BeschrijvingScheepsmodel van de romp van een hektjalk. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen Vorm: rond voorschip, rond achterschip met oplopend hek, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Het model bestaat alleen uit een casco van een romp en is wat de opbouw betreft niet gedetailleerd. Te zien is de stevenbalk, de leggers en de spanten. De huidplanken aan stuurboordzijde ontbreken. Wel is daar het boeisel aangebracht. Op het voor een hektjalk typerende achterschip is gemaakt: het boeisel volgt op het achterschip niet de ronding van de romp maar loopt uit in een omhoog staande punt (het hek). De helmstok van het roer kan door een gat in dit hek (hennegat) gestoken worden. Kleuren: het hout is donker gebeitst. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieDe herkomst van het model is niet bekend. Waarschijnlijk is het een werfmodel, bedoeld om te laten zien hoe een dergelijk schip werd gebouwd. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Het opvallende aan een hektjalk is het hek, ook wel statie genoemd, op het achterschip. Het boeisel van het schip loopt vanaf het achterdek schuin omhoog naar achteren. Bij andere tjalken liep het vloeiend rondom het achterdek. Waar bij de hektjalk de boeisels elkaar raken vormen ze met het achterdek een driehoekgie opening (hennegat) waardoor het helmhout steekt. Er zijn veel houten hektjalken gebouwd en slechts enkele (vijf) van ijzer.
TitelScheepsmodel (speelscheepje) van de driemastclippers Anna Augusta.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenspeelscheepjes, klippers
Objectnummer1976-075
Periode van1875
Periode tot1885
BeschrijvingScheepsmodel (speelscheepje) van de driemastclipper Anna Augusta. Gemaakt van metaal. Niet op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage. Het model heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet is vastgezet in het voorschip en steekt onder het voordek door naar binnen. De boegspriet wordt gehouden door een waterstag (beneden) en door een boegwant van aan weerszijden één hooftouw. De touwen van het boegwant zijn vastgezet op knoppen aan de buitenkant van het voorschip. De drie masten: voormast, grote mast en bezaanmast. De masten zijn gemaakt uit één stuk. De voormast wordt gehouden door twee voorstagen (op de boegspriet en op de voorsteven) en door een staand want van twee hoofdtouwen (zonder weeflijnen). De grote mast wordt gehouden door vijf voorstagen die zijn vastgezet op de voormast en door een staand want van twee houdtouwen (zonder weeflijnen). De bezaanmast wordt gehouden door vijf voorstagen die zijn vastgezet op de grote mast, door een achterstag op de spiegel en door een staand want van twee hoofdtouwen (zonder weeflijnen). De staande wanten zijn vastgezet op knoppen op de wand van het schip. De masten zijn dwarsgetuigd en hebben ieder vier ra's. Deze zijn met de punten aan elkaar verbonden met lijnen van boven naar beneden. De schoten van de ra's aan de voormast en aan de grote mast lopen naar achter en zijn vastgezet op de mast erachter (respektievelijk de grote mast en de bezaanmast). De schoten van de ra's van de bezaanmast lopen naar voren en zijn vastgezet op de mast ervoor (grote mast). Het model is niet voorzien van zeilen.
De romp: Het schip heeft een scherpe, schuine voorsteven (clippersteven). Het achterschip is geveegd en heeft een platte, schuine spiegel. De bodem is in het midden plat.
Het model van voor naar achter: Het voordek is verhoogd. Over het boeisel aan bakboord hangt over het boeisel een anker. Het ankerketting loopt door het kluisgat naar binnen en loopt onder het voordek door naar achter, waar het is vastgezet op een oog. Op de voorsteven van het schip is aan beide kanten (er aan weerszijden van de kluisgaten) is de naam van het schip geschilderd: 'ANNA AUGUSTA'. Vlak voor de voormast begint het lage hoofddek. Voor alledrie masten loopt is tussen de boeisels een metalen overloop gemaakt. Alleen op de achterste overloop zijn schoten bevestigd. Op het dek tussen de voormast en de grote mast een hoge opbouw en een laag luikhoofd. Op het dek tussen de grote mast en de bezaanmast een reddingsloep op stander en een opbouw. Het achterdek is verhoogd. Uit het achterdek steekt de roerspil die is voorzien van een nar achter stekende, metalen helmstok.
Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is rood. De dekken zijn grijs. De dekhuizen en het luik zijn bruin. De sloep is wit en rood. De rondhouten (masten en ra's) zijn gelakt.
Accessoires: stander en sloep.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje Anna Augusta is afkomstig van W.W. Hopperus Buma (1865-1934), die van 1898 tot 1905 burgemeester van Hennaarderadeel was. De naam Anna Augusta is die van Jonkvrouw Anna Augusta van Eysinga (1863-1960).
De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Dit speelscheepje zal echter niet voor wedstrijden gebruikt zijn.
De clipper is ontstaan uit snelle Amerikaanse schoeners, die door loodsen, douane en marine werden gebruikt. Het waren schepen met een scherpe romp, een lage opbouw, sterk vallende masten met een lichte maar hoge tuigage. Deze schepen werden in het begin van de 19de eeuw vergroot (80-110 voet). het centrum van de bouw van deze schepen lag in Baltimore. het was de zogenaamde Baltimore-clipper, een schip met twee masten. Ze waren getuigd als schoenerbrik. Ze konden snel zeilen, maar hadden geen economisch laadvermogen. Na de Engels-Amerikaanse oorlog (1812-1814) richtte Amerika zich op vergroting van de overzeese handel met Chine en Europa door regelmatige en veelvuldige (snelle) vrachtdiensten (paketvaart) in te stellen. Omdat snelheid succesvol bleek te zijn in het vergroten van de handel werden oude schepen sneller getuigd en werden nieuwe schepen gemaakt op snelheid. Daarbij was de Baltimore-clipper het voorbeeld voor het lijnenplan van de romp. De nieuwe clippers waren echter grote dan de Baltimore-clipper en getuigd met drie masten. Ook in Engeland ontwikkelde men snelle koopvaardijschepen, naar voorbeeld van de Amerikaanse clippers. Met name de Engelse theelclippers waren zee snel, de Cutty Sark bijvoorbeeld. In Nederland was het handelssysteem protectionistisch en daarom meer gericht op de oude trage koopvaarders dan op het ontwikkelen van snelle schepen. Pas na circa 1850 zag men in Nederland de voordelen in van snelle koopvaarders. De Nederlandse clippers werden gebouwd naar Amerikaans voorbeeld: ze waren van ijzer, hadden ijzeren ondermasten en een stalen want. Het centrum van de Nederlandse clipperbouw lag te Dordrecht. Na 1880 werden de meeste Nederlandse clippers verkocht en vervangen door motorschepen., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, p. 28
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van een boatsje. Blokmodel met ingelegde spanten. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met invallende boeisels. De bodem is rond en niet gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is met koperbeslag bedekt. In het voorschip een bord met accoladevormige inschulpingen aan de onderkant. De boot is open, heeft geen dekken en derhalve zijn de spanten zichtbaar. De bodem is bedekt met buikdenningen. De messelbank rust op twee spanten en is aan de bovenkant vastgezet met twee brede kniestukken. In het midden van de messelbank is een mastkoker gemaakt. De borg van de mastkoker ontbreekt. De boeisels zijn aan de binnenkant, achter de messelbank, gedubbeld. De zwaarden hangen met houten aan deze gedubbelde boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De zwaardkoppen zijn aan de onderkant versierd met dezelfde accoladevormige inschulpingen als het bord in het voorschip. Langs de onderrand van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een gat in het boeisel naar binnen en zijn daar belegd op korvijnagels door het achterste spanten van de boot. Achter de zwaarden zijn op de boeisels twee paren roeidollen geplaatst. In het achterschip een tweede dwarsbank. Daarachter is in de bodem een oog gemaakt waarop het hakkeblok van de grootschot kan worden vastgezet. Voor de achterbak is een vast buikdenning geplaatst. Achter de achterbank het achterhuis dat aan de bovenkant een boogvormige lijst heeft (hennebalk). Het roer hangt met twee roerhaken aan de achterstven. De kop en de rug van het roer zijn voorzien van koperbeslag. Het helmhout valt los over de roerkop. De kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. De zwaardkoppen zijn zwart met witte invulling van de inschulpingen. Het metaalbeslag van de zwaarden is metaalkleurig. De binnenkanten van de boorden zijn gelakt. De buikdenningen zijn donkergrijs. De handgreep van helmhout is zwart. Het hoosvat is grijs met een rode binnenkant. Accessoires: hoosvat.
AchtergrondinformatieTjotter is niet een benaming die al lang gangbaar is in Friesland. De Friese scheepsbouwers spraken niet van een tjotter maar van een 'boat'. Ze werden gebruikt als werkboten: visserij, vervoer van personen (overzet), kleinvee en kleine vrachten (kruideniers, bakkers, etc.). Deze boten waren nauwelijk gebonden aan maten. Men bouwde kleine boten, boten en grote boten. Pas in de loop van de twintigste eeuw raakte een nadere aanduiding in zwang: de kleinste boten behielden de naam 'boat', tjotters werden die schepen genoemd met een lengte tot circa 4.80 meter en de grotere boten, die ook anders gebouwd waren, werden Friese jachten genoemd. Het slankere type wordt boatsje genoemd. Het meet 3.80 tot 5 meter lang bij een breedte van 1.35 tot 1.80 meter. Het heeft een plat vlak, waar de zijden onder een hoek tegenaan staan., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 13 oktober 1950
BeschrijvingHalfmodel van een stoomboot. Stapelmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: scherpe voorsteven, rond en geveegd achterschip, plat vlak. Het model van voor naar achter: het model is voorzien van een berghout. Het boeisel valt aan de voorkant naar binnen. Kleuren: het model is gelakt, alleen het berghout is zwart geschilderd. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHet halfmodel is afkomstig van de werf van Klaas Zwolsman te IJlst. Daar werden dergelijke schepen gebouwd.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor heveig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof na minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de beurtschepen. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1967/1968, p. 15
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een schouw. Op spanten gebouwd.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op een klos op de voorsteven. De zeilen zijn van witten (verkleurde) katoen: een grootzeil en een stagfok. Het voorlijk van de fok is met touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een metalen ring vastgezet aan de klos op de voorsteven. De fokkeschoot is met een plastic ring vastgezet op een overloop op de messelbank. Het grootzeil is vastgenaaid aan een rechte gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De giek hangt met een zwanehals aan een oog aan de mast. De halstalie is vastgezet op de zwanehals van de giek. De grootschoot loopt van een metalen oog in de giek, via een metalen oog in de bodem van het schip naar een nagel in de achterbank, waaraan de schoot is vastgeknoopt. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een blauwe vleugel met Hollands hoekje. De vleugel is voorzien van een koperen scheerhout. Op het speelscheepje is geen gebruik gemaakt van blokken.
De romp: Het speelscheepje heeft de vorm van een schouw: de voor- en achtersteven zijn vlak en schuin. De bodem is plat en voorzien van een giek die aan de onderkant is verzwaard met een strook lood. Aan de achterkant van de kiel zijn twee ogen gemaakt. Daarin zal een roer hebben gehangen. Dat ontbreekt echter. Ook de zwaarden ontbreken.
Het model van voor naar achter op de platte voorsteven een houten klos, die fungeert als botteloef voor de fok. Het is een open schip: geen dekken. De mast is geplaatst in een messelbank (mastbank). Net voor de mast loopt over de messelbank de metalen overloop van de fokkeschoot. Aan de voet van de mast een nagelbank. in de bodem van het achterschip een metalen schootoog. Tegen de achtersteven is een achterbank gemaakt. In de voorkant daarvan zijn twee nagels geslagen, waaraan de grootschoot wordt vastgeknoopt.
Kleuren: Al het houtwerk is gelakt. Kleuren zijn niet gebruikt.
Accessoires: geen. De stander is provisorisch vervangen door een blok hout met sleuf.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje werd door de vervaardiger gebouwd voor zijn kinderen die ermee speelden op het strand van Hindeloopen.
De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden.
De schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindig boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling. De Kleine Schouw is 4.75 meter lang, geheel open en voert meestal een spriettuig (spriet en giek) en een stagfok op een botteloef. De Middenschouw is 5.50 meter lang en heeft een bezaantuig. De Grote Schouw is 6 meter lang en voert eveneens een bezaantuig. Soms is de grote schouw uitgererust met een kajuit. De GWS-schouw heeft een stalen onderbouw en een houten boeisel. Het voert een spriettuig. De lengte is 5 meter (gangbare handelsmaat voor staal). De afkorting GWS verwijst naar de Grouwster Watersport Vereniging die de bouw van dit type in de vroege jaren dertig entameerde en ook wedstrijden voor deze schouwen organiseerde., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van een statenjacht. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het statenjacht heeft een mast en een boegspriet. De mast bestaat uit twee ddelen: een mast en een steng. De mast wordt gehouden door een voorstag dat met een jufferblok met zeven gaten op de voorsteven is bevestigd. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen en een gaand want (bakstag). De boegspriet is niet gestaagd. De zeilen zijn van witte katoen: een gaffel grootzeil, een stagfok, een breefok en een kluiver. De kluiver is bevestigd op de boegspriet. De schoten ervan zijn belegd op de bolders van het voorschip. De stagfok is bevestigd op de voorsteven. De schoot is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De breefok is vastgezet op twee ra's die beide zijn voorzien van ronde knoppen op de uiteinden. De schoten van de breefok zijn belegd op nagelbanken in het achterschip. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. De gaffel wordt gehesen met een piekeval die is getakle door vijf blokken en door een klauwval. Het onderlijk van het grootzeil wordt gezeild met losse broek (geen giek). De grootschoot is belegd op een blok aan de voorwant van de kajuit. Op de top van de mast een mastwortel (afgebroekn) met rood-wit-blauwe vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip ie rond. Het achterschip is rond en voorzien van een spiegel. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Op de scheg is een boegbeeld geplaatst in de vorm van een leeuw. Op het oordek een braadspil (los). Aan de voet van de mast een nagelbank. Op het dek achter de mast een achtzijdige lichtkap en een met reling omgeven trapgat. De kajuit heeft versierde wanden met ramen. Ook in de spiegel zijn ramen gemaakt. Op de top van de spiegel een lantaarn. De versieringen zijn geprefabriceerd en niet gedetailleerd. Kleuren: De romp is bruin. Het berghout is zwart. De boeisels en de zijwand van de kajuit zijn havannabruin. De ornamenten zijn bronskleurig. Het dek is gelakt. De braadspil is bruin en zwart. De lichtkap is rood. De spiegel is aan de onderkant rood. Het versierde deel is bruin met ornamenten in goudkleur. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd uit een bouwdoos. Ornamenten zijn niet origineel en gebaseerd op fantasie. Statenjachten werden gebruikt voor het vervoer van hoogwaardigheidsbekleders als prinsen (daarom ook wel prinsenjacht genoemd), leden van de admiraliteitencolleges, leden van de Staten, de V.O.C. of de W.I.C., etc. de vaartuigen waren doorgaans fraai ingericht en voorzien van allerlei versieringen en snijwerk. In de loop van de 18de eeuw werden statenjachten ook als pleziervaartuig aangewend. Nochtans bleef het als officieel vaartuig van de Staat bij de Koninklijke Marine in gebruik tot 1843. Statenjachten zijn rondgebouwde vaartuigen met weinig diepgang en daarom meestal voorzien van zijzwaarden. De eerste Statenjachten voerden een spriettuig. Omstreeks 1660 kwam hiervoor in de plaats een staand gaffeltuig. De korte mast van het spriettuig werd dan vervangen door een langere met een steng. Statenjachten werden door Nederlandse bewindhebbers wel eens als geschenk aangebonden aan buitenlandse vorsten. Buitenlandse koningen kochten ook wel soortgelijke schepen in Nederland.
