TitelSpeelscheepje: prototype van een klompscheepje uit de Scherjonklasse.
VervaardigerScherjon, Eelke
Trefwoordenspeelscheepjes
Objectnummer2008-013
Periode van2000
Periode tot2002
BeschrijvingPrototype van een klompscheepje uit de zogenaamde Scherjonklasse. Onbehandeld hout. De klomp is volledig symmetrisch .
AchtergrondinformatieDe klomp is een prototype voor de eenheidsklasse die in 2002 werd ingesteld voor het klompkesilen. Voor de manifestatie Friesland Vaart 2002 werd in Heeg een wedstrijd voor klompscheepjes georganiseerd. Om de wedstrijd spannend te maken werd besloten een eenheidsklasse in te stellen. De NNWB erkende de zogenaamde Scherjonklasse: klompschepen die zijn gemaakt van bouwpakketten die door de Stichting Friesland Vaart werden geleverd. De klomp is gemaakt door Eelke Scherjon, die zijn naam aan de klasse gaf. De klomp is aangepast aan het gebruik als speelscheepje door hem symmetrisch te maken. Linker- en rechterklompen hadden door hun vorm namelijk vaak last van een afwijking in hun koers.
De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelSpeelscheepje van het type grutte holle, gebruikt in de familie Tromp.
Vervaardigeronbekend
TrefwoordenTromp, Firma Johs.
Objectnummer2008-111
Periode van1920
Periode tot1930
BeschrijvingSpeelscheepje. Type Grutte holle.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast en een boegspriet. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel en een giek. De mast is strijkbaar in een mastvoet geplaatst. De mast is gestaagd met verstelbare zijstagen. De boegspriet is niet gestaagd. De zeilen zijn van witte katoen: een fok en een grootzeil.
De romp heeft de vorm van een sloep. De voorsteven is rond zonder steven. De romp is bol en verjongt zich naar achteren. De spiegel is plat en vormt bijna een halve cirkel. De bodem is voorzien van een aangehangen kiel met metaalbalast. Het speelscheepje heeft geen roer.
Het model van voor naar achter. Het model is gladdeks. De boegspriet is vastgezet op het voordek. De mastvoet steekt door het dek en is voorzien van een mastborg en een nagelbank. In het achterdek twee ogen voor de grootschoot en een (decoratieve) helmstok.
Kleuren: De romp is wit en het onderwaterschip en de kiel zijn bruin. Het dek is blank gelakt met een witte buitenrand en de rondhouten zijn gelakt. De stander is grijs.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is gemaakt in opdracht van Johannes Tromp (de grootvader van de schenker), voor zijn zoon Albertus Albondus Tromp (de vader van de schenker). Johannes Tromp had in 1901 een winkel in sigaren- en suikerwaren opgericht onder de naam Johannes Tromp Sneek of JTS. Het was een detail- en groothandel in allerlei rook- en suikerwaren. De firma was gevestigd aan de Oosterdijk 75 en de achterliggende panden tot aan de Prins Hendrikkade. (zie ook het tegeltableau 1994-179). In 1913 werd het gebouw verbouwd (of herbouwd), waarschijnijk onder architectuur van G. Stapensea. In 1965 werd het bedrijf (inmiddels onder de naam Lekkerland, de N.V. Tromp groothandel en importeur van zoetwaren) verplaatst naar de Lorentzstraat 9.
De Sneker suikerwarenfabriek Tonnema leverde pepermunt dat onder de eigen naam JTS in de winkel werden verkocht. Het scheepje werd in de wandelgangen ook wel de JTS-boot genoemd., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van de boeier Stânfries. Op spanten gebouwd. Schaal onbekend.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een een metaalstag die met een kort stukje ketting op de botteloef is bevestigd. De voorstag is met een haak aan een oog in de top van de mast bevestigd. De mast heeft geen zijstagen. De botteloef bestaat uit twee delen. Het onderste is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. Het bovenste is door een oog veronden met het onderste en steekt vervolgens door een oog op de steven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag en twee boegstagen (massieve stangen) op de voorsteven. De giek is aan de voorzijde voorzien van een scharnierende lummel draaiend geplaatst in de nagelbank. In het midden van de giek een draaibare band waaraan de grootschoot bevestigd is. Aan de achterzijde koperbeslag en ogen voor de bevestiging van het grootzeil.
