TitelScheepsmodel van een veerschip voor autovervoer.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenveerschepen, Luanda, Angola
Objectnummer1995-005
Periode van1979
Periode tot1979
BeschrijvingScheepmodel van een veerschip voor het vervoer van auto's, genaamd de '11 de novembro'. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen (twee lantaarnmasten) De romp: Het voorschip is plat en voorzien van een luik. Het achterschip is plat en enigszins geveegd. De bodem is plat. Het model van voor naar achter: Aan bakboord hangt uit een kluisgat een anker. Aan weerszijden van de boeg de naam '11de novembro'. De boeg is plat en kan neergeklapt worden om zo te dienen als oprit voor auto's. Aan weerszijden van deze neerklapbare boeg een verhoogd dek. Op het dek aan bakboord de ankerlier, de bedieningskast voor het luik en een scheepsbel. Op het dek aan stuurboord een haspel. Op het voorschip een A-vormige mast, waarvan de poten rusten op de beide voordekken. De mast wordt aan weerszijden gehouden door twee zijstagen. Aan de top van de mast een boordlicht. Het dek is plat en is voorzien van ringen waaraan de auto's vastgesjord kunnen worden. Op het dek staan zes modellen van auto's (twee busjes, een pickup, een 2 CV, een stationcar en een sedan). Op het achterschip de brug met daaronder de machinekamer. Aan weerszijden van de brug twee schoorstenen. Achter de brug een dek dat het hele achterschip overdekt. Op dat hoge achterdek een reddingsloep in davit, twee reddingvlotten en zoeklichten aan de schoorstenen. Op het dak van de brug een seinmast met rood-wit-blauwe vlag, een radarantenne, een kompas en een schijnwerper. Op het achterdek beneden een ankerlier voor het anker dat middenachter uit het schip hangt. Boven het kluisgat van dit anker de naam '11de novembro'. Het schip heeft twee schroeven. Kleuren: De romp is grijs, het onderwaterschip is rood. De dekken op het voorschip en op het achterschip zijn groen, het dek voor de auto's is rood. Het dekhuis en de brug zijn wit met een rode dakrand. Accessoires: het model is gemonteerd op een plank met daaromheen een opstaande rand, waartussen een doosvormige glazen overkapping past. Op de plank in plakletters: '19 ms '11de novembro' 79 / Luanda'. het model is met twee houten knoppen in het vlak aan de plank gemonteerd.
AchtergrondinformatieHet veerschip 11de novembro werd in 1979 gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F71). Opdrachtgever: Rederij Cabotang te Luanda (hoofdstad van Angola). Het is een zusterschip van het veerschip 10de Dezembro (voor dezelfde Angolese rederij) dat ook in Franeker werd gebouwd (bouwnummer F70)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschrijvingFles met houten stop. Aan de stop is een touwspoel gehangen. De spoel of haspel is kruislings omwoeld met rood touw. Aan het einde van het touw een kleine ronde haspel. Aan de bovenkant van de grote spoel een blauwe strik.
AchtergrondinformatieHet voorwerp is afkomstig uit Beetgum of Berlikum., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 3 januari 1963
- Leeuwarden Courant 11 mei 1976
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1962, p. 12
TitelDiorama met havengezicht: sleepboot, volschip en een havenhoofd.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenkotters, sleepboten, volschepen
Objectnummer1985-152
Periode van1900
Periode tot1925
BeschrijvingScheepsdiorama. Havenhoofd met stoomsleepboot (kotter) en driemastvolschip. Het schip heeft tussen de eerste en tweede mast een dekhuis en tussen de tweede en de derde mast een luikhoofd. In de voorste mast een Rotterdamse vlag (groen-wit-groen). Op de tweede mast een rode wimpel en op de derde mast een serie gefingeerde seinvlaggen. Het achterschip is even scherp als de voorsteven. De zee is van stopverf gemaakt. Op de zij- en achterkanten is een blauwe lucht geschilderd. De kast is aan de buitenzijde in houtimitatie beschilderd. De voorzijde is scharnierend.
Achtergrondinformatieliteratuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 29
TitelModel van een kromme mast, ontworpen door F.N. van Loon.
VervaardigerLoon, Folkert Nicolaas van
Trefwoordenmasten
Objectnummer1983-234
Periode van1800
Periode tot1840
BeschrijvingModel van een kromme mast, ontworpen door F.N. van Loon. De mast is ellipsvormig van doorsnede.
AchtergrondinformatieDe mast is ontworpen door scheepsontwerper Folkert Nicolaas van Loon.