TitelScheepsmodel van het Engelse oorlogsschip Queen Elisabeth.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenoorlogsschepen, Groot-Brittannië
ObjectnummerK-049
Periode van1914
Periode tot1918
BeschrijvingScheepsmodel van een Engels oorlogsschip Queen Elisabeth. Blokmodel en waterlijnmodel (alleen het gedeelte boven de waterlijn is gebouwd). Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: Het model is uitgerust met twee antennemasten. De voorste wordt gehouden door twee voorstagen op de voorsteven en door twee schuin naar achter gerichte balken. De achtermast wordt gehouden door een achterstag op de achtersteven en door twee zijstagen. Aan de voorkant van de achtermast is een liergiek bevestigd. Tussen de beide masten twee vierdradige antennes, die naar achteren schuin naar beneden lopen en daar worden afgetapt. Voorts aan de masten zalingen met vlag- en signaallijnen. Aan de voorste mast zijn twee zwarte kegelvormige seinen gehangen. Aan de achterste mast hangt aan stuurboord een groene bal en aan bakboord een rode zwaluwstaartvormige wimpel. De romp: het voorschip is scherp en steil. Het achterschip is rond. Omdat het een waterlijnmodel is kan van de vorm van de bodem niets beschreven worden. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een Britse vlag. Langs de randen van de dekken zijn van voor naar achter relings gemaakt. Uit het voorschip hangen twee ankers. In de boorden van het voorschip zijn twee rijen patrijspoorten geschilderd. Op het voordek twee bolders, een lichtkap en een dubbelloops kanon. Daarachter het voorste dekhuis. Op het lage deel daarvan een dubbelloops kanon. Op het hoge deel van het dekhuis zijn op drie niveau's open commandobruggen gebouwd. Uit de bovenste daarvan steekt de voormast. In de boorden van het schip zijn aan beide zijden, ter hoogte van het dekhuis, rijen van zes kanonnon gemaakt. Achter het voorste dekhuis twee schoorstenen. Aan weerszijden van de eerste schoorsteen hangen twee sloepen in davits. Schuin achter de tweede schoorsteen staan twee sloepen op het dek. Aan de voorkant van het tweede dekhuis staat de achtermast. Achter het tweede dekhuis een naar achter gericht dubbelloops kanon. Het achterdek is verlaagd. Aan weerszijden van het achterdek hangen twee sloepen in davit. Onder deze sloepen zijn in de boorden van het schip aan beide zijden twee achterwaarst geriht kanonnen gemaakt. Op het achterdek: een achterwaarts gericht dubbelloops kanon, twee luiken en een lichtkap. Op de buitenkant van het achterschip is de naam van het oorlogsschip geschilderd: 'QUEEN ELISABETH'. Kleuren: De romp is grijs met geschilderde patrijspoorten (zwart) en witte biezen bij de lopen van de kanonnen die uit de boorden steken. De dekken zijn gelakt. de dekhuizen zijn grijs met opgeschilderde ramen en deuren. Ook de kanonnen, masten, schoorstenen, sloepen en lichtkappen op het dek zijn grijs geschilderd. Accessoires: Het model is geplaatst in een vitrine waarvan het glas is vastgezet met houten wartels. De opstaande wanden van de bodem en van de dekplaat zijn versierd met inlegwerk. De ronde standers tussen bodem en dekplaat zijn gecannelleerd. In het hout van de bodemplaat is geschilderd (zwart met goudkleurige slagschadus): 'H.M.S. QUEEN ELISABETH'.
AchtergrondinformatieHet model is vervaardigd door een Britse krijgsgevangene die in Leeuwarden tijdens de Eerste Wereldoorlog in een kamp gevangen zat. In Leeuwarden waren 600 Engelse zeelieden geïnterneerd. Ze waren gehuisvest in de zogenaamde Engelse huizen aan de Engelse straat en de Harlingerstraatweg. Ze waren bemanningsleden van de Engelse kruisers Aboukis, Cressy en Hoque die in de nacht van 22 op 23 september 1914 voor de Nederlandse kust werden getorpedeerd door een Duitse onderzeeër. De drenkelingen kwamen in Nederland aan wal. Omdat Nederland neutraal was werden de Engelsen geïnterneerd. Om de verveling te verdrijven zorgde Roelof Buisman voor afleiding. Buisman was van 1915 tot 1932 consul van Groot-Brittannië. Roelof Buisman (geboren Grou 19 juni 1874, overleden ?). Boterexporteur te Leeuwarden. Lid van de Kamer van Koophandel van 1936-1951 en voorzitter daarvan van 1938-1942 en van 1945-1951. Ook voorzitter van de V.V.V. Leeuwarden en van de Koninklijke Zeilvereniging Oostergoo te Grou. H.M.S. Queen Elisabeth was een slagschip van de Britse marine. Het model is er één van het schip in zijn oorspronkelijke uitvoering., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 15 december 1955.
BeschrijvingScheepsmodel van de Duitse krabbenkotter Seestern met visserijnummer CUX 87. op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model is voorzien van twee masten: een liermast en een druilmast. De liermast op het voordek wordt gehouden door drie voorstagen op de voorsteven en aan weerszijden door twee zijstagen. De zijstagen zijn vastgezet aan puttingijzers op de buitenkant van de boorden. Aan de liermast hangen twee achterwaarte liergieken in dubbele takels. Ook zijn aan de mast twee losse takels gehangen. De bovenste blokken daarvan hangen aan kettingen in de mast en de onderste blokken zijn vastgehaakt aan het dak van de machinekamer. De achtermast is geplaatst tegen de achterwand van de stuurhut. De achtermast wordt gehouden door een voorstag op het dak van de stuurhut. Aan de achtermast is een kleine giek gemaakt waaraan een bezaanzeil gevoerd kan worden. De schoot daarvan wordt vastgezet op een oog op het achterboeisel. Tussen de achtermast en de liermast loopt een dubbele antennedraad, die wordt afgetap naar de stuurhut. Een groot aantal stagen, takels en vallen zijn losgeraakt en vernield. De romp: de voorsteven en scherp met een afgeronde boeg. Het achterschip is rond en licht naar binnen vallend. De bodem is rond en voorzien van een kiel. Het model van voor naar achter. Op de boorden van het voorschip is aan beide zijden het visserijnummer van het schip geschilderd (witte letters op zwart): 'CUX 87'. Op het voordek een beting, een toegang tot het vooronder met deur en ronde schuifkap. Vlak voor de liermast een lichtkap met tralies. Wanneer deze wordt verwijderd is te zien dat in het vooronder een electrisch lampje is gehangen. Tegen de boeisels van het voordek twee houten bolders. Achter de liermast is in het dek een luik gemaakt. Op het achterschip een opbouw. Het lage deel is het dak van de machinekamer. Op de voorkant daarvan is een lichtkap gemaakt. Daarachter de stuurhut. De voorzijde daarvan is rond en voorzien van vijframen. in de zijwanden van de stuurhut een smalle deur en twee patrijspoorten. In de achterwand van de stuurhut twee rechthoekige ramen. Op het dak van de stuurhut een schijnwerper en twee boordlichten. Het dak is afneembaar. Aan de onderkant ervan zijn de draden van de lichten gemonteerd: de boordlichten en de schijnwerper zijn voorzien van electrische lampjes. Naast de druilmast is tegen de achterwand van de stuurhut de schoorsteen van de scheepsmotor geplaatst. Langs de boeisels van het achterschip twee houten bolders. Tegen de achtersteven is een bank gemaakt. Op de buitenkant van de achtersteven is de naam van het schip geschilderd (witte letters op zwart): 'SEESTERN'. Een aantal onderdelen zijn beschadigd. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart met op de waterlijn een witte bies. Ook het berghout is wit. De boeisels zijn aan de binnenkant wit geschilderd. Het dek is gelakt. De toegang en de lichtkant van vooronder zijn bruin en wit. De liermast is bruin met zwarte accenten. Het luik op het dek is zwart. De wand van de machinekaemr is wit. Het dak van de machinekamer en de wanden van de stuurhut zijn gelakt. Het dak van de stuurhut is wit. De schoorsteen is zwart. De druilmast is bruin. De stander is groen. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet model is vervaardigd uit een bouwdoos van Billing-Boats. Het is niet voltooid en met name de tuigage is zwaar beschadigd. De viskotter is in Nederland het meest gebruikte motorschip voor de kustvisserij (trawlvisserij, boomkorvisserij en spanvisserij). Op kotters wordt het meest gevist op haring en platvis. In de loop de tijd wordt er steeds meer over het achterschip gevist. Men spreekt dan van een hekkotter. Afhankelijk van de grootte varen op een kotter 4 tot 7 man.
BeschrijvingMaquette van de scheepswerf van Douwe Yntjes Wijbrands te Hindeloopen. Naast het hellinghuis staat de loods, waarin de schepen werden gebouwd. de stenen uitbouw aan de houten loods was is vuurhoek, de plaats waar de boegen voor de schepen werden gebrand. Vrijstaand is het kromhouthok. Daar was de opslag van de stukken hout, die op hun voor de scheepsbouw geschikte vorm werden ingekocht. De werf heeft twee langshellingen. Op de grote helling ligt een botter met visserij nummer LE 21. op de kleine helling ligt een Staverse jol met visserij nummer HI 17. Tussen de jol en de Wieringeraak is een boatsje te zien. Voor de loods ligt een hellingbak. Voor de aak ligt een snik. Aan de dijkskant liggen nog twee schpen: een tjotter en een Hindelooper boatsje. Het werkterrein is gestoffeerd met stophout, putsen, bezems, dommekrachten en ander gereedschap.
AchtergrondinformatieSipke Huismans. Geboren 23 december 1920 en overleden 19 december 1995.
De werf van de familie Wybrands was gevestigd aan de Nieuwe Weide te Hindeloopen. Sinds 1957 is er de Skipshelling van Iege Blom gevestigd. De maquette geeft een beeld van hoe de werf er rond 1920 uitzag.
Oorspronkelijk had de werf één sleephelling, maar aan het einde van de 19de eeuw werd naast de loods op de gedempte Dijksloot een tweede grote sleephelling gebouwd. De werf werd door Douwe Yntjes Wybrands tot zijn dood in 1956 gedreven. In 1920 ging hij een vennootschap aan met zijn vader. Blijkens de akte van vennootschap bracht de zoon toen zijn arbeid en vlijt in en vader behalve zijn arbeid en vlijt ook de werf, de gereedschappen, voorraden enz. Deze vader, Yntje Douwes Wybrands, stond in een lange scheepsbouwerstraditie. Een deur uit 1696, die tot 1964 deel uitmaakte van de werfgebouwen, droeg de initialen W.D., die van de voorvader en scheepsbouwer Wiebe Douwes zouden zijn.
In de 19de eeuw waren er in Hindeloopen nog drie werven, die alle gedreven werden door leden van de familie Wybrands. Yntje Douwes Wybrands, wees geworden na een cholera-epidemie, nam op jonge leeftijd de werf, waarvan de maquette een beeld geeft, over van zijn oom Tjalke Yntjes Wybrands, later kocht hij van een andere oom, Sjoerd Ynte Wybrands, een tweede Hindelooper werf, waar veel sloepen werden gebouwd voor de grote vaart en voor rekening van Amsterdamse reders. Een derde Hindelooper werf, waar vissersbootjes, pramen en sloepen werden gebouwd, kocht hij van Wibe Foppes Wybrands.
Yntje Douwes Wybrands bouwde aken voor Wieringer vissers en verder botters, blazers en kleine vracht- en beurtschepen. Tjalken liepen er op zijn werf niet van stapel. De loods was te klein om ze daarin te kunnen bouwen.
De botter met visserijnummer LE 21 is van Andries Fleer uit Lemmer. Het schip moet een beurt hebben (krabijzers, bezem, put). De Wieringeraak is net te water gelaten (water in de bun). In de Staverse jol HI 17 zijn nieuwe kimboegen geplaatst. De jol zal worden geteerd. De helling is op slot met een ketting het trektouw van de helling is opgeborgen. Het boatsje is van Harmen Simonides, de winkelman. De snik is van Ynske Knilleske, aardappelhandelaar te Hindeloopen. de tjotter is van een binnenvisser. Het Hindelooper boatsje is van een zeevisser., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989
BeschrijvingScheepsmodel van een loodslogger. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip is voorzien van een kluiverboom en twee masten. De kluiverboom rust in een scepter, die aan stuurboordzijde aan de steven is bevestigd, en in de kluiverboomstoel op het voordek. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door een waterstag (beneden) en door een boegwant van aan weerszijden twee hoofdtouwen. De voormast is voorzien van een steng (aan elkaar verbonden door en metalen en een houten ezelshoofd). Deze mast wordt gehouden een metalen voorstag en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen die zijn voorzien van weeflijnen (touwladders) en door een lopend want van twee bakstagen. De steng wordt gehouden door een voorstag en een stag die loopt naar de achtermast en aan weerszijden door twee zijstagen die via twee zalingen naar het boeisel lopen. De achtermast wordt aan weerszijden gehouden door een staand want van twee hoffdtouwen die zijn voorzien van weeflijnen (touwladders). Het lopende en staande want van beide masten zijn met puttingijzers vastgezet op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een fok, een grootzeil en een bezaan. De kluiver is met metalen ringen aan een voorlijn (niet een stag) bevestigd. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder in het voorschip. Het voorlijk van de fok is ook met metalen ringen aan een voorlijn (niet een stag) bevestigd. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het lage achterdek. De bezaan is zoorzien van een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van de bezaan is met raktouwen aan de mast bevestigd. De schoot van de bezaan loopt via twee blokken en is belegd op een klamp op het verhoogde achterdek. De vallen van de zeilen zijn belegd op nagelbanken, onder aan de beide masten. In de top van de voormast geen wimpel maar een knop. Aan het want van de achtermast is aan bakboord een rode wimpel bevestigd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Scherpe, steile voorsteven. Rond, geveegd achterschip. Vlakke bodem. Het model van voor naar achter: In het voorschip twee kluisgaten. Op het voordek de toegang tot het vooronder en de overloop van de fok. Net voor de mast de overloop van de fok en een nagelbank. Achter de mast een dekhuis met schuifluik, lichtkap, reling en schoorsteen. Achter het dekhuis de overloop van de grootschoot en de bezaanmast met nagelbank. Het achterdek is een paviljoendek (even hoog als de bovenkant van het boeisel) en is aan twee kanten te bereiken met trappen. Op het achterdek de roerspil en het helmhout en de bevestiging van de schoot van de bezaan. Langs de achterkant van het achterdek een reling. Kleuren: Van de romp is het onderwaterschip donkergroen en de rest wit. De dekken en de opbouw op het dek zijn gelakt. De relingen en het beslag op de rondhouten zijn wit. Accessoires: stander
AchtergrondinformatieDe herkomst van het model is niet bekend. Loggers werden meestentijds ingezet voor de visserij. Dat is met dit type echter niet het geval: er zijn geen bunnen en er zijn geen voorzieningen voor het binnenhalen van netten. Vermoedelijk werden dergelijke loggers gebruikt door het loodswezen. Een logger was van oorsprong een snel kustvaartuig, ontstaan in de 18de eeuw in het Engelse Kanaalgebied. Het had steile steven en een gestrekte rompvorm, een V-vormig spant en een tuig van één, twee of drie masten. In Nederland werden dergelijke loggers ook ingezet in de vloot of bij douanediensten. In 1885 werd in Nederland de eerste vislogger (in Frankrijk gebouwd) in gebruik genomen door een Schevenigse reder, als vervangen van de bomschuit. In Vlaardingen werd de eerste Nederlandse logger gebouwd: eerst van hout en met drie masten, later van ijzer met twee masten. Deze Vlaardinger loggers hadden een rechte, verticaal staande voorsteven met ronde voet en een overhangend achterschip met rond hek. Het grootspant had een ronde dwarsdoorsende en de geheel gedekte romp had een vij hoge kop. Het kitstuig was samengesteld uit een grote mast met een grootzeil, een gaffeltopzeil, een stagfok en een kluiver op een kluiverboom De bezaansmast voerd een bezaanzeil met een gaffeltopzeil. Afmetingen: lengte 20.40 meter, breedte 5.60 meter en holte 2 meter. Sinds 1908 werden loggers gaandeweg uitgevoerd met hulpmotor. De laatste loggers verdwenen rond 1930. Veel bestaande loggers werden verlengd tot 30 à 35 meter en voorzien van een motor.
