BeschrijvingScheepje in de fles. Tjalk. Decor op de fles geschilderd: een boerderij, twee huizen en een molen. De tjalk is groen en heeft bruine zeilen. De fles wordt gesloten door een stop, met daar achter een kruishoutje dat d.m.v. een touwtje aan de stop is verbonden. Op stander.
AchtergrondinformatieSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 septemeber 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 22
TitelHalfmodel van een tjalk gebouwd op de werf van J.O. van der Werff.
VervaardigerWerff, Gurbe van der
Trefwoordentjalken
Objectnummer1987-054
Periode van1986
Periode tot1986
BeschrijvingHalfmodel van een tjalk. Gebouwd volgens de stapelmethode. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond met terugvallend boeisel. Het achterschip is rond en niet gepiekt. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de scheg, het berghout en de achtersteven zijn aangebracht. Het halfmodel is geplaatst op een plank. Kleuren: De romp is geheel wit geschilderd. De plank is gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieHet model is gemaakt naar een plantekening van een tjalk van de hand van J.O. van der Werff te Buitenstvallaat (Drachten).
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19
TitelOpen halfmodel of nestmodel van een tjalk of skûte.
VervaardigerWerff, H.P. van der ; Drachten
Trefwoordentjalken
Objectnummer1994-481
Periode van1890
Periode tot1900
BeschrijvingHalfmodel van een skûte. Nestmodel: dunne latten tegen zeven spanten die de vorm hebben van dwarsschotten. Het voorschip en het achterschip wordt gevormd door gestapelde planken. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Voor- en achterschip zijn rond. De bodem is vlak en loopt naar voren en achteren rond op. De boeisels ontbreken. Het model van voor naar achter: Het voorschip is rond, opgebouwd met gestapelde planken. De boorden zijn open. De latten zijn om een om op de spanten genageld. Enkele latten ontbreken. Alleen het berghout loopt door van voor naar achter. Het boeisle erboven ontbreekt. Het achterschip is ook opgebouw uit een gestapeld blok. De achtersteven is recht. Het nestmodel is gemonteerd op een plank met daarin twee ophanggaten. Op de achterkant van de plank staat meerdere keren de naam vermeld van de scheepswerf waar het model is gemaakt: 'H.P. van der Werff, Langewijk, Drachten'. Tevens zijn de jaartallen 1890 en 1894 genoteerd. Kleuren: model en plank zijn gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieGezien de verhoudingen van het model zal het een halfmodel zijn van een tjalk, en dan van wat Friese scheepsbouwers een 'skûte' noemden (tussen skûtsje en zeetjalk in). Het model is afkomstig van de scheepswerf van Haike Pieters van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Zijn vader Pieter Haikes van der Werff, die een werf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten, kocht de werf van diens oom Ate Pyters van der Werff aan de Langewijk voor zijn zoon. Van deze werf is een werfboek bewaard gebleven en tevens enige scheepsbouwtekeningen. Werfboek en tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. In het werfboek worden geen schepen vermeld die voor 1900 zijn gebouwd. En ook uit de tekeningen is niet na te gaan voor welke opdrachtgever het model is gemaakt. De schenker, Durk Lourens van der Werff, is een zoon van Haike Pieters van der Werff. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen).
TitelScheepsmodel van een hektjalk. Gebouwd als speelscheepje.
VervaardigerEisenga, Sjoerd
Trefwoordenhektjalken, tjalken, Eisenga, Sjoerd
Objectnummer1979-004
Periode van1865
Periode tot1875
BeschrijvingScheepsmodel van een hektjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Gebouwd als speelscheepje en daarom voorzien van een zware kiel.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. Deze mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van twee hooftouwen en door een lopend want (bakstag). De stagen zijn met puttingijzers vastgezet aan het boeisel. De zeilen zijn van lichtbruine katoen. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder op het voorschip. In het doek van de kluiver zijn gaten gevallen. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. De stagfok is voorzien van een enkele rij reefringen. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. In het grootzeil een enkele rij reefringen. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. Op het achterschip staat wel een gebogen vlaggenmast, maar daar wordt geen vlag in gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip met oplopend hek. De bodem is rond en voorzien van een zware kiel (gebouwd als speelscheepje).
