BeschrijvingScheepsmodel van een Zuidlaardermeerjol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker. De mast wordt gehouden door metalen stagen: één voorstag en twee zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een ring in d voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan de mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek een giekring met een stang naar achteren. Aan de giekring een tweeschijfs blok. De grootschoot loopt door dit blok en door een blok op de kuipvloer. De zwaardval van het midzwaard loopt via twee ringen in de voorwand van de kuip naar achteren en is belegd op een nagel in de kuipvloer (aan bakboordzijde naast de achterkant van de zwaardkast). In het grootzeil de klasse-aanduiding (letters ZM) en het zeilnummer 11. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Over het voordek loopt een V-vormige waterlijst die bij de kuip overgaat in opstaande kuipranden. De mastkoker staat in een uitsparing van het voordek. In de voorwand van de kuip drie ringen waar zeil- en zwaardvallen op belegd zijn. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en is scharnierend opgehangen aan het bovenste deel van het roer. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, gangboorden en de wanden van de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. De kuipvloer is grijs. Het bovenste deel van het roer is bruin. De metalen delen (giekring, midzwaard, roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe Zuidlaardermeerjol met zeilnummer 11 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1959: het was de BelAir van P.J. Kielman uit Westerbroek. Westrijden voor de Zuidlaardermeerjol zijn alleen bij de Sneekweek van 1959 gehouden. Er waren toen 19 deelnemers, waarvan de meeste kwamen uit Hogezand, Sappemeer, Martenshoek, Foxhol. Er waren echter ook Friese deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 56-57
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 74-75
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de centaurklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordencentaurklasse
Objectnummer1998-325
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de centaurklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag, vier zijstagen (twee aan elke kant, waarvan de langste door een zaling wordt geleid) en een achterstag. De achterstag eindigt aan de onderkant in een A-vormige draad die is bevestigd aan de punten van de spiegel. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en zijn belegd op korvijnagels die vlak achter de schootogen in de gangboorden zijn gestoken. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een twee houten blokken (één aan de giek en één op de bodem van de kuip) en ligt opgschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter C) en het zeilnummer 58. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven (lepelboeg). Gebogen spiegel (van boven gezien), die schuin naar achter op het water staat. De boot is uitgerust met een vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd en daar achter een bolder. De kuip is aan de voorkant rond van vorm. In de kuip twee dwarsbanken. De roerspil steekt door het achterdek. De helmstok van het roer is van hout. Achter de helmstok is op het achterdek nog een bolder geplaatst. Kleuren: De romp is groen. De kiel en het roerblad zijn zwart. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn wit. De twee banken, de helmstok en de houten blokken zijn gelakt. De metalen rondhouten zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Centaur: lengte 6.20 m., breedte 2.00 m., diepgang 0.85 m, oppdervlakte grootzeil 11 m², oppervlakte genuafok 7.60 m² en oppervlakte stagfok 6 m². De centaur kan uitgevoerd worden met een vaste kiel of met een midzwaard. De centaur is een Nederlands ontwerp en wordt geleverd door jachtwerf Zaadnoordijk te Uitgeest. De Centaur met zeilnummer 58 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. De klasse leverde deelnemers aan de Sneekweken van 1975-1989 (in de jaren 1986 en 1988 geen deelnemers). Veel waren het er niet: het begon met 17 in 1975 en het eindigde met 8 in 1989. Gerrut Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van de boeier Constanter. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast, die staat in een mastkoker. De mast worden gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een klamp op de achterkant van de voorsteven. De botteloef is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door vier boegstagen (ook stangen, aan weerszijden twee). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de fok hangt los van de voorstag. De fok wordt gehesen door de fokkeval, die loopt door een blok aan top van het zeil en door een mast in de mast en die is belegd op een klamp aan de mastkoker. De hals van de fok is met een haak vastgezet op de botteloef. De fokkeschoten lopen door jufferblokken aan de schoothoek en blokken op de overloop. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast (geen raktouwen). Het grootzeil heeft een gebogen gaffel, die wordt gehesen door een klauwval en een piekeval. De klauwval (op de gaffelbek) loopt door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval (op de kromming van de gaffel) loopt door een blok op de gaffel en door een blok aan de mast. De piekeval is belegd op de nagelbank. De halstalie loopt door een blok aan de hals van het grootzeil en is vastgezet op een oog aan de voet van de mast. De halstalie loopt door een blok aan de hals van het grootzeil en is vastgezet op een oogbout in het dek. Het onderlijk van het grootzeil hangt los van de giek (losse broek). De onderkant van het achterlijk is met een ring vastgezet op de achterkant van de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierend lummel in een lummelpot in de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De kraanlijn loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet aan een oog op de kielbalk. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond, met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en niet gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is bekleed met een metalen strip. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Zij zijn met schilderwerk versierd: sterren en bladertakkken. Er is geen bedelbalk. De boeisels zijn niet voorzien van gillings. Aan de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. Voor de mast zijn in het voordek twee luiken (de uitwip) die verwijderd worden wanneer de mast wordt gestreken, om het ondereind van de mast door te laten. Boven de uitwip de overloop van de fokkeschoten. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met opgeschilderde sterren. De zwaardlopers gaan door een gat in het boeisel naar binnen en zijn belegd op de bolders in de stuurkuip. De zwaardlopers zijn niet getakeld. Achter de mast de nagelbank. Daarachter de kajuit. De kajuit heeft een gebogen (hol) dak. In de voorwand van de kajuit twee ronde ramen van koper. In de zijwanden zijn dezelfde soort ramen aangebracht (aan weerszijden één). In de achterwand van de kajuit twee deuren met ramen. De achterwand is langs de dakrand versierd met geschilderde bladertakken. Aan de achtereinden van de gangboorden zijn waterlijsten gemaakt. De kuip is voorzien van een vast dek. Langs de zijwanden en de achterwand van de kuip zijn kistbanken gemaakt. Op het deurtje van het achterhuis een onleesbaar opschrift. Langs de bovenrand van het achterhuis de hennebalk die is versierd met schilderwerk: vaas met bladertakken. Tegen boeisels van het achterschip zijn bolders gemaakt. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt en er staat een roerleeuw op. Uit de voorkant van de roerkop steekt een houten helmstok met een houten handgreep. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart (ook van het roer). De berghouten zijn zwart met witte biezen. Ook het boeisel is zwart met witte biezen en goudkleurige versieringen op de gillings (voluten). De zwaarden zijn gelakt, de zwaardkoppen zijn zwart (met witte bies), de boutversiering is goudkleurig en de randen van de zwaarden zijn metaalkleurig. De kluisborden en berentanden zijn meerkleurig: goud, rood en groen op een witte ondergrond. De hennebalk is beschilderd in goud en rood op wit. De dekken, de gangboorden, de kajuit, de stuurkuip en de rondhouten zijn gelakt. De sierrand op de achterwand van de kajuit is beschilderd in goud op wit. Het roer is gelakt. De roerkop is zwart (met witte bies). De roerleeuw is goudkleurig. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieG. Ooms heeft het model gemaakt naar opmetingstekeningen in het boek Ronde en Platbodemjachten van H. Huitema. Van de boeier is daarvoor de Constanter opgemeten. De boeier Constanter is gebouwd in 1876/1877 door Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. Opdrachtgever was Minnema Buma te Leeuwarden. Later is de opdracht overgenomen door W.A. Tromp te Woudsend. Prijs: f. 20.000,=. Afmetingen: lengte 8.05 m., breedte 3.20 m., holte 1.10 m., zeiloppervlak 58 m². Wedstrijden voor boeiers waren er bij de Sneekweken van 1956-1960, 1962-1964, 1968 en 1969. Het waren de begin- en hoogtijdagen van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Regelmatige deelnemers waren het statenjacht Friso, C.J.W. van Waning te Rotterdam in de boeier Maartje (voorzitter van het Stamboek), Mr. T. Huitema in de boeier Eudia (secretaris van het Stamboek), en H. Halbertsma te Grou in de boeier Constanter (1956-1960). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- H.G. van Slooten, 'De Friese boeier Constanter 1877-1977' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-18976, pp. 50-84.
- H.G. van Slooten, 'Constanter Semper Constant' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, pp. 48-54.