TitelScheepsmodel van een hektjalk. Gebouwd als speelscheepje.
VervaardigerEisenga, Sjoerd
Trefwoordenhektjalken, tjalken, Eisenga, Sjoerd
Objectnummer1979-004
Periode van1865
Periode tot1875
BeschrijvingScheepsmodel van een hektjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Gebouwd als speelscheepje en daarom voorzien van een zware kiel.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. Deze mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van twee hooftouwen en door een lopend want (bakstag). De stagen zijn met puttingijzers vastgezet aan het boeisel. De zeilen zijn van lichtbruine katoen. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder op het voorschip. In het doek van de kluiver zijn gaten gevallen. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. De stagfok is voorzien van een enkele rij reefringen. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. In het grootzeil een enkele rij reefringen. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. Op het achterschip staat wel een gebogen vlaggenmast, maar daar wordt geen vlag in gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip met oplopend hek. De bodem is rond en voorzien van een zware kiel (gebouwd als speelscheepje).
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven kluisborden en berentanden. Over beide kluisborden is een stokanker gehangen. Aan de ankerketting hangen rood-wit-blauwe ankerboeien. Achter de kluisborden een braadspil, het luik dat toegang geeft tot het vooronder, de kist met daarin het ankerketting, twee watervaten en twee losse ankers. De kluiverboom rust in een scepter op het voordek en een ring op de steven. Voor de mast de overloop van de stagfok. Het want en de bakstagen zijn met puttingijzers bevestigd aan de romp van het schip. De zeezwaarden zijn aan haken bevestigd. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De zwaardloper gaat door twee vioolblokken en wordt belegd op een bolder op het achterschip. Achter de mast een ruim dat wordt afgesloten met twee rijen van zeven luiken (vastgezet). Ter hoogte van het ruim zijn zetboeisels aangebracht. Achter het ruim een kleine roef. Achter de roef een scepter. Op het achterdek zijn voetlijsten aangebracht zodat de roerganger zich schrap kan zetten. Het boeisel van het achterschip loopt niet met de ronde romp mee, maar loopt naar achter toe op in een punt: het hek. Door een gat in het hek (hennegat) draait de helmstok van het roer. Het roer heeft een hoge roerkop. Op het helmhout een vlaggenstok, die waarschijnlijk later is bijgemaakt.
Kleuren: De romp is groen met een zwart berghout. De puttings, het zwaardbeslag en de zwaardkoppen zijn zwart. De kluisborden zijn geel met rode randen rond de kluisgaten. De berentanden zijn zwart. Het hennegat en het bovendeel van het roer zijn wit met een zwarte bies. Het dek en de luiken zijn bruin (houtimitatie). De roef is groen met witte en zwarte biezen. De watervaten en het deksel van de kist met het ankerketting zijn groen.
Accessoires: dekzwabber, twee vaarbomen, twee bokken. Het model is vastgeschroefd op een plank.
AchtergrondinformatieVererving van het model:
-1- Sjoerd Eisenga (geboren Gorredijk 24 dec. 1841, overleden Schenkenschans/Deinum 1924).
-2 Dochter Minke Eisenga (getrouwd met Roel de Groot).
-3 Zoon Sjoerd de Groot.
-4 Zoon Roel de Groot., Het model heeft de kenmerken van een speelscheepje: een grote kiel en een groot roer. De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Dit model zal echter niet gebruikt zijn in wedstrijden., Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Het opvallende aan een hektjalk is het hek, ook wel statie genoemd, op het achterschip. Het boeisel van het schip loopt vanaf het achterdek schuin omhoog naar achteren. Bij andere tjalken liep het vloeiend rondom het achterdek. Waar bij de hektjalk de boeisels elkaar raken vormen ze met het achterdek een driehoekgie opening (hennegat) waardoor het helmhout steekt. Er zijn veel houten hektjalken gebouwd en slechts enkele (vijf) van ijzer., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, p. 17
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelBlokmodel van een houten beurtschip met zeilen.
VervaardigerSybranda, M.
Trefwoordenbeurtschepen, Heeg, Sybranda, Marten
Objectnummer1976-010
Periode van1900
Periode tot1950
BeschrijvingScheepsmodel van een houten beurtschip. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag, die via de botteloef (in het fries loefbyter) is belegd op een klamp op de voorsteven. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de voorstag. In de top van de fok een metalen fokkegaffel. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. De fokkeschoot is belegd op een blok dat is bevestigd op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een blok dat is bevestigd op een overloop in het verlaagde achterdek (bollestal). De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank die aan de mastkoker is bevestigd. Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem.
Het model van de voor naar achter: Op de voorsteven is met een soort vork de botteloef (in het fries loefbyter) bevestigd. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. In het voordek is een luik (uitwip) gemaakt dat werd verwijderd wanneer de mast werd gestreken, zodat plaats geboden werd voor het contragewicht. Net voor de mast de overloop van de fok. Achter de mast het ruim dat met bolle luiken wordt overdekt. Het ruim gaat over in de roef. De overgang wordt op het dak gemarkeerd door een dwarslijst. De roef is toegankelijk via dubbele deuren en een schuifluik in de achterwand van de roef. De deuren worden met groeven gesuggereerd. De zwaarden zijn zodanig beschilderd dat het lijkt alsof de zwaardkoppen verdikt zijn. Rond het boutgat is een vijfpuntige sierster gemaakt. De zwaardloper gaat via een blok op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en wordt dan belegd op de achterbolders. Het achterdek is verlaagd: een bollestal. Daar is de overloop van de grootschoot. Het gangboord loopt door tot het achterschip. Het helmhout is gecontourneerd. Op het roer een roerkop die naar voren toe over en steven heen steekt.
Kleuren: De romp is groen, het onderwaterschip is zwart en het berghout is wit. De binnenkanten van de boeisels en de bollestal zijn bruin. Het dek is grijs. Het ruim en de roef zijn wit, de kajuitlijst en de deuren is de achterwand van de roef zijn bruin. De kluisborden en de voorsteven zijn geel. De berentanden zijn wit en rood. De bovenkant van de achtersteven is rood. De zwaarden, het roer en de rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: loopplank.
AchtergrondinformatieDe romp is oud. De tuigage werd in 1975 bijgemaakt door M. Sijbranda. Toen is waarschijnlijk ook de mast vernieuwd, evenals de zwaard. Ook de beschildering lijkt toen te zijn vernieuwd.
Het model zou door een schipper uit Heeg zijn gemaakt. Het is tamelijk primitief en grof uitgevoerd.
Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
TitelScheepsmodel van het veerschip Kaduna uit Port Harcourt.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenveerschepen, Port Harcourt, Nigeria
Objectnummer1995-006
Periode van1972
Periode tot1972
BeschrijvingScheepmodel van een veerschip genaamd Kaduna. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Op het voordek twee liermasten en op het bovendek een lantaarnmast en een korte mast. De liermasten op het voordek zijn geplaatst tegen de voorkant van het dekhuis. In de mast aan bakboord hangt een liergiek met takelage. De haak van de takel is vastgezet op de kast van de ankerlier. De liermast aan stuurboord is niet voorzienv an een liergiek. Achter het stuurhuis staat op het bovendek een lantaarnmast met daarin een toplicht, een antenne en aan bakboord een rood-wit-blauwe vlag. De lantaarnmast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door twee zijstagen. Op het achterste deel van het bovendek staat een korte mast, die wordt gehouden door een achterstag. In een gaffel hangt een kraanlijn met blok. Op het achterschip wordt aan een vlaggenstok een groen-wit-groene vlag gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het spiegel van het achterschip heeft een lichte ronding. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Aan bakboord en stuurboord hangen uit de kluisgaten twee ankers. Aan weerszijden van de boeg de naam 'Kaduna'. Op de punt van het voordek een vlaggemast en een bolder. Op het voordek een dubbele ankerlier, een luikhoofd en twee liermasten. Vervolgens de opbouw: de passagiersruimte in twee etages. Op de zijkant daarvan een rederij-embleem en 'Waterlines'. Op het dak van de passagiersruimte de stuurhut en het bovendek. Op de stuurhut een radarantenne en een schijnwerper. Achter de stuurhut de lantaarnmast. Op het bovendek liggen vijf paar reddingvlotten. Op het achterste deel van het bovendek vier schoorstenen en een kleine mast. Achter het passagiersverblijf het achterdek, dat wordt overdekt door een zonnetent. Daarachter hangt in een davit een reddingsloep. Het schip heeft twee scheepsschroeven. Op de achtersteven: 'Kaduna / Port Harcourt'. Kleuren: De romp is blauw met een witte bovenrand, het onderwaterschip is rood. De bovenetage van de passagiersruimte is wit. De dekken zijn groen. De schoorstenen en masten zijn geel. De reddingvlotten rood en wit. Accessoires: het model is gemonteerd op een plank met daaromheen een opstaande rand, waartussen een doosvormige glazen overkapping past. Het model is met twee standers in het vlak aan de plank gemonteerd.
AchtergrondinformatieHet veerschip Kaduna werd gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F50). Opdrachtgever: regering van Nigeria. Het veerschip voer voor de rederij Waterlines in Port Harcourt in Nigeria., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschrijvingScheepsmodel van een praam. Op spanten gebouwd: huidplaat van zink, vastgeklonken op spanten van koper. Schaal 1:10.
Rondhouten en tuigage: geen.
De romp: Het voorschip is scherp, heeft ronde boorden en is voorzien van een rechte stevenbalk. Het achterschip is scherp, heeft ronde boorden en in is voorzien van een rechte stevenbalk. De bodem is vlak.
Het model van voor naar achter: In het voorschip tussen de boeisels in de punt een driehoek. De boot is open: de spanten en de bollingen van de klinknagels zijn zichtbaar. Daarachter een staand dwarsschot. Aan de bodemkant daarvan is voor een lange beugel gemaakt (als een overloop) waaraan een ketting is vastgezet (de landvast). Tussen de steven en het dwarsschot een kleine houten buikdenning. Tussen het schot in het voorschip en het schot in het achterschip is de laadruimte. Deze is bedekt met buikdenningen. Het dwarsschot in het achterschip is van dezelfde vorm als die in het voorschip en is ook voorzien van een beugel met ketting. Ook is het achterschip is een kleine buikdenning en is bij de steven een driehoek geplaatst tussen de boeisels. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. Het roer is voorsien van een metalen helmhstok. De helmstok is gebogen en is aan de voorkant voorzien van een hadgreep.
Kleuren: De romp is zwart. De binnenkant van de praam is ook zwart. De buikdenningen zijn gelakt. De loopplank is grijs met witte randen. De vaarboom is gelakt en heeft een zwarte onderkant.
Accessoires: vaste stander, loopplank en vaarboom.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model werd gebouwd naar de scheepsbouwtekening met inv.nr. 1991-401: een tekening van Bauke Roorda uit Drachten waarop naast een andere scheepstypen (tjalken) ook een praam is getekend.
De praam is een vooral in het noorden van het land voorkomend scheepstype. Er zijn vele soorten pramen. Het is een gestrekt plat binnenschip met vlakke bodem. In de negentiende eeuw werd de term praam vooral gebruikt voor binnenschepen uit Drenthe en Overijssel: een vlakke bodem met schuine zijden, een breed boeisel en weinig zeeg. Doorgaans ontbrak een roef. Ze vervoerden hout, turf en granen. Ze werden soms gezeild, maar meestal geboomd. Later werd er een buitenboordmotor aan gehangen of werden ze geduwd of gesleept door kleine duw- of sleepboten., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, pp. 16-17.
VervaardigerVos, Willem, Top, Tico, Meer, S.M. van der
Trefwoordenfluitschepen
Objectnummer1986-390
Periode van1985
Periode tot1985
BeschrijvingScheepsmodel van een fluitschip. Op spanten gebouwd, aan de binnenkant bewegerd (de wegering is de horizontale huidplanken aan de binnenkant van een schip). Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage: het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet wordt gehouden door twee voorstagen, twee stel woelingen (touwlussen) op de voorsteven en aan de achterkant door een klos in het voordek. Op de top van de boegspriet de vlaggenmast van de prins en de ra van de blinde. Links van de boegspriet een botteloef (een schuin naar beneden wijzende stok met schijven in het uiteinde, waarover de boelijn van de fok loopt).
De drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. De fokkemast en de grote mast zijn gedeeld: mast en een steng. Tussen mast en steng zijn kraainesten (ronde mars met reling). De grote mast en de bezaanmast hellen enigszins achterover. De fokkemast wordt gehouden door twee voorstagen en door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen (touwladder). De fokkesteng wordt gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen met weeflijnen (vasstgezet op de mars) en door een lopend want (bakstag). De grote mast wordt gehouden door een stag op de voorsteven en door een staand want van zes hoofdtouwen met weeflijnen. De marssteng (op de grote mast) wordt gehouden door een staand wand van drie hoofdtouwen met weeflijnen (vastgezet op de mars) en door een lopend want (bakstag) op het boeisel. De bezaanmast wordt gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen. Het staande want is vastgezet op rusten (horizontale balken op de buitenkant van de romp) en het lopende want is bevestigd op puttingijzers.
