TitelScheepsmodel van de Fiducia, een motorvrachtschip van het type Kempenaar.
VervaardigerSchouwstra, C.
Trefwoordenkempenaars, maatschepen, vrachtschepen
Objectnummer1991-148
Periode van1988
Periode tot1991
BeschrijvingScheepsmodel van een motorvrachtschip van het type Kempenaar. Blokmodel. Schaal 1:50.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: scherp voorschip, rond en geveegd achterschip, valkke bodem.
Het model van voor naar achter: Op het voordek de ankerlier en de opbouw van het vooronder. Daarop de lantaarnmast met twee lantaarns. Daarachter het ruim. Halverwege het ruim aan bakboord een davit met daarin een reddingboot. Achter het ruim de houten stuurhut en de roef. De stuurhut kan verwijderd worden, zodat in de roef gekeken kan worden. In de roef aan beide zijkanten vier ramen en in de achterwand en patrijspoort. Op het dak van de roef de schoorsteen, de boordlichten en een houten naambord: 'FIDUCIA ZWIJNDRECHT'. Ook op het dak van de stuurhut twee lantaarns. Langs de roef en het achterschip een metalen reling.
Kleuren: De romp van het schip is zwart. Het boeisel en de bovenkanten van het voor- en het achterschip zijn grijs. Het dek is zwart. De opbouw van het vooronder en de wanden van de roef zijn wit. De luikhoofden en de daken van de roef en de stuurhut zijn grijs. De schoorsteen is blauw en de twee roerbladen zijn rood. De luiken en de houten stuurhut zijn gelakt.
Accessoires: Loopplank en zes wrijfhouten.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd door de schipper en eerste eigenaar van het schip. De Fiducia werd in oktober 1961 gebouwd te Harlingen, tegelijk met de M.S. Drechtstad. De Drechtstad werd gebouwd in opdracht van G. Schouwstra (in 1991 wonende te Sneek, Bourbonstraat 33) en de Fiducia in opdracht van C. Schouwstra (de bruikleengever en vervaardiger van het model). Copieën van de bouwtekeningen worden bewaard in het knipselarchief. Afmetingen van het echte schip: lengte 50 meter, breedte 6.60 meter, holte 2.51 meter, 498 ton. Motor: Deutz 375 pk van het type RvM 536. Een Kempenaar is een zogenaamd maatschip: de vorm wordt bepaald door de grootte van de sluizen en bruggen die het schip moet kunnen passeren. De Kempenaar is gebouwd om de Zuid-Willemsvaart en de Kempense kanalen te kunnen passeren. In het algemeen bedraagd de lengte 50 meter en de breedte 6.60 meter. Met de bouw van kempenaars, aanvankelijk nog ijzeren sleepschepen, werd begonnen op het einde van de 19de eeuw. Tot 1930 werden in België bijna 300 van deze binnenschepen te water gelaten. Later werden de schepen gemotoriseerd. De na-oorlogse Kempenaars werden gebouwd als motorvrachtschip en hadden een wezenlijk andere vorm als de sleep-kempenaars van voor de Tweede Wereldoorlog. Vooral in de jaren 1960 en 1961 werden er veel van deze motor-kempenaars gebouwd (in België alleen al 20).
BeschrijvingHalfmodel van een Rivierschip. Blokmodel gemaakt volgens de stapelmethode (op elkaar gelijmde planken). Gemaakt uit twee soorten houten. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: geen Romp: Het voorschip is scherp en heeft een zogenaamde ramsteven. In zijaanzicht steekt het onderwaterschip in een bolle vorm door naar voren, als ene omgekeerd vraagteken. Het achterschip rond en geveegd (motorkont). De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Het model is weinig gedetailleerd. Alleen de vorm van de romp is nauwkeurig aangegeven. Boven het berghout is een rij luiken gemaakt: zes in het voorschip en vier in het achterschip. Het roer is halfrond en hangt voor de scheepsschroef (die niet is aangegeven). Op het dek is de plaat van een ruim aangegeven. Het halfmodel is bevestigd op een plank die is ingelijst. De lijst is voorzien van twee ophangogen. Kleuren: De romp is gelakt, zodanig dat de verschillende houtsoorten ook verschillende kleuren opleveren. De luiken zijn zwart geverfd, evenals het dek. De plank is zwart en de lijst is gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieTussen 1875 en 1900 werden veel oorlogsschepen voorzien van een ramsteven. Bekend zijn de ramschepen Buffel en Schorpioen, die werden ingezet voor de verdediging van de kusten. Ook de grote rivieren in Nederland werden verdedigd met dergelijke schepen, rivierschepen genaamd. In 1870 werd het eerste rivierschip, de Vahalis, gebouwd. Het was een zogenaamde brugrammer (365 ton en twee kanonnen), geschikt voor het stukrammen van vijandelijke pontonbruggen. Tussen 1876 en 1879 volgden de Merva, de Mosa, de Isla en en Rhenus. Het waren behoorlijk gepantserde schepen. In het begin van de 20ste eeuw werden deze schepen afgevoerd., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 30 juli 1948
TitelScheepsmodel van een haringboot met visserijnummer HB33.