- T. Huitema, Ronde en Platbodemjachten (Amsterdam, 1977), pp. 222-224
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhondertwintig-klasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenvierhondertwintig-klasse
Objectnummer1998-311
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhonderdtwintig-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een steekmast die is gestoken in de kielbalk en in een metalen houder aan de V-vorm van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen een een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast, door een ring aan de voet van de mast en is belegd op de overloop in de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast, door een ring aan de voet van de mast en is belegd op een overloop in de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een ring aan de overloop in het midden van de kuip. De vallen van het midzwaard lopen in een W-vorm (door ringen aan de voet van de mast en vastgezet op de overloop in de kuip). In het grootzeil de klasse aanduiding (420) en het nummer zeilnummer H19871. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen (van boven gezien) spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. De zeeg is enigszins negatief. Het voordek is bol. het voordek is klein en de kuip is groot. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. De achterkant van het voordek is V-vormig en is afgesloten met een waterlijst, voor de mast. Voor in de kuip de metalen houder voor de mast. Achter de mast de kwast van het midzwaard. Boven de achterkant van de midzwaardkast loopt een stang dwars door de kuip: de overloop van de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. Het helmhout is van metaal en voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (boven en onder water). Het voordek heeft dezelfde kleur. De kuip is wit. Het roer en het midzwaard zijn metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de vierhonderd-twintigklasse: lengte 4.20 meter, breedte 1.71 meter, zeiloppervlakte 10.25 m² (grootzeil en fok), uit te breiden met een spinnaker van 9 m². De vierhonderdtwintig-klasse heeft een romp van polyester en rondhouten van aluminium. Het is één van de meest verkochte moderne wedstrijdboten. De 420 is in 1960 ontworpen door de fransman Christian Maury. In 1973 kreeg het de internationale wedstrijdstatus. Voor veel wedstrijdzeilers is de 420 de overgang naar de iets grotere (eveneens Franse) vierhonderdzeventig-klasse. Vooral bij vrouwen is de vierhonderdtwintig populair. Hoewel het in Nederland geen grote klasse is, plaatst het KNWV het type wel in de voorkeurslijn, als overgangsboot tussen de Cadet (die ook in de voorkeurslijn is geplaatst) en de Olympische vierhonderdzeventig-klasse. De vierhonderdtwinting met zeilnummer 19871 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 108-109
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van het Fries jacht Neptunus. Op spanten gebouwd. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage: De boot heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank. De mast wordt gehouden door een voorstag die is getakeld met een strijktalie, die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een metalen klamp op het voordek. De botteloef (in het fries 'loefbyter') is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok hangt los van de voorstag. De hals van de fok is met een haak vastgezet op een ring van de botteloef. Aan de schoothoek van de fok een ring de fokkeschoten lopen. De vaste einden van de fokkeschoten zijn vastgezet in een klos op het voordek (ter hoogte van de mast). De halende einden van de fokkeschoten lopen door de ring aan de schoothoek naar het achterschip, vervolgens door schootogen aan de binnekanten van de boeisels en zijn daar opgeschoten. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. De klauwval loopt door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval loopt door een blok op de ronding van de gaffel en door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast (geen raktouwen). De halstalie loopt over een enkelschijfs blok aan de zeilhals, door ringen in de messelbank en is daar ook op belegd. De onderkant van het achterlijk is met een haak vastgezet in een touwlus aan de achterkant van de giek. De voorkant van de giek rust met een lummel (scharnierbare pen) in de lummelpot aan de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in de kraanlijn. Deze loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op de bodem van het schip. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. Op de top van de mast een rode vleugel met metalen scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond. Opvallend is dat de bodem over de gehele lengte gepiekt is. Het jacht heeft een kielbalk. Het model van voor naar achter: De voorsteven is met metaalplaat bedekt. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. Beide zijn met schilderwerk versierd: bladmotieven, halve manen. etc. Het boeisel is versierd met geschilderde voluten met bladertakken: drie op het voorschip en twee op het achterschip. De boeisels zijn op de lange zijden versierd met geschilderde biezen. Achter de voorsteven de bedelbalk. Deze is aan de achterzijde versierd met geschilderde voluten. Het schilderwerk is in relief uitgevoerd. In het voorschip is een dek gemaakt. Voor de mast een uitwip: een luik dat wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken. Onder het luik is het contragewicht van de mast te zien. In de messelbank de mastkoker met klampen op de wangen en aan de achterkant een nagelbank. De ruimte onder de messelbank is open. Midscheeps zijn de boeisels aan de binnenkant gedubbeld. Aan deze gedubbelde boeisels hangen de zwaarden. De zwaarden hebben verdikte koppen. Rond het boutgat versieringen in de vorm van een ster. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar achteren en zijn belegd op korvijnagels die door spanten zijn gestoken. Het achterschip is open. De bodem is bedekt met buikdenningen. Langs de zijwanden en de achterwand zijn kistbanken gemaakt. Over de voorwand van het achterhuis loopt de hennebalk. Deze is versierd met beschilderingen in reliëf: bladertakken. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt. Daarop een roerleeuw. Aan de voorkant van de roerkop is de metalen helmstok bevestigd. Deze heeft aan de voorkant een handgreep. Op de rug van het roer een vlaggenstokhouder met (metalen) vlaggenstok. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart (ook bij het roer). Het berghout is zwart met twee witte biezen. De boeisels zijn zwart met groene biezen en goudkleurige voluten op het voor- en achterschip. Op de bovenkant van de boeisels, de bedelbalk, de hennebalk en de zwaarden is bronskleur aangebracht: het suggereert een bedekking door koperplaat. Hetzelfde is gedaan met de rug van het roer: metaalkleur. De binnekant van het boeisel is blauw. De spantkoppen zijn wit met rood. De boeiselverdikkingen bij de zwaarden zijn groen met rood. Het voordek, de banken en de rondhouten zijn gelakt. De bovenkant van de mast is zwart en het beslag is daar wit. Het roer is gelakt. De roodleeuw is groen met gouden hoofd. Accessoires: reddingboei.
