BeschrijvingBuffetkast. De kast buigt naar voren uit. Beneden twee gebogen paneeldeuren. Daarboven zijn twee glasdeuren geplaatst. De daarboven geplaatste glasdeuren met gebogen, in- en uitzwenkende bovenzijden, hebben elk een verdeling door roeden in acht vensters. Aan weerszijden van de glasdeuren bevinden zich vier boven elkaar geplaatste vensters. Op de stijl tussen de glasdeuren zijn een ramskop en een bladfestoen uitgesneden. Boven de kop bevindt zich snijwerk in Lodewijk XVI-stijl in de vorm van een siervaas en bloemguirlandes. Aan weerszijden daarvan zijn twee gesneden bloemfestoenen geplaatst.
AchtergrondinformatieDe kast is afkomstig uit het pand Kleinzand 22-24. Waarschijnlijk in 1781 vervaardigd in opdracht van Berend Alring. De kast is waarschijnlijk in 1953 verplaatst naar de woning van Mevr. L. van Ham-Hesselink aan de Oosterdijk 2 te Sneek (hoek Oosterdijk-Gedempte Poortezijlen). Op een foto van het interieur van dat pand, aanwezig in de fotocollectie van het Fries Scheepvaart Museum, is de kast te zien. In 1970, toen de AMRO-bank zich in het pand Oosterdijk 2 vestigde, is de kast aan het museum geschonken. De kosten van het uitbrekend bedroegen f. 348,57. Het snijwerk op de kast is vergelijkbaar met dat op de schoorsteenmantel uit hetzelfde pand (inv.nr. C-001).
BeschrijvingDeurbekroning uitgevoerd in de vorm van een uit hout gesneden draperie. De draperie is voorzien van franje en lijkt met een koord op vijf plaatsen te zijn opgebonden. Aan dat koord hangen boven in het midden twee kwasten en beneden hangt aan elke zijde één kwast. Het snijwerk is uitgevoerd in Lodewijk XVI-stijl. Het is groen geschilderd en voorzien van enig verguldsel.
AchtergrondinformatieDe deurbekroning is mogelijk afkomstig uit een huis aan de Geeuw (Geeuwkade 14?) te Sneek. In onderstaand artikel in het Sneeker Nieuwsblad (ongedateerd, persberichten 1960) wordt echter gesteld dat de bekroning afkomstig is uit de voormalige pastorie van IJlst aan de Galamagracht 93., Mathijs Ankringa (Lemmer 1754 - Sneek 1814). Deze was aktief in Sneek en omgeving. Hij leverde werk aan ondermeer de Martinikerk van Sneek, aan de pastorie en de kerk van Nijland en aan Hylke Jans Kingma te Makkum. Hij werkte in Lodewijk XVI-stijl (gehangen doekjes, guirlandes, siervazen) maar bleef een hang naar rococo houden. Ankringa nam in 1787 deel aan de patriottische woelingen in Sneek. Zijn straf daarvoor was een verblijf in het tuchthuis van vijf jaar. Bij de komst van de Fransen in Nederland leverde hij beeldhouwwerk aan de overheid: een vrijheidshoed en werk aan het bordes van het Sneker Raadhuis (waarschijnlijk het wegkappen van de wapens)., Pytter Jacobs van Wijk is in 1744 te Woudsend geboren en in 1817 te Sneek overleden. In 1768 woonde hij reeds in Sneek, wellicht als knecht van de beeldhouwers Jan van Nijs of Gerrit Gorp. Van Van Wijk is werk bekend in de kerk van Scharnegoutum en de R.K. kerk te Woudsend. Na zijn overlijden volgden twee zoons hem op in zijn vak van steenhouwer: Jacob Pieters van Wijk (1768-1849) en Uilke Pieters van Wijk (1778-1818). Een nazaat en naamdrager van de laatste zet het bedrijf in Sneek tot op heden voort., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 23 okt. 1964.
BeschrijvingBetimmering uitgevoerd in Lodewijk XVI-stijl. De betimmering bestaat uit vier pilasters met zware korintische kapitelen. Zij dragen een rijk geprofileerde, verkropte kroonlijst, die versierd is met 35 kleine consoles met gesneden bladornamenten. Tussen de middelste pilasters bevindt zich een kastje dat wordt afgesloten door twee paneeldeurtjes en omgeven door een lijst van gesneden laurierbladen.
