BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een viskotter. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model is onttakeld. De mast is aanwezig en voorzien van de zijstagen (met puttingijzers), maar is niet geplaatst. De andere rondhouten (gaffel, giek, boegspriet, etc) zijn ook gemaakt, maar evenmin geplaatst. Het model heeft geen zeilen. In een kistje worden enkele losse onderdelen van de tuigage bewaard (blokken, ringen, haken).
De romp: Het voorschip is scherp en de boeg is verticaal. Het achterschip is overhangend en voorzien van een bijna vertiakle speigel. De bodem is rond en vroosien van een kiel, die aan de onderkant is verzwaard met metaal.
Het model van voor naar achter. Op het voordek staat een kluiverboomstok en een houder voor een braadspil. De braadspil is gemaakt en wordt bewaard in het kistje met losse onderdelen, evenals de andere houder van de spil). Achter de braadpil een opbouw met deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. De plaats van de mast is aangegeven met een gat in het dek. Op het achterschip een opbouw met deuren die toegang verschaffen tot het verblijf in het achterschip. Voorts staat op het achterdek een lossen luikenkanp. Op de bovenrand van de spiegel een metalen overloop. Het boeisel van het achterschip is eversierd met een geschilderde goudkleurige voluut. Op de spiegel is met goudkleur, binnen een ovale rand met bladversieringen, de naam van het schip geschilderd: 'DOLPHIJN HARLINGEN / 1908'.
Kleuren: De romp is wit. Delen van de witte verf zijn afgeschuurd en beschadigd. Het onderwaterschip is lichtgroen. Het dek en de rondhouten zijn gelakt. De stander is donker gelakt.
Accessoires: dichte stander.
AchtergrondinformatieDe eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 23
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingModel van de romp van een zeiljacht uit de centaurklasse. Polyester kuip met los dek. Schaal 1:10. Tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp en de boeg is licht gebogen (lepelboeg). Het achterschip is voorzien van een schuingeplaatste spiegel. De bodem is U-vormig. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op het dek zijn alleen de plaatsten aangegeven die opgeruwd zijn. Ook is de plaats van de kuip aangegeven (een gat met kuiprand). Kleuren: Het kunststof heeft zijn oorspronkelijk kleur: wit. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieHet model is gemaakt als proefmodel. Het is afkomstig van jachtwerf Zaadnoordijk te Uitgeest. Technische gegevens van de Centaur: lengte 6.20 m., breedte 2.00 m., diepgang 0.85 m, oppdervlakte grootzeil 11 m², oppervlakte genuafok 7.60 m² en oppervlakte stagfok 6 m². De centaur kan uitgevoerd worden met een vaste kiel of met een midzwaard.
TitelWerfmodel van een motorvrachtschip: een Westlander.
VervaardigerMeijden, R. van der
Trefwoordenwestlanders, motorvrachtschepen
Objectnummer1987-103
Periode van1900
Periode tot1925
BeschrijvingHouten werfmodel van een Westlander. Stapelmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: Rond, schuin voorschip. Rond, geveegd achterschip. Vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de vorm van de romp is te zien. De boeisels vallen naar binnen. Het berghout ontbreekt voor een deel.
Kleuren: ongeverfd. Op de bovenkant inktvlekken.
Accessoires: geen
AchtergrondinformatieEen Westlander is een motorvrachtschip met een rond achterschip.
Het model is afkomstig van de werf van De Roos en R. van der Meijden aan de Dokkumer Ee te Leeuwarden. Het archief van deze werf wordt bewaard in het Gemeentearchief van Leeuwarden. Een Westlander is een motorvrachtschip met een rond achterschip. Het is een smal, vlak vaartuig dat werd gebruikt voor het vervoer van tuinbouwproductie van het Westland naar de grote steden. Het type ontstond pas bij de opkomst van de kassencultuur. De voorsteven helt sterk voorover. Een westlander is circa 16 meter lang en ruim 3 meter breed. De hoogte was, in verband met de bruggen, nog grote dan 1.60 meter. Westlanders werden gezeild of geweegd (wegen is het met een vaarboom voortbewegen van een schuit vanaf de wal), literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19
TitelModel van een jol, gebruikt als schippersboot.