De zeilen zijn van witte katoen. Aan de boegspriet wordt een blinde gevoerd. Aan de fokkemast worden twee razeilen gevoerd, evenals aan de grote mast. Aan de achtermast voert het schip een latijnzeil. De fok en het grootzeil (de twee onderste zeilen van de fokkemast en de grote mast) en de bezaan zijn voorzien van reefringen. De schoten van de blinde zijn belegd op klampen in het voorschip. Ook de schoten van de razeilen aan de fokkemast lopen via blokken naar de fokkemars of het voordek. De fok en het grootzeil zijn voorzien van boelijnen (gebruikt om de onderkant van een zeil naar voren te trekken om scherp aan wind te kunnen zeilen). De schoten van de razeilen aan de grote mast lopen naar het hoofddek of via de bezaanmast naar het achterdek. De razeilen zijn voorzien van geitouwen om de onderlijken op te hijsen. De schoten van het latijnzeil aan de bezaanmast zijn belegd op het halfdek en op de campagne. De latijnzeil is voorzien van geitouwen om het zeilen in de richting van de gaffelboom te trekken. De vallen van de ra's van de fokkemast kunnen worden gehesen met behulp van de braadspil achter de fokkemast. De ra's van de grote mast kunnen worden gehesen met de kaapstander die achter de grote mast staat. De vallen zijn belegd op nagelbanken achter de fokkemast en de grotemast. De spriet van de bezaan wordt aan de voorkant gehouden door valllen zie zijn belgd op nagelbanken aan weerszijden van het halfdek. De spriet wordt aan het andere einde gehouden door geerden, (om de spriet in bedwang te houden en neer te halen) die zijn vastgezet op de reling van het campagnedek. De toppen van de fokkemast en de grote mast zijn afgesloten met een T-stuk. In de top van de bezaanmast een gerafelde, blauwe vleugel (met Hollands hoekje) met daarboven een vergulde mastwortel. Op de top van de boegspriet een vlaggenstok waaraan de Prins gevoerd kan worden. Op de campagne eveneens een vlaggenstok met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De houten blokken zijn voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond en gepiekt. De bodem is vlak en naar het voor- en achterschip toe afgerond. Twee berghouden. Naar boven toe (boven de berghouten) vallen de boorden naar binnen. Het schip is karveel gebouwd. Alleen de opbouw van halfdek en campagne zijn overnaads (voorwand en zijwanden). De campagne loopt hoog op en is aan de bovenkant smal. Opvallend is dat het achterschip aan de onderkant rond is (de boorden vallen bij het berghout zelfs enigszins naar voren) en dat de commpagne daarboven schuin omhoog doorloopt.
Het schip van voor naar achter: Aan weerszijden van de boegspriet bolders (berentanden) en kraanbalken. Aan de kraanbalken hangen de ankers die over de zijboorden van het voordek hangen en met de bladen zijn gehaakt achter het staande want van de fokkemast. Tussen de twee kraanbalken loopt, over de achterkant van de boegspriet, een boogvormige nagelbank, waarop de stagen, vallen en schoten van de boegspriet en de blinde zijn belegd. Achter de fokkemast een waterlijst op het verhoogde voordek. Achter het voordek een nagelbank met daaronder een braadspil. Tussen het voordek en de grote mast een luikhoofd met vier luiken. Achter de grote mast een kaapstander. Aan weerszijden zijn aan de binnenkant van het boeisel korvijnagels gemaakt, waarop schoten en vallen zijn belegd. Voorts zijn in de boeisels aan beide zijden vier spuigaten gemaakt. Het achterschip is in twee delen verhoogd: halfdek en campagnedek. Tussen het lage middendek en het hogere halfdek een opstaande wand met in het midden een deur. Op het halfdek staat de bezaanmast. Daarachter is de kolderstok (stuurboom) geplaatst. Tussen het halfdek en het campagnedek wederom een opstaande wand met deur. De bovenkant van de deur is rond en het dek erboven loopt met deze ronde vorm mee. De verschansing van halfdek en compagnedek wordt gevormd door een reling. Op de beide hoeken van de campagne twee beelden van mannen (driekante steek, lange jas, kniebroeken). Daartussen een met snijwerk versierd spiegel met voorstelling van De spiegel tussen de beide mannen is vlak en onversierd. Onder de spiegel steekt het helmhout van het roer door een gat in de wulf. Het uiteinde van de helmstok is (onderdeks) bevestigd aan de kolderstok op het halfdek. Het roer is smal. Het is met zes roerhaken opgehnagen aan de achtersteven. In het achterschip aan weerszijden van de achtersteven twee luiken voor het laden en lossen van lange houten delen. Kleuren: De romp is ongeverfd. De berghouten en de rusten van de staande wanten zijn donker gebeitst. Het boeisel is aan de buitenkant groen en aan de binnenkant rood. De campagne is aan de zijkanten geverfd in de kleuren oranje en oker. De balustrades en de deurwanden zijn groen. De kluisborden en de berentanden zijn okerkleurig en de kop van het rood is rood. De beelden zijn meerkleurig beschilderd.
Accessoires: dubbele stander.
AchtergrondinformatieHet model is gemaakt door Willem Vos. In 2001 is de spiegel is gesneden door Tico Top te Kruisweg en beschilderd door Lieuwe van der Meer te Mantgum., De fluit was in de 17de en 18de eeuw een van de voornaamste Nederlandse koopvaardijschepen. In 1595 werd het te Hoorn ontwikkeld. Het moet voortgekomen zijn uit de buis. Karakteristiek voor het fluitschip waren het ronde achterschip, de sterk ingetrokken boorden en het hoge achterkasteel, waaronder de helmstok draaide in de wulf. De geringe dekbreedte van fluitschepen zou als achtergrond de wijze van tolberekening bij de Sontdoorvaart hebben. Hoe smaller het dek, deste minder tol verschuldigd was. Na invoering van een nieuwe meet- en berekeningsmethode bij de tollen konden de schepen na 1669 breder worden. Noordvaarders misten het galjoen dat op het zuiden varende schepen dikwijls wel hadden. Veel Friese fluitschippers voeren op fluitschepen die in Amsterdam of in de Zaanstreek uitgereed werden. De schippers en ook andere Friese particulieren hadden wel parten in de schepen die met name graan en hout uit Scandinavië aanvoerden en daarheen onder andere haring, jenever, wijn en zout transporteerden. De fluitschepen hadden hun thuishaven in Amsterdam; voor de haven van Hindeloopen hadden ze teveel diepgang. Ze werden doorgaans in de Zaanstreek gebouwd. Er is berekend dat er van de 103 daartussen 1652 en 1790 van stapel gelopen fluitschepen 69 voor Hindelooper schippers werden gebouwd. Ook uit andere Friese plaatsen als Harlingen, Molkwerum, Warns, Koudum en Stavoren kwamen schippers en bemanningsleden voor fluitschepen. Zo vond in de jaren 1697-1648 het houttransport uit Noorwegen naar de Nederlanden voor 60% door Friezen plaats en daarvan voor 36% door Hindeloopers. In de 18de eeuw kwam de vaart met kofschepen sterk op. Toch voeren er ten tijde van de Vierde Engelse Oorlg (1780-1784) nog 30 fluitschepen onder een Hindelooper schipper. In de Franse tijd ging de handel met Noorwegen te gronde en toen kwam er met het continentaal stelsel een einde aan de vaart met fluitschepen. De fluit van het model is van het laat 18de-eeuwse type, een noordsvaarder en een houthaler met in het achterschip houtluiken, literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1986, pp. 18-19
BeschrijvingScheepmodel van een turfbok of Beetsterpraam. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte (verkleurde) katoen: stagfok en grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reefringen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. In het grootzeil is een enekele rij reefringen gemaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbanken en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode (verkleurde) vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: scherpe voorsteven met rechte stevenbalk, scherpe achtersteven met rechte stevenbalk, platte bodem. Het model van voor naar achter: Op de balk van de voorsteven zijn de voorstag en de stagfok bevestigd. Achter deze balk een verlaagd voordek in de punt en daarachter het grote voordek. In dat voordek een luik dat geopend wordt waneer de mast gestreken wordt, zodat ruimte ontstaat voor het contragewicht onder aan de mast. Het luik geeft tevens toegang tot het vooronder. Aan bakboord is in het dek een pomp. Aan het boeisel van het voorschip aan weerszijden twee bolders. Voor de mast de overloop van de stagfok. Achter de mast een ruim dat wordt bedekt met tien luiken. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn aan de onderkant voorzien van metaalbeslag. De zwaardloper gaat door een schildpadblok en twee enkelschijfs blokken en wordt belegd op een klamp aan de buitenkant van het boeisel. Achter het ruim de roef die iets hoger is dan het ruim. In de roef geen ramen. In de achterwand van de roef dubbel openslaande deuren met ramen. De roef is ingericht. In het achterschip aan de zijkanten en de achterkant banken. Aan het boeisel in het achterschip twee bolders. De roerkop is onversierd en bedekt met metaalbeslag. Kleuren: De romp is gelakt en het onderwaterschip is zwart. De loopplank is zwart en heeft witte zijkanten. De bovenkant van de mast is zwart. Accessoires: een lange roeispaan waarvan een deel met touw betakeld is, een vaarboom, een loopplank, een stokdweil, een houten laadschep en een vierarmig dreganker.
AchtergrondinformatieHet model van de turfbok werd op verzoek van het bestuur van de Vereniging Fries Scheepvaart Museum gebouwd door B. Pietersma te Huizum.
Turfbokken werden voornamelijk gebruikt in Zuidoost Friesland, waar ze voeren in de smalle vaarten en kanalen. Ze werden veelal gebouwd in Nieuwebrug.
In verschillende delen van Nederland voeren bokken, die alle nogal van elkaar verschilden in grootte en uitvoering. De oorsprong van de Friese bok ligt in Noordwest Overijssel. Met het naar het noorden optrekken van de verveners vanuit Overijssel kwamen ook de daar gebruikte scheepstypen naar Friesland. Tot die schepen behoorden de scherpe of spitse praam, de bok en in mindere mate de punter. Een bok is een ongecompliceerd schip. Het heeft een plat vlak en twee rechte stevens die gelijk zijn aan elkaar. Aan de achtersteven hangt geen roer. Dat maakt mogelijk dat het schip in twee richtingen kan varen. Deze eigenschap was vereist omdat de bokken veel werden gebruikt in smalle vaarten en wijken, waarin men ze niet kon keren. De bok kan op verschillende wijzen worden voortbewogen. De bok kan worden geboomd vanaf het schip. De boot kan worden getrokken als er een pad was om over te lopen. Een derde manier was het 'trilkjen'. Hierbij werd vanaf de wal het schip met een paal, die tegen het achterschot werd geplaatst, voortgeduwd. De paal stond bijna haaks op het schip, zodat de duwer bijna naast het schip liep. Daarbij moest er wel op gelet worden dat het schip zich niet in de wal boorde., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 4 november 1949, 13 oktober 1950.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1950:
TitelZilveren model van een twaalf voets jol. Zeilprijs.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordentwaalf-voets-jollen, jollen
Objectnummer1985-209
Periode van1915
Periode tot1915
BeschrijvingZilveren model van een twaalf voets jol. Het gehele model is van zilver: de romp, de rondhouten, de zeilen en het touwwerk. Het model is met twee standers gemonteerd op een houten plank. Op deze plank tien ovale, zilveren plaatjes met inscriptie. Op het grootste plaatje: 'Jol prijs / uitgeloofd door een lid / van de Zeil- en roeivereniging / 'Hollandia' '. Op de negen kleinere plaatjes de namen van de winnaars: '1915 G. Hoogerhoud Willgerr / 1916 G. Hoogerhoud Willgerr / 1917 J. Swart Liberty / 1918 J. Swart Liberty / 1919 C.N. Hin Beatrijs III / 1920 M. de Wit Boreas / 1922 A.J.H. Dokkum Snapje / 1923 A.J.H. Dokkum Snapje / 1927 E.R. Zweep Karekiet / 1928 E.R. Zweep Karekiet / 1929 E.R. Zweep Karekiet'.
AchtergrondinformatieDe zilveren model werd gebruikt als wisselprijs in de klasse van twaalf-voets-jollen. De prijs is in 1928, 1929 en 1930 gewonnen door E.R. Zweep in zijn twaalf-voets-jol met de naam Karekiet. Hij mocht de wisselprijs toen houden.
De twaalf-voets-jol (ook wel Dinghy genaamd) werd door de K.V.N.W.V. in 1914 als internationale klasse ingesteld, maar pas in 1919 vond de feitelijke erkenning plaats. De ontwerper was de Engelsman George Cockshott. hij beoogde met zijn ontwerp een eenheidsbijboot voor grotere jachten te maken. In Nederland, België, Duitsland en Italië maakte de klasse opgang, maar na de Tweede Wereldoorlog werd er met twaalf-voets-jollen nog slechts in Nederland gezeild. In 1964 verloor het type de internationale status. Inmiddels is het tij gekeerd. Oude boten zijn gerestaureerd en er wordt weer volop mee gevaren.
In “Het zeilen, met allerlei vaartuigen, ter spelevaart en ten wedstrijde” door C.H.M. Philippona (Amsterdam 1919) staat op pagina 162 een foto van een vrijwel identiek model (misschien hetzelfde?) uitgevoerd door Corn. Schoorl "In den Zilveren Molenbeecker" te Amsterdam, literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 34-35
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998) pp. 100-101
BeschrijvingScheepsmodel van de viskotter Ada. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft twee masten. De voormast wordt gehouden door twee schuin naar voren lopende stangen. In de voormast wordt een driehoekig wit zeil gevoerd, dat is voorzien van een giek. De schoot van dat zeil loopt via twee blokken en is belegd op een klamp op de voorkant van de machinekamer. De achtermast wordt gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen met daartussen weeflijnen (touwladder). Aan de achtermast een wit zeil dat is voorzien van een rechte gaffel en een giek. De schoot van dit zeil is belegd op een bolder op het achterdek. Aan de voormast is een aantal lantaarns bevestigd. Tussen de twee masten is een draadantenne gespannen. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: het voorschip is scherp, het achterschip is rond en geveegd, bodem met kiel.
Het model van voor naar achter: Op het voorschip een beeldmerk in de vorm van een wapensschild (wit met schuine groene banen) en de visserijletters HD. Het voordek is verhoogd. Het is omgeven door een reling en bereikbaar met een ladder aan bakboord. Op het voordek een dubbele bolder en een V-vormige waterlijst. Onder het voordek een open opslagruimte. Op het middendek een vijftal luikhoofden van verschillende vorm (rond, ovaal, vierkant), de voormast en aan bakboord een bak met daarin het vistuig (visnet, staken met drijvers, etc.). Aan bakboord staan twee beugels waarin een katrol hangt. Deze worden gebruikt voor het binnenhalen van de netten. Voor de stuurhut staat een meervoudige lier, waarmee de netten worden ingehaald. Van de lier loopt een kabel, via katrollen en de beugel aan bakboord naar het net in de bak op het dek. De opbouw bestaan uit twee verdiepingen. Bovenin is de stuurhut, die in de breedte uitsteekt over het dekhuis. Op de voorwand van de stuurhut een banderol met daarop: 'ADA'. Op het dak van de stuurhut de boordlichten, een antenne en een zoek- of werklicht. De stuurhut is te bereiken met een trap aan de zijwand van de machinekamer. De zijwanden van de machinekamer zijn voorzien van patrijspoorten en een stalen deur en er hangen twee rood-witte reddinggordels aan. In de achterwand van de machinekamer een stalen deur en een luikhoofd. Op het dak van de machinekamer een schoorsteen met daarop de letter Z en een pijp. Tegen de achterwand staan twee pijpen. Op het achterdek is de schoot van het bezaanzeil belegd.
Kleuren: De romp is hoofdzakelijk zwart. Het onderwaterschip is rood met een groene bies. Het berghout is gelakt. Het hoge voordek is grijs met wit, de lage, houten dekken zijn gelakt. De masten zijn geel met witte masttoppen. De opbouw is groen. De stuurhut is wit en het hout is gelakt. Het dak van de machinekamer is grijs. De schoorsteen is geel met een zwarte rand.
Accessoires: visnet, staken met drijvers, een landvast op het voordek. Het model is met knoppel bevestigd op een plank met sleuvel. Daarop kan een vitrine gemonteerd worden.