AchtergrondinformatieG. Ooms heeft zich bij de bouw van het model gebasserd op de tekeningen in het boek van T. Huitema (Ronde en Platbodemjachten). Huitema gebruikte als voorbeel het Fries jacht Neptunus. Het Fries jacht Neptunus is gebouwd in 1918 door Auke van der Zee te Joure. Opdrachtgevers waren Melis en Eelke Haagsma te Sloten. Kostprijs: f. 4.800,=. Het was een luxe uitgevoerd jacht. Afmetingen: lengte 6.90 m, breedte 2.90 m., holte 1.29 m., zeiloppervlak 46 m². In 1955 kwam het jacht in bezit van Douwe Egberts te Joure, en dat bedrijf bleef de eigenaar ervan. Een Fries jacht is een open rond zeilvaartuig, in grootte en vorm een tussenvorm tussen de boeier en de tjotter. Oorspronkelijk werd het gebruikt als vrachtscheepje. Tot in de 20ste eeuw werd het type door scheepsbouwers 'Boat' genoemd. Pas toen men enkele 'boaten' louter voor de pleziervaart ging bouwen kwam de benaming Fries jacht in zwang. Het schip heeft een los-vast voordek, waaronder vracht gestuwd kon worden. Het gedeelte achter de mast is open. Het Fries jacht onderscheidt zich van de tjotter door een smal roer met roerleeuw (als op een boeier), door zijn berghouten die met een kniestuk (slemphout) tegen de voorsteven sluiten en door de rondere vorm van de boorden en het vlak. Van de boeier verschilt het Friese jacht zich door het ontbreken van een kajuit en door de geringere holte. Friese jachten zijn veelal rijk versierd: bedelbalk, hennebalk, kluisborden, boeisels, etc. Het Fries jacht Neptunus heeft meerdere malen deelgenomen aan de Sneekweek. Eigenaar waren E.D. en J.H. de Jong te Joure (later Bilthoven). Ze deden mee in 1956-1960, 1962, 1973 en 1974. Wedstrijden voor Friese jachten waren er bij de Sneekweken van 1956-1979 m.u.v. de jaren 1961, 1965, 1966 en 1967. Het aantal deelnemers was niet groot: gemiddeld zeven. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. Vermeer, Het Friese Jacht (Leeuwarden, 1992) pp. 92-95
- T. Huitema, Ronde en Platbodemjachten (Amsterdam, 1977), pp. 225-227.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de clippersklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenclipperklasse
Objectnummer1998-324
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de clipperklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat op de bodem van het schip en wordt gehouden door twee zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen (waarvan er vier zijn) op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een houten tweeschijfs blok aan de giek en door een houten ring op een overloop, en is belegd op een oogbout op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard loopt via twee ogen in de voorkant van de kuip naar achteren en is belegd op de overloop van de grootschoot. In het grootzeil de klasse aanduiding (halve pijl) en het zeilnummer 50. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte, zelflozende spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. In de achterkant van het voordek is een sleuf gemaakt. Daaronder de ogen van de zwaardval. De mast staat in de open kuip. Het midzwaard achter de mast heeft geen kast, maar steekt zo uit de bodem. Achter de sleuf van het midzwaard een dwarse stang: de overloop van de grootschhot. De kuip heeft geen banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een metalen helmstok, die aan de voorkant is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (ook het onderwaterschip). Het voordek, de gangboorden en de kuip zijn wit. De bovenkant van het roer is bruin. De rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe clipper met zeilnummer 50 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1971, 1976 en 1986. In 1971 was de boot van St. de Jong te Vinkeveen (scheepsnaam Bell Rain). In 1976 heette de boot Bleuster en was van Wim van Dijk te Rosmalen. In 1986 was de boot van J. Huisman te Groningen (scheepsnaam Freek de verschrikkelijke). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de regenboogklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenregenboogklasse
Objectnummer1998-284
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de regenboogklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag op de voorsteven, door een diamantstag (door naar voren wijzende zaling en terug naar de mast), door twee zijstagen (waarvan de langst wordt geleid door een zaling). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen blok aan de mast en die is belegd op klamp aan de mastkoker. De fokkehals is vastgemaakt aan de gatenrail waar ook de voorstag aan bevestigd is. De fokkeschoten lopen door een duubelschijfs blok aan de schoothals. De vaste einden van de fokkeschoten zijn op ringen op de gangboorden vastgezet. De halende einden van de fokkeschoten lopen door het blok aan de fok, door de schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. De klauwval loopt door een blok op de gaffelbek, door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval loopt door een blok op het midden van de gaffel, door een blok aan de mast en belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is met een omhoogwijzende zwanehals aan de mast bevestigd. De halstalie is rond de giek gedraaid. Aan giek twee giekringen die met een touw naar voren of naar achteren verplaatst kunnen worden. Aan de giekringen hangen de blokken voor de grootschoot. De grootschoot loopt van het achtereind van de giek, door een een blok op de overloop op het achterdek, terug omhoog door de twee blokken aan de giekringen en langs een haak op de kuipvloer. De grootschoot is belegd op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. In het grootzeil de klasse-aanduiding (regenboog) en het zeilnummer 1. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel, die zeer laag is. Sterke overhangen (zowel voor als achter). De boot is uitgerust met een vaste kiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven de gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter op het voordek een bolder en de mast. Achter de mast beding de kuip. De kuip is granaatvormig. Langs de randen van de kuip een opstaande rand (als waterlijst). LAngs de boorden zijn kastjes gemaakt. Langs de achterwand van de kuip een dwqrsbank. Achter de kuip een groot achterdek. Daarop eerst twee klampen en vervolgens het roer. De roerspil steekt door het achterdek. De gebogen helmstok is van hout. Op het achterste deel van het achterdek de overloop van de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken en de gangboorden zijn grijs. Het waterlijst en het houtwerk in de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe regenboogklasse is ontworpen door G. de Vries Lentsch uit Nieuwendam en als nationale eenheidsklasse door het KNWV erkend in 1917. De boot heeft lange en volle overhangen en is derhalve geschikt voor meren en plassen, maar niet voor al te woelig water. Het heeft een steil gepiekt gaffeltuig. De naam regenboog is gekozen omdat het oorspronkelijk de bedoeling was elk schip een andere kleur te geven. Dat hield met niet vol: de meeste latere regenbogen zijn gelakt. De klasse was tot de Tweede Wereldoorlog populiar. Daarna verminderde de belangstelling. Na oprichting van de Regenboogclub en na de bouw van de nieuwe regenboog (nr. 94) in 1968 (de eerste na 40 jaar stilstand) leefde de klasse weer op. Sindsdien zijn er 40 nieuwe regenbogen gebouwd. Het schip bleef klassiek, maar voor de westrijdzeilers zijn er een aantal moderniseringen doorgevoerd: spinnaker, hangbroek (als trapeze) en zelflozers. De regenboog met zeilnr. 1 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek veelvuldig voor. Van 1935-1957 deed de boot onafgebroken mee. Stuurman was K. Vrolijk uit Sneek. Van 1993-1995 was de regenboog 1 van Bouw van Wijk te Woubrugge. IN 1995 en 1996 deed Cees Nater in de nr. 1 mee aan de Sneekweek. Vanaf 1935 zijn er bij de Sneekweek wedstrijden gehouden voor de regenboog. Gemiddeld verschenen er 28 deelnemers aan de start. Legendarisch zijn de teamwedstrijden Friesland Holland op de Kaag en bij de Sneekweek. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 84-85.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 60-61
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een O.K. jol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten steekmast. De mast is door het voordek gestoken. De mast is niet gestaagd. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek heeft een vast verbinding met de mast: de giek steekt in een vertikale sleuf in de mast. Dat betekent dat de mast met de giek mee moet draaien. Aan de giek hangen twee houten blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en een blok op de overloop in de kuip. De val van het midzwaard loopt door een ring aan de voet van de mast, door twee ringen aan de achterkant van het voordek en is belegd op een dubbele bolder aan bakboord. In het grootzeil de klasse aanduiding (liggende granaat) en het zeilnummer 310. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een handgreep. Het voordek is relatief groot. De mast staat in het voorste deel van het voordek. Achter de mast zijn aan weerszijden op het voordek nog wtee handgrepen gemaakt. De kuip is relatief klein. Het midzwaard loopt gedeeltelijk door een sleuf in het voordek en gedeeltelijk door een zwaardkast in de kuip. Ter hoogte van de kuip zijn op de boorden twee bolder geplaatst. Dwars door de kuip loopt een dwarsstang: de overloop van de grootschoot. Daaronder de ring waaraan de grootschoot is vastgemaakt. Op het achterdek nog twee handgrepen. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De boorden en de spiegel zijn oranje. Het vlak is wit. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn gelakt. Ook de rondhouten en de blokken zijn gelakt. Het metalen roer is ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de O.K. jollen: lengte 4.00 meter, breedte 1.42 meter, zeiloppervlakte 8.54 m². De O.K. jol is in 1961 ontworpen door de Deen Knud Olsen. Het is een wedstrijdboot voor één persoon. Om de prijs laag te houden werd voor de knikspantvorm gekozen, die ook door amateurs gebouwd kan worden. De Finnjol bestond al, maar er bleek behoefte aan een eenvoudiger en vooral goedkopere soortgenoot. De eerste O.K. jollen waren van hout, later werden ze ook van polyester gemaakt of uit een combinatie (polyester romp en houten dekken). De boot heeft geen spanten maar dwarsschotten. De ruimte onder voordek en achterdek is waterdicht, zodat er een groot drijfvermogen ontstaat. De tuigvorm lijtk op die van de Europe of de Finnjol. In Nederland werd de O.K. jol in 1965 toegelaten en in 1967 erkend als nationale klasse. De O.K. jol met zeilnummer 310 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1967-1969. Het was de Ellert van L. Hamminga te Zuidlaren. Wedstrijden voor de O.K. jol waren er in de Sneekweken van 1964-1980. In 1964 waren er 25 deelnemers. Dat groeide al snel naar 63 deelnemers in 1969. Daarna verminderde de belangstelling: 49 deelnemers in 1972, 30 in 1976 en het eindigde met 13 in 1980. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 50-51