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven kluisborden en berentanden. Over beide kluisborden is een stokanker gehangen. Aan de ankerketting hangen rood-wit-blauwe ankerboeien. Achter de kluisborden een braadspil, het luik dat toegang geeft tot het vooronder, de kist met daarin het ankerketting, twee watervaten en twee losse ankers. De kluiverboom rust in een scepter op het voordek en een ring op de steven. Voor de mast de overloop van de stagfok. Het want en de bakstagen zijn met puttingijzers bevestigd aan de romp van het schip. De zeezwaarden zijn aan haken bevestigd. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De zwaardloper gaat door twee vioolblokken en wordt belegd op een bolder op het achterschip. Achter de mast een ruim dat wordt afgesloten met twee rijen van zeven luiken (vastgezet). Ter hoogte van het ruim zijn zetboeisels aangebracht. Achter het ruim een kleine roef. Achter de roef een scepter. Op het achterdek zijn voetlijsten aangebracht zodat de roerganger zich schrap kan zetten. Het boeisel van het achterschip loopt niet met de ronde romp mee, maar loopt naar achter toe op in een punt: het hek. Door een gat in het hek (hennegat) draait de helmstok van het roer. Het roer heeft een hoge roerkop. Op het helmhout een vlaggenstok, die waarschijnlijk later is bijgemaakt.
Kleuren: De romp is groen met een zwart berghout. De puttings, het zwaardbeslag en de zwaardkoppen zijn zwart. De kluisborden zijn geel met rode randen rond de kluisgaten. De berentanden zijn zwart. Het hennegat en het bovendeel van het roer zijn wit met een zwarte bies. Het dek en de luiken zijn bruin (houtimitatie). De roef is groen met witte en zwarte biezen. De watervaten en het deksel van de kist met het ankerketting zijn groen.
Accessoires: dekzwabber, twee vaarbomen, twee bokken. Het model is vastgeschroefd op een plank.
AchtergrondinformatieVererving van het model:
-1- Sjoerd Eisenga (geboren Gorredijk 24 dec. 1841, overleden Schenkenschans/Deinum 1924).
-2 Dochter Minke Eisenga (getrouwd met Roel de Groot).
-3 Zoon Sjoerd de Groot.
-4 Zoon Roel de Groot., Het model heeft de kenmerken van een speelscheepje: een grote kiel en een groot roer. De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Dit model zal echter niet gebruikt zijn in wedstrijden., Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Het opvallende aan een hektjalk is het hek, ook wel statie genoemd, op het achterschip. Het boeisel van het schip loopt vanaf het achterdek schuin omhoog naar achteren. Bij andere tjalken liep het vloeiend rondom het achterdek. Waar bij de hektjalk de boeisels elkaar raken vormen ze met het achterdek een driehoekgie opening (hennegat) waardoor het helmhout steekt. Er zijn veel houten hektjalken gebouwd en slechts enkele (vijf) van ijzer., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, p. 17
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingOpen halfmodel (of nestmodel) van een tjalk. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter. De spanten zijn gemaakt als schotten (mallen). Daar overheen dunne latten die de lijnen van de romp aangeven. Boven het berghout is het model dicht. Naast de romp zijn ook de plaats van de mast en het roer aangegeven. Van het roer ontbreekt een deel van de kop. Het model is geplaatst op een plank. Op de plank een etiket met het nummer 465. Kleuren: Het onderwaterschip is wit. Het berghout is zwart. De roerkop is groen. De plank is blauw. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHoutworm in 1991 behandeld, Het halfmodel is afkomstig uit de collectie van de Koninklijke Marine in het RIjksmuseum te Amsterdam. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., Literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76 (FSM nr. H-398)
- Jaarboek Fries Scheepvaart museum 1983, p. 21
BeschrijvingScheepsmodel van de paviljoentjalk Fortuna. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel aan de voorsteven vastgezet en aan de achterkant scharnierend bevestigd in een soort scepter op het voordek. Aan de voorkant wordt de boom gehouden een een waterstag en door een boegwant van twee hoofdtouwen. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). De zeilen zijn van bruine katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de wordt belegd op een bolder. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. In de top van de gaffel een metalen fokkegaffel. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorziel van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. De blokken zijn voorzien van lopende, metalen schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, vlakke bodem. Het model van voor naar achter: Over het voorboeisel aan bakboord hangt het stokanker aan een ketting dat door het kluisgat, over de braadspil, door klapmutsen in het vooronder verdwijnt. Op het voordek de braadspil, het luik van het vooronder met aan weerszijden daarvan de klapmutsen. Aan weerszijden op het voordek een bolder, waarop ondermeer de kluiverschoot is belegd. Voor de mast het luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken, om zo ruimte te maken voor het ondereind van de mast. Het luik geeft tevens toegang tot het voorruim. Over het luik een gebogen overloop voor de stagfok. Het vaste want is voor de kop van het zwaard met twee puttingijzers aan de romp bevestigd. Achter het zwaard de bakstagen. Aan bakboordzijde een lijn voor het hijsen voor lantaarns of seinvlaggen. Achter de mast het ruim dat wordt afgesloten met luiken die weer overdekt zijn door een presenning (getaand dekkleed) dat met schalkkeggen is vastgezet. De gangboorden zijn aan de voorzijde afgesloten met een waterlijst. Op de scheerboom van het ruim een bak met daarin diverse rondhouten en uitzetters. De zwaarden hebben een verdikte kop die aan de bovenkant is afgedekt met koperplaat. Het boutgat is versierd met een ster. De zwaardloper gaat door een schildpadblok en door twee enkelschijfsblokken en wordt op de achterbolders vastgezet. Op de boeisels op het voorschip en langs het ruim zijn zetboeisels geplaats. Achter het ruim de schoorsteen die tevens dienst doet als stander voor de giek. Daarachter de grootschoot en de voetlijsten op het dek. Het paviljoen is het verblijf in het achterschip. Het dak ervan is zo hoog als de bovenkant van het achterboeisel (een licht verhoogd achterdek). Een schuifluik aan bakboordzijde geeft toegang tot deze ruimte. Omdat de stuurman voor het paviljoen staat is de helmstok lang. Op de helmstok een tonnetje. De roerklik is hol en versierd met drie tonnetjes aan de punt. De wangen van de klik zijn onversierd. Het roer is voorzien van een roerlichter (ketting en touw men twee eenschijfs blokken). Op het achterschip aan weerszijden van het roer twee koperen platen met daarop in wit twee maal de naam van het schip: 'Fortuna' Kleuren: De romp van het schip is lichtgroen, het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. Het dek is gelakt. De bovenkant van het boeisel is bruin, de binnenkant is aan de voorzijde blauw. Het beslag is metaalkleurig. De kop van het zwaard is groen. Op het achterschip een gele band op het boeisel en onder het berghout. Het roer heeft dezelfde gele kleur, een groene bies en is onder water zwart. De roerklik is donkerblauw met groene lijst en bovenop zwart. De punt van de klik is versierd met rood-wit-blauwe tonnetjes. De loopplank is zwart met een witte lijst. De schoorsteen is zwart met groene lijsten. Accessoires: stokanker, loopplank, twee lange vaarbomen in het gangboord aan bakboord, een boom en een fokuitzetter (met zwanehals en oog) in het gangboord aan stuurboord. In een bak op het ruim: een pikhaak, een stokdweil en drie korte rondhouten voorzien van divers beslag (lummels, ogen, punten en bouten). Het model heeft een stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Het model is in 1983 gerestaureerd. Het dek van grenenhout was aangetast door de houtworm en is vernieuwd. Ook de zeilen die verweerd waren zijn toen door conciërge P. Alkema vervangen. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk is genoemd naar het paviljoen: het verhoogd achterdek op de hoogte van de bovenkant van het boeisel. Onder het verhoogde achterdek is de roef gesitueerd. De schipper stond vóór het paviljoen te sturen. het helmhout was daarom opvallend lang.
TitelScheepsmodel van een dektjalk, schippersmodel.
VervaardigerBerg, J. van der
Trefwoordendektjalken, tjalken
Objectnummer1989-240
Periode van1988
Periode tot1989
BeschrijvingScheepsmodel van een dektjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Ronhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag, die loopt door een blok op de voorsteven en is vastgemaakt op de lier op het voordek. Met deze lier kon de mast gestreken worden. Aan weerszijden wordt ge mast gehouden door twee zijstagen, die met wantspanners op het boeisel zijn bevestigd. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de fok is met enkele touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgeknoopt aan de voorsteven. De fokkeschoot loopt door twee blokken en is belegd op de onderste van deze twee (het is echter geen hakkeblok), die is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen aan de mast bevestigd. De hals is vastgezet aan de voorpunt van de giek. De onderkant van het achterlijk van het grootzeil is vastgezet op een oog op de achterkant van de giek. De giek rust aan de voorkant met een zwanehals in de nagelbank. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. Van de top van de gaffel naar de zwanehals van de giek loopt een neerhaler. De grootschoot loopt door twee blokken en is belegd op de onderste van de twee (wat echter geen hakkeblok is). Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de wangen van de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. Op het helmhout van het roer een gebogen vlaggenstok met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van kunststof en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De bodem is vlak.