De zeilen zijn van oorspronkelijk witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers vastgezet aan de voorstag. De hals van de fok is met een haak bevestigd op de botteloef. De fokkeval loopt via een enkel blok naar een klamp op de mastvoet.
De fokkeschoot loopt door twee blokken: een enkelschijfs blok met hondsvot aan de schoothoek en een enkelschijfs hakkeblok aan een benen ring op een overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. In de fok een enkele rij ogen voor reeftouwen.
Het grootzeil heeft een gebogen gaffel met een kleine klauw. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. Hoe de halstalie bevestigd is geweest is onbekend. het zeil is aan de onderzijde alleen bij de schoothoek verbonden met de giek. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op de vloer van de bollestal. In het grootzeil zijn twee rijen ogen voor reeftouwen gemaakt.
Ook de grootzeilval is belegd op een klamp op de mastvoet.
Op de top van de mast een rode vleugel met koperen scheerhout. Alle blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond, met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en aan de achterkant gepiekt.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. De kluisborden zijn met snijwerk versierd: bloemen met in het midden een rode knop. Ook de berentanden zijn versierd met snijwerk: bladertakken op de voorkant. Het slemphout (berghout tussen berentanden en voorsteven) is eenvoudig gesneden. De boeisels zijn voorzien van een groene ingesneden bies. Op het voordek een zilverkleurig anker met een korte ketting. Tegen de boeisels zijn twee bolders gemaakt, waarvan de koppen met koper beslagen zijn. Voor de mast een luik (de uitwip) die verwijderd kan worden wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Over de uitwip loopt een overloop aan bakboord scharnierend en aan stuurboord ingehaakt. Voor de zwaarden een zwaardklamp met een koperen beschermstrip. De zwaarden hangen met moderne bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en om de kop voorzien van koperplaat. De randen van de zwaarden zijn verstevigd met metaalbeslag. De zwaardlopers gaan door een schildpadblok aan de buitenkant van het boeisel naar het achterschip en zijn daar belegd op bolders. Aan de voorzijde van de mast een eenvoudige mastplank en een haak voor het vangen van de rakbanden. Achteraan de mastvoet de nagelbank. Daarachter de roef. De roef heeft een gebogen (hol) dak. De voor- en zijwanden van de roef zijn dicht. In de achterwand van de kajuit twee deuren met rode papieren ramen. In de roef een tafel en aan weerszijden banken. De dakrand is versierd met snijwerk in de vorm van bladertakken In het midden een koperen plaatje met de tekst: "19 - H.G. Byl - 38". Aan de achtereinden van de gangboorden zijn waterlijsten gemaakt. Op de boeisels aan weerszijden twee scepters, voor dicht en achter open. De achterste (open) scepter aan stuurboord is gebroken. De kuip en roef zijn voorzien van buikdenningen. Langs de zijwanden en de achterwand van de kuip zijn kistbanken gemaakt met deksle beschilderd met een marmerimitatie. In de achterwand van de kuip een lancetvormig deurtje waarop een koperen plaatje met de tekste: "Stânfries". De bovenrand van deze wand is afgesloten met een hennebalk die met snijwerk is versierd: bladertakken. De rug van de hennebalk is met koper bedekt. Achter de hennebalk een scharnierend plaatje koper waarmee de helmstok midscheeps gefixeerd kan worden. Tegen de boeisels van het achterschip zijn bolders gemaakt, waarvan de koppen met koper zijn bedekt. Het roer van de boeier hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De veren van de roerhaken zijn boven de waterlijn wit geschilderd. De kop van het roer is verdikt en er staat een roerleeuw op (achterstevoren). Op de rug van het roer een gebogen vlaggenstok met daaraan een bovenmaatse Friese wimpel. Uit de voorkant van de roerkop steekt het ijzeren helmhout met koperen handgreep.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen evenals de standaard. De berghouten zijn zwart met witte biezen. Ook het boeisel is zwart met een witte en een groene bies. De koppen van de zwaarden zijn zwart. De rondhouten zijn gelakt en het metaalbeslag eraan is zilverkleurig geschilderd. Het snijwerk langs de rand van het dak van kajuit is goudkleurig met rode ondergrond. Het snijwerk aan de hennebalk is op dezelfde wijze geverfd: goudkleurige bladertakken op rode ondergrond. De kop van het roer is zwart. De roerleeuw is goudkleurig.
