TitelHalfmodel van een motorvrachtschip met steilsteven.
VervaardigerWerff, H.P. van der ; Drachten
Trefwoordenmotorvrachtschepen
Objectnummer1994-483
Periode van1900
Periode tot1925
BeschrijvingHalfmodel van een motorvrachtschip. Blokmodel gebouwd volgens de stapelmethode (uit zes horizontaal gestapelde en verlijmde planken. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het model heeft een plat vlak, een steile steven en een geveegd achterschip. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op de wand en bovenkant is met potlood de plaats van de 19 spanten aangegeven. Het model is niet geplaatst op een plank. Op de achterzijde is met stift geschreven: 'H.P. v.d. Werff Drachten Helling Langewijk'. Kleuren: het model is niet geverfd of gelakt. Accessoires: het model is niet geplaatst op een plank.
AchtergrondinformatieHet model zal waarschijnlijk een klein motorvrachtschip verbeelden, gebruikt voor bijvoorbeeld de beurtvaart. Het model is afkomstig van de scheepswerf van Haike Pieters van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Zijn vader Pieter Haikes van der Werff, die een werf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten, kocht de werf van diens oom Ate Pyters van der Werff aan de Langewijk voor zijn zoon. Van deze werf is een werfboek bewaard gebleven en tevens enige scheepsbouwtekeningen. Werfboek en tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. Uit In het werfboek worden geen schepen vermeld die voor 1900 zijn gebouwd. en ook uit de tekeningen is niet na te gaan voor welke opdrachtgever het model is gemaakt. De schenker, Durk Lourens van der Werff, is een zoon van Haike Pieters van der Werff.
BeschrijvingScheepsmodel van een houten roeischouw. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is plat en loopt schuin omhoog. Het achterschip heeft een platte, nagenoeg verticale spiegel. Het vlak is plat en loopt naar voren en naar achteren omhoog. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een metalen oog met daaraan een landvast, die opschoten in het voorschip ligt. De boot is open: de spanten zijn te zien, de bodem is bedekt met buikdenningen. De roeibank is in het midden voorzien van een rond gat. In de bodem er loodrecht onder is een ronde uitsparing gemaakt. In beide gaten kon een steekmast geplaatst worden om de boot te kunnen zeilen. De bank rust aan de uiteinden op brede klossen en is aan de bovenkant vastgezet met kniestukken tegen het boeisel. Op de boeisel zijn twee roeidollen gemaakt. Daaraan hangen twee roeispanen. De achterbank loopt aan de zijkanten met de boorden mee naar voren. In het midden van de achterbank is een luik gemaakt (dat echter is vastgezet). Kleuren: De romp is geheel, zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant, gelakt. Accessoires: een stander en twee roeispanen.
AchtergrondinformatieDe schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling., literatuur:
- Klaas Wielinga, 'Tsjipke Postma (1866-1956)' (Veenwouden 2006)
BeschrijvingScheepmodel van de kustvaarder Marie uit Foxhol. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De kustvaarder heeft een liermast en een lantaarnmast. De liermast staat tussen de twee ruimen. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door twee zijstagen op het boeisel (enkele stagen zijn afgebroken). Aan bakboord is aan de mast een ladder gemaakt. Aan de mast hangen twee liergieken, die beide hangen in kraanlijnen die worden bediend met motorlieren aan de voet van de mast. Aan de onderkant van de gieken hangen de schoten waarmee de gieken zijwaarts worden bewogen. De voorwaats gerichte liergiek rust aan het uiteinde in een mik op het voordek. De achterwaarts gerichte liergiek rust in een houder aan het brugdek. Op het dekhuis is een lantaarnmast geplaatst met daarin vier boordlichten en erop een antenne. De mast wordt aan weerszijden gehouden door twee zijstagen. Op het achterschip een vlaggenstok met rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Uit de kluisgaten hangen twee ankers. Op de boorden van het voorschip is aan weerszijden de scheepnaam geschilderd: 'Marie'. Op het verhoogde voordek een dubbele ankerlier, een reserve-anker, een scheepsbel en een schoorsteen. achter het voordek een voorruim en een achterruim, met daartussen in de liermast met dubbele giek. Op het achterhuis een dekhuis van twee etages met daarboven een dek dat ook het gangboord langs het dekhuis overdekt. Op dit achterdek de brug (stuurhuis van hout), de seinmast, de antennes, de radar, twee reddingsloepen in davits, een kompas en een takel. Op de schoorsteen een embleem (tandrad met daarin de latter 'H'). Op het achterschip is geschilderd 'Marie / Foxhol'. Kleuren: De romp is grijs, het onderwaterschip zwart het het boeisel van het voor- en achterschip wit. De dekken van het voorschip en het ruim zijn zwart. Hetbovendek is van gelakt hout. De luikhoofden zijn bruin, de luiken gelakt. De masten, de schoorstenen en de takel zijn okergeel. Het dekhuis is wit en de brug is gelakt. Het metaal roest op enkele plekken. Accessoires: het model is geplaatst op een houten plank met glazen kap. Het model is met een blok hout op plank bevestigd met een blok hout op het vlak.