VervaardigerVeenema
Trefwoordenjollen, schippersboten
Objectnummer1991-155
Periode van1985
Periode tot1991
BeschrijvingScheepsmodel van een jol, gebruikt als schippersboot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: scherpe, steile voorsteven, platte spiegel, bodem met kiel.
Het model van voor naar achter: Naast de achterdoft en een zitplaats in de punt heeft de boot twee zitbanken. Twee roeiriemen in koperen roeidollen. In de voorsteven een ring.
Kleuren: Het model is gelakt. De riemen zijn donkerbruin geverfd.
Accessoires: twee vastgeschroefde blokstanders, twee roeiriemen.
AchtergrondinformatieHet model is vervaardigd door de vader van de schenker. Jol is de benaming voor een kleine, open roei- of zeilboot met een plaate speigel. De kleinste sloep vaan boord van van koopvaardijschepen of oorlogsschepen werd jol genoemd.
BeschrijvingHalfmodel van een zeegaand zeiljacht. Stapelmodel (op elkaar gestapelde planken). Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp en heeft een lepelboeg . Het achterschip is overhangend en heeft een kleine, schuine spiegel. Het schip heeft een S-spant waarbij de bodem vloeiend overgaat in de lange kiel. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de vorm van de romp is weergegeven. Op de achterzijde zijn de maten van de spanten weergegeven. Het model is niet bevestigd op een plank. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is gedeeltelijk zwart. De overgang van wit naar zwart geeft echter geen realistische waterlijn. Deze zal hoge moeten liggen. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHet model was op het moment van verwerving bruin en wit geschilderd. Op de voorsteven de naam 'SIPPY'. Door uitdroging waren de planken losgeraakt. In 1988 is het halfmodel gerestaureerd. De planken zijn vastgezet. De kleuren en de scheepsnaam zijn verwijderd omdat ze niet origineel waren.
BeschrijvingScheepsmodel van een opdrukker. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen. De romp: Scherpe, steile voorsteven. Rond, geveegd achterschip. Platte bodem. Het model van voor naar achter. Op het voorschip een kort boeisel. Het dek en de gangboorden zijn zo hoog als de bovenkant van het boeisel. Op het voordek een bolder. Daarachter de opbouw van de machinekamer. In de zijwanden daarvan aan weerszijden drie patrijspoorten. Bovenop een luikenkap. Tegen de achterwand van de machinekamer het stuurrad. Aan stuurboord de deur van de machinekamer. Achter de machinekamer een stuurkuip (bollestal). Langs de randen van de stuurkuip waterlijsten, zodat er geen buiswater van de gangboorden of het achterdek in de kuip kan lopen. Op het achterdek een bolder. Kleuren: De romp is zwart: onder de waterlijn dof en boven de waterlijn glanzend. Het boeisel is grijs. Het dek is zwart. De machinekamer en de waterlijst zijn bruin (havanna). De bolder en de binnenkant van de stuurkuip zijn grijs. Accessoires: stander, met vilt bekleed.
AchtergrondinformatieOpdrukkers als deze werden vanaf ca. 1925 gebruikt om (nog niet) gemotoriseerde schepen, veelal skûtsjes, op te duwen. Door middel van touwen, die aan de koppelings- en gashandel waren verbonden, kon de schipper van zijn achterdek de opdrukker bedienen. Het stuurrad werd dan niet gebruikt. Er werd gestuurd met het roer van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 22
TitelScheepsmodel van de houten Staverse jol met visserijnummer HL-6.
VervaardigerZeldenrust, P.J. ; Molkwerum
TrefwoordenStaverse jollen, vissersschepen
ObjectnummerK-047
Periode van1937
Periode tot1937
BeschrijvingScheepsmodel van de houten Staverse jol met visserijnummer HI-6. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt uitgelaten door een beugel aan de voorsteven. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver is met een haak aan de top van kluiverboom bevestigd. De schoot van de kluiver is belegd op een van de voorbolders. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een bolder. Het grootzeil heeft een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De Grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet op de kielbalk. In het grootzeil een enkele rij reeftouwen. Met zwarte letters is in het grootzeil het visserijnummer aangebracht: HI 6. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, platte spiegel, ronde bodem. Open boot zonder dekken, maar met buikdenningen. Het schip heeft een vaste kiel en kan daarom gezeild worden zonder zwaarden.