Accessoires: stander
AchtergrondinformatieHans Gooitzens Bijl (1 augustus 1863 - 7 januari 1941) was scheepsbouwer te Oppenhuizen, hij trouwde in 1890 met Wytske Thewis Hettinga. Zij kregen zeven kinderen. Nog in 1937 bouwde hij de Wyldsjitter die in 1956 door het museum is verworven (K-057). Hans Bijl was de enige die deze sierlijke, voor de ganzenjacht bestemde bootjes maakte. Ook diens oudste zoon, Gooitzen Bijl (geboren 4 augustus 1893), heeft er nadat hij de werf overnam nog enkele op stapel gezet. Toen deze in 1948 emigreerde naar de Verenigde Staten kwam een einde aan de werf. Vader en zoon Bijl hebben meerdere modellen van onder andere boeiers gemaakt. Twee boeiermodellen (van Hans Bijl uit 1882 en van Gooitzen Bijl uit 1937) zijn onderdeel van de collectie van met Maritiem Museum te Rotterdam. In de collectie van het Fries Scheepvaart Museum zijn modellen opgenomen van een gêrsboat en een wyldsjitter (inv. nrs. K-025 en K-028)., De boeier was van oorsprong in de 16de en 17de eeuw een gladboordig kustvaartuig. In de 18de eeuw werd de zeegaande boeier vervangen door andere kustvaartuigen, bijvoorbeeld de gajoot. Met het woord boeier werd voortaan een binnenvaartuig aangeduid dat voor vele doeleinden werd gebruikt: vervoer van personen (kerkgang), vee en kleine vrachten. Het tegenwoordige boeierjacht is hieruit ontstaan. Deze boeier kenmerkt zich door een lengte-breedte-verhouding van 3 op 1, sterk ingebogen boegen, scherpe onderwaterlijnen die soms zelfs enigszins hol zijn (gepiekt). De kop van de boeier is laag. De zeeg is gering. Het boeisel houdt over vrijwel de gehele lengte dezelfde breedte. Boeiers variëren in lengte van 7 tot 13 meter., literatuur:
- De Watersport (voor Friesland), jrg. 24 nr. 6 (15 mei 1935) p. 130
- Waterkampioen jrg. 15 nr. 715 (1 februari 1941) p. 54
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de valkenklasse.
VervaardigerGrooten, Oscar
Trefwoordenvalkenklasse
Objectnummer2009-001
Periode van2008
Periode tot2008
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de valkenklasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½.
Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een mast die is geplaatst in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag welke door het voordek naar achteren wordt geleid en door twee zijstagen die onder de gangboorden met een spanner kunnen worden versteld. Verder is het model voorzien van een trapeze welke in een lus eeneens door het dek wordt gevoerd. De stagen en piekeval zijn gemaakt van geslagen staaldraad. De klauw- en fokkeval zijn evenals de trapeze vervaardigd van transparant kunststofdraad.
Het model is uitgerust met zeilen van wit dacron: een fok en een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit horizontale banen welke ter plaatse van de hoeken zijn verstevigd met een dubbeling. In het grootzeil is aan beide kanten het zeilteken (vogel) en het zeilnummer (830) geplakt. In de halshoek van beide zeilen een merkteken in de vorm van een rood pompeblêd. De hals van de fok is vastgezet aan een oog op het voordek. Het voorlijk van de fok loopt vrijwel parallel aan de voorstag, maar is daaraan niet bevestigd. De fokkeval loopt over een blok aan de top van de mast naar beneden en wordt bij de mastvoet onderdeks naar achteren gevoerd. De fokkeschoot loopt aan beide kanten door een in de lengterichting verstelbaar schootoog en een geleide blok op het gangboord naar klemmen op de kuiprand.