AchtergrondinformatieW. Zwolsman ontwierp het type Hermina 7, waarnaar dit model is gebouwd. De Ada is gebouwd op de werf Holland Launch b.v., de werf van Zwolsman. De visserijletters DH staan voor Den Helder, de thuishaven van de viskotter Ada. De viskotter is in Nederland het meest gebruikte motorschip voor de kustvisserij (trawlvisserij, boomkorvisserij en spanvisserij). Op kotters wordt het meest gevist op haring en platvis. In de loop de tijd wordt er steeds meer over het achterschip gevist. Men spreekt dan van een hekkotter. Afhankelijk van de grootte varen op een kotter 4 tot 7 man., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, pp. 16-17
BeschrijvingOpen halfmodel (of nestmodel) van een tjalk. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter. De spanten zijn gemaakt als schotten (mallen). Daar overheen dunne latten die de lijnen van de romp aangeven. Boven het berghout is het model dicht. Naast de romp zijn ook de plaats van de mast en het roer aangegeven. Van het roer ontbreekt een deel van de kop. Het model is geplaatst op een plank. Op de plank een etiket met het nummer 465. Kleuren: Het onderwaterschip is wit. Het berghout is zwart. De roerkop is groen. De plank is blauw. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHoutworm in 1991 behandeld, Het halfmodel is afkomstig uit de collectie van de Koninklijke Marine in het RIjksmuseum te Amsterdam. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., Literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76 (FSM nr. H-398)
- Jaarboek Fries Scheepvaart museum 1983, p. 21
TitelSpeelscheepje van het type Grutte Folle genaamd 'Sindbad II'.
VervaardigerNijdam, Herre
Objectnummer1994-522
Periode van1890
Periode tot1910
BeschrijvingSpeelscheepje van het type Grutte Folle.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast en een boegspriet. De mast is de romp gestoken. De mast wordt gehouden door een voorstag die loop door een oog op de top van de boegspriet en wordt belegd op een klamp op de achterkant van de boegspriet. De boegspriet is vastgezet op het voordek en wordt niet gehouden door een waterstag of een boegwant. De zeilen zijn van witte dacron: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgeknoopt aan een oog op de boegspriet. De fokkeschoot is met een plastig ring vastgezet op een metalen overloop, vlak voor de mast. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel die niet boven de punt van de mast uitsteekt. De gaffel heeft een metalen klauw. Het zeil is aan de gaffel vastgenaaid. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De voorkant van de giek hangt met een zwanehals in een oog aan de mast. De halstalie is aan dit oog vastgeknoopt. De achterkant van de giek hangt met een haak in het zeil. De grootschoot is vastgeknoopt aan een oog in de romp. De vallen van de zeilen zijn vastgeknoopt in ogen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een blauwe zijden vleugel. Op het speelscheepje is één blok verwerkt: voor de klauwval van het grootzeil. Dat blok is niet voorzien van een lopende schijf.
De romp heeft de vorm van een sloep. De voorsteven is recht (verticaal), scherp en wordt naar achter boller van vorm. De spiegel is plat en aan de onderkant accoladevormig. De bodem is voorzien van een vast kiel die aan de onderkant is verzwaard met metaal. Het speelscheepje heeft geen roer.
Het model van voor naar achter. Het model is gladdeks. Van voor naar achter loopt over de boorden een dubbele stootrand. De boegspriet is vastgezet op het voordek. Vlak voor de mast de metalen overloop van de fokkeschoot. De mast staat in een verhoging in het dek. Op het achterdek is alleen het oog van de grootschoot en een knop te zien. Op de spiegel is de scheepsnaam geschilderd: 'SINDBAD II'.
Kleuren: De romp en het dek is wit. De stootranden zijn oranje geschilderd. De rondhouten zijn gelakt. De voet en de top van de mast zijn zwart. De stander is wit.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje Sindbad II werd gemaakt door Herre Nijdam uit Grou voor zijn zoon Sipke Nijdam. Laatstgenoemde was later zeeman. Hij is gebleven op zee. Volgens overlevering was het speelscheepje niet erg snel. Het scheepje behoort tot het type Grutte Folle: het is langer dan 55 cm. (grut) en het is massief (fol)., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingHalfmodel van de brik de Gier. Op spanten gebouwd nestmodel: spanten (of mallen) van eikenhout die gedeeltelijk overdekt zijn met latten van palmhout. Schaal weergeven in Amsterdamse voeten. Rondhouten en tuigage: geen. Alleen de plaats van de twee masten is aangegeven. Deze masten hellen achterover. De romp: Het voorschip is rond en voorsien van een scheg. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Op het voorschip is het achterstuk van de boegspriet weergegeven. Daaronder de scheg. Van de romp zijn de de spanten (mallen) en een deel van scheepshuid aangebracht. Ook het berghout is te zien. Het roer is tamelijk smal. Het geheel is geplaatst op een plank, die aan de onderkant is versierd in ingezaagde halve acooladevormen. In de bovenkant van de plank drie paar ophanggaten. Links van de grote mast een etiket met daarop een schaalverdeling in 'Amsterdamsche Voeten'. Rechts van de grote mast een zwarte ovale naamplaat met daarop in wit geschilderd: '2 / GIER 16 ST / GB 1795'. Rechtsonder is op de plank een etiket geplakt met daarop het nummer '357'. Kleuren: De romp is gelakt, met uitzondering van het onderwaterschip dat wit is. Het berghout en de bovenste huidplank (verschansing) zijn zwart. De onderkant van het roer, de voor- en achtersteven zijn wit. De bovenkant van de scheg is zwart. De plank is ongeverfd. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHet halfmodel is afkomstig uit de Marinecollectie van het Rijksmuseum. Na de opheffing van de Friese Admiraliteit in 1795 werden op de admiraliteitswerf te Harlingen nog vier oorlogsschepen gebouwd. Eén daarvan was de brik de Gier, een oorlogsschip van 18 stukken. De brik werd gebouwd voor rekening van de Bataafsche Republiek. Het werd in het jaar 1797 afgeleverd. Afmetingen: lengte 100 voet, breedte 31 voet, holte 17 1/3 voet. Over de deelname van de brik de Gier aan de oorlog op de Zuiderzee tegen de Engelsen is geschreven in het Sneeker Nieuwsblad van 27 december 1955. De Engelsen wisten de brik in handen te krijgen. Het werd meegenomen naar Engeland en is nooit terug gekeerd. Een brik is een tweemastkoopvaardij- of oorlogsschip dat in de loop van de 18de eeuw ontwikkeld werd en tot in de 19de eeuw bij de meeste zeevarende landen veelvuldig in de vaart bleef. De brik is gegroeid uit de brigantijn. De brigantijn voerde aan de fokkemast vierkant zeilen en aan de grote mast een langsscheeps grootzeil. Later werden aan de grote mast ook een vierkant mars- en bramzeil toegevoerd, zodat eigenlijk beide mast vierkant getuigd waren (alleen het grootzeil aan de grote mast was niet vierkant maar langsscheeps). Op de brik werd die vierkante grootzeil aan de grote mast toegevoegd en bleef het langsscheepse bezaanzeil. Bovendien werden op de boegspriet en tussen de masten stagzeilen toegevoegd. De twee masten waren zoals gewoonlijk in drieën gedeeld: een ondermast, een marssteng en een bramsteng. In de 19de eeuw werd aan de grote mast soms maar één steng gevaren met één of twee ra's. Dit waren de zogenaamd kruisbrikken. Brikken waren snelle en handige schepen die een relatief kleine bemanning vergden. Afmetingen: lengte 25-28 meter, breedte 6.75-8.50 meter, holte 3.50-5 meter., In de voormalige marinearchieven (op film bewaard in het Instituut voor Maritieme Historie) bestaat een tekening waarbij de Gier wordt benoemd als gebouwd voor de Admiraliteit van Amsterdam., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 9 januari 1953, 27 december 1955
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1952
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1965, p. 20
BeschrijvingScheepsmodel van een beurtschip. Blokmodel. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel aan de voorsteven bevestigd. Aan de achterkant is de kluiverboom scharnierend in een metalen stander bevestigd. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen. Op de steven een ijzeren botteloef (in het fries loefbyter) met vorkverbinding en een metalen waterstag. De mast wordt gehouden door twee voorstagen (één op de kluiver en één op de botteloef), en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers vastgezet op het boeisel. Het model is volledig getuigd, echter niet voorzien van zeilen. Aan de verstaging, de vallen en de schoten is echter wel te zien welke zeilen er op gevoerd kunnen worden: een kluiver, een stagfok een een grootzeil (met gebogen gaffel en giek). De kluiver kan worden uitgezet met een traveller. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Van de schoten is alleen die van het grootzeil aangebracht. Deze grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in de bollestal (verlaagd achterdek). Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Op het voorboeisel ligt een stokanker. Het ankerketting loopt door een kluisgat, over de braadspil door een gat in het dek naar het vooronder. Op het voordek: de braadspil, de kluiverboomstander en aan weerszijden twee bolders, waarvan de koppen zijn overdekt met koperplaat. Voor de mast het luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Het luik verschaft ook de toegang tot het voorruim. Net voor de mast loopt, over het luik, de gebogen overloop van de fokkeschoot. De uiteinden van de overloop zijn bevestigd aan de binnenkanten van de boeisels. In het staande want is aan bakboord een geleider met lijn voor het hijsen van lantaarns of seinvlaggen gemaakt. De zwaarden hebben een verdikte kop, die versierd zijn met een ster rond het boutgat. De zwaarden zijn rondom met metaal beslagen. De zwaardloper gaat door twee schildpadblokken (buitenkant en bovenkant oftewel potdeksel van het boeisel) en zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door twee enkelschijfs blokken en die zijn belegd op de achterbolders. Achter de mast het ruim dat in een vloeiende lijn overgaat in de kajuit. Twee openslaande deuren in de achterwand verschaffen toegang tot de kajuit. Tussen kajuit en boeisels gangboorden, die doorlopen tot het achterhuis. Aangezien het achterschip een bollestal (verlaagd dek) heeft, zijn de gangboorden achter de kajuit afgeschermd met schotten die moeten voorkomen dat water van de gangboorden in de lager gelegen bollestal loopt. Over de rand van deze schotten en over de rand van de stuurbalk van het achterhuis metaalbeslag. In het achterhuis geen deur. De helmstok is van metaal en heeft een houten handgreep. De roerkop is naar achter toe oplopend, hoekig van vorm en onversierd. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is rood. Het berghout en de bovenkanten van de boeisels zijn zwart. Het houtwerk binnen de boeisels (dekken, roef, rondhouten, etc) is grotendeels gelakt. Alleen de kop van het roer is zwart geschilderd, evenals de top van de mast. De hanepoten en de trommelstok zijn wit. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieZeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
TitelScheepsmodel van het linieschip De Friesland.
VervaardigerDelden, K.J. van
Trefwoordenlinieschepen, oorlogsschepen
Objectnummer1994-003
Periode van1975
Periode tot1985
BeschrijvingScheepsmodel van het linieschip de Friesland. Op spanten gebouwd. Schaal 1:75.
Rondhouten en tuigage: Het linieschip heeft drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. Uit het galjoen steekt een boegspriet schuin omhoog. De fokkemast en en hoofdmast bestaan uit drie delen: een mast, een marssteng en een bramsteng. De bezaanmast betaat ui twee delen: een mast en een marssteng. Masten en stengen worden gehouden door voorstagen en staande (stenge) wanten (hoofdtouwen met weeflijnen). De fokkemast en den grote mast zijn voorzien van drie ra's. De bezaanmast heeft een schuine bezaangaffel en twee ra's daarboven. Aan de boegspriet hangt een ra voor een blinde. Op alledrie masten en op de boegspriet zijn marsen gemaakt. Het schip is niet voorzien van zeilen. Wel zijn alle stagen, wanten, vallen en schoten aangebracht. In de top van de voorste twee masten wordt een zwaluwstaartvormige wimpel (rood-wit-blauw) gevoerd. In de bezaanmast hangt een lange rood-wit-blauwe vleugel. Op het achterschip een vlaggemast met daarin een blauwe vlag met goudkleurige opdruk (twee lopende leeuwen, omgeven door negen kronen).
De romp: Het voorschip is rond en voorzien van een open galjoen. Het achterschip is rond en voorzien van een platte spiegel met uitbouw aan de boorden. De bodem is rond.
Het model van voor naar achter: Het schip heeft 72 stukken. Op de versierde spiegel een wapen: in vieren gedeeld: twee velden met een leeuw, een veld met de kleuren rood-wit-blauw en een veld met het wapen van Amsterdam. Om het wapen het devies 'Honi soit qui mal y pense'. Op de stander: 'Friesland 1663'. De ornamenten en veel andere detailleringen zijn van gegoten metaal.
Kleuren: De romp is okerkleurig met bruine berghouten en sierranden. Het galjoen is bruin. De opbouw langs de boorden is groen. De spiegel is groen met goudkleurig 'snijwerk' en rode accenten.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet model is vervaardigd uit een pakket van de Italiaanse firma Mamoli.
De Friesland werd ook wel Groot Frisia of Frisia genoemd. Het is gebouwd in 1665 op de admiraliteitswerf te Harlingen. In 1666 werd de Friesland het vlaggenschip van Tjerk Hiddes de Vries, met 340 matrozen en 55 soldaten. Onder M.A. de Ruyter deelgenomen aan de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) tegen Engeland (24 dodoen, 15 gewonden). In augustus van dat jaar de Tweedaagse Zeeslag. Bij deze slag raakte Tjerk Hiddes dodelijk gewond. Hans Willem baron van Aylva werd de nieuwe luitenant-adnmiraal. Onder M.A. de Ruyter deelgenomen aan de tocht naar Chattam. In 1692 werd Hidde Sjoerds de Vries (neef van Tjerk Hiddes) de nieuwe kapitein.
Een linieschip is een groot oorlogsschip dat voldoende weerstandsvermogen had om in kiellinie (achter elkaar) de zeeslag in te gaan. Deze kiellinie raakte rond 1650 in zwang. Linieschepen vormden de kern van de vloot. Ze waren gebouwd op weerstand en niet op snelheid. Ze waren volledig getuigd met drie (soms vier) masten. Ze voerden tussen de 50 en 110 stukken geschut, opgesteld op twee (soms drie) dekken. Dood de ondiepten voor de Nederlandse kust waren de Nederlandse linieschepen vaak kleiner dan de Engelse. Soms werden oude Oostindiëvaarders omgebouwd tot linieschip. Dat voldeed echter niet. In de loop der tijd werd het linieschip groter. Deze ruimte werd niet gebruikt voor meer kanonnen maar voor vergroting van het kaliber van de kanonnen. In navolging van Engeland werd ook in Nederland de platte spiegel van het linieschip vervangen door een ronde spiegel (eind 17de eeuw). Ook verminderde de zeeg en de hoogte van de achteropbouw. Door de komst van de stoomschepen verdween het houten linieschip in de tweede helft van de 19de eeuw. Ze werden vervangen door pantserschepen en later door slagschepen., literatuur:
- C.W.J. Schaap 'De admiraliteit van Friesland - haar vlagofficieren en schepen' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum, pp. 50-77.
