontwikkeld werd en tot in de 19de eeuw bij de meeste zeevarende landen veelvuldig in de vaart bleef. De brik is gegroeid uit de brigantijn. De brigantijn voerde aan de fokkemast vierkant zeilen en aan de grote mast een langsscheeps grootzeil. Later werden aan de grote mast ook een vierkant mars- en bramzeil toegevoerd, zodat eigenlijk beide mast vierkant getuigd waren (alleen het grootzeil aan de grote mast was niet vierkant maar langsscheeps). Op de brik werd die vierkante grootzeil aan de grote mast toegevoegd en bleef het langsscheepse bezaanzeil. Bovendien werden op de boegspriet en tussen de masten stagzeilen toegevoegd. De twee masten waren zoals gewoonlijk in drieën gedeeld: een ondermast, een marssteng en een bramsteng. In de 19de eeuw werd aan de grote mast soms maar één steng gevaren met één of twee ra's. Dit waren de zogenaamd kruisbrikken. Brikken waren snelle en handige schepen die een relatief kleine bemanning vergden. Afmetingen: lengte 25-28 meter, breedte 6.75-8.50 meter, holte 3.50-5 meter., In de voormalige marinearchieven (op film bewaard in het Instituut voor Maritieme Historie) bestaat een tekening waarbij de Gier wordt benoemd als gebouwd voor de Admiraliteit van Amsterdam., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 9 januari 1953, 27 december 1955
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1952
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1965, p. 20
BeschreibungScheepsmodel van een beurtschip. Blokmodel. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel aan de voorsteven bevestigd. Aan de achterkant is de kluiverboom scharnierend in een metalen stander bevestigd. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen. Op de steven een ijzeren botteloef (in het fries loefbyter) met vorkverbinding en een metalen waterstag. De mast wordt gehouden door twee voorstagen (één op de kluiver en één op de botteloef), en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers vastgezet op het boeisel. Het model is volledig getuigd, echter niet voorzien van zeilen. Aan de verstaging, de vallen en de schoten is echter wel te zien welke zeilen er op gevoerd kunnen worden: een kluiver, een stagfok een een grootzeil (met gebogen gaffel en giek). De kluiver kan worden uitgezet met een traveller. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Van de schoten is alleen die van het grootzeil aangebracht. Deze grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in de bollestal (verlaagd achterdek). Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Op het voorboeisel ligt een stokanker. Het ankerketting loopt door een kluisgat, over de braadspil door een gat in het dek naar het vooronder. Op het voordek: de braadspil, de kluiverboomstander en aan weerszijden twee bolders, waarvan de koppen zijn overdekt met koperplaat. Voor de mast het luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Het luik verschaft ook de toegang tot het voorruim. Net voor de mast loopt, over het luik, de gebogen overloop van de fokkeschoot. De uiteinden van de overloop zijn bevestigd aan de binnenkanten van de boeisels. In het staande want is aan bakboord een geleider met lijn voor het hijsen van lantaarns of seinvlaggen gemaakt. De zwaarden hebben een verdikte kop, die versierd zijn met een ster rond het boutgat. De zwaarden zijn rondom met metaal beslagen. De zwaardloper gaat door twee schildpadblokken (buitenkant en bovenkant oftewel potdeksel van het boeisel) en zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door twee enkelschijfs blokken en die zijn belegd op de achterbolders. Achter de mast het ruim dat in een vloeiende lijn overgaat in de kajuit. Twee openslaande deuren in de achterwand verschaffen toegang tot de kajuit. Tussen kajuit en boeisels gangboorden, die doorlopen tot het achterhuis. Aangezien het achterschip een bollestal (verlaagd dek) heeft, zijn de gangboorden achter de kajuit afgeschermd met schotten die moeten voorkomen dat water van de gangboorden in de lager gelegen bollestal loopt. Over de rand van deze schotten en over de rand van de stuurbalk van het achterhuis metaalbeslag. In het achterhuis geen deur. De helmstok is van metaal en heeft een houten handgreep. De roerkop is naar achter toe oplopend, hoekig van vorm en onversierd. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is rood. Het berghout en de bovenkanten van de boeisels zijn zwart. Het houtwerk binnen de boeisels (dekken, roef, rondhouten, etc) is grotendeels gelakt. Alleen de kop van het roer is zwart geschilderd, evenals de top van de mast. De hanepoten en de trommelstok zijn wit. Accessoires: geen.
HintergrundinformationZeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
BeschreibungPalmhouten scheepsmodel van een brik. Blokmodel. Schaal niet bekend: Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een boegspriet en twee masten. De boegspriet en het daar op liggende kluifhout hangen in de voorstagen van de fokkemast. Aan de onderkant wordt het kluifhout gehouden door twee waterstagen, die worden geleid via een stampstok (naar beneden wijzende stok, ook wel Spaanse ruiter genoemd), en zijn vastgezet op de voorsteven. Ook loopt van de top van het kluifhout naar het berghout een boegwant van twee hoofdtouwen. De twee masten: een fokkemast en een grote mast. Beide masten zijn opgebouwd uit drie delen: een mast, een marssteng en een bramsteng. De verbinding tussen mast en marssteng wordt op beide masten gemaakt door een mars en een door een inkerving gesuggereerd ezelshoofd. De verbinding tussen marssteng en bramsteng wordt gemaakt door een ezelshoofd (blok met zaling) en een door een inkerving gesuggereerd ezelshoofd. De verstaging is ook gelijk: De fokkemast en de grote mast worden gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De marsstengen worden gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen op de mars en door een lopend want (bakstag). De bramstengen worden gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen op de zalingen en door een lopend want (bakstag). De staande en lopende wanten zijn zonder rusten (horizontale balken op de buitenkant van het boeisel) met nagels vastgezet op de romp (net onder het berghout). De masten en stengen worden ook gehouden door voorstagen. De fokkemast, de fokkemarssteng en de fokkebramsteng worden gehouden door voorstagen op de voorsteven, boegspriet en het kluifhout. De grote mast, de grote marssteng en de grote bramsteng worden gehouden door voorstagen op het voordek en aan de mars en zalingen van de fokkemast. Het model is niet uitgerust met zeilen. Aan de rondhouten, vallen en schoten is echter af te leiden welke zeilen er op het schip gevoerd kunnen worden: een jager, een buitenkluiver en een binnenkluiver tussen boegspriet en fokkemast. Aan de fokkemast vier ra's waaraan een fok, een fokkemarszeil en een fokkebramzeil passen. Aan de grote mast eveneens vier ra's waaraan een grootzeil, een grootmarszeil en een grootbramzeil gevoerd kunnen worden. Aan de grote mast is ook een gaffel gemaakt voor een langsscheeps bezaanzeil. De ra's zijn vastgeknoopt aan de masten. Ze zijn dus niet voorzien van echte vallen. De gaffel is voorzien van geerden (gebruikt om de gaffel in toom te houden), vastgezet op het achterboeisel. De schoten zijn wel (gedeeltelijk) aangebracht. Zij kruisen elkaar: de schoten van de razeilen aan de fokkemast lopen via blokken aan de achtermast en de schoten van de razeilen aan de grote mast lopen via blokken aan de fokkemast. De schoten van de kluivers en van het bezaanzeil zijn niet aangebracht en ook de boelijnen ontbreken. In de top van de achterste mast een rood-wit-blauwe vlag (ingekleurd met verf). Rode kralen doen dienst als blokken. De romp: Het voorschip is scherp, een clippersteven. Het achterschip is van boven rond en van onderen scherp en geveegd. De bodem is buikig en voorzien van een kiel. Het model van voor naar achter. Het voordek is verhoogd. Op het voordek de kraanbalken (gebruikt bij het ankeren) die samen een V-vorm maken. In de punt van deze V-vorm een klos, waarin de voorstag van de grote mast is vastgemaakt. Op het lagere hoofddek de fokkemast en een dekhuis. Het dekhuis is aan de voorkant open. Aan de zijkanten zijn er drie patrijspoorten in gemaakt. Door het dak van het dekhuis steekt de grote mast. Kleuren: Al het houtwerk is gelakt. Accessoires: stander met grondplaat.
HintergrundinformationHet model is afkomstig uit de familie Metzelaer te Harlingen. Vererving: Tsjerk Pieters Metzelaer (geboren Harlingen 1797, koopman) en Sibbeltje Sybrens de Vries. Hun zoon Klaas Tjerks Metzelaer (geboren Harlingen 12 feb. 1839), gestorven Harlingen 30 jan 1907), manufacturenwinkelier (Harlinger Courant 12 april 1865, advertentie) trouwde op 30 maart 1865 met Hylkje van Slooten (geboren Harlingen 24 feb 1841, gestorven aldaar op 15 maart 1929). Zij kregen een zoon Tsjerk Klaas Metzelaer op 1866 (Harlingen). Deze trouwde met Laurina Stout. Het zijn de ouders van de schenkster. Oorspronkelijk heeft het model waarschijnlijk onder een stolp gestaan. Een brik is een tweemastkoopvaardij- of oorlogsschip dat in de loop van de 18de eeuw ontwikkeld werd en tot in de 19de eeuw bij de meeste zeevarende landen veelvuldig in de vaart bleef. De brik is gegroeid uit de brigantijn. De brigatijn voerde aan de fokkemast vierkant zeilen en aan de grote mast een langsscheeps grootzeil. Later werden aan de grote mast ook een vierkant mars- en bramzeil toegevoerd, zodat eigenlijk beide mast vierkant getuigd waren (alleen het grootzeil aan de grote mast was niet vierkant maar langsscheeps). Op de brik werd die vierkante grootzeil aan de grote mast toegevoegd en bleef het langsscheepse bezaanzeil. Bovendien werden op de boegspriet en tussen de masten stagzeilen toegevoegd. De twee masten waren zoals gewoonlijk in drieën gedeeld: een ondermast, een marssteng en een bramsteng. In de 19de eeuw werd aan de grote mast soms maar één steng gevaren met één of twee ra's. Dit waren de zogenaamd kruisbrikken. Brikken waren snelle en handige schepen die een relatief kleine bemanning vergden. Afmetingen: lengte 25-28 meter, breedte 6.75-8.50 meter, holte 3.50-5 meter.