Folkert Nicolaas van Loon is geboren te Harlingen op 6 dec. 1775. Zoon van Nicolaas van Loon (notaris en advocaat te Harlingen) en Trijntje Fokertsdr. Schellingwouw. In 1780 kocht vader Nicolaas de houtzaagmolen De Noordsche Hengst, vier jaar later overleed hij. Folkert en zijn jongere broer Anrnoldus waren toen wees, want in 1779 was hun moeder al overleden. Aanvankelijk bleven de beide jongens wonen in het ouderlijk huis. Ze werden verzorgd door Anna van Loon, een jongere en ongehuwde zuster van hun vader. Zij trouwde in 1786 met Bouwe Fontein (burgemeester van Harlingen). Arnoldus ging wonen bij de familie Fontein en Folkert kwam terecht bij Benedictus Jongsma, predikant te Peins. Toen Jongsma een beroep buiten Friesland kreeg werd Folkert in 1793 geplaatst bij een patroon: de Leeuwarder koopman Wytze Sybrands, die een houtzagerij op het Vliet had. Kennelijk was Folkert voorbestemd de houthandel van zijn vader over te nemen. Toen hij dat in 1795 wilde doen bleek dat een van de voogden, oom Allard van Scheltinga, niet bereid was de nalatenschap finaal af te rekenen. Op 27 dec. 1795 trouwde Folkert van Loon met Hiske Dirks (Stedehouwer) uit Dronrijp. Ze gingen wonen aan het Vliet in Leeuwarden. Omdat de houthandel van zijn baas Sybrands niet floreerde en hij niet het bedrijf van zijn vader nog niet over kon nemen, werd hij in 1797 secretaris van de grietenij Rauwerderhem. Ze verhuisden naar Jirnsum. Als gevolg van politieke troebelen en de terugkeer van de eerder ontslagen secretaris, werd Folkert van Loon al in 1798 ontslagen. Hij was inmiddels een handel in zuivelproducten begonnen. De houtzaagmolen in Harlingen werd overgebracht naar Jirnsum en daar in 1800 herdoopt in "De Twee Gebroeders" (Folkert en Arnoldus). De zaken in zuivel en hout verliepen zeer voorspoedig. In Jirnsum hield hij zich ook bezig met zeilen en kwam als houthandelaar in contact met scheepsbouwers. Hij verdiepte zich in de vorm van de schepen en in in drijfvermogen. Hij deed dit aanvankelijk uit liefhebberij. In 1804 overleed Folkerts vrouw Hiske. Zij hadden geen kinderen. Hij hertrouwde in 1807 met Jelliana Coulon (dochter van de Leeuwarder burgemeester Carel Coulon). Ze kregen 8 kinderen. In 1810 overleed Arnoldus te Amsterdam. Hij was dr. in de filosofie en net als Folkert lid van de Amsterdamse Vrijmetselaarsloge La Bien Aimee. Folkert van Loon vervulde diverse openbare functies: commissaris tot onderzoek van de belastinge, Ontvanger der grondbelasting in het arrondissement Sneek (1810), Maire van Rauwerderhem (1811), Assessor van Rauwerderhem (1816). Het verschafte hem een basisinkomen. De inkomsten uit de zuivelhandel (export op Engeland) waren rond 1813 terug gelopen als gevolg van het continentaal stelsel. Na 1816 trok de handel weer aan. In Engeland hield Van Loon zich niet allee bezig met de zuivelhandel. Hij bestudeerde er ook de scheepsbouw. In 1820 raakte de zuivelhandel in de versukkeling. Hij verkocht deze bedrijfstak en met de opbrengst ervan kocht hij het aandeel in de model van Pieter Stedehouwer. Deze had de dagelijkse leiding op de molen en had het aandeel in de molen gekocht van Folkerts broer Arnoldus.
Om zijn ideeen over scheepsbouw te testen bouwde hij het platbodem zeiljacht Mercurius (13.6 meter lang en 4.25 meter breed) in Terherne. Hij had het bedoeld als voorbeeld van een handelsscheepje. Zijn ontwerp was onder andere gebaseerd op de studie van dieren die snel op of onder water konden zwemmen: de snoek en de meeuw. Hij kwam tot een verhoudingenstelsel en de zogenaamd sferoïdale omvangslijn. Deze vorm nam hij over op modellen, die uitgebreid werden getest. Proefnemen met schaalmodellen was toen zeer vernieuwend. In 1818 schreef de Huishoudelijke Maatschappij te Haarlem een prijsvraag uit voor ideeën ter verbetering van de scheepvaart. Folkert van Loon deed mee: hij zond de "Beschouwing van den Nederlandschen Scheepsbouw met betrekking tot Deszelfs Zeillaadje" in. Hij won er een zilveren medaille mee. Het bekroonde geschrift werd in boekvorm uitgegeven. In 1820 correspondeerde Van Loon ook met Jhr. H.J. Ortt (medeoprichter van de Zuid Hollandsche Redding Maatschappij in 1824) over een nieuwe type zeil- en roeireddingboot. Van Loon raakte meer en bekend als ontwerper. Hij kreeg opdracht "van de heeren te Zaandam" een driemastkof (galjoot) te ontwerpen.