AchtergrondinformatieDe betimmering werd in 1794 gemaakt ter versiering van de verbinding van het pand Kleinzand 22 met het achterhuis van het pand Kleinzand 24 van Berend Alring (Leer 1778 - Sneek 1824) te Sneek. Omstreeks 1845 werd de betimmering verplaatst en uitgebreid in opdracht van Berend Alring Hesselink toen deze het voorhuis van Kleinzand 24 ook bij Kleinzand 22 trok. Het linker deel markeerde toen een doorgang en het rechter deel was een nis voor een fonteintje. Waarschijnlijk werd toen een imitatie eikenhout-beschildering aangebracht op deuren en lijsten en een witte marmering op de pilasters., De betimmering werd in 1954 geplaatst in het Fries Scheepvaart Museum. De beschildering van eikenout-imitatie en witte gemarmerde pilasters werd toen hersteld. Bij verplaatsing en restauratie van de betimmering in 1987 bleek dat deze in twee fasen is ontstaan, dat ze voor een deel uit eikenhout en voor een deel uit grenenhout bestond en dat het oudste deel een lichtgroene beschildering had gehad. Op basis van de gevonden kleurrestanten is de betimmering toen lichtgroen geschilderd, zijn de pilasters van een groen-rode sier-marmering voorzien en de plint en kapitelen van een zwarte marmering met gele aders., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 13 en 20 maart 1953 en 21 mei 1954
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 48.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1952
- S. ten Hoeve, Rococo in Friesland (Leeuwarden, 1991) pp. 31-32.
TitelSchoorsteenmantel uit het pand Kleinzand 22-24 te Sneek.
VervaardigerAnkringa, Mathijs
TrefwoordenKleinzand, Sneek, Rococo
ObjectnummerC-001
Periode van1781
Periode tot1781
BeschrijvingSchoorsteenmantel. De marmeren mantel is samengesteld uit drie delen. Het marmer is versierd met rijke en zware S- en C-vormige bladornamenten en met bloemslingers in Lodewijk XV-stijl (rococo). De houten boezem is aan de voorzijde voorzien van een spiegel op de plaats waar oorspronkelijk een schilderstuk aanwezig zal zijn geweest. De tamelijk zware omlijsting heeft C- en S-vormige bladornamenten in Lodewijk XV-stijl. Daarboven bevindt zich fijn snijwerk in de vorm van blad- en bloemguirlandes in Lodewijk XVI-stijl. Op de bloemen zijn diverse insecten gesneden. Aan de bovenzijde zijn twee snijstukken geplaatst: een herder en een herderin. Ze sloten in de oorspronkelijke opstelling aan bij beschilderde behangsels met pastorale scènes.
AchtergrondinformatieDe schoorsteenmantel is in 1781 vervaardigd in opdracht van de koopman en olieslager Berend Alring (Leer 1778 - Sneek 1824), die later burgemeester van Sneek was. De vervaardiger van de marmeren mantel is onbekend. De kwaliteit van het beeldhouwwerk is er een aanwijzing voor dat het vervaardigd is buiten Sneek, bijvoorbeeld in Amsterdam.
De schoorsteenmantel is in 1954 geplaatst in het Fries Scheepvaart Museum. De schenkster - mevr. L. van Ham-Hesselink - was een nazaat van een erfgename van de bouwheer. In 1993 zijn op de zijkanten van de mantel gesneden bloem- en bladfestoenen geplaatst omdat ze in verwante stijl zijn uitgevoerd. De festoenen zijn afkomstig van panelen uit een Sneker herenhuis (inv.nr. 1992-046)., Literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 13+20 maart 1953 en 21 mei 1954.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 50
- S. ten Hoeve, Rococo in Friesland (Leeuwarden, 1991) pp. 31-32 en 36
TitelPlafond met houtsnijwerk uit boerderij 'Arbeid en Moeite' te Ypecolsga.