VervaardigerJong, Dirk en Sybe de
Trefwoordenharingboten, vissersschepen
Objectnummer1993-019
Periode van1992
Periode tot1992
BeschrijvingScheepsmodel van een haringboot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen.
Romp: scherpe voorsteven, scherpe achtersteven, plat vlak.
Het model van voor naar achter: De stevenbalk is recht. Op de voorsteven het visserijnummer: 'HB 33'. In de voorsteven een schuingeplaatste kniespant. De bodem is geheel vlak. In het voorschip een bank. Tussen de spanten twee uitschuifbare schotten. In het achterschip bergruimte. Opvallend is de verdikking van de huidplanken in het middenschip. Het beslag (ringen) is van koper.
Kleuren: het model is donker gebeitst.
Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHet model werd opgezet door Dirk de Jong (geboren 12 aug. 1903, overleden in 1992) en afgemaakt door zijn zoon Sybe de Jong. Het betreft een model van de haringboot van de vader, resp. grootvader van de bouwers, Sybe de Jong. Hij was visser te Zwarte Haan en had het visserijnummer HB33 en stokmerk ¦*¦ De bouwer leverde bij het model een fotocopie van het visserijconsent uit 1936, verleend aan Sybe de Jong, geboren in 1872. Het schip had toen de naam De Jonge Fokke en het visserijnummer HB 33. Het consent is terug te vinden in de knipselmappen (trefwoord regelvisserij).
De vorm van de haringboot werd bepaald door het gebruik ervan. Het vlak is plat, zodat de boot amfibisch gebruikt kon worden (over de dijk of zandbanken slepen). De boot had een geringe holte om zelfs in het ondiepste water te kunnen blijven varen. De boot werd geboomd en daarom zijn voor- en achtersteven puntig. Zeilen gaf teveel rommel aan boord. Opvallend zijn de steile hoge boorden. Dat zou problemen geven hij het inhalen van de fuiken, maar als twee vissers aan een kant gaan staan kwam het boord dicht genoeg bij het water. Ze verkregen stevigheid doordat de boorden net op kniehoogte waren. De boorden waren steil om het schip smal te houden. De lading vis kon zo niet al teveel in de breedte van het schip heen en weer glibberen, waardoor de boot instabiel zou worden. Het schip is overnaads gebouwd van drie brede gangen. In de tweede helft van de 19de eeuw en in het eerste deel van 20ste eeuw werden er veel haringboten gebouwd op de werf van de Gebroeders Van Maanen te Berlikum. De oudere types, waarvan dit model een beeld geeft, waren ongeveer 7 meter lang en 1.5 meter breed. Aan de regelvisserij, die in Barradeel en Het Bildt en in de Dongeradelen werd beoefend met haringboten, kwam een einde na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932., literatuur:
- ir. J. Roelfzema, 'De Friese Haringboot', Jaarverslag Vereniging Nederlands Historisch Scheepvaart Museum 1981, pp. 47-50.
- S.J. van der Molen, Vissers van Wad en Gat (Leeuwarden, 1962)
- S.H. Buwalda, Geskidenis van de Biltse Waddenfisserij (Sint Annaparochie, 1986)
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, p. 20
BeschrijvingScheepsmodel van een baggermolen. De romp is rechthoekig van vorm. Langs de gehele romp een stootrand. Het model van voor naar achter: Op het voorschip de takelbok voor de baggerarm. Met de bok kan de baggerarm dieper of minder diep in het water worden gelaten. De bok wordt bediend met twee draaihendels. De baggerarm loopt van voor naar achter schuin omhoog. over de arm loopt een ketting van baggeremmers. De emmers zijn halfrond van vorm. op het middenschip bereikt de baggerarm zijn hoogste punt. Daar is ook ook de aandrijving van de arm. Via tandwielen en een aandrijfsnaar vanuit het ketelhuis op het achterschip wordt de ketting met de baggeremmers in beweging gebracht. In de toren op het middenschip is ook de plaats waar de emmers gelost worden. Via twee losgoten kan de bagger in dekschuiten gelaten worden. De losgaten hangen in twee takelmasten, zodat de hoogte van de goten veranderd kan worden. De beide takelmasten zijn bevestigd aan de toren op het middenschip. Aan een derde mast aan de toren zijn de seinen bevestigd: twee ballen en een blauwe vlag. Het ketelhuis op het achterschip is voorzien van een verticale ketel die uit het dak steekt. Op de ketel een schoorsteen. Aan bakboord is in het dekhuis een deur en aan stuurboord twee schuifluiken. Het gehele dek is voorzien van reling. Op het dek voorts vier dubbele bolders en vijf lierkasten waarmee de ankers worden opgedraaid. aan beide zijden zijn aan de opbouw slangen bevestigd waarmee het dek schoongespoten kan worden. Kleuren Het onderwaterschip is zwart. Het dek en de opbouw daarop zijn grijs gespoten. Slechts hier en daar zijn op de opbouw enkele onderdelen zwart geverfd: de rollen op de baggerarm, de hendels op de bok en de lieren, de haspels van de slangen en de schoorsteen van de stoommachine. Accessoires Bij het model hoort een stander van ongeverfd hout.