Het model van voor naar achter: Op het voorschip is het visserijnummer geschilderd: 'HL 6'. Aan de voorsteven een snoes (rol) waarover het anker wordt neergelaten. Het vierarmige dreganker hangt over het voorboeisel. Het is vastgezet op een klamp op het voorschip. De romp heeft geen berghout. Op het boeisel een aantal verstevigingen, sommige met korvijnagels waarop de schoten van de stagfok of de kluiver zijn vastgelegd. Op het boeisel aan stuurboord twee scepters met daarin een pikhaak en een fokuitzetter. In het achterschip twee kniestukken met daarin een korvijnagel. Het roer is voorzien van een hoge, naar voren hellende roerkop.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. De binnenkant van het boeisel is blauw. De mastbank, de achterbank, de roerkop en het helmhout zijn groen. De buikdenning is bruin. Het beslag is wit. De bovenkant en van de mast is zwart en de trommelstok is wit.
Acccessoires: pikhaak, fokuitzetter (boom) en stander.
AchtergrondinformatieDe zeilen zijn in de zestiger jaren gemaakt door Pieter Alkema, toen nog werkzaam bij zeilmakerij D. Gaastra aan het Kleinzand te Sneek, later conciërge bij het Fries Scheepvaart Museum.
De Staverse jol heeft een hoge bolle kop en een platte, hartvormige spiegel, die bijna verticaal staat. De romp is buikig van vorm en neigt aan de bovenkant naar binnen. Er is geen berghout en er wordt gezeild zonder zwaarden. De boot is geheel open. Aanvankelijk waren Staverse jollen overnaads gebouwde boten met een gemiddelde lengte van 5.50 meter. Na 1900 groeiden ze tot 7.30 meter en werden ze gladboordig gebouwd. De romp was gebouwd op een lange, hoge kiel. Ze zijn voorzien van een spriettuig, de grotere jollen van een bezaantuig. De fok werd uitgezet op een botteloef. Staverse jollen werden gebruikt voor visserij op paling en ansjovis, maar ook op haring en bot. Ze kwamen voor in onder andere Stavoren, Hindeloopen, Warns, Molkwerum en Laaksum. Een verkleinde versie werd op de westwal gebruikt en is bekend als Andijker jol. De meeste Staverse jollen zijn gebouwd in Stavoren, maar ze zijn ook gebouwd in Hindeloopen en Gaastmeer., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 2 september 1962, 27 september 1962.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1962, p. 11
TitelScheepsmodel van een snik, de zogenaamde aardappelsnik uit Sneek.
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordensnikken
ObjectnummerK-048
Periode van1971
Periode tot1971
BeschrijvingScheepsmodel van een snik. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door staand want van één zijstag, die met een puttingijzer is vastgezet op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. De stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. In het grootzeil is een enkele rij reeftouwen gemaakt. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in het achterdek. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. De blokken zijn van palmhout en voorzien van metaalbeslag, maar niet van lopende schijven.