VervaardigerAnkringa, Mathijs
TrefwoordenYpecolsga, Woudsend, Rococo
ObjectnummerC-022-l
Periode van1783
Periode tot1783
BeschrijvingPlafond bestaande uit eiken delen met daarop in hout uitgesneden versieringen. In het midden een ovaal rozet met symmetrische rolwerk en langwerpige bladeren. In het midden ruitmotieven. Om de middenrozet een profielrand van lange C-vormige krullen die een ovaal vormen. Tussen en rond deze krullen slingert een krans van bladeren en rozen. Langs de buitenrand van het plafond een rechthoekige perklijst die in de hoeken is versierd. Deze versieringen bestaan uit symmetrisch geplaatste C-vormige krullen en bladmotieven. Waar deze krullen in het midden samenkomen ontstaat een a-symmetrische krul in rococo-stijl met in het midden daarvan een nagel. Aan deze nagel zijn steeds verschillende linten en takken opgehangen die uitkomen in de ruimte tussen de C-vormige krullen: een gekreukeld sierlint, een lauwertak, een wijnrank en een bloementak. Tussen de C-vormige krullen steeds verschillende siermotieven. - Rechtsachter een korenschoof, omwikkeld met een gekreukeld lint. - Linksachter twee schaatsen (gezien van de zijkant en van onderen) en een slinger van hulst. - Rechtsvoor wijnranken met bladeren en druiventrossen. - Linksvoor een bloementak van rozen en tulpen.
AchtergrondinformatieHet plafond is afkomstig uit de boerderij 'Arbeid en Moeite' te Ypecolsga (Woudsend). Deze boerderij werd in 1783 gebouwd in opdracht van Wietske Michiels Tromp (1739-1809), echtgenote van Wieger Annes Visser (1743-1806) uit Woudsend (meer over deze boerderij bij inv.nr. C-022-a). Het snijwerk is ontleend aan diverse stijlen. De ruitmotieven van de middenrozet is barok (Lodewijk XIV), evenals de vormen van de twee lijsten daaromheen. Zij lijken te zijn gebaseerd op de versierstijl van Daniël Marot. Ook de symmetrie in de hoekstukken zou wijzen op Lodewijk XIV-stijl. Op enkele krullen zijn echter typische rococo-kammen (Lodewijk XV-stijl) aangebracht en ook de a-symmetrische krul is meer Lodewijk XV-stijl. Het gekreukelde lint om de korenschoven is zelfs in Lodewijk XVI-stijl. De vier hoekmotieven stellen de vier jaargetijden voor: schaatsen voor de winter, bloemtak voor de lente, koren voor de zomer en druiven voor de herfst. De vervaardiger van het houtsnijwerk is onbekend. Het is ontstaan onder invloed van het houtsnijwerk in het Sneker raadhuis (1761-1762) waaraan Johann Georg Hempel werkte. Navolgers van Hempel waren zijn in Sneek woonachtige bazen Gerrit Gorp (1729-1805, maar in 1786 uit Sneek vertrokken) en Jan van Nijs (? - 1780) en verder Pytter Jacobs van Wijk (1744-1817) en in mindere mate Mathijs Ankringa (1754-1814). Achterop de plafondstukken is iets geschreven, althans dat meent J. Hiemstra, de aannemer die het plafond geplaatst heeft, zich te herinneren. Volgens hem kwam de plaatsnaam 'Balk' er in voor., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, 54-59.
- S. ten Hoeve, Rococo in Friesland (Leeuwarden, 1991) pp. 31-32.
- Sneeker Nieuwsblad 18 dec. 1958, 18 sep. 1978
TitelSchoorsteenmantel afkomstig uit boerderij 'Arbeid en Moeite' te Ypecolsga.