AchtergrondinformatieHet model van de baggermolen is gemaakt naar tekening van de stoom-baggermolen Rival van de firma Dikkerboom en sybrandy te Heerenveen. Deze baggermolen werd in 1933 gebouwd op de scheepswerf De Hollandsche IJssel te Oudewater. De tekeningen van de baggermolen, die bewaard zijn gebleven bij het baggerbedrijf te Heerenveen, zijn in 1990 geschonken aan het Fries Scheepvaart Museum en zijn genummerd 1990-458 t/m 1990-487. Deze tekeningen zijn gebruikt bij de bouw van het model., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 24
BeschrijvingScheepsmodel van een driemaster. Uitgehold blokmodel. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: geen. Wat ervan resteert zijn aan bak- en stuurboord series van vier en vijf gesmede spijkers, waaraan de staande wanten bevestigd waren. De romp: Het voorschip is rond en is voorzien van een campagne. Het achterschip is voorzien van een platte spiegel. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het galjoen is dichtgemaakt. Het bestaat uit drie profileringen die de regelingen moeten voorstellen. Het galjoen is aan de voorkant afgebroken en gebrokkeld. De dekken zijn niet aangebracht. Aan de romp is te zien dat het voordek hoger was dan het hoofddek. Achter het hoofddek een verhoogd halfdek en een nog hogere campagne. Op de buitenkant van de romp drie berghouten. Daartussen twee rijen geschutsopeningen met (grotendeels afgeknapte) houten kanonlopen (aan twee kanten twee rijen van zes). Tussen de geschutsopeningen op beide zijden een opschrift in vergulde letters: 'DIE MYN NAEM BEGERICH IS / OM TE WEETEN 'T WAEPEN VAN DIE STADT YLST BEN ICK GEHEETEN'. Aan het achterschip twee verbredingen vanuit de spiegel: de galereien. De spiegel en de wulf zijn niet versierd. In de wulf (het gebogen vlak tussen spiegel en de waterlijn), aan weerszijden van de achtersteven, nog twee geschutsopeningen. Dat brengt het totale aantal kanonnen op 26. Onder de achterste geschutsopeningen de ingekerfde letters 'FP'. In de romp een oog, waaraan het model gehangen heeft. Het model heeft geen roer. Kleuren: Delen van de meerkleurige beschildering zijn nog te zien. Het onderwaterschip is wit met daarboven een golvende lijn in blauw en donkerblauw. De berghouten zijn verguld. De ruimten daartussen lichtblauw met daarop vergulde letters met schaduw. Het galjoen, de verschansing en de campagne (galereien en spiegel) zijn verguld.
AchtergrondinformatieHet model is waarschijnlijk afkomstig uit het raadhuis van IJlst. Het ophangoog en de geschilderde golven maken aannemelijk dat het hier een kerkscheepje betreft. In dat geval zou het oorspronkelijk afkomstig kunnen zijn uit de in 1830 afgebroken Mauritiuskerk van IJlst. Het feit dat het model niet is uitgerust met een roer houdt verband met de legende van het roerloze IJlster koggeschip, dat wordt afgebeeld in het wapen van IJlst. Kerkscheepjes zijn scheepsmodellen ter opsiering van een kerkinterieur en daarin meestal opgehangen. Ze waren over het algemeen door zeelieden aan de kerk geschonken in gevolge een gelofte (ex voto) of uit dankbaarheid voor een behouden thuiskomst, een gunstige wending in een zeeslag, een rijke visvangst, etc., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1986, pp. 16-17. - Sneeker Nieuwsblad 29 juli 1947
- Ingekomen stukken 24 maart 1950, 30 maart 1950.
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de zeven-meter-tien-klasse.