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de steven hangen ankers. De ankerkettingen lopen door de kluisgaten naar binnen, lopend over de braadspil en gaan via twee klapmutsen naar het vooronder. Achter de braadspil de lier van de voorstag en twee luiken. Tegen het boeisel van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Tussen de bolders en de zijstagen zijn zetboeisels op het boeisel gemaakt. Langs de gangboorden zijn op de boeisels ook zetboeisels geplaatst. De zwaarden hangen met een spijker aan de boeisels. De zwaarden zijn langs de randen voorzien van metaalbeslag en ook overdwars zijn er metaalstrippen op gezet. De koppen van de zwaarden zijn niet verdikt. De zwaardlopers zijn kettingen die door een gat in het boeisel, over de gangboorden naar achter lopen en op ankerlieren op het achterdek zijn vastgezet. Achter de mast het luikhoofd van het ruim, dat wordt bedekt door houten luiken (één plaat met lijnen die tweemaal twaalf luiken suggereren). Op het ruim een houder met daarin een peilstok en twee vaarbomen (vastgelijmd). Naast de houder liggen op de luiken ene loopplank en een stokdweil. Het schip heeft geen roefopbouw. Achter het ruim staat een schoorsteen met U-vormige bovenkant, zodat de schoorsteen ook kan dienen als mik. Aan weerszijden van de schoorsteen twee watervaten. Op het achterdek is aan stuurboord een luikenkap met deuren gemaakt die toegang verschaft tot het achteronder. Daarachter zijn voetlijsten gemaakt, waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Tegen de boeisels van het achterschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Tegen het achterboeisel aan staan de twee zwaardlieren met daartussen de lichtkap van het achteronder. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ramen gemaakt. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. Het helmhout is voorzien van een handgreep in de vorm van een korvijnagel. Op het helmhout een vlaggenstok en een bolle roerklik.
Kleuren: De romp is lichtgroen. Het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. De zwaarden zijn gelakt. De dekken en gangboorden zijn zwart. De binnenkanten van de boeisels zijn lichtgroen. De lieren, de luikhoofden, de mastkoker, de watervaten en de toegang tot het achteronder zijn groen. De rondhouten zijn gelakt, evenals de luiken van het ruim en de schoorsteen. De loopplank is zwart met wit. De peil is groen, zwart, rood en wit. Het helmhout heeft een rode handgreep. De roerklik is aan de bovenkant goudkleurig e de wangen zijn groen met witte stippen.
Accessoires: loopplank, peilstok, twee vaarbomen, stokdweil.
AchtergrondinformatieDe vervaardiger J. van der Berg uit Alkmaar was oud-schipper. Hij was 85 jaar oud toen hij het model vervaardigde. Het is een typisch schippersmodel: ruw maar zeer compleet.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen).
Het model is vervaardigd naar een dektjalk: de roef is gesitueerd onder het achterdek. Daardoor is de roef erg laag en donker. het licht komt alleen via lichtkappen in het dek naar binnen., literatuur:
- F. Loomeijer, Met zeil en treil (Alkmaar, 1980), pp. 30-33.
TitelScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek.
VervaardigerMeekeren, Frits van
Trefwoordentjalken, beurtschepen, Koudum
ObjectnummerK-041
Periode van1947
Periode tot1947
BeschrijvingScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij metalen reefringen aangebracht. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil een dubbele rij metalen reefringen. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast en blauwe vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Met een vorkverbinding is aan de voorsteven een botteloef (in het fries loefbyter) bevestigd. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. In het voordek is een dubbel luik gemaakt, dat toegang biedt tot het vooronder en dat wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken, om zo plaats te bieden aan het contragewicht. Wanneer het luik wordt verwijderd is het contragewicht zichtbaar. Net voor de mast de overloop van de fok, die is bevestigd in ogen in het boeisel. Net achter de overloop aan stuurboordzijde een lenspomp. Achter de mast het ruim dat wordt gesloten met tien (vastgezette) luiken. Tussen het ruim en de boeisels brede gangboorden. Het ruim gaat in een vloeiende lijn over in de roef. In het dak van de roef een schoorsteen. In de wanden ervan geen ramen. In de achterwand van de roef dubbele openslaande deuren. De roef is ingericht met een vloerkleed, een tafel, zijbanken en een schouw. Achter de roef een verlaagd achterdek (bollestal) zijbanken en een achterbank. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn aan de onderkant beschermd door metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een tweetal blokken naar achteren en is daar belegd op een klamp op de buitenkant van het boeisel. De kop van het roer is bekleed met koperplaat. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is zwart. De koppen van de zwaarden zijn groen. De botteloef is zilverkleuring. De top van de mast is wit. De lijsten van de roefdeur zijn groen. Het helmhout is groen en de kop van het roer is zwart. Accessoires: twee vaarbomen (zwarte teen), een fokuitzetter (gelakte teen en een haak).