BeschrijvingPalmhouten scheepsmodel van een brik. Blokmodel. Schaal niet bekend: Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een boegspriet en twee masten. De boegspriet en het daar op liggende kluifhout hangen in de voorstagen van de fokkemast. Aan de onderkant wordt het kluifhout gehouden door twee waterstagen, die worden geleid via een stampstok (naar beneden wijzende stok, ook wel Spaanse ruiter genoemd), en zijn vastgezet op de voorsteven. Ook loopt van de top van het kluifhout naar het berghout een boegwant van twee hoofdtouwen. De twee masten: een fokkemast en een grote mast. Beide masten zijn opgebouwd uit drie delen: een mast, een marssteng en een bramsteng. De verbinding tussen mast en marssteng wordt op beide masten gemaakt door een mars en een door een inkerving gesuggereerd ezelshoofd. De verbinding tussen marssteng en bramsteng wordt gemaakt door een ezelshoofd (blok met zaling) en een door een inkerving gesuggereerd ezelshoofd. De verstaging is ook gelijk: De fokkemast en de grote mast worden gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De marsstengen worden gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen op de mars en door een lopend want (bakstag). De bramstengen worden gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen op de zalingen en door een lopend want (bakstag). De staande en lopende wanten zijn zonder rusten (horizontale balken op de buitenkant van het boeisel) met nagels vastgezet op de romp (net onder het berghout). De masten en stengen worden ook gehouden door voorstagen. De fokkemast, de fokkemarssteng en de fokkebramsteng worden gehouden door voorstagen op de voorsteven, boegspriet en het kluifhout. De grote mast, de grote marssteng en de grote bramsteng worden gehouden door voorstagen op het voordek en aan de mars en zalingen van de fokkemast. Het model is niet uitgerust met zeilen. Aan de rondhouten, vallen en schoten is echter af te leiden welke zeilen er op het schip gevoerd kunnen worden: een jager, een buitenkluiver en een binnenkluiver tussen boegspriet en fokkemast. Aan de fokkemast vier ra's waaraan een fok, een fokkemarszeil en een fokkebramzeil passen. Aan de grote mast eveneens vier ra's waaraan een grootzeil, een grootmarszeil en een grootbramzeil gevoerd kunnen worden. Aan de grote mast is ook een gaffel gemaakt voor een langsscheeps bezaanzeil. De ra's zijn vastgeknoopt aan de masten. Ze zijn dus niet voorzien van echte vallen. De gaffel is voorzien van geerden (gebruikt om de gaffel in toom te houden), vastgezet op het achterboeisel. De schoten zijn wel (gedeeltelijk) aangebracht. Zij kruisen elkaar: de schoten van de razeilen aan de fokkemast lopen via blokken aan de achtermast en de schoten van de razeilen aan de grote mast lopen via blokken aan de fokkemast. De schoten van de kluivers en van het bezaanzeil zijn niet aangebracht en ook de boelijnen ontbreken. In de top van de achterste mast een rood-wit-blauwe vlag (ingekleurd met verf). Rode kralen doen dienst als blokken. De romp: Het voorschip is scherp, een clippersteven. Het achterschip is van boven rond en van onderen scherp en geveegd. De bodem is buikig en voorzien van een kiel. Het model van voor naar achter. Het voordek is verhoogd. Op het voordek de kraanbalken (gebruikt bij het ankeren) die samen een V-vorm maken. In de punt van deze V-vorm een klos, waarin de voorstag van de grote mast is vastgemaakt. Op het lagere hoofddek de fokkemast en een dekhuis. Het dekhuis is aan de voorkant open. Aan de zijkanten zijn er drie patrijspoorten in gemaakt. Door het dak van het dekhuis steekt de grote mast. Kleuren: Al het houtwerk is gelakt. Accessoires: stander met grondplaat.
AchtergrondinformatieHet model is afkomstig uit de familie Metzelaer te Harlingen. Vererving: Tsjerk Pieters Metzelaer (geboren Harlingen 1797, koopman) en Sibbeltje Sybrens de Vries. Hun zoon Klaas Tjerks Metzelaer (geboren Harlingen 12 feb. 1839), gestorven Harlingen 30 jan 1907), manufacturenwinkelier (Harlinger Courant 12 april 1865, advertentie) trouwde op 30 maart 1865 met Hylkje van Slooten (geboren Harlingen 24 feb 1841, gestorven aldaar op 15 maart 1929). Zij kregen een zoon Tsjerk Klaas Metzelaer op 1866 (Harlingen). Deze trouwde met Laurina Stout. Het zijn de ouders van de schenkster. Oorspronkelijk heeft het model waarschijnlijk onder een stolp gestaan. Een brik is een tweemastkoopvaardij- of oorlogsschip dat in de loop van de 18de eeuw ontwikkeld werd en tot in de 19de eeuw bij de meeste zeevarende landen veelvuldig in de vaart bleef. De brik is gegroeid uit de brigantijn. De brigatijn voerde aan de fokkemast vierkant zeilen en aan de grote mast een langsscheeps grootzeil. Later werden aan de grote mast ook een vierkant mars- en bramzeil toegevoerd, zodat eigenlijk beide mast vierkant getuigd waren (alleen het grootzeil aan de grote mast was niet vierkant maar langsscheeps). Op de brik werd die vierkante grootzeil aan de grote mast toegevoegd en bleef het langsscheepse bezaanzeil. Bovendien werden op de boegspriet en tussen de masten stagzeilen toegevoegd. De twee masten waren zoals gewoonlijk in drieën gedeeld: een ondermast, een marssteng en een bramsteng. In de 19de eeuw werd aan de grote mast soms maar één steng gevaren met één of twee ra's. Dit waren de zogenaamd kruisbrikken. Brikken waren snelle en handige schepen die een relatief kleine bemanning vergden. Afmetingen: lengte 25-28 meter, breedte 6.75-8.50 meter, holte 3.50-5 meter.
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een lark. Uitgehold en bedekt blokmodel.
Rondhouten en tuigage: De mast en de giek zijn van bamboe. De gaffel is van gebogen triplex. De mast is in de romp gestoken. De mast wordt gehouden door een voorstag (vastgezet op een oog in de voorsteven) en door twee zijstagen (vastgezet op ogen in de boorden van het scheepje). Het zeil is van witte katoen. Het heeft de vorm van een cattuig: een korte mast met een daar bovenuit stekende gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast en de gaffel. Het onderlijk is vastgenaaid aan de giek. Over de gehele breedte van het zeil (van achterlijk naar voorlijk) zijn zeven zeillatten ingenaaid. Met rode wol is het zeilteken ingeborduurd: de letter L. De grootschoot is bevestigd aan een metalen oog in de romp. Op het speelscheepje worden geen vlaggen of windvanen gevoerd.
De romp: Het voorschip is overhangend en rond. Het achterschip is voorzien van een platte rechte spiegel. De bodem is plat en voorzien van een kiel die is gemaakt uit dubbele zinkplaat die aan de bovenkant is opgebogen tot een T-vorm, die is vastgespijkerd aan de romp.
Het model van voor naar achter: De romp is geheel bedekt met een plaat triplex. Op het dek zijn alleen de nodige bevestigingspunten voor de stagen en de schoot gemaakt. Op de achterspiegel is de scheepsnaam geschilderd: 'AUKJE'. Het speelscheepje is niet voorzien van een roer.
Kleuren: De romp is wit geschilderd: bovenwater, onderwater, kiel en dek. Ook de stander is wit. De rondhouten zijn ongeverfd.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje werd rond 1935 gebouwd door Geert de Haan voor de familie Stoelinga te Sneek., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., De eerste lark voer waarschijnlijk te Loosdrecht. Jachtwerf Beekhuis aldaar bouwde larken, maar was niet de ontwerper ervan. Het ontwerp is waarschijnlijk rond 1905 in Amerika gemaakt. A. van Gool uit Hommerts was de eerste die de lark in Friesland introduceerde. In 1927 deden er voor het eerst larken mee aan de Sneekweek. Het werd een populaire klasse van de NNWB. Het was een beperkte klasse: lengte ten hoogste 4 meter, cattuig van ten hoogste 11 m², etc. Na de Tweede Wereldoorlog is de klasse nooit meer zo populair geweest als daarvoor. Een lark is een boot, waarbij de kielbalk niet overgaat in een verticaal staande voorsteven maar in een horizontale voorsteven. Van boven, in vogelvlucht gezien, vormen kielbalk en voorsteven een T. Een lark is behoudens de kuipopeningen geheel bedekt. Het cattuig van de lark kenmerkt zich door een kleine mast met een hoge giek. Aanvankelijk waren de zeilen voorzien van een recht achterlijk. Romke de Vries uit Sneek ontwierp voor de Lark 51 van G. de Boer een zeil met katterug en met 7 tot 11 doorlopende zeillatten (vleermuistuig)., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De lark' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 43-48.
- J. van Vollenhoven, wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 32
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van een G.W.S. schouw. Gemaakt van balsahout. Op spanten gebouwd. Schaal 1:5. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries loefbyter) op de voorsteven. De voorstag loopt door een blok op de metalen botteloef en is belegd op een houten klamp op het voorschip. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte dacron: een stagfok een een sprietzeil. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorschag. De hals van de fok is met een ketting bevestigd aan de botteloef. Het fokkeschoot loopt aan bakboord via een schoot oog aan de binnenkant van het boeisel naar achter en is daar beelgd op een klamp in het achterschip. De losse fokkeschoot (stuurboord) loopt door een schootoog en ligt los in het achterschip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De bovenpunt van het achterlijk is gehaakt in de vorkvorm aan de bovenkant van de spriet. Aan de onderkant is de spriet gehangen in een lus die is gehangen aan een hanekam aan de voorkant van de mast. De hals van het grootzeil is met een halstalie vastgezet aan de voet van de mast. De onderkant van het achterlijk is met een lus vastgezet op een hanekam aan de onderkant van de giek. De grootschoot loopt over twee enkelschijfs blokken en is belegd op de onderste van de twee (een hakkeblok). In het zeil is aan twee kanten het zeilnummer ingenaaid: '51'. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel met een koperen scheerhout. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De schouw heeft een platte, schuine voorsteven, die is voorzien van een scheg. Het achterschip is plat. Het vlak is plat en in de lengterichting gebogen. Het mode van voor naar achter: Op het voorschip een doft (kastje in het voorschip). Het luik daarvan ontbreekt. Op de bovenkant van de doft een houten klamp waarop de voorstag is belegd. Over de bovenkant van de doft een geschulpte plank. De boeisels zijn versierd met twee ingekerfde biezen. Net voor de zwaarden zijn op de boeisels de naamborden aangebracht met daarop 'GEJA'. De buikdenning is in het voorschip in twee nivo's gelegd. De mast staat in de messelbank en wordt geborgd door een metalen beugel. Aan de achterkant van de messelbank twee houten klampen. De zwaarden hangen aan de boorden. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De boutgaten zijn versierd met metalen stervormen. Langs de onderkant van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar voren, gaan via een blok bovenop het boeisel naar binnen en zijn daar met knopen gehaakt achter een sleufklamp. Het achterschip is bekleed met buikdenningen. Het hakkeblok van de grootschoot is belegd op een bolder. Voor de achterbank is een verhoogde flonder gemaakt. Van de achterbank is een gedeelte als luik afneembaar. Over de spiegel een geschulpte plank. Aan de achtersteven is met twee roerhaken het roer opgehangen. De kop van het roer is versierd met diagonale strepen. De verdikking waarop het helmhout rust is versierd met prinswerk. Het helmhout is geborgd met een pen, maar is in de hoogte nog wel te verschuiven. Kleuren: De romp is groen. Het onderwatership is bruin. De boeisels zijn zwart met een witte bies. De binnenkanten van de boeisels zijn zwart. De binnenkanten van de boorden zijn grijs. De buikdenningen, de banken en de rondhouten zijn gelakt. De zwaarden zijn gelakt, de zwaardkoppen zijn zwart met een witte sierster. Het snijwerk in de kop van het roer is gevuld met wit. De steun van het helmhout is geschilderd in prinswerk (rode, witte en blauwe driehoeken). De veer van de bovenste roerhaak van het roer is wit. Accessoires: uitzetter met metalen gaffelklauw.
AchtergrondinformatieDe schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling. De Kleine Schouw is 4.75 meter lang, geheel open en voert meestal een spriettuig (spriet en giek) en een stagfok op een botteloef. De Middenschouw is 5.50 meter lang en heeft een bezaantuig. De Grote Schouw is 6 meter lang en voert eveneens een bezaantuig. Soms is de grote schouw uitgerust met een kajuit. De GWS-schouw heeft een stalen onderbouw en een houten boeisel. Het voert een spriettuig. De lengte is 5 meter (gangbare handelsmaat voor staal). De afkorting GWS verwijst naar de Grouwster Watersport Vereniging die de bouw van dit type in de vroege jaren dertig entameerde en ook wedstrijden voor deze schouwen organiseerde. De G.W.S. schouw met zeilnummer 51 komt in de naamlijsten van deelnemers aan Friese zeilwedstrijden niet voor., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 21
BeschrijvingScheepsmodel van een kajuitzeiljacht van het type Dompkruiser. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een koperen voorstag op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door twee koperen zijstagen. De bovenste zijstag loopt van de top van de mast via een zaling naar beneden. De onderste zijstag gaat van de zalingkruising naar beneden. Aan de achterkant wordt de mast gehouden door een koperen achterstag. Aan de onderkant splitst de achterstag zich in tweeën. De twee einden van de achterstag zijn vastgezet op de punten van de spiegel. De zeilen zijn van witte dacron: een stagfok en een grootzeil in bermudavorm (torenzeil). Het voorlijk van de fok is los. De hals van de fok is met een lijn vastgezet op de voorsteven. Aan de schoothoek van de fok zijn tweeblokken (zusterblokken) gemaakt. Daardoor lopen de fokkeschoten. Met het vaste eind zijn de fokkeschoten vastgemaakt aan de onderkanten van de zijstagen. Dan lopen de schoten door de blokken aan de fok en vervolgens door een blok in het gangboord. De fokkeschoten zijn belegd op op kalmpen op de kuipranden. De fokkeschoten zijn aan stuurboord strak getrokken en aan badboord gevierd. Voor het grootzeil is achter de mast een metalen draad gespannen. Met metalen leuvers is daar het voorlijk van het grootzeil aan vastgezet. De onderkant van het zeil is vastgezet aan de giek. De giek rust aan de voorkant met een zwanehals in een oog aan de mast. Aan de achterkant van de giek ontbreekt de kraanlijn. De grootschoot loopt door twee blokken op het achterdek, door twee blokken aan de achterkant van de giek (een driehoekstalie), door een blok boven de kuip en is belegd op een oog in de bodem van de kuip. In het grootzeil een zeilteken 'DK / 500'. De vallen van de beide zeilen zijn vastgezet aan ogen in de voet van de mast. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn kunststof en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft een lepelvormige boeg. Het achterschip heeft een platte, schuine spiegel met afgeronde hoeken. In dwarsdoorsnede heeft de romp een knikspantvorm. De bodem is voorzien van een kiel met aangehangen roerblad. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is een preekstoel (puntige reling) gemaakt. Op de punt van de steven de bevestiging van de voorstag en de fokkehals. Langs de randen van de boorden een waterlijst. Daarop ligt een metalen stang die scharniert in ogen bij de stagen. Deze stang fungeert als hefboom bij het strijken van de mast. Op het voordek een metalen bolder met opgerolde landvast. De kajuit heeft dekken in twee nivo's. Het lage gedeelte (voor) heeft in de voorwand geen ramen en in de zijwanden aan weerszijden twee ramen. In het dak van het lage gedeelte is een vluchtluik gemaakt. Erachter de mastkoker. In het hoge deel van de kajuit zijn aan weerszijden grote ramen gemaakt. In de achterwand van de kajuit dubbele deuren met erboven een schuifluik. De wanden van de kajuit lopen als kuipranden door naar achter. In de kuip zijn langs de zijwanden kistbanken gemaakt. Op het achterschip steekt de spil van het roer uit het dek. Daaraan is een houten helmhout gemaakt. Op het achterschip twee metalen bolders met daaraan één opgerolde landvast. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is rood. De dekken en gangboorden zijn wit met gelakte waterlijst. De wanden van de kajuit zijn gelakt. De dekken op de kajuit zijn wit. Het houtwerk in de kuip is gelakt. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieDompkruisers werden in de jaren zestig gebouwd op Abma's Jachtwerf De Domp te Sneek.