VervaardigerWester, Roel Ernst ; Grou
Trefwoordenzeven-meter-tien-klasse
Objectnummer1994-017
Periode van1924
Periode tot1924
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de zeven-meter-tien-klasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7. Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een strijkbare mast. De mast staat in een mastkoker waarvan de wangen aan de bovenkant zijn voorzien van koperbeslag. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door een want van drie zijstagen. Twee zijstagen zijn met wantspanners vastgezet op puttingijzers. De derde zijstag (bakstag) is met een glijer vastgezet op een langsscheepse metalen rail. Met een touw kan de bakstag naar behoefte naar voren of naar achteren getrokken worden. Het touw wordt belegd op een klamp op het gangboord. Het model is voorzien van zeilen van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk en voorzien van enkelvoudige stiksels die banen suggereren. De hals van de fok is met een metalen ring aan de voorsteven bevestigd. Boven is de punt van de fok met één leuver aan de stag verbonden. De fokkeschoot loopt aan stuurboord via een metalen schootoog op het voordek, over de kuiprand en is belegd op een klamp aan de binnenkant van de kuiprand. De losse fokkeschoot aan bakboord loopt door een ander oog op het voordek en hangt los over de kuiprand. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel, die net boven de top van de mast uitsteekt. De stand van de gaffel is bijna verticaal: houarituig. De bek van de gaffel is van metaal. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. De beide vallen zijn net als de fokkeval belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. In het achterlijk van het grootzeil drie zeillatten. Het onderlijk van het grootzeil is met touwlussen vastgezet aan de giek. De giek is aan de mastkant voorzien van een patentrif. Met het patentrif kan de giek gedraaid worden, zodat het zeil op elke willekeurige stand gereefd kan worden. Ook bij het strijken van de zeilen wordt het gebruikt. Het patentrif vereist dat de grootschoot niet met oogbouten aan de giek is bevestigd. Rond de giek zijn daarom twee giekringen gemaakt die rond de draaiende giek kunnen rollen. Een metalen stang verbindt beide giekringen met elkaar en is aan de achterkant vastgezet op afsluitdop van de giek. De stang zorgt ervoor dat de schootblokken aan de giekringen naar beneden blijven hangen. De grootschoot is vastgezet aan deze stang, loopt vervolgens door een blok op het achterdek en twee blokken aan de giekringen naar de kuip, waar het halende einde van schoot is belegd op een klamp op de kielbalk. Op de top van de mast een witte windvaan die bevestigd aan een metalen pin. De blokken zijn van metaal en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een platte, verticale spiegel. De bodem is rond (U-vormig) en voorzien van een aangehangen kiel. Aan de kiel is ook het roerblad bevestigd. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien koperbeslag. Van de steven tot het achterschip is op de hoek van dek en romp een stootrand gemaakt. Over de dekken en gangboorden lopen van voor naar achter waterlijsten, waarin loosgaten ijn gemaakt. Ook van de stevenpunt tot de mast loopt een waterlijst met gaten. Op het voordek twee metalen klampen. Achter de mast begint de boven het dek uitstekende kuiprand. De kuip is van boven gezien grantaatvormig: van voren puntig en van achteren plat. De zijranden lopen naar achteren toe door en zijn daar afgeschuind. Van het midden van de achterste kuiprand tot het midden van de spiegel loopt een waterlijst met gaten. Daarop zijn bevestigd het helmhout van het roer en het achterblok van de grootschoot. In de kuip drie lattenbanken tegen de achter- en zijkanten met daarachter kastjes (die onder het achterdek is afsluitbaar). Op de bodem van de kuip twee buikdenningen. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig (anti-fowling). Het voordek en de gangboorden zijn tussen de waterlijsten groen. De rand buiten de waterlijsten is donkerbruin. De waterlijsten, de kuiprand en alles wat binnen de kuip is, is gelakt. Mast, rondhouten en helmstok zijn eveneens gelakt, evenals de vaarboom, de pikhaak en de uitzetter. De stander is zwart. Accessoires: stander, vaarboom, pikhaak en uitzetter.
AchtergrondinformatieRoel Ernst Wester is de vader van de schenker, Albert Wester. Roel Wester had een boot in de zeven-meter-tien-klasse, genaamde 'Anna'. Het had zeilnummer 41. In 1931 deed Roel Wester met dit schip mee aan de Sneekweek. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij de Anna als voorbeeld voor dit model gehad.
De zeven-meter-tien-klasse was een door de N.N.W.B. erkende beperkte klasse. De beperkingen van de klasse waren: lengte ten hoogste 7,10 meter, grootste breedte 2,15 meter, diepgang 0,90 meter, en zeiloppervlak van grootzeil en fok ten hoogste 30 m². Het zeilteken was een streep met daaronder het zeilnummer. De klasse werd ook wel 'onder de streep' genoemd. Er werd veel geëxperimenteerd met de vorm van de romp, de kiel, etc. In de dertiger jaren was men dat moe. Het animo voor de klasse verdween. In 1936 besloot de N.N.W.B. daarom de klasse nieuw leven in te blazen door er een eenheidsklasse van de maken. Ir. S. Veeman ontwierp de boot naar voorbeeld van de boot van W. Geveke. De huid van gangen werd vervangen door een huid van latten. Zo ontstond de dertig-kwadraat-klasse., literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 88.