Het grootzeil is voorzien van kromme gaffel die boven de mast uitsteekt. Het voorlijk van het grootzeil is met (imitatie)glijleuvers bevestigd aan een rail aan de achterkant van de mast. Het bovenlijk van het zeil is in een gleuf aan de onderkant van de gaffel geregen. De gaffel wordt gehesen met klauwval en een piekeval, die beide door het dek en naar achteren gevoerd worden. De gaffel heeft geen klauw maar een een scharnierbare grote glijleuver. In het achterlijk van het zeil zijn drie zeillatten gemaakt. Het onderlijk van het grootzeil is in een gleuf in de bovenkant van de giek geregen. De grootschoot is met het vaste einde vastgezet op een traveler op een korte overloop in de kuip. Het halende eind is dubbel getakeld over twee enkelschijfsblokken aan de giek en een enkelschijfs blok op de traveler. Het voorste blok aan de giek is bevestigd op een (imitatie)slede in een rail, het achterste aan een stuk lijn dat ook aan twee sledes aan deze rail hangt. Het halende eind van de grootschoot is gevoerd door een schijf op een roterende plaat en gaat vervolgens door een klem die op een hoger deel van dezelfde plaat is geplaatst. De roterende plaat is gemonteerd op een paal die ook dient ter ondersteuning van de overloop. De zilverkleurige overloop is verder gemonteerd op twee palen en voorzien van een traveler welke met klemmen aan weerszijden op zijn plaats wordt gehouden. Aan elke paal zijn meerdere gekleurde trimlijnen bevestigd evenals een lijn om de hangbanden omhoog te houden.
Aan de top van de mast verder een blok met een spinnakerval van touw waarvan het einde nu is belegd op het stuurboordblok voor de spinnakerschoot. Het bakboordblok is ongebruikt. Voor de spinnakerschoten verder twee doorvoeren in de gangboorden net voor het achterdek.
Op de top van de mast een pijlvormige windvaan aan een metalen pin met twee vaste wijzers schuin naar achteren. Alle zijn van metaal en voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een platte, schuine spiegel. De bodem is geknikt (knikspant)met een versteviging op de kimmen. Het schip is voorzien van een aangehangen plaatkiel met balastbulb. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is voorzien van een joystick.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is gemaakt van gelakt hout. Van de voorsteven tot de spiegel is op de hoek van dek en romp een stootrand gemaakt welke ter plaatse van de trapeze is verbreed en voorzien van een geregen lijn om wegslippen van de bemanning te voorkomen. Over voordek, gangboord en achterdek loopt van voor naar achter een waterlijst, die op enkele plaatsen is onderbroken voor het afvoeren van buiswater. Van de voorsteven tot de spiegel is het overigens mahoniehouten dek voorzien van twee ingelaten sierstrips in een lichtere houtsoort. In de gangboorden aan weerszijden de bevestiging van de zijstag en voor de fokkeschoot een schootoog, een metalen klamp en een geleideblok. De kuiprand steekt boven het dek uit. De kuip is van boven gezien granaatvormig: van voren puntig en van achteren plat. De kuiprand begint al voor de mast in een bloempot. Het voordek loopt door tot iets achter de mast. De ruimets onder het voor- en achterdek zijn leeg. De bodem van de kuip is bedekt met een buikdenning. In het midden kunnen twee luiken verwijderd worden om te kunnen hozen op het laagste punt. Hier starten ook de hangbanden die verder naar achteren op de buikdenning geschroefd zijn.
Kleuren: De romp is wit.evenals het onderwaterschip en de kiel. Op beide zijkanten applicaties van de naam van het schip: "Sledgehammer" en afbeeldingen van voorhamers in grijs en blauw. Het dek en interieur zijn gelakt evenals de rondhouten, stootranden, waterlijsten, mastvoet en het roer. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieOscar Grooten uit Hengelo (O) is amateur modelbouwer. Hij specialiseerde zich in het maken van zeiljachten. Hij vroeg daarbij vaak tekeningen op uit het archief van het Fries Scheepvaart Museum., De valkenklasse is in 1938 ontworpen door E.G. van de Stadt in opdracht van deurenfabriek Bruynzeel. Dat het jacht werd gemaakt van hechthout baarde destijds veel opzien. Het ontwerp was gericht op seriefabrikage. De productie begon in 1939. Na de Tweede Wereldoorlog stopte de productie bij Bruynzeel. Anderen namen het over. On 1940 verschenen de eerste 100 valken op het water en datzelfde jaar werd de klasse door het KNWV als nationale klasse erkend. In 1967 werd de valkenklasseorganisatie opgericht. Er worden ook veel valken gebouwd van polyester. Deze worden veel gebruikt bij zeilscholen en verhuurbedrijven. In poly-valken mag echter niet gezeild worden bij wedstrijden. Het valkjacht met zeilnummer 830 is de Sledgehammer van Onno Yntema, die daar in 2008 kampioen mee werd., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 90-91
- Waterkampioen, jrg. 13 nr. 669 (23 dec. 1939), p. 1117
BeschrijvingHalfmodel van een skûtsje. Het model is gebouwd uit zinkplaat dat op spanten is geklonken. Schaal 1:20. Het model is net ten stuurboord van de middenlijn doorgesneden.