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de drakenklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordendrakenklasse
Objectnummer1998-288
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de drakenklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen steekmast. De mast wordt gehouden door metalen stagen. Aan de voorkant van de mast is een voorstag en een diamantstag (door een zaling terug naar de mast geleid). Aan de achterkant zijn er een achterstag op het achterdek en twee achterstagen op de boorden. Aan de zijkanten van de mast zijn er twee stagen, die beide door zalingen geleid worden in een diamantverstaging. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door de voorzaling en door een gat in het voordek. De fokkeval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De hals van de fok is vastgezet op de ring op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden terug naar voren en worden bediend met winches bij de buiskap. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De val van het grootzeil loopt door een ring aan de top van de mast en door een gat in het voordek. De grootzeilval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een metalen giek. De giek is met een lummel gehangen in een lummelpot aan de mast. Aan de giek hangt een dubbelschijfs blok van kunststof. De grootschoot loopt door dit blok en door een houten blok op de kuipvloer en ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasseaanduiding (letter D) en eronder het zeilnummer H44. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en van kunststof en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant met S-vorm. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel, die schuin achterover op het water staat. Het achterschip is overhangend. Het schip is uitgerust met een vast balastkiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op het voordek een bolder en het belsag waaraan de voorstag en de fokkehals aan zijn vastgezet. De mast is gestoken door het voordek. Daarachter een vaste buiskap. De kuip heeft opstaande randen. Langs de zijwanden zijn banken. Achter de kuip een groot achterdek. De spil van het roer steekt door het achterdek. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, de gangboorden en het dak van de buiskap zijn crêmekleurig. De opstaande kuipranden en het houtwerk aan de binnenkant van de kuip is gelakt, evenals de helmstok. De metalen delen (rondhouten en beslag) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de drakenklasse: lengte 8.90 meter, breedte 1.96 meter, zeiloppervlakte grootzeil 15.9 m², fok 10.7 m², spinnaker 35 m². De romp en de rondhouten werden oorspronkelijk van (goedkoop) grenen gemaakt. Later is men overgestapt op polyester voor de romp en aluminium voor de rondhouten. De draak is in 1929 op verzoek van de Zweedse Zeilclub ontworpen door de Noor Johan Anker. Het was een schip dat geschikt moest zijn voor wedstrijden en toertochten, geschikt voor binnenwater en op zee, en geschikt voor betaalbare bouw. Het ontwerp sloeg aan in Scandinavië en later ook in Europa en Amerika. Van 1948-1972 was het een olympische klasse. De Scandinavische zeilbonden bleven aanvankelijk toezien op de betaalbaarheid van de klasse: geen tropisch hout en alleen een genua als hulpzeil. In 1964 moest men toch bezwijken onder de druk van hen die vroegen om verdere moderniseringen. Sindsdien is de draak is een echt wedstrijdschip (sompleet met spinnaker). De belangstelling is altijd gebleven. De draak met zeilnummer 44 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de drakenklasse waren er bij de Sneekweken van 1936-1940 en van 1945-1949. Gemiddeld verschenen er dan 7 deelnemers aan de start. Museumvoorzitter A.M. Sustring deed in 1948 mee in de draak met zeilnummer 28 (Greate Pier). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 16-17
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 72-73
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de spankerklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenspankerklasse
Objectnummer1998-315