BeschrijvingHalfmodel van het fregat De Vrede. Blokmodel met bedekking van huidplanken. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen. Alleen de plaats van de drie masten, de boegspriet en de vlaggemast is aangegeven. De romp: Het voorschip is rond en voorzien van een scheg met een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat en loopt breed uit met zijgalerijen. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: De versieringen aan de romp zijn gedetailleeerd weergegeven. Op de scheg staat de galjoensleeuw. Daarachter het galjoen met drie regelingen. De slooiknie (de balk tussen scheg en boeg) is versierd met C-vormige bladornamenten. Op het voorschip een schuin naar voren stekende kraanbalk, die is voorzien van een schijf (gebruikt bij het ankeren). Daarachter de reling. Van de staande wanten zijn allen de jufferblokken en de koperen puttingijzers te zien. Ze zijn vast gezet op drie rusten (horizontale balken op het boeisel). Midscheeps, rechts van de rust van het middenwand, is op de scheepswand een trap gemaakt door middel van voetlijsten (valreep). Op het bovendek zijn in de verschansing twaalf geschutsopeningen gemaakt voor de kanonnen. De twee achterste zijn afgesloten met een luik (voorzien van koperen scharnieren en een hijsring). Ook op het dek eronder (geschutsdek) konden kanonnen staan. In de scheepswand zijn ter hoogte van het geschutsdek vijf grote en zeven kleine geschutspoorten gemaakt, die allemaal zijn afgesloten met luiken. Onder deze rij geschutspoorten het berghout. De dekken zijn niet gedetailleerd weergegeven. De niveauverschillen tussen voordek, middendek en achterdek worden aan de zijkanten geaccentueerd door snijwerk in de vorm van gillings: spiraalvormen (alsof het dek zich oprolt). Het achterschip is rijk versierd met houtsnijwerk. In de bovenkant van de spiegel is een galerij van 3½ toogvormige ramen (7 in totaal) gemaakt. Deze galerij zet zich over de zijkant door naar voren in een zijgalerij van 3 gelijksoortige ramen. Onder de zijgalerij snijwerk in de vorm van een hoorn en een duif. Onder de achtergalerij is zwarte rand die meerkleurig is beschilderd met voluten. In de wulf (terugzwenkend gedeelte onder de spiegel) is een luik gemaakt. De bovenkant van het roer steekt door de wulf naar binnen. Het roer is met vijf roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Onder de kiel van het schip balustervormige steunen. Het model is bevestigd op een plank. De plank is gevaat in een zwarte, geprofileerde lijst die is voorzien van een vergulden binnenlijst. Tussen de grote mast en de fokkemast zijn de resten van een etiket te zien. Kleuren: De romp is gelakt, het opliggende berghout is zwart, het onderwaterschip is transparant grijs. Het snijwerk is gelakt en geverfd in een donkere kleur. De plank waarop het model is bevestigd is geschilderd in een transparante bronskleur. Op de plaats waar een etiket heeft gezeten is deze kleur aangetast. De standers onder de kiel zijn gemarmerd. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieGezien de aanwezigheid van een duif in de versiering van het achterschip kan worden aangenomen dat het een halfmodel is van het fregat De Vrede, gebouwd op de werf 'De Boot' te Amsterdam in 1768 (Herkomst de heer Groen van Waarden).
De aanwezigheid van de gemarmerde staander op het halfmodel duidt aan dat het model is gemaakt door Willem Lodewijk van Genth. Deze scheepsbouwmeester ontwierp schepen voor zowel de Amsterdamse als voor de Friese Admiraliteitswerven. Willem Lodewijk van Genth was een leerling van de bouwmeester C. Bentam (één van de drie Engelse scheepsbouwers, die naar Nederland waren gehaald om de vermeende achterstand in de scheepsbouw met Engeland in te halen). Schepen die Willem Lodewijk van Genth voor de Friese admiraliteit bouwde waren het fregat De Eendracht (1769, Harlingen), het schip van 36 stukken De Prins Willem (1757, Harlingen), het schip van 50/56 stukken De Prinses Maria Louise (1760, Harlingen) en een naamloos Staten- of Transportjacht (1770, Harlingen).