Rondhouten en tuigage: Het skûtsje heeft alleen het onderste deel van een mast. De mast staat scharnierend in een mastvoet en wordt onderdeks voortgezet. Aan de voet van de mast aan de voorzijde een verzameling metalen plaatjes die dienen als tegenwicht bij het strijken van de mast. Aan de steven een metalen botteloef (in het fries 'loefbyter') welke wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door de bakboord boegstag.
Het model heeft geen zeilen.
De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond. De bodem is rond (midscheeps vlak). Langs de romp een metalen berghout versterkt met een platronde metalen strip. Het model van voor naar achter (alleen de bakboordzijde, bij een volledig model zou veel van de nu volgende beschrijving nog eens gespiegeld zijn) : Op de voorsteven een houten dekplaat. Naast de voorsteven een houten kluisbord en berentand. Het boeisel van het voorschip is voorzien van een L-vormig profiel, het potdeksel, waarin een steekbolder en twee vaste bolders. In het voordek een luikhoofd met scharnierend luik dat toegang verschaf tot het vooronder. Daarachter een luik in twee delen (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op het boeisel zijn voor en midscheeps houten zetboeisels geplaatst. Ter hoogte van de roef worden deze voortgezet als metalen relingen.
De mast staat in een metalen mastkoker. Aan weerszijden daarvan klampen voor de vallen en de kraanlijn. Aan de achterzijde van de mast een metalen plaat waaraan een lummel en de halstalie bevestigd kunnen worden. Daarachter het luikhoofd van het ruimdat in een ronde hoek doorgaat in de den die tegen de roef aansluit. In de den ogen met ringen voor het vastsjorren van de luiken
Ter hoogte van de mastvoet aan het boeisel twee puttings voor het zijwant. Daaronder een houten zwaardklamp met een ijzeren rand. Het zwaard hangt met een bout aan het boeisel. Het zwaard is van hout. De kop van het zwaard is aan beide zijden voorzien van opgenageld metaalbeslag. Rond het boutgat aan de buitenzijde een stervormige versiering. Om het zwaard metaalbeslag met uitzondering van de kop. Aan het beslag twee ogen: één voor de zwaardloper en één voor een haak die het zwaard in rust houdt. De zwaardloper is niet aangebracht. Hiervoor is wel direct achter het zwaard een schildpadblok geplaatst.
Achter het ruim de roef. De voorwand daarvan is blind (geen ramen). In de zijwand van de roef twee ramen met schuifluiken. In de achterwand van de roef aan bakboord dubbele houten deuren. Op het dak van de roef een afneembare houten schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat de schoorsteen ook als mik kan worden gebruikt. Op de zijkant van het roefdak een handreling. In het dak zijn twee lichtkappen met tralies gemaakt. De achterste daarvan fungeert tevens als schuifkap boven de deuren. Achter de roef een oog in het dek voor bevesitiging van de grootschoot. Hierachter een gekromde plank met voetlijsten waartegen de roerganger zich schrap kan zetten. Tegen het boeisel van het achterschip is een bolder geplaatst. Verder naar achteren in het potdeksel een steekbolder. Op de achtersteven een houten dekplaat. Naast de achtersteven, onder het berghout een metalen lichtrand van het achteronder (alkoof).
Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is aan de voorkant voorzien van een koperen helmhouttonnetje (handgreep) Op het helmhout een roerklik die met snijwerk is versierd: hoorn des overvloeds met bladertak. Over de rug van het roer metaalbeslag.
Interieur: Het model is van voor naar achter voorzien van metalen spanten en kattensporen. Tussen ruim en vooronder een metalen schot. Hierachter begint een lichte binnenkiel. Onder de mastvoet een metalen plaat over drie kattensporen. Tussen het ruim en de roef een metalen schot waarin een eveneens metalen deur. Het interieur is niet betimmerd. Dwars over het ruim twee gebogen binten waarop de schaarbalk rust. Tegen het roefschild een enkel bakboordluik.