BeschrijvingScheepsmodel (speelscheepje) van een Engelse viskotter of bawley. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft een boegspriet en één mast. De boegspriet is vastgezet op de scheg en het voordek. De voorpunt van de boegspriet wordt gehouden door een met twee blokken getakelde waterstag (onder) en door een boegwant van aan weerszijden één hoofdtouw. Deze hoofdtouwen zijn met twee blokken aan de buitenkant van het boeisel getakeld, lopen vervolgens door een gat in het voorboeisel en zijn vastgezet op klampen op het voordek. Het model heeft één mast. Op de mast is een grote steng geplaatst. De mast wordt gehouden door een voorstagen op de voorsteven, door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders) en door een lopend want (bakstag). De steng wordt gehouden door een voorstag op de boegspriet. De staande en lopende wanten zijn met puttingijzers aan het boeisel bevestigd. De steng is met twee metalen ezelshoofden aan de mast bevestigd. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok, een gaffelgrootzeil en een gaffeltopzeil. De kluiver wordt met een traveller over de boegspriet uitgezet. De kluiverschoot is belegd op een klamp op het voordek. De hals van de stagfok is met een ketting vastgezet op de voorsteven. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op een metalen overloop, net voor de mast. In de fok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. Het voorlijk is raktouwen met rakkralen bevestigd aan de mast. De halstalie is vastgezet op de nagelbank aan de onderkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is alleen met de achterpunt aan de giek bevestigd. In het grootzeil is een dubbele rij reeftouwen gemaakt. De grootschoot is bevestigd aan een beugel aan de giek, is getakels door twee blokken en is belegd op een hakkeblok dat is gehaakt in een oog in het achterdek. Het topzeil is voorziel van een rechte gaffel. Aan een blok in het midden van deze gaffel wordt het topzeil gehesen. De voorste onderpunt wordt met een touw vastgezet op de nagelbank aan de onderkant van de mast. De onderpunt aan de achterkant is vastgehaakt in de gaffel van het grootzeil. De vallen van alle zeilen zijn belegd op de nagelbank. In de top van de steng is aan een vlaggelijn een rood-wit-blauwe wimpel aan een stok gehesen. De vlaggelijn is vastgezet op een korvijnagel in de nagelbank van het staande want aan bakboord. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: De voorsteven is scherp en recht. De achtersteven is vallend en voorzien van een schuine, platte speigel. De boven is rond en voorzein van een kiel.
Het model van voor naar achter: In het voordek is een luik gemaakt. Het voordek is gescheurd. Tegen het boeisel van het voorschip zijn aan weerszijden houten bolders gemaakt. In het midden van het voordek een luik. Voor de mast de metalen overloop van de fokkeschoot. Aan de voet van de mast de nagelbank, waarop de vallen van de zeilen zijn belegd. Achter de mast twee watervaten op standers en een luikhoofd dat is bedekt met een trogvormig luik. Op het achterschip een kwartronde opbouw die toegang verschaft tot het onderdekse verblijf. Op het achterdek steekt de houten roerspil uit het dek. Deze is voorzien van een gebogen, metalen helmhout. Tegen het boeisel zijn op het achterschip aan weerszijden twee houten bolders gemaakt. Rondom de romp loopt een berghout. De kiel is aan de onderkant verzwaard met een strip lood.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen geschilderd, net als de stander. Het dek is gelakt, evenals de luiken, bolders en rondhouten. Er zijn alleen enige accenten geschilderd: de koppen van de bolders zijn zwart, de watervaten zijn gedeeltelijk rood en de top van de steng is wit.
Accessoires: stander, twee watervaten.
AchtergrondinformatieHet model is gemaakt door Symen Kaspersma uit Heeg, schipper op een palingaak. Hij noemde het een Engelse balieman. Op de palingaken heeft hij gevaren van Heeg op Londen. In de Theems en de mondig van de Medway werd gevist met zogenaamde schepen van het type Bawley's, en dat zal het door Kaspersma bedoelde scheepstype zijn. Met bawley's werd gevist op witvis, sprot, wulk en garnaal. De oude bawley's waren overnaads gebouwd en waren voorzien van een bun voor de garnalen. De latere bawley's waren gladboordig en geheel bedekt. Ze hadden een rechte voorsteven en een vallende achtersteven met een kleine spiegel. Bawley's waren getuigd als een kotter: gaffelzeil, topzeil, stagfok en kluiver. De afmetingen van een bawley: lengte 6,25 - 10,50 meter, breedte 2,25 - 3,10 meter. Het feit dat de kiel is verzwaard met lood duidt erop dat het model ook is gebruikt als speelscheepje., De tuigage en de zeilen zijn in 1983 nieuw gemaakt door de concierges Pieter Alkema en Romke Poelstra: zeil, fok, kleuiver en topzeil, 44 blokken, 10 puttings, mast, steng, giek, kluiverboom, gaffels, etc. In 1993 kwam er een aanvulling: de bij de balieman behorende sloep en een blok: 1993-120 en 1993-121., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Het model van de balieman zal waarschijnlijk niet voor wedstrijden zijn gebruikt., literatuur:
- John Leather, Gaff Rig (Londen, 1970) pp. 84-91.
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een zeilschouw. Op spanten gebouwd.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast rust in een mastkoker in de messelbank. De mast wordt gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries loefbyter) op de voorsteven. De zeilen zijn van witte (verkleurde) katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgezet op de botteloef. De fokkeschoot is vastgeknoopt aan de metalen overloop op de messelbank. Het grootzeil is voorzien van een kromme gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. Aan de onderkant is het grootzeil aan een giek bevestigd. De voorkant van de giek hangt met een zwanehals in een oog aan de mast. De halstalie is om de giek geknoopt. De grootschoot is met een ring vastgezet op een metalen overloop in het achterschip. De vallen van de zeilen zijn belegd op schroeven aan de voet van de mast. Op het speelscheepje worden geen vlaggen of vleugels gevoerd. Bij de tuigage is geen gebruik gemaakt van blokken.
De romp: De romp heeft de vorm van een schouw: platte en schuingeplaatste voor- en achtersteven. De bodem is plat en voorzien van een kiel. Aan de achterkant van de kiel is het roer opgehangen.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een botteloef, die wordt gesteund door een houten klos. In het voorschip ontbreken de buikdenningen gedeeltelijk. De mast is geplaatst in een mastkoker in de messelbank. Voor de mast loopt over de messelbank de metalen overloop van de fokkeschoot. In het achterschip zijn langs de zijboorden en de achtersteven vaste banken gemaakt. De zwaarden zijn ovaal van vorm. Ze zijn opgehangen met moeren en bouten. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De zwaardlopers gaan door een gat in het boord naar binnen en zijn daar vastgeknoopt op nagels in een spant. Voor de achterbank is in het achterschip een metalen overloop voor de grootschoot gemaakt. Het roer is met twee roerhaken opgehangen aan de achterkant van de kiel. Het roer is voorzien van een afneembaar helmhout.
Kleuren: De romp is donkergroen. Het berghout is bruin. De zwaarden zijn donkergroen en de zwaardenkoppen bruin. Het roer is donkergroen. De kop van het roer en het helmhout zijn bruin. De botteloef is bruin. De binnenkant van de boorden, de buikdenningen en de banken zijn lichtgroen. De rondhouten zijn bruin, evenals de stander.
Accessoires: stander en een zakje met lossen blokken.
AchtergrondinformatieDe tuigage en de zeilen zijn niet meer origineel. Het oorspronkelijke tuig had blokken. Deze blokken zijn bij het model gebleven voor een eventuele latere reconstructie. Het model is afkomstig van Ate Kooistra te Leeuwarden, die het scheepje rond 1935/1940 gaf aan zijn achterkleinzoon Ate Y. Reitsma te Leeuwarden (de schenker). Kooistra was toen al lange tijd in het bezit van het model., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., De schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindig boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling. De Kleine Schouw is 4.75 meter lang, geheel open en voert meestal een spriettuig (spriet en giek) en een stagfok op een botteloef. De Middenschouw is 5.50 meter lang en heeft een bezaantuig. De Grote Schouw is 6 meter lang en voert eveneens een bezaantuig. Soms is de grote schouw uitgererust met een kajuit. De GWS-schouw heeft een stalen onderbouw en een houten boeisel. Het voert een spriettuig. De lengte is 5 meter (gangbare handelsmaat voor staal). De afkorting GWS verwijst naar de Grouwster Watersport Vereniging die de bouw van dit type in de vroege jaren dertig entameerde en ook wedstrijden voor deze schouwen organiseerde., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepmodel van de kustvaarder Tower Helen uit Londen. Blokmodel. Schaal 1:50. Rondhouten en tuigage: geen (twee lantaarnmasten) De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is plat en geveegd. De bodem is plat. Midscheeps zijn stabilisatoren aangebracht. Het model van voor naar achter: Uit de kluisgaten hangen twee ankers. Op het voorschip is aan weerszijden de naam 'Tower Helen' geschilderd. Op het verhoogde voordek een dubbele ankerlier, vier dubbele bolders, schoorstenen, een luik en een haspel. Voorts op het voordek een seinmast met daarin een vlag (verkleurd), een scheepsbel en boordlichten. De mast wordt aan weerszijden gehouden door twee zijstagen. Het ruim wordt overdekt door luiken. Op het achterschip de brug met daaronder de verblijven. Op het achterdek een sloep in davits, twee opblaasbare reddingboten, twee haspels, vier dubbele bolders en twee lantaarns. Voorts op het achterdek een seinmast met daarin de boordlichten en een Britse vlag. De seinmast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door twee zijstagen (enkele stagen zijn afgebroken). Tussen de twee seinmasten een antennedraad. Op het dak van de brug een radarantenne en een kompas. Op de schoorsteen een embleem: een toren met kantelen. Hetzelfde embleem is te zien op de punt van de boeg (een witee toren in een blauw wapenschild met rode rand. Op het achterschip: 'Tower Helen / London'. Kleuren: De romp is grijs en groen, het onderwaterschip rood en het het boeisel van het voor- en achterschip wit. De dekken zijn groen. Het luikhoofd en de luiken van het ruim zijn bruin. De masten en lieren zijn geel. De schoorsteen is blauw. De haspels en bolders zijn zwart. Enkele metalen delen roesten. Accessoires: het model heeft een vaste stander, direct gemonteerd aan het vlak van het schip. Het metaal roest op sommige plekken.
AchtergrondinformatieDe kustvaarder Tower Helen uit Londen werd in 1971 gebouwd op scheepswerf Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F-44). Opdrachtgever: Tower Shipping. Afmetingen: lengte 47,74 meter, breedte 8.70 meter, holte 3.45 meter, gewicht 645 meterton, laadcapaciteit 600 ton. De kustvaarder werd bij Lloyds register ingedeeld in klasse 100 A 1. De motor is van het merk Rolls Royce, 420 paardekracht, 1800 toeren met een reductie van 5:1. Er zijn verblijven aan boord voor 4 man personeel. Snelheid (geladen): 10.5 knopen. Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschrijvingSpeelscheepje. Blokmodel.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast en een boegspriet. De mast rust in een mastkoker en wordt aan de bovenkant gehouden door een metalen voorstag op de boegspriet en aan weerszijen door een metalen zijstag. De boegspriet is vastgemaakt op de romp en wordt alleen door de voorstag gehouden (niet door een waterstag of een boegwant). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. De stof is door vocht gevlekt. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers vastgemaakt aan de voorstag. De hals van de fok is los. De fokkeschoten lopen door een oog op het dek en zijn daar belegd op een metalen klamp. Het grootzeil is voorzien van een licht gekromde gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De halstalie is rond de mastvoet geknoopt. De voorkant van de giek is met een bout door twee ogen (één in de giek en één in de mast) vastgemaakt. De giek is voorzien van koperbeslag. De grootschoot loopt door een ring op een metalen overloop op het achterschip en is belegd op een metalen klamp op het achterdek. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op het speelscheepje worden geen vlaggen of vleugels gevoerd. Bij de tuigage van het speelscheepje is geen gebruik gemaakt van blokken.
De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De bodem is rond en is voorzien van een achterwaart gerichte kiel, die aan de onderkant is verzwaard met metaal. Aan de achtersteven is een roer gehangen.
Het model van voornaar achter: Op de voorsteven een soort scheg. Over de buitenkant van de boorden loopten een stabiliseringslat. Ook over het dek loopt een dergelijke langsscheepse lat. Het model is gladdeks (een plaats triplex, vastgenageld in de noorden). Aan de voet van de mast een nagelbank. Op het achterdek twee metalen klampen voor de fokkeschoten en een metalen klamp voor de grootschoot. Op het achterschip de metalen overloop van de grootschoot. Het roer is met twee roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het roer is voorzien van een afneembaar helmhout. Kleuren: De romp is wit, het onderwaterschip is groen. Het dek is gelakt, evenals de rondhouten en het roer. De stander is ongeverfd.