De romp: de voorsteven is scherp en heeft een rechte stevenbalk, het achterschip is rond, de bodem is vlak.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven zijn de voorstag en het blok van de stagfok bevestigd. De stagfok is vastgemaakt op een klamp op een verlaging achter de stevenbalk. Het stokanker ligt gedemonteerd op het voordek. Voor de mast een gebogen overloop voor de stagfok. Onder de overloop het luik dat verwijderd wordt wanneer de mast gestreken wordt, om zo plaats te maken voor het contragewicht aan de mast. Het luik geeft voorts toegang tot het vooronder. Op het voordek aan weerszijden aan het boeisel een kniebolder. Het boeisel heeft een vaste verhoging en een zetboeisel. De zwaarden hebben een verdikte kop die aan de bovenkant is bedekt met koper. Het boutgat is versierd met een metalen ster. Aan de onderkant van de zwaarden metaalbeslag en twee ogen. Aan een daarvan de ketting van de zwaardloper. Het andere oog kan vastgehaakt worden in een haak aan het boeisel. De ketting van de zwaardloper is bevestigd aan een kattekopblok waardoor het touw van de loper gaat. Dat touw wordt belegd op een klamp aan de buitenkant van het boeisel en opgeschoten aan een haak daarachter. Achter de mast het ruim dat wordt afgedekt met tien luiken. Tussen ruim en boeisel een smal gangboord dat aan voor en en achterkant wordt afgesloten door waterlijsten. Achter het ruim de roef met op het dak een schoorsteen en een schuifluik. In de zijwand van de roef ovale ramen en in de achterwand ruitvormige ramen. De deur van de roef bestaat uit naar boven uitschuifbare schotten. In de bollestal achter de roef langs het zij- en achterboeisel banken. In de wand van het achterhuis een oogvormige naamplaat: witte rand en blauw zandwerk. De bovenkant van het achterhuis wordt afgesloten door een gebogen lijst met koperbeslag. In het achterboeisel twee korvijnagels. Het helmhout is gecontourneerd van vorm. Het berghout is voorzien van metaalbeslag: van het achterschip tot de achterkant van de zwaarden en van het voorschip tot de voorkant van de zwaarden.
Kleuren. De romp is gelakt, het onderwaterschip is groen met een witte bies. Op het vaste boeisel een wit-groene bies en op het zetboeisel een witte bies. De koppen van de zwaarden zijn groen met wit in de schulpingen. De bovenkant van de mast is zwart, de trommelstok is wit. Achterschip: groene banken, grijze buikdenning, groene deur en op de bolders rood-witte zandlopers. De kop van het roer is groen, het helmhout is groen en heeft een zwarte handgreep.
Accessoires: een boom (met druif en zwart geverfde teen) en een fokuitzetter (met oog en gelakte teen), een pikhaak, een stokanker, een vaste mik en een stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen.
Het model is gebouwd naar de zogenaamde aardappelsnik, die in de grachten van Sneek lag afgemeerd. Deze snik was gebouwd bij J.B. van Manen te Berlikum. Net voor de sloop van deze snik is hij gefotografeerd, liggend in de Looxmagracht. Aan de hand van deze foto's heeft De Jonge het model gebouwd. Een snik is een variant op de tjalk. Het achterschip lijkt op dat van de tjalk, maar de voorsteven verschilt wezenlijk met die van een tjalk. Bij een snik werd de voorsteven door een schuin geplaatste rechte stevenbalk gevormd. De snik was bovendien slanker dan een tjalk. De breedte was aangepast aan de nauwe bruggen. Met een snik kon snel gezeild worden. Snikken werden in Friesland met name gebruikt in de Noordwesthoek. Er werden meestal aardappelen mee vervoerd., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1971-1972, p. 52
BeschrijvingScheepsmodel van een eikenhouten schippersboot in de vorm van een schouw. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De boot heeft de vorm van een schouw. Een platte voorsteven, die schuin omhoog staat. Een platte spiegel en een plat vlak dat in de lengterichting gebogen is. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is aan de buitenkant een koperen ring bevestigd met daaraan een touw. Het berghout is van een andere houtsoort gemaakt. Aan de binnenkant is tegen de voorplecht een geschulpte dwarsplank gemaakt. Aan de binnenkant zijn de houten spanten te zien. De bodem is bedekt met buikdenningen. Midscheeps is een roeibank gemaakt. De boeisels zijn daar gedubbeld. Daarop zijn de roeipennen geplaatst. Over de roeibank zliggen twee roerspanen. In het achterschp is een bank gemaakt. Aan de achtersteven hangt geen roer. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Aan de binnenkant is het model ook gelakt. De buikdenningen zijn grijs geschilderd. Accessoires: twee roeispanen.
AchtergrondinformatieDe schippersboot is gemaakt als model van de boten zoals die werden gemaakt op de scheepswerf van J.O. van der Werff te Buitenstvallaat (bij Drachten).