AchtergrondinformatieDe kustvaarder Marie uit Foxhol is in 1972 op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker verbouwd tot zandzuiger (bouwnummer F53). Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschrijvingOnvoltooid speelscheepje van het type Lytse Folle. Blokmodel.
Rondhouten en tuigage De mast ontbreekt. Wel zijn er voorlopige koperen stagen aan de romp bevestigd.
De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip is rond. De bodem is voorzien van een kiel, die aan de onderkant is voorzien van een metalen verzwaring. Aan de achterkant van de kiel is een roer opgehangen. De houten spil van het roer steekt uit model.
Het model van voor naar achter: Op het dek zijn nog geen detailleringen aan gebracht. Te zien zijn alleen het gat waarin de mast moet worden geplaatst en het gaat waaruit de houten spil van het roer naar boven steekt.
Kleuren: het model is ongeverfd.
Accessoires: geen
AchtergrondinformatieDe herkomst van het onvoltooide speelscheepje is niet bekend. het behoort tot het type Lytse Folle: het is korter dan 55 cm. (lyts) en het is massief (fol). De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyst Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van een houten viskotter. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft twee masten (grote mast en bezaanmast) en een boegspriet. De grote mast staat op het voordek. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag op de voorsteven en door twee voorstagen op de boegspriet. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staandwant van één hoofdtouw (zijstag) en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast wordt aan weerszijden gehouden door een zijstag die met twee blokken is getakeld en is vastgezet op het boeisel van het achterschip. De boegspriet rust aan de achterkant in een stoel op het voordek en in een beugel aan de voorsteven. Aan de voorkant wordt de boegspriet niet gestaagd, maar hangt in de voorstagen van de grote mast. Het model heeft geen zeilen. Aan de rondhouten, valeen en schoten is echter wel af te leiden welke zeilen er op het schip gevoerd konden worden. Aan de voorstagen kunnen twee kluivers en een stagfok gehesen worden. De vallen en schoten ervan ontbreken. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. De klauwval van de gaffel loopt over twee blokken (één aan de klauw en één aan de mast). De piekeval loopt over vier blokken (twee aan de gaffel en twee aan de mast). De onderkant van het grootzeil kan worden bevestigd aan de giek. Deze hangt aan de voorkant met een zwanehals in een oog aan de mast. De achterkant van de giek hangt in een touw aan de top van de gaffel (geen kraanlijn). De grootschoot loopt over twee blokken en is belegd op het onderste van deze twee blokken (dat echter geen hakkeblok is). Aan de bezaanmast kan een bezaanzeil gehesen worden. Het is een driehoekig zeil zonder gaffel. De onderkant van het bezaanzeil wordt vastgezet aan de giek. Deze hangt aan de voorkant met een zwanehals in een oog aan de bezaanmast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn aan de mast. De bezaanschoot loopt over een blok aan de giek en via een papegaaiestok (die uit het achterschip steekt) naar voren en is belegd op een klamp aan het boeisel aan stuurbord. De vallen van de zeilen (voorzover aanwezig zijn belegd op ogen in het dek aan de voet van de beide masten. Op het model worden geen vlaggen gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en verticaal. Het achterschip heeft een smalle, schuinstaande spiegel en is daaronder geveegd. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Aan de boegspriet is met een touw het anker vastgezet. Het ankertouw is vastgezet op de bolder op de stoel van de boegspriet. Het voordek is verhoogd: het is evenhoog als de bovenkant van de boeisels. Op de boeisels van het voordek zijn relingen gemaakt. Achter de grote mast is in het dek een schuifluik gemaakt. In de wand eronder zijn dubbele deuren, die toegang verschaffen tot het verblijf in het vooronder. Op het middendek staat aan stuurboord voor de genoemde wand een watervat. Over de gehele breedte van het dek zijn twee banken en een achterbank gemaakt. Deze zijn aan de boorden voorzien van kniestukken. Tussen de achterbank en de bank ervoor zijn bovendien langs de boorden zijbanken gemamkt. Achter de tweede bank isstaat een lenspomp met hevel. Het achterdek is enigszins verhoogd. Op het achterdek staat de bezaanmast. Daarachter stektde spil van het roer omhoog. Daaraan is een metalen helmhout gemaakt dat rond de bezaanmast is gebogen. Uit het achterschip steekt de papegaaiestok van de bezaanschoot. Kleuren: De rond is gelakt. De boeisels zijn zwart. De dekken en rondhouten zijn gelakt. Het anker, de relingen en het helmhout zijn zwart. Accessoires: vaste stander, anker en vast watervat.
AchtergrondinformatieDe herkomst van het model is niet bekend. Het model is waarschijnlijk gemaakt naar een Engels vissersvaartuig., literatuur:
- John Leather, Gaff Rig (Londen, 1970)
- Sneeker Nieuwsblad 9 okt. 1975
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een zeiljacht, gelijkend op een dertig-kwadraat-klasse of een regenboogjacht. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage. Het speelscheepje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door een metalen zijstag. De zeilen zijn van witte (verkleurde) katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de fok is met touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgeknoopt aan een ring op de voorsteven. De fokkeschoot bestaat uit een dubbele ring die is vastgezet op een metalen overloop op het voorstel. Het grootzeil heeft de vorm van een catzeil: een rechte gaffel die uitsteekt boven de top van de mast. Het grootzeil is met raktouwen vastgezet aan de gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De halstalie is vastgeknoopt aan een oog in de voet van de mast. De giek hangt met een houten klauw tegen de mast. De grootschoot loopt van de achterkant van de giek naar een oog in het achterdek en vervolgens via twee giekringen naar een oog in de kuip, waar de schoot op is vastgeknoopt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank (zonder nagels). Op de top van de mast een rode windvaan. bij de tuigage van het speelscheepje is geen gebruik gemaakt van blokken.
De romp: Het voorschip is scherp met een lepelvormige boeg. Het achterschip is licht overhangend en voorzien van een schuine spiegel. De bodem is U-vormig en is voorzien van een kiel die aan de onderkant is verzwaard met metaal. Het roer is aan de kiel opgehangen.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag, waarop de voorstag en de hals van de fok zijn vastgezet. Op het voordek een metalen overloop die scharniert in de ogen waaraan de zijstagen zijn bevestigd. De mast staat in een mastkoker. Aan de voet van de mast een dwarslat (soort nagelbank), waarop de vallen zijn belegd. Achter de mast de kuip, die van boven gezien granaatvormig is. Langs de randen van de kuip een waterlijst. De kuip is voorzien van een buikdenning. Langs de zijwanden van de kuip twee losse banken. Uit het achterdek steekt de spil van het roer omhoog. Aan de spil is een krom helmhout bevestigd. Achter het helmhout een houten klamp en een metalen oog.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is donkergroen. Het dek is gelakt. De binnenkant van het schip is wit. De buikdenning en de banken in de kuip zijn gelakt. De rondhouten zijn gelakt, evenals de stander. De lak is geoxideerd zodat de gehele romp is bedekt met donkere vlekken.