AchtergrondinformatieVan het schip is een foto aanwezig in het foto-archief van het museum (beurtschepen - zeilend, nr. 14) Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 4 november 1949, 12 okt. 1972
BeschrijvingScheepsmodel van een paviljoentjalk, het beurtschip Bolsward. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De top van de kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de mast en wordt gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen. In het midden wordt de kluiverboom gehouden door een beugel aan de voorsteven en het einde ervan is vastgezet in een metalen kluiverboomstoel op het voordek. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers en rusten (horizontale balken) vastgezet op het boeisel. De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiver, een stag fok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een van de voorbolders. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ring is vastgezet op een houten overloop (van boeisel tot boeisel). In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop in het achterdek. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast en op de voorwand van het ruim. Op de top van de mast een rode vleugel en daarboven een mastwortel. Op het helmhout een rechte vlaggenmast met rood-wit-blauwe vlag. De houten blokken zien niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Het anker is over het voorboeisel gehaakt. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar binnen, is vastgezet op de braadspil op het voordek en loopt dan via een scharnierend luik in het voordek (durksluik) naar het vooronder. Verder in het voordek een luik (uitwip - die verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten), twee pompen en de houten overloop van de fok (van boeisel tot boeisel). Over het boeisel van het voorschip hangen aan weerszijden twee wrijfhouten. Naast de mast (aan stuurboord een watervat). Achter de mast een nagelbank en het hoofdruim, dat met elf paar luiken wordt bedekt. Op de luiken een bak met daarin een peilstok, een vaarboom en een loopplak met voetlijsten. De zwaarden zijn voorzien van een verdikte kop. Langs de onderkant van de zwaarden metaalbeslag en overdwars drie metaalstrippen. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en door twee blokken naar het achterschip waar de val is belegd op een klamp. Achter het ruim de roef. In de wanden daarvan zijn geen ramen of deuren gemaakt. Het dak is puntig is en kan verwijderd worden. Over het boeisel van het achterdek hangt aan weerszijden een wrijfhout. Op het achterdek een paviljoen: een verblijf waarvan het dak even hoog is als de bovenkant van het achterboeisel. Het paviljoen is bereikbaar door een schuifluik aan bakboord. In het dek an van het paviljoen is een lichtkap gemaakt. Het helmhout van het roer loopt over het paviljoen naar voren. Het is voorzien van een rechte vlaggenstok, waarin een rood-wit-blauwe vlag wordt gevoerd. Daarachter een roerkop in de van een mannekop met in zijn mond een korte pijp. Het roer hangt in drie roerhaken. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ovale ramen gemaakt. Daarboven is (tweemaal) op het boeisel geschilderd: 'BOLSWARD'. Kleuren: De romp is ongeverfd. Alleen over het achterschip is een rood-wit-blauwe bies geschilderd, die doorloopt over het roer. Bij de overgang van het achterdek in het paviljoen is op het boeisel een rood-wit-blauwe bies geschilderd. De bovenkant van het achterboeisel is zwart. De wanden van de roef zijn groen geschilderd met witte lijnen die planken suggereren. Accessoires: stander, loopplank, peilstok, vaarboom, watervat.
AchtergrondinformatiePaviljoentjalken onderhielden de beurtvaart tussen Friese steden en Amsterdam en Rotterdam, maar ook wel op Zwolle, Groningen, etc. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk is genoemd naar het paviljoen: het verhoogd achterdek op de hoogte van de bovenkant van het boeisel. Onder het verhoogde achterdek is de roef gesitueerd. De schipper stond vóór het paviljoen te sturen. het helmhout was daarom opvallend lang. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 18.