Een fregat is in het algemeen een oorlogsschip met één volle laag geschut, soms aangevuld met kanons op bak en campagne. Het fregat had meestal één of twee dekken en weinig opbouw. De eerste Nederlandse fregatten hadden een platte spiegel. Na 1720 werd deze, onder invloed van Engelse bouwmeesters, vervangen door ronde spiegels. Ze waren als volschip getuigd: drie masten. De vorm en de bouw waren gericht op snelheid en niet op een hecht constructie, zoals bij linieschepen. Ze waren bestemd om dienst te doen als verkenner of voor het overbrengen van berichten. De vroege fregatten waren derhalve klein en bewapend met niet meer dan twaalf stukken. Latere fregatten waren grote en voerden 54-60 stukken. In de negentiende eeuw waren er ook koopvaardijfregatten, die qua vorm en tuigage leken op de oorlogsfregatten, maar waren ingericht voor de handelsvaart., literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76 (FSM-nr. H-398)
- C.W.J. Schaap 'De Admiraliteit van Friesland - haar vlagofficieren en schepen' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 56.
- A.J. Hoving, 'De Marine Modellen' in: De Modelbouwer LIV (1992) 101-102.
- S. Haagsma, 'Een Harlinger fregat naar Algiers' in: Friesche Volks Almanak 1896, pp. 58-69.
- A. Lemmers 'De achttiende-eeuwse scheepsbouw controvers herzien' in: Erfgoed van Industrie en techniek 2 (1993), nr. 4, pp. 98-105.
- A. Lemmers, Techniek op schaal (Amsterdam, 1996), pp.15-41.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, pp. 22-23.
BeschrijvingHalfmodel van een smakschip. Nestmodel: latten op spanten. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond, het achterschip is rond en de bodem is tamelijk vlak. Het berghout is breed. Het model van voor naar achter: Het model is gebouwd uit latten op spanten (eigenlijk tussenschootten) en in het voor- en achterschip op blokken. Details zijn op het model niet weergegeven. Alleen de plaats van de mast is te zien. De kop van het roer loopt hoog op en buigt naar voren, zodat de bovenkant ervan in lijn ligt met de bovenkant van het boeisel aan het hek. De kop van het roer is versierd met opgeschilderde biezen, die groeven suggereren. Het boeisel is aan de achterkant versierd met een opgeschilderde dolfijn. Het model is is bevestigd op een plank met daarin twee gaten en aan de bovenkant twee metalen ophangogen. Rechtsonder op de plank een etiket met daarop nr. 466. De blokken in voor- en achterschip en de mast zijn aangetast door houtworm. Kleuren: De spanten, de latten en het boeisel zijn gelakt. Het onderwaterschip is wit geschilderd en het berghout zwart. De kop van het roer en het hek zijn groen met witte versieringen. De plank waarop het model is bevestigd is blauw. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieHoutworm in 1991 behandeld, Het halfmodel is afkomstig uit de Marinecollectie van het Rijksmuseum. De smak is een kustvaarder voor de vaart op Frankrijk, Engeland en Scandinavië en werd ook gebruikt als beurtvaarder en zelfs als oorlogsschip. Al in de 16de eeuw waren smakken reeds in de vaart. Het is een tajlkachtig schip. De inrichting was als die van een binnenvaartschip: achter de mast het ruim, de lage roef en de stuurplaats. In het achterschip is een paviljoen ingelaten en er is een staatse met hennegat. De tuigage bestaat uit een korte mast met spriettuig met hoge nok. Op het hek stond een druilmast met bezaanzeil. Het schip was voorzien van zwaarden. In de 18de eeuw werd het schip verzwaard. Het spriettuig werd toen vervangen door een staand gaffeltuig en de mast werd verlengd met een opgelaste steng, waardoor ook een ratopzeil gevoerd kon worden., literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 21 - Horst Menzel, Smakken, Kuffen, Galioten, Drei fast vergessene Schiffstypen des 18. und 19. Jahrhunderts (Hamburg, 1997)
TitelHalfmodel van een kustvaarder, gebouwd op de werf Zwolsman te Workum.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenkustvaarders, Workum
ObjectnummerK-034
Periode van1914
Periode tot1918
BeschrijvingHalfmodel van een kustvaarder. Stapelmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: Scherpe, steile voorsteven (steilsteven). Rod, geveegd achterschip. Vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Op de romp zijn 75 genummerd spanten getekend. Spant 1 is het achterste spant. Spant 75 het voorste. Bij sommige spanten een aantekening: bij spant 15 '0,6 lengte', bij spant 19 '1/2 lengte', bij spant 35 PLIMSOL-merk, bij spant 57 '1/2 lengte', bij spant 63 '0,6 lengte'. Het halfmodel is bevestigd op een plank met ophangogen.
Kleuren: het model is gelakt.
Accessoires: geen
AchtergrondinformatieHet halfmodel is afkomstig van de scheepswerf van Ulbe Zwolsman te Workum. Daar werden dergelijke kustvaarders gebouwd.
Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af.