VervaardigerAnkringa, Mathijs, Buiteveld, Jan
TrefwoordenYpecolsga, Woudsend
ObjectnummerC-022-k
Periode van1783
Periode tot1783
BeschrijvingSchoorsteenmantel. De mantel is van hout en is voorzien van een marmer-imitatie (zwart met witte aders). De voorzijde van de mantel is boogvormig en is in het midden versierd met een C-vormige bladkrul, met daaruit ontspringende rozentakken. De korte zijde van de mantel rusten op twee naar achter inzwenkende standers. De schouw boven de mantel is trapeziumvormig met inzwenkende zijden. Aan de voorzijde een spiegel. De lijst van de spiegel wordt gevormd door gesneden versieringen in de vorm van C-vormige krullen. De bovenlijst bestaat uit een gehangen doekje: gehangen in twee ringen aan de zijden en gedrapeerd over een nagel in het midden. Het doek is voorzien van franje en in het midden van twee kwasten. Boven deze draperie een schoorsteenstuk. Daarop een voorstelling van een zittende vrouw in een groen gewaad, met ontbloot bovenlijf. De vrouw leest in een boek. Achter haar staat een os. Rechts op de voorstelling een boom en op de achtergrond een ruïne. Boven het schoorsteenstuk een versiering in de vorm van een lint en twee rozetten in vierkant kader. Aan weerszijden van het schoorsteenstuk twee festoenen. De korte zijden van de schouw zijn versierd met profielranden die aan boven- en onderzijde zijn versierd met krullen. De schouw wordt aan het plafond afgesloten een zwaar geprofileerde, uitzwenkende lijst.
AchtergrondinformatieDe schoorsteen is afkomstig uit de boerderij 'Arbeid en Moeite' te Ypecolsga (Woudsend). Deze boerderij werd in 1783 gebouwd in opdracht van Wietske Michiels Tromp (1739-1809), echtgenote van Wieger Annes Visser (1743-1806) uit Woudsend (meer over deze boerderij bij inv.nr. C-022-a). De schoorsteenmantel was geplaatst in de opkamer van de boerderij. Het was echter een loze schoorsteen. De kamer kon niet verwarmd worden. Het stuk is een allegorische voorstelling van 'De Slovende Arbeid' en is gebaseerd op een allegorie uit de 'Iconologia' van Cesare Ripa. De vrouw met het boek is bezig met studie (zware geestelijke arbeid). De jonge os verricht zware lichamelijk arbeid. De vrouw is in een groen gewaad gekleed, groen is de kleur van de sterkte en van frisheid. De keuze van het onderwerp arbeid zal te maken hebben met de naam van de boerderij: 'Arbeid en Moeite'. De trapeziumvorm en de versieringen op de zijkant doen denken aan de schoorsteenmantels in het raadhuis van Sneek (1761-1762). De versieringen van de schoorsteen zijn geïnspireerd op twee stijlen. De krul op de gemarmerde mantel en de C-vormige krullen van de spiegellijst en in de zijkanten van de mantel wijzen op de Lodewijk XV-stijl (rococo). Het gehangen doekje boven de spiegel, het lint en de rozetten boven het schoorsteenstuk en de festoenen naast het schoorsteenstuk passen echter meer in Lodewijk XVI-stijl. De vervaardiger van het houtsnijwerk is onbekend. Het is ontstaan onder invloed van het houtsnijwerk in het Sneker raadhuis (1761-1762) waaraan Johann Georg Hempel werkte. Navolgers van Hempel waren zijn in Sneek woonachtige bazen Gerrit Gorp (1729-1805, maar in 1786 uit Sneek vertrokken) en Jan van Nijs (? - 1780) en verder Pytter Jacobs van Wijk (1744-1817) en in mindere mate Mathijs Ankringa (1754-1814)., Tot de collectie van het Fries Scheepvaart Museum behoren een aantal schoorsteenstukken en beschilderde behangsels die lange tijd werden toegeschreven aan de Hoornse behangelfabriek, de Vaderlandsche Maatschappij voor Reederij en Koophandel. Bestudering van het oeuvre van de Sneker schilder Jan Buiteveld door Sytse ten Hoeve leert dat er veel overeenkomsten zijn tussen het werk uit Hoorn en die van Buiteveld., In 1777 richtte de Doopsgezinde predikant-koopman Cornelis Ris te Hoorn de Vaderlandsche Maatschappij voor Reederij en Koophand ter liefde van 't Algemeen op. De achtergrond hiervan was, dat