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de spankerklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een blok op de bodem van het schip en wordt gesteund door een inkeping in de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: één voorstag en twee zijstagen die door naar achter gerichte zalingen worden geleid. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen houder aan de mast en is belegd op korvijnagel aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten zijn vastgezet op korvijnagels die in gatenrails in het gangboord zijn gestoken. De fokkeschoten liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een korvijnagel aan de voet van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met ringen aan de mast bevestigd. De halstalie is vastgemaakt aan een ring aan de voet van de mast. De grootschoot loop door beslag (geen blok) aan de giek en door een gatenrail op de bodem van de kuip, waaraan de schoot ook is vastgezet. De zwaardval van het midzwaard loopt aan weerszijden van de mast naar voren en is onder het dek vastgezet. In het grootzeil de klasse-aanduiding (gekantelde cirkel met aan de onderkant een onderbreking) en het zeilnummer 75. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die licht schuin (naar achter) op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Op de achterkant van het voordek een V-vormige waterlijst. Achter de mast kuip. Voor in de kuip de kast van het midzwaard. Daarachter de gatenrail van de grootschoot. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, gangboorden en de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten en het roer. De metalen delen (midzwaard, roerblad en beslag) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de spankerklasse: lengte 5.75 m, breedte 1.90 m., zeiloppervlakte grootzeil 9.6 m², zeiloppervlakte fok 4.2 m², zeiloppervlakte genua 6.3 m². De spanker is in 1961 op verzoek van het KNWV ontworpen door E.G. van de Stadt. Er was behoeft aan een klasse tussen de schakel en de valk (of pampus). Het moest een wedstrijd- en een toerschip zijn. Door de knikspant en het gebruik van hechthout is het schip ook geschikt voor amateurbouw. In wedstrijden wordt de boot gevaren met spinnaker en wordt gebruik gemaakt van een trapeze. De kuip is ruim: er kunnen vier mensen in liggen. Spankeren betekent hardlopen en in de zeezeilerij wordt het woord spanker gebruikt voor spinnaker. Dat verklaart ook het zeilteken: spinnaker van boven gezien. De spanker met zeilnummer 75 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Westrijden voor de spanker zijn tijdens de Sneekweken georganiseerd van 1963 tot heden (1998). De deelname was tamelijk groot en constant: 11 in 1963, 18 in 1965, 42 in 1970, 49 in 1975, 28 in 1980, 31 in 1985, 31 in 1990, 18 in 1995, 26 in 1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 56-57
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 74-75
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een laser 2. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is bevestigd in het voordek en is gestaagd (diamantverstaging) met twee metalen zijstagen en één voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (grootzeil (torentuig)) en een fok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een lus aan de mast en die is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op de ring op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee gatenrails (aan weerszijden van de mast) en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een sleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is vastgelijmd aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de metalen giek . De giek is met een ring om de mast bevestigd. Aan de giek is geen halstalie gemaakt (hoort wel zo). De grootschoot loopt door twee ringen aan de giek en een ring over een overloop (van touw dat in lengte verstelbaar is) op het achterschip. De grootschoot is niet belegd. Het midzwaard is een steekzwaard dat aan een touwlus wordt opgetrokken en vastgezet. In het zeil het nummer 150000. Geen windvaan. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een ring waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Aan bakboord is in het voordek een gat gemaakt dat dient voor het opbergen van de spinnaker. Aan weerszijden van de mast twee gatenrails waardoor de fokkeschoten lopen. In de voorwand van de kuip een ring waaraan enkele vallen zijn vastgezet. Op het achterdek de overloop die is vastgezet in twee ringen. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Aan de helmstok is een metalen joystick gemaakt. Kleuren: De romp is wit. De dekken en de cockpit zijn eveneens wit. De rondhouten zijn van metaal en ongeverfd. Het midzwaard en het roer zijn metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe laser 2 is ontworpen door Frank Bethwaite in 1979. Het is een vergroting van de laser die in 1969 is ontworpen. Het is een tweemansboot. De romp is iets groter, maar heeft dezelfde vorm en de tuigage is uitgebreid met een fok en een spinnaker. De kuip is klein en het water kan via een zelflozer worden afgevoerd. Door het geringe vrijboord komt er snel water over. Ook deze laser is een strikte eenheidsklasse. De boten worden identiek door de fabriek afgeleverd. In Nederland heeft de laser 2 lang niet zoveel aanhangers als de laser. In zijn soort (vaurien, stern en flying junior) delft de laser 2 het onderspit. Afmetingen: lengte 4.42 m., breedte 1.42 m., diepgang 1.00 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 11.52 m2.