Accessoires: stander.
Scherp spiegel-zeiljacht. Getuigd met fok en gaffelzeil. De blokken ontbreken. Open kuip. Het touwwerk loopt door schroefoogjes. Het model is blank gelakt (sterk verweerd). Het onderwaterschip is zwart.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is afkomstig uit de Sneker familie J.C. Gorter. De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van een trekschuit. Op spanten gebouwd. Schaal: niet bekend.
Tuigage: geen (alleen een trekmast) De romp: De trekschuit heeft de vorm van een snik: scherpe voorsteven, rond achterschip en vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Langs de boeisels in het voorschip twee banken. Aan weerszijden twee bolders. Aan de voorwand van de roef de trekmast. De mast wordt gestaagd aan de punten van de achterwand van de roef. In de voorwand van de roef dubbel openslaande paneeldeuren die van boven halfrond zijn. In de zijwanden twee ramen met metalen schuifluiken. In het dak van de roef een luik met daaronder wegneembare schotten. Aan weerszijden van deze entree twee aparte met banken ingerichte compartimenten. Op de roef (zwarte letters op wit): 'Sneek - Leeuwarden'. Het schip heeft geen gangboorden. De roef loop van boeisel tot boeisel. In de achterwand dubbele openslaande paneeldeuren. In het achterschip twee zijbanken. Het roer heeft een metalen helmstok. De roerkop is rond en is versierd met drie ingesneden tongvormen.
Kleuren: de romp is grijs, het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. De boven- en binnenkant van het boeisel zijn groen. De dekken en het dak zijn gelakt. De roef heeft aan de buitenkant groenen wanden met witte lijsten. De raamuiken zijn blauw. Aan de binnenkant is de roef rood. Het roer is deels grijs en deels gelakt.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet model werd gebouwd naar bouwtekeningen van een trekschuit van de hand van F.N. van Loon uit 1828. De Staten van Friesland vroegen Folkert van Loon een ontwerp te maken voor beter ingerichte trekschuiten. In 1828 werden vier nieuwe trekschuiten naar zijn ontwerp gebouwd op de werf van de gebroeders Ypes aan het Vliet te Franeker. In de jaren daarn zijn daar nog meer van deze trekschuiten gebouwd.
Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. In Friesland kwamen in 1642 de trekvaart en trekweg tussen Harlingen en Leeuwarden gereed, in 1647 die tussen Leeuwarden en Dokkum, in 1656 die tussen Dokkun en de Groningse grens en tenstotte die tussen Leeuwarden en Sneek in 1661. De trekvaarten verzekerden de reizigers een gerieflijk vervoer per trekschuit met vaste vertrek- en aankomsttijden. De trekschuiten waren 10 tot 15 meter lange, smalle schepen. Een korte mast stond tegen de voorkant van de kajuit. Aan de mast was een touw bevestigd waaraan het trek- of jaapaard liep over het jaagpad. In de kajuit bevonden zich een eerste en een tweede klasse afdeling. De eerste klasse was iets luxueuzer ingericht dan de tweede kalsse: kussens op de banken en dam- en schaakspel waren aanwezig en soms kranten. Waar geen trekschuiten konden varen werd de beurtdienst met een zeilschip onderhouden., literatuur:
- W.F. Broos, 'F.N. van Loon (1775-1840)' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980, pp. 70-75.
TitelG. Stamm, Den Haag - zilveren model van een regenboog-jacht, zeilprijs.
VervaardigerStamm en Co., G.