Kleuren: De romp van het schip is van binnen en van buiten in de oranje menie gezet. De houten delen zijn gelakt. Het beslag op de houten delen is zwart . De roosters op de koekoek en het schuifluik zijn wit. De kop van van de zwaarden zijn zwart met een witte sierster. De roerklik is meerkleurig beschilderd.
Het model is vastgezet op een stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen., Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje.
BeschrijvingScheepsmodel van een houten skûtsje. Op spanten gebouwd. Schaal onbekend.
Rondhouten en tuigage: Het skûtsje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op een metalen botteloef (in het fries loefbyter) op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want (enkele zijstag) die met een puttingijzer aan het boord is bevestigd. De botteloef is aan de achterkant met een vorkverbinding bevestigd op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel.
De zeilen zijn van wit doek: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgezet aan de top van de botteloef. In de top van de fok een ingenaaide fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot ontbreekt. Aan de schoothoek van de fok een dubbelschijfsblok. Voor bevestiging aan het dek een een ring om een metalen overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met kralen) bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is vastgezet met een halstalie. De halstalie loopt van de nagelbank door een enkelschijfs blok aan de halshoek en is weer belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is een losse broek: alleen de schoothoek is bevestigd aan de giek. De giek rust aan de voorkant met een scharnierende lummel in de lummelpot van de nagelbank. Aan de achterkant hangt de giek in een kraanlijn. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok aan een overloop op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. De zeilen zijn niet voorzien van een reefsysteem. Het grootzeil heeft drie, en de fok twee zeillatten in het achterlijk. Alle vallen, inclusief de kraanlijn maar met uitzondering van de klauwval, hebben een bovenloop van metaaldraad waaraan een enkelschijfs blok. De vallen worden gezet door middel van een onderloop van touw waarvan het vaste en het halende eind aan dezelfde klamp op de mastvoet zijn bevestigd. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. Aan de tophoek van het grootzeil een Nederlandse vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is rond. De boeisels zijn rondom voorzien van een potdeksel.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Achter het kluisbord aan bakboord twee gaten in het dek voorzien van een koperen rand. Door het achterste hiervan steekt de ankerketting in het vooronder. Het anker hangt aan bakboord aan het boeisel achter de bolder. Tegen de binnenkanten van de boeisels zijn op het voorschip aan weerszijden een bolder gemaakt. Op het voordek is een luikhoofd met scharnierend deksel en een luik (uitwip) in twee delen dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Het achterste deel van de uitwip is vastgezet. Op het boeisel vanaf halverwege het voorschip tot net achter de zwaarden zijn houten zetboeisels geplaatst. Op het achterschip worden deze voortgezet als metalen reling. Voor de mast de metalen overloop van de fokkeschoot. Achter de mast een nagelbank. Daarachter het luikhoofd van het ruim. Het ruim wordt met tweemaal vier luiken bedekt.
De zwaarden zijn van hout. Ze hangen met bouten aan het boeisel. De koppen van de zwaarden zijn aan de buiten en de voorzijde voorzien van metaalbeslag. Rondom het zwaard een metalen rand. Rond het boutgat een versteviging in de vorm van een cirkel. De zwaardloper gaat door een gat in het boeisel achter het zwaard langs de binnenkant van het boeisel naar achteren, is daar getakeld met een zwaardtalie die loopt van een klamp aan het boeisel via een enkele schijf terug naar de klamp. Achter het ruim de roef. De voorwand van de roef is blind: geen lichtranden. In de zijwanden drie koperen lichtranden. Het dak loopt enigszins gebogen (als op een boeier). In de achterwand is aan beide zijden een lichtrand gemaakt en midscheeps een steekluik, dat toegang verschaft tot de roef. Boven dit steekluik is in het dak een schuifluik (lichtkap met tralies) gemaakt. Op het dak van de roef voorts een schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat er een gestreken mast in kan rusten.
Op het achterdek zijn voetlijsten aangebracht, waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip (onder het berghout) koperen lichtranden gemaakt. Zij voorzien het achteronder (alkoof) van licht.