TitelHalfmodel van een motorvrachtschip met steilsteven.
VervaardigerWerff, H.P. van der ; Drachten
Trefwoordenmotorvrachtschepen
Objectnummer1994-482
Periode van1900
Periode tot1925
BeschrijvingHalfmodel van een motorvrachtschip. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het model heeft een plat vlak, een steile steven en een rond, vol achterschip met naar binnen vallend boeisel. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op de achterzijde van het model is met stift geschreven: 'H.P. v.d. Werff Helling Langewijk Drachten'. Kleuren: het model is niet geverfd of gelakt. Accessoires: het model is niet geplaatst op een plank.
AchtergrondinformatieHet model zal waarschijnlijk een klein motorvrachtschip verbeelden, gebruikt voor bijvoorbeeld de beurtvaart. Het model is afkomstig van de scheepswerf van Haike Pieters van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Zijn vader Pieter Haikes van der Werff, die een werf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten, kocht de werf van diens oom Ate Pyters van der Werff aan de Langewijk voor zijn zoon. Van deze werf is een werfboek bewaard gebleven en tevens enige scheepsbouwtekeningen. Werfboek en tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. Uit In het werfboek worden geen schepen vermeld die voor 1900 zijn gebouwd. en ook uit de tekeningen is niet na te gaan voor welke opdrachtgever het model is gemaakt. De schenker, Durk Lourens van der Werff, is een zoon van Haike Pieters van der Werff.
BeschrijvingScheepsmodel van de lark Jokeltje. Op spanten gebouwd. Mahoniehout. Schaal 1:7½. Tuigage: Het model heeft één mast. Aan de onderkant staat de mast in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en door twee zijstagen. De voorstag loopt door een metalen uithouder aan de mast. De stag is beneden vastgezet aan een touw dat door een blok op de voorsteven loopt en is belegd op een houten klamp op het voordek. De zijstagen zijn met wantspanners vastgezet aan de romp. Het model heeft één zeil van witte katoen. Het is voorzien van een rechte gaffel, die boven de mast uitsteekt: cattuig. Het voorlijk van het zeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval. De hals van het zeil is in hoogte verstelbaar door een halstalie. De beide vallen en de halstalie lopen door gaten in het voordek (aan weerszijden en achter de mastkoker) en zijn onderdeks belegd op een metalen klamp. De onderkant van het zeil is vastgezet in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek is met een metalen klauw aan de mast bevestigd (geborgd met een touw). Het achterlijk van het zeil is aan de bovenkant rond en is voorzien van tien zeillatten, die doorlopen tot het voorlijk. Het is een zogenaamde kattenrug (of vleermuistuig). In het zeil aan beide kanten het zeilnummer L 96. De grootschoot is met het vaste einde vastgezet op een blok aan het achtereind van de giek. Daar vandaan loopt de schoot naar een blok op de overloop op het achterdek, terug omhoog, door het blok aan het einde van de giek, naar voren, door een blok dat hangt aan een beugel in het midden van de giek. Van dit blok loopt de schoot naar beneden en is belegd op een houten klamp op de bodem van de kuip. Op de top van de mast een rood-blauwe windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven van de lark is rond. De voorsteven staat niet verticaal op de kielbalk maar horizontaal: van boven gezien een T-vorm. Het vlak is plat en loopt naar voren toe omhoog. In doorsnede heeft de lark een knikspantmodel. Het model is voorzien van een vaste kiel met aangehangen roer. De spiegel is plat en verticaal. Het model is (op de kuip na) geheel bedekt. Het model van voor naar achter: Het dek steekt over de voorsteven en de zijwanden heen. Het is voorzien van een halfronde stootrand. Het dek loopt van voor naar achter. Op het voordek het blok en de klamp van de voorstag. Achter de mast begint de kuip, die van boven gezien granaatvormig is. De kuip is voorzien van een hoge, schuinstaande kuiprand. De kuip is op de bodem bedekt met buikdenningen. Het roer hangt schuin aan de kiel. De as van het roer steekt schuin omhoog uit het achterdek. Het helmhout heeft een gebogen vorm. Aan weerszijden van het helmhout zijn op het achterdek twee houten klampen gemaakt. Achter het helmhout de metalen overloop van de grootschoot. Op de spiegel is de naam van het zeiljacht geschilderd: 'Jokeltje'. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De kiel is wit met een grijze onderkant. Het dek, de kuip, de mast en de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de lark is gebouwd naar de officiële tekeningen van de N.N.W.B.