TitelScheepsmodel van het motorvrachtschip Winterswijk.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenmotorvrachtschepen
Objectnummer1995-008
Periode van1974
Periode tot1974
BeschrijvingScheepmodel van een motorvrachtschip, genaamd Winterswijk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een seinmast op het voordek). De romp: De voorzijde van het schip is plat en vanuit het vlak oplopend in een flauwe hoek. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is vlak. Van voor naar achter: Aan de platte voorsteven hangen uit de kluisgaten twee ankers. Aan weerszijden op het voorschip de naam: 'Winterswijk / Amsterdam N'. Op voorboeisel een witte stok, waarschijnlijk gebruikt bij het sturen en navigeren. Het schip heeft immers geen puntige boeg waar de roerganger zich op kan richten. Op het voordek een haspel, twee houders voor kabels, twee opgerolde trossen (ijzerdraad) een dubbele ankerlier met daaraan een scheepsbel. Voorts twee luiken en een seinmast met daarin een drie lantaarns en vier verticaal gespannen draden (voor het hijsen van seinen, vlageen etc.). Het ruim wordt afgedekt met elf gebogen metalen rolkappen, waarvan de voorste mechanisch verplaatst kan worden (hydraulische armen). Achter het ruim het dekhuis: machinekamer met daarboven een naar voren overhellende stuurhut en erachter de roef. Voor de stuurhut een klein verhoogd dek. Op de stuurhut twee antennes, een schijnwerper en een houder voor negen seinlichten. Op de machine kamer twee schoorstenen. Op het dak van de roef een aantal schoorstenen en ontluchtingspijpen en de bakken van de zijlichten. Achterop het dat staat de reddingsloep, die is bevestigd aan een davit die op het achterdek staat. Op dat achterdek voorts een dubbele ankerlier en een Nederlandse vlag. Uit het achterschip hangen twee ankers. Op et boeisel van het achterschip :'Winterswijk'. Het schip heeft twee scheepsschroeven en een dubbel roer. Kleuren: De romp is geheel (inclusief het onderwaterschip) zwart. Het boeisel van het achterschip is wit. Dek en gangboorden zijn groen. De den van het ruim is bruin, de rolluiken zijn grijs. Het dekhuis en de stuurhut zijn wit. De lieren, de mast en de davit zijn okergeel. Accessoires: Het model is gemonteerd op een plank met daaromheen een opstaande rand, waartussen een doosvormige glazen overkapping past. Het model is met twee knoppen in het vlak aan de plank gemonteerd. Op de plank 'MS Winterswijk / 1974'.
AchtergrondinformatieHet motorvrachtschip Winterswijk werd in 1974 gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F56). Opdrachtgever: N.R.M. te Amsterdam., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschrijvingScheepsmodel van een opdrukker. Op spanten gebouwd: koperen spanten, bedekt met zinkplaat. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De voorsteven is scherp en steil (verticaal). Het achterschip is rond en geveegd (sleepboot-kont). De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Over de romp lopen over de rand van het boeisel en over het berghout ronde stootranden. Op het voordek een bolder en een lichtrand. Achter het voordek de machinekamer. In de zijwanden daarvan aan weerszijden drie lichtranden (patrijspoorten). Langs de randen van de machinekamer zijn op het dak handrelings gemonteerd. Het voorste deel van het dak van de machinekamer is als scharnierbaar luik te openen. Achter dit luik op het dak van de machinekamer een ventilatiekap met twee luiken. Links daarvan een afneembare schoorsteen. Op de achterrand van het dak drie haken, een blok en een gashendel. Tegen de achterwand van de machinekamer is aan bakboord een een stuurwile gemaakt. Aan stuurboord is in de achterwand een deur gemaakt die toegang verschaft tot de machinekamer. Achter de machinekamer de kuip. De zijwanden van machinekamer lopen langs de kuiprand door. Op de buitenkant van deze kuipranden zijn metalen klampen gemaakt. De bodem van de kuip is bedekt met een houten buikdenning. In het midden van de kuip een keerkoppeling. Tegen de kuipwand is aan stuurboord een hevelpomp gemaakt. Op het achterdek een bolder en op het boeisel van het achterschip een beugel over de roerkoning. De ruimet onder het achterdek is open. Kleuren: De romp is havannabruin. Het onderwaterschip is dofzwart. Op de voorsteven is net boven de waterlijn een rood hoekje gemaakt. De stootranden op berghout en boeiselrand zijn zwart. De binnenkant van de voorplecht is grijs. Het voordek en de gangboorden zijn lichtgroen. De wanden van de machinekamer en de kuip zijn cremekleurig met zwarte randen. Het dak van de machinekamer is groen en de ventilatiekap is bruin. De wanden van de kuip zijn bruin en de buikdenning is gelakt. Het achterdek is lichtgroen. De bolders zijn zwart. De schoorsteen en de gashendel zijn zilverkleurig. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen. Bij de motorisering van schepen in de 20-er jaren kon een motor ingebouwd worden, maar in het noorden werd veel gebruik gemaakt van een opdrukker. De opdrukker werd bediend vanaf het achterdek van het vrachtschip. Met een systeem van kabels werd de handels bediend. Opdrukken was voordeliger dan slepen: één keer bruggeld betalen (slepen twee keer). De broers Harm en Wieger de Wit uit Akkrum bouwden aan de hande van de tekening van dit model de opdrukker na. Ze kregen daartoe de beschikking over de tekeningen van modelbouwer Andries Bosma., literatuur:
- Wijd en Zijd, 5 aug. 1992.