Het roer hangt met drie ogen aan de achtersteven. Door de ogen aan de steven en aan het roer is een metalen pen aangebracht. Het roer heeft een houten helmhout dat aan de voorkant is voorzien van een koperen helmhouttonnetje (handgreep). Op het helmhout een roerklik die met een metalen sierstrip. De achterzijd van het roer is voorzien van een metalen strip. Tegen het roer een gebogen metalen vlaggenstok met een rood-wit-blauwe vlag.
Interieur: In de roef aan weerszijden een bank en in het midden een ronde tafel. Het ruim is voorzien van een buikdenning
Kleuren: Alle houten delen zijn gelakt. Alleen het berghout is groen. Het metaalbeslag is ongeverfd en meest messingkleurig (af en toe roodkoper en/of meegelakt).
Accessoires: anker, loopplank, pikhaak en stokdweil. Het model staat op een stander.
AchtergrondinformatieDe maker van het model, Eeuwe de Jong (jr. 1912 - 1995), was de oudste van vier kinderen die vader Eeuwe de Jong (sr. 1881 - 1948, ook zijn vader heette overigens Eeuwe) en moeder Baukje Fortuin mee hielpen op hun skûtsje. Eeuwe sr. had als vaste opdrachtgever pottenbakkerij fa. Dijkstra uit Sneek waarvoor hij klei vervoerde. Het skûtsje van Eeuwe de Jong sr. werd in 1930-'31 gebouwd en is tegenwoordig in gebruik als wedstrijdschip van Lemmer in de S.K.S.
Eeuwe (jr.) moest in 1939 in dienst. Na de oorlog is het schip verkocht. Eeuwe ging werken voor Aardappelhandel Wieringa aan de Singel 84 te Sneek. Deze werd later overgenomen door Lodewijk. De laatste jaren voor het pensioen werkte eeuwe (jr.) voor de betonfabriek Erven Feenstra. Na zijn pensioen maakte Eeuwe (jr.) meerdere modellen van skûtsjes. Hij deed dit altijd zonder gebruik te maken van tekeningen. (naar een notitie van de schenker, een kleinzoon van Eeuwe (jr.)), Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., Literatuur:
- Klaas Jansma, Lemster skûtsje, Leeuwarden 2008
TitelScheepsmodel van het stoomscheepje van de firma Hubert & Co.
VervaardigerVeltman, Hielke
Trefwoordenmachinefabrieken, Hubert & Co., Veltman, Jan
Objectnummer2009-042
Periode van1980
Periode tot2008
BeschrijvingScheepsmodel van een open stoomschip. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het schip is open op een klein voor- en achterdek na.
Het model van voor naar achter: Onder de berghouten van het voorschip naamborden met daarop: 'Hubert & Co. Sneek'. Direct achter de voorsteven een kleine geel/zwarte vlag. Op het kleine voordek verder een enkele bolder.De kuip heeft verticale wanden die de vorm van het schip volgen. Tussen kuipwand en boeisel een smal gangboord. Het boeisel is hoger dan de kuiprand. Voorin de kuip twee banken waarvan één tegen het voorschot. Tussen deze banken een vaste vloer. Achter de tweede bank zijn alle vloerdelen los maar niet uitneembaar. In het middenschip een staande stoomketel (niet werkend) met een enkele schoorsteen. Op de ketel een messing plaatje met de woorden 'Hubert / Sneek'. Bovenop de schoorsteen een messing sierrand. Op en aan de ketel divers messing leidingwerk waaronder een manometer, stoomfluit, Waterpeilbuis en enkele handles. Eén pijp loopt naar de motorkist achter de ketel. Naast de ketel een zwarte open kolenbak (leeg). Achter het middenschip een motorkist met houten deksel. Hierin verdwijnt de leiding vanaf de ketel. Onder het afneembare deksel een elektromotor en de aansluiting van de schoefas. Aanm stuurboord tegen de wand van de kuip een bankje en aan bakboord een deel van een bankje en een kistje met twee schakelaars voor de motorbediening. De rechterschakelaar schakelt de motor in en uit, de linker schakelt tussen voor- en achteruit. Achter de motorkist een verhoging voor de schroefastunnel. Het deksle hiervan is afneembaar voor toegang tot de schroefas. Hierachter een vaste verhoging van de kuipvloer waarop een afneembaar bankje. Onder het bankje de aansluitingen voor een enkele AA batterij. Ter hoogte van het bankje zijn in de gangboorden aan weerszijden enkele bolders geplaatst. Het achterdek is verhoogd tot de bovenkant van het boeisel. Rond het dek een lage reling. Achterop het dek de roerkoning waaraan een helmstok met messing knop is bevestigd. Geheel achterop en buiten de railing een vlaggenstok met messing knop en de Nederlandse vlag. Het schip heeft een enkele rechtsdraaiende schroef van kunststof waarachter een enkel roer.