Trefwoordenregenboogklasse, Kaagweek
ObjectnummerZ-190
Periode van1935
Periode tot1937
BeschrijvingZilveren model van een regenboogjacht met zeilnummer 15. Het model is volledig uitgevoerd in zilver: de mast, de rondhouten, de vallen en schoten en de zeilen. Het model is met de kiel vastgezet op een blokhout. Daar omheen is een sokkel met schuine wanden gemaakt. Op een van deze wanden twee zilveren plaatjes met inscriptie: 'Kaagweek 1937 / S. Kuipers - Sneek' en 'Kaagweeg 1938 / S. Kuipers - Sneek'. Rond de sokkel is een vitrine gemaakt vam houten ribben.
AchtergrondinformatieDe regenboog met nr. 15 is de Waterrot van S. Kuipers uit Sneek.
De regenboogklasse is ontworpen door G. de Vries Lentsch uit Nieuwendam en als nationale eenheidsklasse door het KNWV erkend in 1917. De boot heeft lange en volle overhangen en is derhalve geschikt voor meren en plassen, maar niet voor al te woelig water. Het heeft een steil gepiekt gaffeltuig. De naam regenboog is gekozen omdat het oorspronkelijk de bedoeling was elk schip een andere kleur te geven. Dat hield met niet vol: de meeste latere regenbogen zijn gelakt. De klasse was tot de Tweede Wereldoorlog populiar. Daarna verminderde de belangstelling. Na oprichting van de Regenboogclub en na de bouw van de nieuwe regenboog (nr. 94) in 1968 (de eerste na 40 jaar stilstand) leefde de klasse weer op. Sindsdien zijn er 40 nieuwe regenbogen gebouwd. Het schip bleef klassiek, maar voor de westrijdzeilers zijn er een aantal moderniseringen doorgevoerd: spinnaker, hangbroek (als trapeze) en zelflozers., G. Stamm en Co. te Den Haag gebruikte het meesterteken Koonings II 9810 van 1916-1961., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1971-1972, p. 14
BeschrijvingScheepsmodel van een melkboot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond (steven en berghout) met een plat deel (boeisel en huid daar net onder). Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter. Op het voorschip een korte metalen overkapping van boeisel tot boeisel. Daarop een bolder. Daarachter een lantaarnmast. Het dek is plat. Daarop 18 melkbussen in verschillende formaten. Op he achterschip de opbouw van de motor met daarop een schoorsteen. De schoorsteen is voorzien van handgrepen zodat deze verwijderd kan worden bij lage bruggen. Achter de machinekamer een houten stuurhut. In de voorwand van de stuurhut drie ramen, in de zijwanden één raam en in de achterwand de deur. Aan stuurboord is aan de stuurhut een scheepshoorn bevestigd. De stuurhut kan geheel verwijderd worden (nodig bij lage bruggen). Ook over het achterdek een korte metalen overkapping tussen de boeisels met daarop een bolder. Kleuren: de romp is groen, het onderwateschip is zwart. De binnenkanten van de boeisels en de opbouw zijn groen. De houten stuurhut is gelakt. Het dek is grijs. Accessoires: stander die met vilt is bekleed.
AchtergrondinformatieMelkboten zorgden voor het vervoer van melk in melkbussen van de boer naar de zuivelfabriek. Model stond de melkboot van Hempens, een zolderschuit met motorkont. Een dekschuit vervoert haar lading aan dek. Het ruim dient tot berging van de dekkleden, stuwhout en andere inventaris. Men gebruikt dekschuiten voor het vervoer van goedering in havens en vaarwaters waar geen stroom loopt en ebb noch vloed gaat. Vooral in Amsterdam varen veel dekschuiten. De grachten en kaden zijn er zodanig ingericht dat de lading van dekschuiten zonder takels geladen en gelost kunnen worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 22
TitelHalfmodel van de klipper Emanuël van S.A. Hoogeveen.