In 1820 overleed zijn zoon Arnoldus. Ook zakelijk ging het na 1820 niet goed. In 1822 moest de molen verkocht worden. Nu was Folkert van Loon alleen nog ontvanger van grondbelasting. In 1822 werd hij ontvanger in Dokkum, waar het gezin ook naar toe verhuisde. In 1825 waagde hij de stap: hij verhuisde hij naar Harlingen en begon daar een bureau voor scheepsarchitectuur. Hij had veel succes en zijn kunde oogste bewondering bij scheepsbouwers in geheel Nederland. In 1831 verhuisde Van Loon naar Leeuwarden. Hij kreeg opdrachten uit heel het land (Hoogheemraadschap Rijnland bijvoorbeeld) en liet ontwerpen graag uitvoeren in Friesland (Eeltje Teadzes Holtrop te IJlst bijvoorbeeld of de gebroeders Ypes te Franeker). Folkerts zoon Carel Willem van Loon maakte ook tekeningen. In 1838 bracht Van Loon zijn ideeen uit in een boek met een platenatlas. Hij was daartoe aangezet door Gerard M. Röntgen (bestuurder van de werf Feijenoord te Rotterdam) en bekostigd met een bijdrage van f. 1000,= door het Fonds tot Aanmoediging der Nationale Nijverheid. Het werd de Handleiding tot de Burgerlijke Scheepsbouw. Op 13 dec. 1840 overleed Folkert van Loon na een korte ziekte., literatuur:
- W.F. Broos, 'F.N. van Loon (1775-1840) een vergeten friese scheepsontwerper' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980, pp. 39-89 en in het bijzonder p. 71.
- Catalogus der verzameling van modellen van het departement van Defensie, p. 31, nr. 146
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 21
- Sneeker Nieuwsblad 7 en 14 nov. 1957
BeschrijvingFlessenscheepje met driemastvolschip. Op het schip van voor naar achter: dekhuis, sloep, dekhuis. In decor van een tropische landschapje met vuurtoren.
AchtergrondinformatieSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 september 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 24
BeschrijvingFlessenscheepje met zevenmastvolschip, Nederlandse vlag. Op het schip van voor naar achter: kombuis, sloep, dekhuis, ruimen, stuurhut. Op stander.
AchtergrondinformatieSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 september 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 24
BeschrijvingFlessenscheepje met viermastbark, met daarop een dekhuis, een sloep en een stuurhuis. In landschapje met vuurtoren en kerk. Nederlandse vlag. Op stander.
AchtergrondinformatieSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 september 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 24
TitelFlessenscheepje met daarin de walvisvaarder Willem Barends.
VervaardigerElzinga, Sytse
Trefwoordenwalvisvaarders
Objectnummer1988-604
Periode van1954
Periode tot1987
BeschrijvingFlessenscheepje met daarin de walvisvaarder Willem Barends en een walvisjager. In poollandschap en met walvissen in zee. Houten stop met pal vergrendeld.
AchtergrondinformatieSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 september 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar. De walvisvaarder Willem Barendsz was een tanker die was verbouwd tot een drijvende traankokerij van 10.635 brt. Dit schip maakte in 1946 de eerste reis naar het Zuidpoolgebied. De jacht op de walvissen vond plaats met 5-6 walvisjagers (verbouwde korvetten). In 1955 werd een nieuwe en grotere traankokerij (met dezelfde naam Willem Barendsz) gebouwd en werd de jagersvloot uitgebreid tot 12 walvisjagers. Het schip mat 26.830 brt. Het schip is in 1964 verkocht aan Zuid Afrika en deed later dienst als drijvende vismeelfabriek., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 24
TitelModel van een niet aangelegde keersluis in de Zuiderhaven te Harlingen.
Vervaardigeronbekend
TrefwoordenHarlingen, sluizen
Objectnummer1977-095
Periode van1825
Periode tot1830
BeschrijvingModel van een niet aangelegde de keersluis in de Zuiderhaven te Harlingen. Mahoniehout. Het model is gebouwd op schaal 1:40.
AchtergrondinformatieDe keersluis is ontworpen door ingenieurs van Rijkswaterstaat na de grote overstromingen van 4 en 5 februari 1825.