geprobeerd zou worden de steeds grote wordende groep werkloze armlastigen niet met een geldelijke tegemoetkoming te ondersteunen, maar ze op een structurele wijze te helpen door verschaffing van werk, dat hun een geregelde verdienste op zou leveren. De maatschappij trachtte de verlopen walvisvaart weer op gang te brengen, maar stichtte ook fabrieken, onder andere voor tapijten, lopers en confectiekleiding. Er kwam ook een Schilder-, Druk- en Behangselfabriek. Daar werden met de hand beschilderde of gedrukte kamerbehangsels, schoorsteenstukken en bovendeurstukken gemaakt. Van veel van die behangsels bestaan nog ontwerpen, die door een vertegenwoordiger van de fabriek overal in ons land en ook in Duitsland werden getoond bij de werving van klanten. Aan het einde van de 18de eeuw waren er veel Sneker notabelen en vermogende kooplieden die hun huizen verbouwden en ze behalve met gesneden en stucte ornamenten ook lieten decoreren met kamerbehangsels uit Hoorn. Bewaard gebleven boekhouding van de Hoornse Behangselfabriek wijst dat uit., Jan Buiteveld. Geboren Sneek 23 nov. 1747, zoon van Durk Jans en Antje Ruurds. Ze behoorden tot de gemeente van de Waterlandse Doopsgezinden, die een vermaning hadden aan de Singel. Daar werd Jan Durks gedoopt op belijdenis op 22 maart 1772. Hij trouwde 22 nov. 1778 met Lysbert Juurds en gebruikte toen al de naam Buiteveld, Die ontleende hij aan het gebied van herkomst van de familie in de Legeaen. Hij is overleden in Sneek op 7 sept. 1812 (wijk 2, pand 47, thans het zuidelijke deel van de Doopsgezinde pastorie aan de Singel). Bij zijn overlijden wordt het beroep "kunstschilder" aangegeven. Oeuvre: Allegorie op de voogdij (toeschrijving, inv.nr. 1983-143), Emmausgangers (inv.nr. 2002-427), Rede vertrapt de Tirannie (toeschrijving, inv.nr. G-006), Allegorie in de eerepoort van Sneek (inv.nr. N-162), Bloemstuk gesigneerd J. Buiteveld 1787 (in 2001 in Parijs verkocht) en Bloemstuk (ongesigneerd, in 1971 bij Mak van Waay verkocht, afkomstig uit de Sneker pastorie). Voort zijn mogelijk de portretten van mr. P.S. Noyon en R. Terpstra door Buiteveld gemaakt., literatuur:
- Cesare Ripa, Iconologia (Amsterdam, 1644)
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, 54-59.
- S. ten Hoeve, Rococo in Friesland (Leeuwaren, 1991) pp. 31-32.
- Sneeker Nieuwsblad 18 dec. 1958, 18 sep. 1978
TitelStaartklok met dubbele kap, vervaardigd door Mathijs Ankringa te Sneek.
VervaardigerAnkringa, Mathijs
Objectnummer1985-225
Periode van1806
Periode tot1806
BeschrijvingStaartklok met dubbele kap, dat wil zeggen dat boven het omhulsel van het mechaniek zich nog een opbouw bevindt. Deze opbouw, die beschilderd is en waarin zich ook een medaillon met muziekinstrumenten bevindt, heeft een gecontourneerde bovenzijde. De bekroning is uitgevoerd in de vorm van gesneden siervazen. De zijkanten van de kap zijn beschilderd met rivergezichten met een statenjacht en een driemaster. Achter de glasdeur bevindt zich een beschilderde wijzerplaat en daarvoor is en een koperen cijferring geplaatst. Op die ring staat in cursieve letters gegraveerd: 'M. Ankerenga Sneek 1806'. Op de verdeling van het rad van de maanstanden staat voorts de schrijfletter G en op de kleine wijzer de letters JDZ. Boven de cijfferring is een drietal muzikanten geschilderd: twee luitspelers en een violist. Binnen de ring zijn de datum en de maanstand af te lezen. Voor het slingergat in de staart van de klok bevindt zich een gegoten loden versiering met een afbeelding van Chronos met een zandloper. In het mechaniek is een speelwerk gemaakt dat normaal alleen voorkomt in staande horloges. Het speelwerk bestaat uit een rol met pinnetjes, die hamertjes op bellen doen slaan (geen kam-speelwerk). Er is keus uit vier aria's. Daarvoor is rechtsonder op de wijzerplaat een knop gemaakt. Wanneer de aria klinkt brengt een mechaniek de luitspelers en de violist in beweging.