Het zeilnummer 150000 is een fictief nummer. Op dit moment (2010) ligt het hoogst uitgegeven nummer rond de 10800., Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 44-45
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de optimistenklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenoptimistenklasse
Objectnummer1998-298
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de optimistenklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Deze is niet gestaagd maar vastgezet in een messelbank in het voorschip. Aan de mast wordt alleen een grootzeil gevoerd. De bovenkant van het grootzeil wordt gehouden door een rondhout dat qua vorm en functie het midden houdt tussen een gaffel en een spriet: het rondhout heeft geen gaffelbek en is met een lus aan de mast bevestigd, echter niet bij de hals van het zeil (zoals bij een spriet) maar halverwege de mast. Het zeil is met touw aan de mast geknoopt. De giek is voorzien van een gaffel bek. Het zeil is met losse broek aan de giek bevestigd. Aan de onderkant van de giek een soort overloop, waaraan de grootschoot is bevestig. Deze loopt door twee opgen in de bodem van de boot. In het zeil het zeilnummer Q H1235. Op de top van de mast geen vleugel. De romp: Platte bodem. Enkelgangs boorden. Rechte voorsteven (schuin naar voren hellend) en rechte spiegel (loodrecht op het vlak). Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. In het voorschip een messelbank, waarin de mast is gestoken. Het gedeelte achter de mast is door een dwarsplank gescheiden in twee compartimenten. In het voorste compartiment twee drijfkussens en de zwaardkast, waarin de uitneembare kiel gestoken wordt. In het achterste compartiment de grootschoot en een dwars tegen de spiegel geplaatste drijfkussen. Het roer hangt aan de spiegel. De scharnierbare helmstok op het roer is van metaal. Kleuren: De romp is wit, evenals het onderwaterschip. Aan de binnenkant is de boot eveneens wit. Het dwarsschot is bruin. Het midzwaard en het roerblad zijn ook bruin. De mast en de helmstok zijn metaalkleurig. De giek en de gaffel/spriet zijn gelakt. De drijfkussens zijn blauw. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe optimist bestaat al sinds 1948. Toen werd namelijk in Florida van een 'zeepkist op wielen met een zeiltje' een bootje ontworpen. Het initiatief hiervoor kwam van de serviceclub Soroptimist International (vandaar het zeilteken OI). In 1954 zag een Deense architect het Amerikaanse bootje en introduceerde het model in Scandinavië. In 1965 werd de Internationale Optimist Dinghy Association opgericht. In 1973 volgde de internationale status van de IYRU. In 1992 stonden er internationaal 150.000 optimisten geregistreerd. De optimist is een klein handzaam bootje voor jeugdzeilers van 6-15 jaar en is zeer geschikt voor beginnende zeilers. Het spriettuig zorgt voor een laag zeilpunt, waardoor de boot gemakkelijk overeind te houden is. De rompvorm geeft veel stabiliteit. Door de eenvoudige rompvorm (knikspant) is het tamelijk eenvoudig zelf te bouwen van hechthout. Afmetingen: lengte 2.30 m., breedte 1.15 m., diepgang midzwaard 0.80 m., zeiloppervlak 3,5 m2. Het zeilnummer 1235 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek voor in 1985. Eigenaar was R. Woortman te Groningen. De boot had de naam Opti-Miss. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar (Eemdijk, 1998), pp. 54-55
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27