In het bestek voor het maken van bruggen in Zuider- en Noorderhaven, dat berust in het Gemeentearchief Harlingen (inv.nr. 3354), worden de maten de de 'SAS-sluis' vermeld, alsmede de bouwwijze (o.a. dat er 542 palen gebouwd moesten worden). Naast de uitvoerige beschrijving en tekeningen moest er ook een model gemaakt worden. Zij werden vervaardigd door de aannemer, Teunis Swets uit Hardinxveld, die daar 50 gulden voor kreeg. Van soortgelijke modellen in Utrecht en Leiden is bekend dat de aannemers het maken van zo'n model uitbesteedden. Wie het Harlinger model maakte is niet bekend., Literatuur:
- Berg, Herma M. van den 'Bouwen aan de havens (1775-1900)' in: Harlingen - Bijdragen tot de geschiedenis van de laatste twee eeuwen pp. 149-152.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1977, p. 15
BeschrijvingScheepmodel van de kustvaarder Imke uit Delfzijl. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De kustvaarder heeft twee liermasten en een antennemast op het dekhuis. De voorste liermast staat op het voordek. Aan bakboord is tegen de mast een ladder gemaakt. Op de voorkant van de mast een boordlicht. De mast heeft een achterwaarts gerichte liergiek die hangt in een kraanlijn die wordt bediend met een motorlier, net achter de liermast. Zijwaarts wordt de giek bediend met schoten die via blokken aan de boeisels, aan het uiteinde van de lier en aan de top van mast worden bediend door een motorlier, die net voor de liermast staat. Het einde van de liergiek rust in een mik aan stuurboord. De tweede liermast staat op een boven het ruim gebouwd bordes. De mast is voorzien van een ladder, een antenne en een toplicht. Aan de mast hangen twee liergieken. Deze hangen in kraanlijnen doe worden bediend met motorlieren. Ook de schoten van de lieren, die lopen via blokken op de relingen, de uiteinden van de gieken en de top van de mast, worden bediend met motorlieren. De vier motorlieren staan rondom de liermast opgesteld op het bordes. De liergieken rusten in mikken: de naar voren gerichte giek in een mik aan bakboord en de achterwaart gerichte giek in een mik aan stuurboord. Op het dekhuis staat een antennemast. Aan en op de mast zijn drie boordlichten, een sprietantenne en een radarantenne geplaatst. Aan een uithouder is aan een vlaggelijn een rood-witte-blauwe vlag gehesen. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is plat en geveegd. De bodem is plat. Het model van voor naar achter: Uit de kluisgaten hangen twee ankers. Op het voorschip is aan weerszijden met plakletters de scheepsnaam aangebracht: 'Imke'. Op het voordek een dubbele ankerlier, zes dubbele bolders en enige luiken. Centraal op het voordek een liermast. Vervolgens het voorruim. Tussen het voorruim en het kleinere achterruim een bordes met daarop een tweede liermast. Op het achterschip het dekhuis van vier etages. Voor een brug over de gehele breedte van het schip. Daarachter de verblijven en de machinekamer. Op het dak van deze verblijven een radarantenne en de antennemast. Op het achterdek een reddingsloep in davit en aan de relings twee reddingvlotten. Op de schoorsteen een dubbele blauwe band en de letter 'D'. Op het achterschip: 'Imke / Delfzijl'. Kleuren: De romp is grijs, het onderwaterschip zwart het het boeisel van het voorschip wit. De dekken zijn groen. De masten zijn okergeel, De luikhoofden zijn grijs en de luiken bruin. Het dekhuis is wit. Accessoires: het model is geplaatst op een houten plank met glazen kap. Op de houten plank met witte plakletters: '19 m/s 'IMKE' 76'.
AchtergrondinformatieDe kustvaarder Imke uit Delfzijl werd in 1976 gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker. Opdrachtgever was de familie Damhof uit Delfzijl. Bouwnummer F63. Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
TitelModel van het stadhuis van Sneek, oorspronkelijk gebouwd in een fles.
VervaardigerWelbergen, A. van
Trefwoordenstadhuizen, Sneek, Marktstraat
ObjectnummerU-020
Periode van1829
Periode tot1829
BeschrijvingModel van het stadhuis van Sneek, gemaakt in een vierkante fles. Het model is gebouwd van hout. In de vensters spiegelruiten, die in 1828 ter vervanging van de roederamen in de vensters waren geplaatst. Voor het stadhuis staan mensen. Op de stop van de fles met inkt een opschrift: 'A. van Welbergen 1829'.
AchtergrondinformatieDe fles is gebroken en vervangen door een stolp., Literatuur:
- Leeuwarder Courant 19 mei 1976
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1957
- Sneeker Nieuwsblad 30 okt. 1958, 30 dec. 1966
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum - persberichten 1957
BeschrijvingFlessenscheepje met tweemasttopzeilschoener, met daarop een dekhuis, een stuurhut en een sloep in de davits. Nederlandse vlag. De fles staat op een stander.
AchtergrondinformatieSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 september 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 24