Eigenaar van de lark Jokeltje met zeilnummer 96 was Jaap Hiemstra uit Sneek, aannemer en na zijn pensionering vrijwilliger bij het museum. Hij bouwde zijn schip in de winter van 1936/1937. Grote successen behaalde hij na de oorlog. Nadat hij het schip verkocht (1948) kwam het niet meer voor op de wedstrijdlijsten.
De eerste lark voer waarschijnlijk te Loosdrecht. Jachtwerf Beekhuis aldaar bouwde larken, maar was niet de ontwerper ervan. Het ontwerp is waarschijnlijk rond 1905 in Amerika gemaakt. A. van Gool uit Hommerts was de eerste die de lark in Friesland introduceerde. In 1927 deden er voor het eerst larken mee aan de Sneekweek. Het werd een populaire klasse van de NNWB. Het was een bepekte klasse: lengte ten hoogste 4 meter, cattuig van ten hoogste 11 m², etc. Na de Tweede Wereldoorlog is de klasse nooit meer zo populair geweest als daarvoor. Een lark is een boot waarbij de kielbalk niet overgaat in een verticale voorsteven, maar in een horizontale. Van boven gezien vormen de kielbalk en de voorsteven een T-vorm. Een lark is behoudens de kuipopening geheel bedekt. Het cattuig van de lark kenmerkt zich door een kleine mast met een hoge giek. Aanvankelijk waren de zeilen voorzien van een recht achterlijk. Romke de Vries uit Sneek ontwierp voor de Lark 51 van G. de Boer een zeil met kattenrug en met 7 tot 11 doorlopende zeillatten (vleermuistuig)., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De Lark' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 43-48.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 32
BeschrijvingScheepsmodel van het Fries maatkastje Johnny. Hol model, op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt gehouden door twee waterstagen (kettingen). De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van vier hofdtouwen, waarvan twee zijn voorzien van weeflijnen (touwladder) en door een lopen want (bakstag). In het staande want aan stuurboord hangt een geblokte peilstok en een lantaarn (rondschijnend wit licht). De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een boomfok en een grootzeil. Het voorlijk van de kluiver is met doorgeslagen metalen ringen en leuvers bevestigd op de voorste voorstag. De schoot van de kluiver is belegd op een blok dat is vastgezet op een overloop op het voordek (aan de voorkant van het voorruim). De kluiver is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De boomfok is voorzien van een giek (boomfok), die draait in de bok van de mast. Het voorlijk van de boomfok is met doorgeslagen metalen ringen en leuvers bevestigd aan de tweede voorstag (die is bevestigd op de bok). De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgemaakt aan een tweede overloop (vlak voor de mast). In de boomfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel en een giek. De gaffel heeft niet een klauw maar een metalen ringen rond de mast. Ook de rest van het beslag aan de top van de mast is van koper. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen (die door ingeslagen metalen ringen in het zeil lopen) aan de mast bevestigd. Op dezelfde wijze (touwlussen door ingeslagen ringen) is de bovenkant van het grootzeil aan de gaffel bevestigd. In het grootzeil is een enkele rij reeftouwen gemaakt. De grootschoot loopt via katrollen en ogen in het achterdek naar de lier achter het stuurwiel. De schoot kan met deze lier worden gevierd. De vallen van de zeilen worden bediend met een lier, vlak achter de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. Op het achterschip een nederlandse vlag. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Alleen het grote blok op de bok heeft schijven. De romp: Scherpe, steile voorsteven. Rond, geveegd achterschip. Plat vlak. Van voor naar achter: Het anker aan stuurboordzijde is opgehangen aan een davit. Dat aan bakboordzijde hangt uit het kluisgat. Op het voordek de ankerlier, Daarnaast de ankerlier die ook gebruikt kan worden voor het laten strijken van de mast. Achter de lier een luik dat toegang verschaft tot het vooronder. Aan de voorkant van het voorruim de overloop van de kluiverschoot. Het voorruim wordt afgesloten door twee maal zeven luiken. Boven het ruim is de bok waarmee de mast gestreken wordt. Aan de punt van de bok is een blok gemaakt. Tevens is daaraan de hals van de boomfok bevestigd. Vlak voor de mast de overloop van de fokkeschoot. In het want aan bakboord hangt een rood-wit geblokte boom en een lantaarn. Achter de mast de lier voor de vallen van de zeilen. Aan weerszijden van de mast koperen deksel. De zwaarden zijn voorzien van koperbeslag op de kop en langs de ondderrand. Overdwars lopen drie metaalstrippen over de zwaarden. Aan het boeisel aan stuurboord is, net achter het swaard, een trap met koperen leuning gehangen. Het achterruim worden afgesloten door twee maal acht luiken. Op de luiken een loopplank met touwreling, een trap en twee bokken met daarin een aantal bomen en uitzetters en het naambord. Op het naambord: 'JOHNNY RIJSWIJK 250 ton'. Achter het ruim de roef. In de zijwanden daarvan aan beide kanten drie ramen, die met schuifluiken kunnen worden afgesloten. In het dak van de roef twee lichtkappen. In de achterwand van de roef twee deuren met ronde bovenkant. Het dak van de roef is bij de deuren opgebold. Aan de achterwand van de roef een scheepsbel. Op het achterdek het stuurrad aan een broodkast. Voor de roerganger is voor het stuurrad een houten verhoging gemaakt opdat hij beter over de roef kan kijken. In de broodkast is ook de lier gemaakt waarop de grootschoot gevierd kan worden. Voorts op het achterdek een mik. Op het achterboeisel een vlaggenstok, een lantaarn en aan bakboord een davit met sloep. Van het roerblad lopen kettingen naar een bolder op het achterboeisel (roertalie). Kleuren: De romp is zwart, het onderwaterschip is rood, het boeisel is wit. Het dek en de luiken zijn donkerbruin. De binnenkanten van de boeisels zijn roodbruin. De zijwanden van de roef zijn wit, de voor- en achterwand zijn roodbruin en het dak is groen. De sloep is rood en zwart. Het houtwerk (rondhouten, uitzetters, zwaarden, trappen, etc. zijn gelakt. Accessoires: Op het voordek een stoorhout en twee landvasten. Op het achterruim een loopplank, een trap, twee houders met daarin een pikhaak, een vaarboom, een fokkeloet en twee andere uitzetters. Op het dak van de roef twee reddinggordels, een wrijfhout en een scheepstoeter. Op het achterdek een wrijfhout. In de reddingboot een roeispaan.
AchtergrondinformatieHet originele schip voer van Duitsland over de Rijn en de IJssel naar Lemmer (steenkool voor G. Wierda, Lemmer). Het was eigendom van Johan Goedhart uit Rijswijk (Gld.). Het was 31 meter lang en mat 248 ton. De maker heeft op het schip gevaren van 1930-1935.
Een Fries maatkastje is 31.50 meter lang en circa 6.20 meter breed en de tonnemaat bedraagt circa 250 ton. De lengtemaat wordt bepaald door de grootte van de sluis van Stavoren, die 32 meter lang was. De breedte van de schepen was door de bouwer of opdrachtgever zelf te bepalen, maar werd beperkt door een brug in het Oude Hoendiep van de vaarweg naar Groningen. Deze brug, tussen Enumatil en de Poffert, liet een breedte door van 6.20 meter. Bredere schepen moesten op weg naar Groningen via Dokkumer Nieuwe Zijlen en Zoutkamp., literatuur:
- L. Kamminga 'Het friese maatkastje' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, pp. 47-49.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 16
- M. Sybranda 'Maatschepen' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, pp. 51-56