AchtergrondinformatieIn Sneek waren in 1812 zeven uurwerkmakers aktief. De klok van Ankringa is eigenlijk een overgangsvorm die past tussen het 18de-eeuwse staande horloge en de 19de-eeuwse staartklok. Het enige andere werk dat van Ankringa bekend is, is het staande horloge in de hal van het raadhuis van Sneek. De klok werd in 1934 door de man van mevr. K.C. de Jonge-Gorter gekocht in een meubelzaak in Groningen., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 1 jan. 1961, 7 mei 1962, 23 jan. 1986, 30 jan. 1986, 6 feb. 1986.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, pp. 30-32.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1960, p. 11
- Ingekomen Stukken 17 juli 1960, 27 aug. 1960, 25 sep. 1960, 31 jan. 1961, 23 feb. 1961.
TitelDeurbekroning met voorstelling van Corneliske Ykes in haar sterfbed.
VervaardigerAnkringa, Mathijs
Trefwoordenbedsteden, Heeg, palinghandel, rouw, Visser, Anne Wiegers, Corneliske Ykes
Objectnummer2004-136
Periode van1780
Periode tot1800
BeschrijvingDeurbekroning. Eikenhout, met snijwerk versierd. Ornamenten in rococostijl: C- en S-vormige voluten en bladertakken. In het midden een voorstelling van een vrouw in een bedstede. Aan het voeteneind staat een man. Aan het hoofdeinde een flaptafel met flesjes en en een pot. Rondom de voorstelling diverse doodssymbolen: een zandloper mte vleugels (de tijd die vliegt), een zeis (van vader Tijd) en een bijl aan de voet van een omgehakte boom.
AchtergrondinformatieMathijs Ankringa (Lemmer 1754 - Sneek 1814). Deze was aktief in Sneek en omgeving. Hij leverde werk aan ondermeer de Martinikerk van Sneek, aan de pastorie en de kerk van Nijland en aan Hylke Jans Kingma te Makkum. Hij werkte in Lodewijk XVI-stijl (gehangen doekjes, guirlandes, siervazen) maar bleef een hang naar rococo houden. Ankringa nam in 1787 deel aan de patriottische woelingen in Sneek. Zijn straf daarvoor was een verblijf in het tuchthuis van vijf jaar. Bij de komst van de Fransen in Nederland leverde hij beeldhouwwerk aan de overheid: een vrijheidshoed en werk aan het bordes van het Sneker Raadhuis (waarschijnlijk het wegkappen van de wapens).
De vrouw die in de bedstede is afgebeeld is Corneliske Ykes en aan haar sterfbed staat haar man Anne Wiegers Visser. Anne Wiegers Visser is geboren te Gaastmeer op 15 april 1718, gedoopt te Woudsend 25 juni 1719 en overleden te Heeg 25 mei 1787. Hij is op 26 nov. 1741 in Gaastmeer getrouwd met Corneliske Ykes. Zij is gedoopt te Elahuizen 20 nov. 1717 en overleden te Heeg op 8 nov. 1780. Anne Wiegers werd in de quotisatiekohieren van 1749 "aakschipper" genoemd. In 1743 had hij van zijn moeder Wypck Riemers (de weduwe van aakschipper Wieger Annes) een palingaak gekocht. In 1779 ging Anne Wiegers een vennootschap aan met zijn zonen Wigle en Anne onder de naam Firma W. & A. Visser. Dit bedrijf bleef bestaan tot 1943. Anne Wiegers Visser en Corneliske Ykes waren actief in het zogenaamde Fryske Reveil. Zij waren wegbereiders van deze orthodox-piëtistische beweging in de hervormde kerk van de Friese Zuidwesthoek.
De deurbekroning is afkomstig uit het pand "Siet U Selfs" te Heeg. Het huis werd in 1782 gebouwd in opdracht van Wieger Annes Visser, die toen net twee jaar weduwnaar was van Corneliske Ykes. De herinnering aan haar heeft hij levend willen houden in de vorm van dit houtsnijwerk. In 1881 werd Siet U Selfs gekocht door notaris Petrus Jacobus Tadema en Aukje Annes Visser. Zij zijn de voorouders van de familie Swets, van wie het snijstuk is verworven. Het snijwerk is op de veiling van Christie's op 24 sept. 2003 aangeboden, maar toen niet verkocht. Het had lot.nr. 135., literatuur:
- S. ten Hoeve, Dorpsgezicht Heeg (Leeuwarden, 1995) pp. 33-34.