VervaardigerWerff, H.P. van der ; Drachten
Trefwoordenklippers
Objectnummer1994-087
Periode van1906
Periode tot1906
BeschrijvingHalfmodel van een klipper. Stapelmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: scherpe voorsteven, rond en geveegd achterschip, vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Op het voordek het luik van het vooronder en het voorruim. Daarachter de mastkoker, het achterruim en de roef. In de zijwand van de roef zijn twee ramen geschilderd. Op het dak van de roef een lichtkap. Op het boeisel twee bolders. Het model is geplaatst op een eikenhouten plank waarop met gesneden, opliggende letters de gegevens van het model staan genoteerd. De tekst op de plank: '120 ton / KLIPPER VOOR / S.A. HOOGEVEEN / BIJ GEBR. H.P. & A.P. VD WERFF / DRACHTEN 1905'. In de plank twee ophanggaten. Kleuren: De romp is beschilderd in de kleuren grijs en wit. Het dek is zwart, de roef is wit, de dak van de roef is lichtgroen. De luiken op de roef en op het vooronder zijn rood. De luiken van het voor- en achterruim zijn gelakt.
Accessoires: geen
AchtergrondinformatieHet halfmodel is niet geheel origineel. Het snijwerk op de plank, de beschildering en het aangebrachte naambord zijn niet origineel, maar later bij het halfmodel gemaakt. Bij restauratie zijn deze kleuren gehandhaafd. De naam van de klipper was Emanuel en niet Hoop op Zegen. Het bouwjaar was niet 1905 zoals op de plank staat, maar 1906 (de bouwtekening is van 1906 en ook schipper Jelle Hoogeveen noemt dat jaar als zijnde het bouwjaar). Ook het feit dat op de plank staat dat het schip is gemaakt door de Gebr. H.P. en A.P. van der Werff klopt niet. Haike Pieters van der Werff kreeg de werf aan de Langewijk in bezit doordat zijn vader Pieter Haikes van der Werff (die een werf had aan de Noorderdwarsvaart) de werf van diens oom Ate Pieters van der Werff kocht. In het werfboek van Haike Pieters van der Werff, dat wordt bewaard in het Fries Scheepvaart Museum, wordt het schip onder nr. 25 genoemd: 'Sake A. Hoogeveen / Klipper aak / Lang 82, wijdt 490, Hol 190'. Van het schip is ook nog een bouwtekening (inv.nr. 1994-088). In 1932 liet Sake Hoogeveen in de klipper een motor bouwen. In 1935 overleed Sake en nam zijn zoon Jelle het schip over. Hij bleef op het schip varen tot omstreeks 1980. Na zijn overlijden kwam het schip in handen van Theunis Koolhaas, stedebouwkundige te Lelystad. De klipper is een binnenschip, een ijzeren zeilvaartuig, waarvan de naam is ontleend aan het snelzeilend zeegaand koopvaardijschip: de clipper. De eerste ijzeren binnenvaartschepen hadden dezelfde vorm als hun houten voorgangers. De ijzerbouw maakte echter ook andere vormen mogelijk. Er werd meer gelet op stroomlijn. Dat bevorderde de snelheid en dat was belangrijk in de concurrente met stoom- en motorschepen. De voorsteven van de klipper is gebogen in een S-vorm. Door metaalbouw was het mogelijk overgangen van hol naar bol te maken, zelfs op korte afstand van elkaar. Het achterschip is geveegd en heeft een overhangend hek. Wel zijn er regionale verschillen in de vorm van de klipper. In het zuiden wilde men klippers met snelheid (scherpe steven) en in het noorden lette men meer op laadvermogen (vollekop). Ook kenmerkend voor de noordelijke klipper is het schuine hek. Klippers waren uitgerust met moderne hulpmiddelen: een stuurrad in plaats van een helmhout en lieren voor zwaardlopers en vallen in plaats van takelage met blokken. De klipper was een populair binnenvaartschip: in 1940 voeren er 1471 van in Nederland., literatuur:
- Lieuwe Westra, 'Familie Van der Werff: dynastie van Friese scheepsbouwers' in: Spiegel der Zeilvaart, mei 1977, pp. 28-34.
- Onbekend, 'Jelle Hoogeveen (78), onze laatste zeilende vrachtvaarder: waarom wachten ze niet tot het uitgestorven is?' in: Friesland Post juni 1978, pp. 110-113.