BeschrijvingScheepsmodel van een Lemster beurtman in de vorm van een paviljoentjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De mast heeft een steng, die met twee metalen beugels (ezelshoofden) aan elkaar verbonden zijn. VAn de onderkant van de steng is een splinter afgebroken. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag die met een jufferblok (stagblok) met vijf gaten is vastgezet op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders), door een staand want van één hoofdtouw dat hoger aan de mast is vastgezet en door een lopend want (bakstag). De staande wanten zijn met paren jufferblokken vastgezet op puttingijzers op de zwaardklos (in de functie van rust). De kluiverboom rust aan de achterkant in een metalen houder op het voordek en in een beugel die aan bakboord aan de voorsteven is bevestigd. De voorkant van de kluiverboom hangt in een kraanlijn. De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiverfok, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiverfok wordt uitgezet met een traveller op de kluiverboom. De traveller wordt naar voren getrokken met een lijn die loopt over een schijf in de top van de kluiverboom en die is belegd op de beretand aan bakboord en op een klamp op het achtereind van de kluiverboom. Van de traveller loopt naar de top van de mast een vaste (ongetakelde lijn, een soort stag). Het voorlijk van de kluiverfok is met metalen leuvers aan deze lijn bevestigd. De hals van de kluiverfok is vastgehaakt aan de traveller. De kluiverschoot is aan stuurboord belegd op een bolder in het voorschip. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een blok vastgezet op de voorsteven. In de top van de stagfok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt door een blok aan de schoothoek van de fok en door een hakkeblok dat is vastgezet op de overloop op het voordek. De fokkeschot is belegd op dit hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. De piek van de gaffel wordt gehesen met een piekeval die in een kruisvorm is gespannen over een vioolblok aan de gaffel. De klauw wordt met de klauwval gehesen. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgezet aan de mast. De halstalie van het grootzeil is met twee blokken getakeld en belegd aan de voet van de mast. Het grootzeil heeft geen giek: het wordt gezeild met losse broek. Aan de onderkant van het grootzeil is een bonnet gemaakt. Dit is een afknoopbaar gedeelte, waarmee het zeil bij harde wind werd gereefd. Aan het achterlijk is een gei gemaakt: een lijn die werd gebruikt om het achterlijk van het zeil in de richting van de mast te trekken. Van de gaffelnok naar het achterdek lopen aan weerszijden twee geerden (touwen die de gaffel in bedwang moeten houden). Aan de onderkant van het achterlijk van het grootzeil is de grootschoot bevestigd. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan het zeil en enkelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het achterschip. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen en kraanlijnen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en op de nagelbank achter de mast. In de top van de steng een rode vleugel aan een koperen scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond en hebben terugvallende boeisels. De bodem is vlak en rond. De achterkant van de bodem is gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. De kluisgaten zijn versierd met snijwerk in de vorm van een ster. Over het boeisel aan stuurboord hangt een stokanker met houten stok. Het ankertouw loopt door het kluisgat aan stuurboord naar binnen, is geslagen over de braadspil en verdwijnt door een luik in het voordek naar binnen. Achter de braadspil de metalen stander van de kluiverboom. Tegen de boeisels van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Daaronder hangen over het berghout aan weerszijden drie wrijfhouten. In het voordek zijn twee luiken gemaakt. Het voorte luik is scharnierbaar. Het twee, grotere luik is los. Voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Achter de mast een losstaande nagelbank. Ter hoogte van de nagebank zijn de zwaarden aan de boeisels gehangen. De zwaarden hebben verdikte koppen en zijn aan de bovenranden versierd met ingesneden schulpvormen. Aan de onderkant zijn de zwaarden verstevigd met vier houten dwarslatten en een halfronde metalen strip. Ook langs de randen van de zwaarden is metaalbeslag aangebracht. De zwaardlopers lopen naar achter, door en staartblok aan een ketting op de buitenkant van het boeisel, terug naar voren, door een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel en zijn belegd op de bolders op het achterschip. Achter de nagelbank het luikhoofd van het ruim dat met vijf bolle luiken wordt overdekt. De kajuit daarachter heeft een bol dak. In de zijwanden van de kajuit ovale lichtranden met schuifluiken. In de achterwand van de kajuit dubbele deuren. Achter de kajuit is de plaats van de roerganger. Het achterdek is een paviljoendek (het dek is even hoog als de bovenkant van het boeisel). Het lange helmhout steekt over het paviljoen heen naar voren. Op de voorkant van het paviljoen de overloop van de grootschoot. Over de berghouten van het achterschip hangen twee wrijfhouten (aan beide kanten één). In de boeisels van het achterschip zijn ramen gemaakt om licht te scheppen in het paviljoen. Onder de ramen geschilderde wapens: aan bakboord het wapen van Lemsterland (hand met aardkloot) en aan stuurboord het wapen van Amsterdam (drie Andreaskruisen). Het roer is smal en hoog van vorm. Het hangt met vier roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met drie tonnetjes. Het helmhout is gebogen en aan de voorkant voorzien van een koperen knop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Het berghout en de bovenkant van het boeisel is zwart. De boeisels zijn gelakt, alleen in het voor- en achterschip zijn ze groen met een goudkleurige bies. De kluisborden zijn groen met ene goudkleurige ster. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen en de inschulpingen zijn groen. De dekken zijn gelakt, evenals de luiken, het ruim en de kajuit. Er zijn enkele groen accenten aangebracht: de koppen van de bolders, de koppen van de nagelbank en de luiken van de kajuit. De rondhouten zijn gelakt. Het roer en de roerkop zijn gelakt. De drie tonnetjes op het roer zijn rood, wit en blauw. Accessoires: stander en pikhaak.