Kleuren: De romp is zandkleurig met een bruin berghout. Het boeisel is aan de buitenzijde eveneens bruin maar aan de binnenzijde zandkleurig. Gangboorden, kuipwanden en de kuipvloer zijn grijs. De banken hebben een gelakt houten blad. De stoomketel is groen, de schoorsteen en de kolenbunker zijn zwart evenals de bolders. Railing helmstok en vlaggenstokken zijn zandkleurig. De stander is groen. Accessoires: stander
AchtergrondinformatieHielke Veltman, de maker van het model en de vader van de schenker, was de zoon van Jan Veltman en Johanna Brantsma. Jan Veltman was de schipper van het 'Hubertbootje'.
Over het scheepjewas eigendom van Wessel Nieveen, directeur van de firma Hubert en Co. vanaf 1910. Het schip had een ligplaats in een schiphuis aan de Franekervaart naast de fabrieken van de firma. Er zijn slechts twee foto's van het scheepje bekend De eerste bevindt zich in de collectie van het Fries Scheepvaart Museum (FSM001002655) en toont een feestelijk gezelschap dat een toertocht lijkt te maken. Aan boord schipper/stoker Jan Veltman. De tweede foto is afgedrukt in het boek 'Bijna honderd'.
Volgens mededeldingen van ir. H. Fetter te Leeuwarden (getrouwd met Pauline Nieveen - een kleindochter van Wessel Nieveen) is het scheepje gebouwd in 1884. De stoommachine zal zeker op de machinefabriek van Hubet zijn gebouwd en het scheepje zelf waarschijnlijk ook. De machine had een vermogen van 7,5 PK. De heer Fetter vermoedt dat het scheepje fungeerde als directieschip: inspectie en reparatie van waterbouwkundige werken (vijzels, gemalen, et cetera). In 1919 is het scheepje gesloopt., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 9 oktober 1915
- Bijna honderd.., z.j. (Jubileumboek uitgegeven ter gelegenheid van het afscheid van Hubert & Co.-directeur A. Jellesma).
TitelOnvoltooid model van het kofschip 'Harmonie'.
VervaardigerHeemels, Jacques P.L.
Trefwoordenkofschepen, Dordrecht
Objectnummer2010-064
Periode van2005
Periode tot2008
BeschrijvingOnvoltooid model van een kofschip. Schaal 1:20. De romp is gebouwd op spanten en voorzien van huid en dekbalken. Het dek zelf ontbreekt. In de dekbalken zijn diverse openingen aangebracht voor luiken van verblijven en ruim. Achter het midden is een vrijwel voltooid en geheel ingericht dekhuis geplaatst. Dit dekhuis is uitneembaar en voorzien van een afneembaar dak. In het dekhuis zijn een slaapverblijf een keuken en een eetverblijf ingericht compleet met inventaris. Het achteronder is deels ingericht. Veel onderdelen van de betimmering zijn los meegeleverd waaronder een complete haard. Ook kasten, stoelen, een tafel, een wasbak en een trap etc. zijn los meegeleverd.
AchtergrondinformatieBij het model hoort een verzameling bouwtekeningen welke is ingeschreven onder het objectnummer 2010-065., Het kofschip Harmonie is gebouwd in 1827 op de werf van J. Schouten voor rederij Klerk en Voogd uit Dordrecht. De eerste kapitein was Jacob Strobuur die voer onder de vlag D 8., Jacques Heemels (Herkenbosch 1942 - Arnhem 2008) was architect. Daarnaast schreef hij verschillende artikelen in het blad 'De Modelbouwer'. Hij bouwde meerdere varende modellen en was aangesloten bij de stichting minisail. Ook dit kofschip was bedoeld om een varend model te worden.