BeschrijvingScheepsmodel van een Bestevaer-kruiser. Metaal. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: Het voorschip is scherp met een schuine boeg. Het achterschip heeft een verticale spiegel die enigszins rond loopt. De bodem is gebouwd op een knikspant.
Het model van voor naar achter.
Langs het voordek een reling (preekstoel). Op het voordek twee bolders met opgerolde landvasten en in de punt een Friese vlag. De opbouw is aan de voorkant laag. Hier is een slaaphut gesitueerd. In de slaaphut twee voorramen en aan beide één raam. Op het dak van de slaaphut een luik, een claxon, een ontluchtingskap en langs de randen van het dek twee handrelingen. Achter de slaaphut de de verhoogde stuurkabine met twee voorramen, twee zijramen en twee achterramen. Aan beide zijden is een houten schuifdeur. Op de wanden van de stuurkabine de boordlichten en een naambord 'BESTEVAER 960'. Langs de randen van het dak van de stuurkabine leuningen.
Achter de stuurkabine de salon. In de salon aan beide zijden drie ramen en achter drie ramen. Het dak van de salon is het achterdek. Het is met een opstap te bereiken. Langs de randen van het dek relingen. Op het achterdek twee bolders met landvasten en een vlag (rood-wit-blauw).
Interieur. Door de ramen heen is het interieur te zien. De wanden zijn met vinyl-behang bekleed. Slaaphut: slaapbanken, een kast en een toilet. Stuurkabine: stuurwiel en dashboard. Salon: tafel met twee banken, wandbank, aanrecht en twee kasten.
Kleuren. De romp is wit. Het onderwaterschip rood (menie-kleur). De waterlijn is rood. Langs de zwarte stoorrand is de romp versierd met biezen: geel en blauw van voor naar achter en drie blauwe randen op voor en achterschip. In het achterschip een driehoekig embleem met daarin de letters W.Y. (Woudstra-IJlst). Op het achterschip: 'IJLST'. De dekken zijn grijs. Het houtwerk is gelakt. Het metaal roest van binnen uit.
Accessoires: Het model is geplaatst op een stander en een grondplaat. Daarop is een vitrine van plexiglas geconstrueerd.
AchtergrondinformatieHet model is vervaardigd door Louwerens Barentsen, directeur van jachtwerf Woudstra b.v. te IJlst. Deze werf bouwde rond 1965 een aantal van deze motorboten onder het typenaam 'Bestevaer'. Er waren meerdere types die werden gebouwd op hetzelfde casco. Het ontwerp was van de werf zelf.
Motorboot is in de watersport de verzamelnaam voor alle pleziervaartuigen die uitsluitend worden voortgestuwd door een motor. Ze worden onderverdeeld in:
- open boten zonder kajuit (bijvoorbeeld de autoboot, de speedboot, de visboot en de bijboot).
- dagkruisers met verhoogd voordek, waaronder enige kajuitaccomodatie en met een grote open kuip.
- motorkruisers, middelgroot met kajuitopbouw en vaak daarachter een kuip
- motorjachten, grote zeewaardige motorboten met het uiterlijk en de allure van een jacht.
Het model is van het derde type: de middelgrote motorkruiser., literatuur:
- Knipselmap 'motorboten'
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 24
TitelHalfmodel van een tjalk gebouwd op de werf van J.O. van der Werff.
VervaardigerWerff, Gurbe van der
Trefwoordentjalken
Objectnummer1987-054
Periode van1986
Periode tot1986
BeschrijvingHalfmodel van een tjalk. Gebouwd volgens de stapelmethode. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond met terugvallend boeisel. Het achterschip is rond en niet gepiekt. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de scheg, het berghout en de achtersteven zijn aangebracht. Het halfmodel is geplaatst op een plank. Kleuren: De romp is geheel wit geschilderd. De plank is gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieHet model is gemaakt naar een plantekening van een tjalk van de hand van J.O. van der Werff te Buitenstvallaat (Drachten).
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19