AchtergrondinformatieDe aanwezigheid van de wapens van Lemsterland en Amsterland onder de ramen van het paviljoen maken waarschijnlijk dat het beurtschip de dienst tussen Lemmer en Amsterdam onderhield: 'de Lemster beurtman'. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk dankt zijn naam aan het paviljoen in het achterschip: een verhoogd achterdek op het niveau van de bovenkant van het boeisel. Onder het paviljoen bevindt zich het verblijf van de bemanning of de passagiers. De schipper staat vóór het paviljoen te sturen. Opvallend is het lange helmhout. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
TitelScheepsmodel van een houten tjalk: een turfschip.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenskûtsjes, tjalken, turfschepen
ObjectnummerK-051
Periode van1900
Periode tot1950
BeschrijvingScheepsmodel van een houten turfschip. Uitgehold blokmodel, aan de buitenkant met latten bekleed. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een metalen voorstag op de voorsteven en door een voorstag op de kluiverboom. Deze laatste voorstag loopt door een blok op de punt van de kluiverboom naar achter en is belegd op de beretand aan stuurboord. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen en door twee lopenden wanten (bakstagen) die ieder met twee blokken getakeld zijn. Het touw van de voorste bakstag is belegd op het staande wand en het touw van de achterste bakstag is op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. De stagen zijn aan de boorden vastgezet met puttingijzers. De boegspriet rust aan de achterkant in een metalen stander. De voorkant van de kuiverboom hangt in de voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiver wordt uitgezet met eem traveller. De kluiverschoot is belegd op een voorbolder aan bakboord. De stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is met een halstalie die loopt door twee blokken vastgezet op de voorsteven en belegd op de beretand aan bakboord. De fokkeschoot loopt via twee blokken. Het onderste blok is een hakkeblok, waarop de fokkeschoot is belegd. Dit hakkeblok is met een ring vastgezet op een metalen overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het voorlijk van het goortzeil is voorzein van metalen beugels. Daaraan zijn touwen bevestigd die rond de mast zijn bevestigd. De halstalie van het grootzeil loopt door twee blokken en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is vastgezet op een giek. De voorkant van de giek rust met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot van het grootzeil loopt door een tweeschijfs blok aan het achtereind van de giek en door een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voor en het achterschip zijn rond. De bodem is vlak. De bouwwijze is er de oorzaak van de het model tamelijk hoekig is. De op de romp aangebrachte latten zijn niet gebogen. Het voor- en achterschip zijn uitgezaagd en geplakt aan de lange rechte gangen. De hoekigheid wordt nog geaccentueerd door het verschil in kleur tussen de uitgezaagde en de rechte gangen. Het model van voor naar achter. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Achter de voorsteven een scepter waarin de kluiverboom rust. Achter de scepter een braadspil en twee luiken. Tegen het voorboeisel zijn aan weerszijden twee bolders geplaatst. Op de boeisels van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst. Achter de mast het luikhoofd met daarop tweemaal vier luiken (drie luiken ontbreken). Ook op de boeisels ter hoogte van het ruim zijn zetboeisels geplaatst. De zwaarden zijn tamelijk smal van vorm. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van koperbeslag en de onderkant zijn eveneens van metaalbeslag voorzien. De zwaardlopers gaan via een metalen schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar achteren, zijn daar getakeld met zwaardtalies die door twee blokken lopen en die zijn belegd op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. Het schip heeft geen roef of kajuit. Op het achterdek staat een schoorsteen met een U-vormige bovenkant (mik-functie). Daarachter is het hakkeblok van de grootschoot vastgezet in het dek. Onder de helmstok van het roer bevind zich het luik van het achteronder. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ramen gemaakt (voor het achteronder). Tegen de boeisels van het achterschip zijn twee bolders geplaatst. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. Het roer is voorzien van een vast helmhout. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart, evenals het berghout. Het dek, de luiken, de rondhouten en de losse onderdelen zijn alle gelakt. Accessoires: een vaarboom, een pikhaak, een uitzetter, een mik en een loopplank.
AchtergrondinformatieVan alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje.