- Richard de Jonge, 'Jongens van Jan de Wit bouwen opduwer met plofmotor' in: Waterkampioen 1994, nr. 9, pp. 70-73.
TitelDiorama met daarin een als bark getuigde baanschaats van het merk Nooitgedagt.
VervaardigerNooitgedagt, J.
Trefwoordenbarken
Objectnummer1985-195
Periode van1900
Periode tot1925
BeschrijvingDiorama met daarin een als bark getuigde baanschaats. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft drie masten en een boegspriet. De fokkemast en de grote mast zijn in drieën gedeeld (mast, marssteng en bramsteng) en de bezaanmast in tweeën. De fokkemast wordt gehouden door drie voorstagen op de boegspriet en de voorsteven. Aan weerszijden wordt de fokkemast gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen (tussen mars en boord) en door twee lopende wanten of bakstagen (tussen top van de marssteng en het boord en tussen de top van de bramsteng en het boord). De grote mast wordt aan de voorkant gehouden door twee voorstagen op de fokkemast. Aan weerszijden wordt de grote mast gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen (tussen mars en boord) en door twee lopende wanten of bakstagen (tussen de top van de marssteng en het boord en tussen de top van de bramsteng en het boord). De bezaanmast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag (tussen de top van de bezaansteng en het ezelshoofd tussen mars- en bramsteng van de grote mast). Aan weerszijden wordt de bezaanmast gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen (tussen mars en boord) en door een lopend want of bakstag (tussen de top van de steng en het boord). De boegspriet bestaat uit een boegspriet en een kluifhout. De boegspriet rust op het voorsteven en is aan de voorkant voorzien van een stampstok (naar beneden wijzende stok, ook wel Spaanse ruiter genoemd). Deze stampstok wordt aan weerszijden gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen, die zijn vastgezet op het voorschip. Het kluifhout rust op de boegspriet en wordt aan de onderkant gesteund door twee waterstagen op de stampstok en aan de bovenkant hangt de boegspriet in de voorstagen van de fokkemast. Het schip voert geen zeilen. Aan de ra's en gaffels is echter af te leiden welke zeilen gevoerd kunnen worden: het model is als bark getuigd. Tussen de fokkemast en de boegspriet kunnen een stagfok en twee kluiverfokken gevoerd worden. De fokkemast en de grote mast zijn beide voorzien van vijf ra's voor dwarsscheepse razeilen. Aan de achterkant van beide mast zijn gaffels en gieken gemaakt voor langsscheepse gaffelzeilen. De bezaanmast is voorzien van een gaffel en een giek. Onder de gaffel van de bezaanmast hangt een rood-wit-blauwe vlag. Bij de tuigage van het model is geen gebruik gemaakt van blokken. De romp: De romp heeft het model van een baanschaats, compleet met ijzeren schenkel, waarin de inslag 'J. Nooitgedagt IJlst' is te lezen. Het model van voor naar achter: Over het voorschip hangen twee ankers aan kraanlijnen. Langs de boorden van het schip is een witte reling gemaakt. Op het achterschip is deze reling open (de verlaging van de hiel in het schaatshout). Voorts de romp van het model niet gedetailleerd. Kleuren: De romp (schaatshout) is gelakt. Het schaatsijzer is zilverkleurig geverfd. De relingen zijn wit. De masten en de boegspriet zijn wit. De stengen, het kluifhout, de ra's, de gaffels en de gieken zijn gelakt met witte accenten op de uiteinden. Accessoires: Het model is geplaatst in een vast vitrine met houten achterwand en houten bodem. De zijwanden, voorwand en het deksel zijn van glas. De ribben zijn van hout.
AchtergrondinformatieHet model is afkomstig van J. Drescher te Amsterdam.
In de 19de eeuw was een bark een schip met drie, vier of vijf masten, waarvan de achterste mast niet vierkant maar langsscheeps getuigd was. Sindsdien bleef dat het voornaamste kenmerk van de bark. Barken werden in Friesland voornamelijk aangetroffen in de haven van Harlingen. Ze werden gebruikt voor het vervoer van hout.