BeschrijvingScheepsmodel van het houten potschip Yn 't Potskip'. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het potschip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven. De voorstag is niet getakeld maar vastgeknoopt. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want (zijstag) dat aan een oog in het boeisel is vastgezet. Het postschip heeft geen zeilen. Achter de mast hangt een giek in de kraanlijn, die is vastgezet op de nagelbank. De giek draait in een gat in deze nagelbank. De giek is niet lang. Het achtereind steekt niet buiten de achterkant van de roef. Dat zou problemen geven bij het hanteren van de grootschoot. Deze schoot ontbreekt. Wel is er een schootblok aan de onderkant van de giek bevestigd. De gaffel ontbreekt. Ook de bevestigingspunten voor de grootschoot en de fokkeschoot ontbreken. De tuigage is incompleet en defect. De witten touwen zijn niet origineel. Alleen de bruine zwaardloper is van het origineel gebruikte garen. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Tegen de binnenkanten van de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. In het voordek zijn twee luiken. Het voorste is los en is aan de binnenkant beschilderd met de Friese vlag. Het tweede luik in het voordek is de uitwip die wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken om het ondereind van de mast door te laten. Op het boeisel van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst met daarop de naam van het schip: 'Yn 't Postkip'. Aan de voet van de mast de mastkoker met daaraan klampen en achter de mastkoker een nagelbank. Ter hoogte van de mast zijn de zwaarden opgehangen. De zwaarden voorzien van verdikte koppen en ingekerfde lijnen suggereren de beplanking. Van het zwaard aan bakboord ontbreekt de zwaardloper (een schildpadblok een een blok aan de buitenkant van het achterschip zijn er wel). Het zwaard aan stuurboord heeft wel een zwaardloper. Deze loopt via een schildpadblok naar een blok aan de buitenzijde van het schip. Dar blok wordt met een wit touw getakel aan één van de achterbolders. Achter de mast het ruim annex verkoopruimte. Wanneer de luiken worden verwijderd is het ruim te zien. In het midden twee bakken met daarin miniaturen van te verkopen goederen: stapels borden, thee- en koffiepotten. inmaakpotten, Keulse potten en kannen. voorraadpotten. testen, doofpotten, et cetera. Waar geen bakken in het ruim zijn gemaakt, zijn in de wanden ramen (twee aan elke zijde) aangebracht. Daarachter prijkt ook koopwaar: vazen, kannen en zilverbollen. Achter het ruim de roef. In de zijwanden daarvan ramen (één aan elke kant). In de achterwand de toegang met dubbele deurtjes en een schuifluik (met ingesneden traliewerk) in het dak. Achter de roef het achterdek. Aan het boeisel zijn daar twee bolders bevestigd. Achter het achterdek het verhoogde achterschip (een soort paviljoen) waaronder de slaapverblijven. Die zijn toegankelijk door een luik aan stuurboordzijde. Ook dit luik is voorzien van gesneden traliewerk. In de achtersteven zijn aan weerszijden van het roer twee vensters gemaakt. De onderkanten van deze ramen zijn met snijwerk versierd. Op de boeisels van het achterschip en op de boeisels langs de gangboorden zijn metalen relingen geplaatst. Aan de achtersteven hangt het roer (twee roerhaken). De helmstok ervan heeft een metalen handgreep (tonnetje) en een roerklik die met snijwerk is versierd (hoorn des overvloeds). Kleuren: De romp is geheel gelakt, ook het onderwaterschip en het berghout. De dekken, de luiken, het ruim en de roef zijn gelakt. Restanten van schilderwerk zijn te zien op de schuifluiken (roef en achterschip), op de roerklik en op de achtervensters. De rondhouten zijn gelakt. De top van de mast is wit. Accessoires: miniaturen van potten en pannen, losse vleugel, losse mik, watervat.
AchtergrondinformatieDe vervaardiger van het model is Durk Lourens van der Werff (Drachten 1908-1997). Hij is een zoon van Haike Pieters van der Werff, die een scheepswerf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten. Durk van der Werff houdt de herinnering aan de Drachtster scheepsbouw levend door zijn schilderwerk (in naïeve trant). Ook dit model past in deze naïeve werktrant: met name de weergave van de potten en pannen zijn daar een voorbeeld van. Het model werd gebouwd in de winter van 1944-1945. Het hout dat hij er voor gebruikte was eikenhout van afgedankte stoelen. Zijn vader Haike van der Werff gaf Durk adviezen bij de bouw.
Een potschip is een tjalkachtig schip dat werd gebruikt voor het verkopen van potten en pannen. Ze waren meestal klein van formaat, zodat ze veel dorpen konden bereiken. Mensen konden aan boord kopen, maar de potschippers laadden hun koopwaar ook wel over op kruiwagens om zo langs de deuren te gaan.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Lieuwe Westra, 'Familie van der Werff: dynastie van Friese scheepsbouwers' in: Spiegel der Zeilvaart, mei 1997, pp. 28-34.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 29