Accessoires: stander
AchtergrondinformatieDe schenker Dries Kuperus maakte het speelscheepje in de jaren vijftig op een jeugdclub in Amsterdam. De basis was een klomp, die met triplex werd bedekt., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van een Friese zeilschouw. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een messelbank. De bovenkant van de mast wordt gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries: 'loefbyter'). De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een sprietzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuver vastgezet aan de voorstag. De hals is met een ketting bevestigd aan de botteloef. De fokkeschoten lopen door metalen schootogen op spanten. De fokkeschoot aan stuurboord is belegd op een houten klamp op een spant aan stuurboord. De fok is voorzien van een enkele rij reeftouwen. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is vastgezet met een touw dat loopt door een metalen haak aan de voet van de mast en kan worden strakgezet met een een spanhout. De spriet hangt in een touwlus aan de mast. Het boveneind van de spriet is voorzien van een metalen vorkvorm. Die is gestoken door een metalen oog in de bovenkant van het achterlijk van het grootzeil. De onderkant van het achterlijk van het grootzeil is vastgehaakt aan de achterkant van de giek. De giek hangt aan de achterkant in een kraanlijn. Aan de voorkant hangt de giek met een zwanehals in een oog aan de mast. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een enkelschijfs hakkeblok op de bodem van de boot. De schoot is belegd op het hakkelblok. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op enkeltenige klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is plat en loopt schuin omhoog. Het achterschip heeft een schuine spiegel. De bodem is vlak en loopt naar voren en achteren omhoog. Het model van voor naar achter: De botteloef is aan de achterkant bevestigd op het metaalbeslag van de voorsteven. De boeisels zijn versierd met twee ingesneden biezen. De voor- en achterkanten van de boeisels zijn bovendien versierd met een ingezaagde tong vorm (gillings) met daaronder gesneden voluten met bladertakken. De boot is open. Dat betekent dat in het voor- en achterschip de spanten zijn te zien. De bodem is bedekt met buikdenningen. De messelbank rust op twee spanten en wordt aan de bovenkant verstevigd met kniestukken. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. Aan de binnenkant van de boeisels zijn daarvoor als versteviging metaalstrippen aangebracht. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De boutgaten zijn versierd met stervormige versieringen. Langs de randen van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een gat in het boeisel naar binnen en zijn (ongetakeld) belegd op korvijnagels door de koppen van de achterste spanten. Op het boeisel aan bakboord zijn twee scepters geplaats. Deze zijn naar buiten gebogen om ruimte te houden voor het zwaard. De voorste scepter is gesloten, de achterste is vorkvormig. In de scepters liggen een vaarboom en een pikhaak. In het achterschip is een dwarse buikdenning voorzien van ogen. Deze buikdenning is geplaatst waar de bodem het laagst is en waar dus gehoosd moet worden. De achterbank loopt aan de zijkanten met de boorden mee naar voren. In het midden van de achterbank een luik met aan de voorkant een lip als handgreep. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met snijwerk in de vorm van en papegaai. De kop en de rug van het roer zijn bedekt met koperplaat. De kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood met een brede groen bies op de waterlijn. Het boeisel is zwart. De ingesneden biezen zijn gevuld met metaalkleur en de ingesneden voluten in de gillings zijn gevuld met goudkleur. De botteloef is metaalkleurig. De koppen van de zwaarden zijn zwart met witte versieringen aan de onderkant. Het metaalbeslag langs de randen van de zwaarden is metaalkleurig. De binnenkant van de boot is gelakt. De buikdenningen zijn bruin. De rondhouten zijn gelakt. Het helmhout is zwart (de handegreep is ongeverfd). Het snijwerk in de kop van het roer is meerkleurig geverfd: rode ondergrond met zwarte papegaai met goudkleurige staart. Accessoires: een vaarboom en een pikhaak
TitelZilveren model van een skûtsje, wisselprijs van het S.K.S. skûtsjesilen
VervaardigerKooyker, Albert
Trefwoordenskûtsjes, skûtsjesilen
Objectnummer1988-261
Periode van1978
Periode tot1978
BeschrijvingZilveren model van een skûtsje. Geplaatst in een glazen kastje. Op de drie plaatjes de inscripties: 'Wisselprijs Skûtsjesilen / 1978 Siete Meeter Bolsward / 1979 Rienk Zwaga S.W.H. Stavoren / 1980 Lammert Zwaga Langweer / 1981 Tjitte Brouwer Heerenveen / 1982 J. Zwaga Eernewoude / 1983 J. Zwaga Eernewoude / 1984 J.v.Akker Sneek / 1985 K. v.d. Meulen Woudsend / 1986 J. Reijenga Lemmer / 1987 Siete Meeter Bolsward / Aangeboden door / Friese Rabobanken'.
AchtergrondinformatieAlbert Kooyker is werkzaam bij de zilversmederij Klavertje Vier aan de Singel te Sneek. Het model deed dienst als wisselprijs voor de kampioen van het skûtsjesilen van de S.K.S. Van 1978 tot 1987 waren de friese Rabobanken de hoofdsponsor van het de S.K.S. In 1987 kwam er een nieuwe sponsor. De Rabobanken trokken toen ook de door hen beschikbaar gestelde wisselprijs terug, en gaven dat in bruikleen aan het museum. De volgende sponsor liet een nieuw zilveren skûtsje maken.
BeschrijvingScheepsmodel van de paviljoentjalk Fortuna. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel aan de voorsteven vastgezet en aan de achterkant scharnierend bevestigd in een soort scepter op het voordek. Aan de voorkant wordt de boom gehouden een een waterstag en door een boegwant van twee hoofdtouwen. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). De zeilen zijn van bruine katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de wordt belegd op een bolder. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. In de top van de gaffel een metalen fokkegaffel. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorziel van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. De blokken zijn voorzien van lopende, metalen schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, vlakke bodem. Het model van voor naar achter: Over het voorboeisel aan bakboord hangt het stokanker aan een ketting dat door het kluisgat, over de braadspil, door klapmutsen in het vooronder verdwijnt. Op het voordek de braadspil, het luik van het vooronder met aan weerszijden daarvan de klapmutsen. Aan weerszijden op het voordek een bolder, waarop ondermeer de kluiverschoot is belegd. Voor de mast het luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken, om zo ruimte te maken voor het ondereind van de mast. Het luik geeft tevens toegang tot het voorruim. Over het luik een gebogen overloop voor de stagfok. Het vaste want is voor de kop van het zwaard met twee puttingijzers aan de romp bevestigd. Achter het zwaard de bakstagen. Aan bakboordzijde een lijn voor het hijsen voor lantaarns of seinvlaggen. Achter de mast het ruim dat wordt afgesloten met luiken die weer overdekt zijn door een presenning (getaand dekkleed) dat met schalkkeggen is vastgezet. De gangboorden zijn aan de voorzijde afgesloten met een waterlijst. Op de scheerboom van het ruim een bak met daarin diverse rondhouten en uitzetters. De zwaarden hebben een verdikte kop die aan de bovenkant is afgedekt met koperplaat. Het boutgat is versierd met een ster. De zwaardloper gaat door een schildpadblok en door twee enkelschijfsblokken en wordt op de achterbolders vastgezet. Op de boeisels op het voorschip en langs het ruim zijn zetboeisels geplaats. Achter het ruim de schoorsteen die tevens dienst doet als stander voor de giek. Daarachter de grootschoot en de voetlijsten op het dek. Het paviljoen is het verblijf in het achterschip. Het dak ervan is zo hoog als de bovenkant van het achterboeisel (een licht verhoogd achterdek). Een schuifluik aan bakboordzijde geeft toegang tot deze ruimte. Omdat de stuurman voor het paviljoen staat is de helmstok lang. Op de helmstok een tonnetje. De roerklik is hol en versierd met drie tonnetjes aan de punt. De wangen van de klik zijn onversierd. Het roer is voorzien van een roerlichter (ketting en touw men twee eenschijfs blokken). Op het achterschip aan weerszijden van het roer twee koperen platen met daarop in wit twee maal de naam van het schip: 'Fortuna' Kleuren: De romp van het schip is lichtgroen, het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. Het dek is gelakt. De bovenkant van het boeisel is bruin, de binnenkant is aan de voorzijde blauw. Het beslag is metaalkleurig. De kop van het zwaard is groen. Op het achterschip een gele band op het boeisel en onder het berghout. Het roer heeft dezelfde gele kleur, een groene bies en is onder water zwart. De roerklik is donkerblauw met groene lijst en bovenop zwart. De punt van de klik is versierd met rood-wit-blauwe tonnetjes. De loopplank is zwart met een witte lijst. De schoorsteen is zwart met groene lijsten. Accessoires: stokanker, loopplank, twee lange vaarbomen in het gangboord aan bakboord, een boom en een fokuitzetter (met zwanehals en oog) in het gangboord aan stuurboord. In een bak op het ruim: een pikhaak, een stokdweil en drie korte rondhouten voorzien van divers beslag (lummels, ogen, punten en bouten). Het model heeft een stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Het model is in 1983 gerestaureerd. Het dek van grenenhout was aangetast door de houtworm en is vernieuwd. Ook de zeilen die verweerd waren zijn toen door conciërge P. Alkema vervangen. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk is genoemd naar het paviljoen: het verhoogd achterdek op de hoogte van de bovenkant van het boeisel. Onder het verhoogde achterdek is de roef gesitueerd. De schipper stond vóór het paviljoen te sturen. het helmhout was daarom opvallend lang.
TitelScheepsmodel van een beurtschip, een zogenaamd boterschip.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenbeurtschepen
ObjectnummerK-018
Periode van1850
Periode tot1900
BeschrijvingScheepsmodel van een eikenhouten beurtschip. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom ligt over het kluisbord links van de voorsteven. Aan de achterkant wordt de kluiverboom gehouden door een metalen scepter op het voordek, en aan de voorkant door een boegwant van twee hoofdtouwen, die zijn belegd op de voorbolders. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en een lopend want (bakstag). Het lopende en staande want zijn met puttingijzers bevestigd op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen (verkleurd): een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een van de bolders op het voorschip. De stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgemaakt op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel en een vergulde mastwortel. Achterop het roer een rechte vlaggemast met daarin een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn voorzien van metaalbeslag, maar niet van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Het model van voor naar achter: In het voordek is een luik gemaakt dat verwijderd wordt wanneer de mast gestreken wordt (uitwip). Vlak voor de mast en over het mastluik heen loopt de overloop van de stagfok, die met puttingijzers is vastgezet op de boeisels. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok aan de overloop is bevestigd. Achter de mast de opbouw van het ruim, die wordt afgesloten door één vast luik. Groeven in dat luik suggereren dat er meerdere losse luiken. De zwaarden zijn gemaakt uit een stuk. Ook daarin zijn groeven gemaakt. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en versierd. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel heen naar een zwaardtalie die loopt door twee blokken en die in het voorschip is belegd op een klamp tegen de binnenkant van het boeisel. Achter de kajuit is de grootschoot belegd op een hakkeblok, die met een oogbout vast in het achterdek is bevestigd. Daarachter bevindt zich het paviljoen. Dat is het verblijf in het achterschip waarvan het dak even hoog is als het achterboeisel. Aan stuurboord bevindt zich een schuifluik in het paviljoendek dat toegang verschaft tot dat verblijf. De helmstok van het roer is gebogen en loopt over het paviljoen naar voren, zodat de roerganger kan sturen op het dek dat ligt tussen het paviljoen en het ruim. Het roer is voorzien van een hoge roerkop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. De dekken, de opbouw, het ruim, de rondhouten, etc. zijn gelakt. Geverfd zijn alleen de roerkop (grone), de helmstok (groen en rood) en de bovenrand van de boeisels van het achterdek en rond de voorbolders (groen). Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieBoterschepen waren beurtschepen die speciaal waren ingericht voor het vervoer van boter van de weekmarkten naar ondermeer Harlingen. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum, Correspondentie A.M. Sustring - H.Halbertsma, 26 juli 1958 en 26 september 1958.
BeschrijvingScheepsmodel van een bok. Op spanten gebouwd. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De voorsteven en de achtersteven zijn gelijk: scherpe, rechte stevens. Het vlak is plat. De boorden lopen schuin. De boot heeft geen roer. Het model van voor naar achter: De voorsteven bestaat heeft een rechte stevenbalk. In het voorschip is in de punt een houten driehoek gemaakt met daarin de gebrandmerkte letters 'MB'. Daarachter een dek, dat rust op de spanten. In dit dek is een gat gemaakt. Loodrecht daaronder een klos met daarin ook een gat. In beide gaten kon een plaat gestoken worden om daaraan de bok te trekken. In het voor- en achterschip zijn verticale dwarsschotten gemaakt. Daartussen is de bok met langsscheepse planken bedekt. Achter het dwarsschot in het achterschip eenzelfde dek als in het voorschip. Ook in de punt van de achtersteven is een driehoekje gemaakt (echter zonder brandmerk). En ook de achtersteven is voorzien van een rechte stevenbalk. Kleuren: het model is geheel gelakt. Accessoires: het model is geplaatst op een maquette van een werf met inv.nr. 1989-034.
AchtergrondinformatieDe bouwer Marten Busstra had de laatste werf in Luinjeberd waar bokken werden gebouwd. De bok past op de maquette van de helling (inv.nr. 1989-34).
In verschillende delen van Nederland voeren bokken, die alle nogal van elkaar verschilden in grootte en uitvoering. De oorsprong van de Friese bok ligt in Noordwest Overijssel. Met het naar het noorden optrekken van de verveners vanuit Overijssel kwamen ook de daar gebruikte scheepstypen naar Friesland. Tot die schepen behoorden de scherpe of spitse praam, de bok en in mindere mate de punter. Een bok is een ongecompliceerd schip. Het heeft een plat vlak en twee rechte stevens die gelijk zijn aan elkaar. Aan de achtersteven hangt geen roer. Dat maakt mogelijk dat het schip in twee richtingen kan varen. Deze eigenschap was vereist omdat de bokken veel werden gebruikt in smalle vaarten en wijken, waarin men ze niet kon keren. De bok kan op verschillende wijzen worden voortbewogen. De bok kan worden geboomd vanaf het schip. De boot kan worden getrokken als er een pad was om over te lopen. Een derde manier was het 'trilkjen'. Hierbij werd vanaf de wal het schip met een paal, die tegen het achterschot werd geplaatst, voortgeduwd. De paal stond bijna haaks op het schip, zodat de duwer bijna naast het schip liep. Daarbij moest er wel op gelet worden dat het schip zich niet in de wal boorde.
Bokken konden goedkoop gebouwd worden en waren daarom populair, niet alleen bij boeren maar ook bij bijvoorbeeld timmerlieden en aannemers. Veel bokken werden gehuurd van een werf. Dit was met name gebruikelijk in de plaatsen rond Heerenveen en Drachten., literatuur:
- M. Busstra, De scheepsbouwer en hellingbaas in het begin van deze eeuw (De Knip, 1988), niet uitgegeven manuscript.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 23
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, p. 17
BeschrijvingScheepsmodel van een Friese gêrsboat. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank en wordt aan de bovenkant gehouden door een voorstag. De stag loopt door een blok op de botteloef (in het fries 'loefbyter') en is belegd op een metalen klamp in het voorschip. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een sprietzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De fokkeschootlopen via een metalen schootogen aan de binnenkant van het boeisel. De schoot aan stuurboord is belegd op een metalen klamp aan één van de spanten in het achterschip. Het grootzeil is voorzien van een spriet. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De halstalie loopt via een oog in de mastvoet over een blokspanner. De spriet hangt aan de onderkant in een touwlus aan de mast. Het andere eind van de spriet steekt door een metalen oog in de bovenkant van het achterlijk van het groozeil. De onderkant van het achterlijk van het grootzeil is vastgehaakt aan de giek. De achterkant van de giek hangt in het zeil (niet in een kraanlijn). De voorkant van de giek rust met een zwanehals in een oog in de mast. De grootschoot loopt over twee blokken en is belegd op de onderste van deze twee (een hakkeblok). De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel met metalen stang als scheerhout. De blokken zijn van palmhout en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De romp is opgebouwd uit een plat vlak dat naar voor en naar achter omhoogloopt en uit boorden van twee gangen. De bovenste gang is het terugvallende boeisel. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is een metalen botteloef gemaakt. Daaraan is de voorstag en de fok bevestigd. In het voorschip is een bord gemaakt dat aan de onderkant is versierd met een uitgesneden versiering in de vorm van een accolade. Het schip is geheel op: geen dekken. In het voorschip en in het achterschip zijn derhalve de spanten te zien. De messelbank ligt op twee spanten en is aan de bovenkant verstevigd met kniestukken aan de uiteinden. In het achterschip is de bodem van het schip bedekt met buikdinning. OP het boeisel zijn twee roeipennen gemaakt. Het boeisel is versierd met een ingesneden bies. Vlak daarachter hangen de zwaarden met bouten aan het boeisel. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De onderkanten van de zwaardkoppen zijn op dezelfde wijze versierd als het bord in het voorschip: een accoladevorm. De onderranden van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. De zwaardlopers gaan door een gat in het boeisel naar binnen en zijn belegd op een ééntenige klamp aan de binnenkant van het boeisel, in het achterschip. De achterbank heeft in het midden een luik. Daarachter het achterhuis. In de voorwand daarvan een lancetvormig gat (het achterhuisdeurtje ontbreekt). Langs de bovenkant van het achterhuis een hennebalk die niet is versierd. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is voorzien van metaalbelsag. Het helmhout valt over de roerkop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is donker gebeitst. HEt boeisel is zwart met een witte bies aan de onderkant. De ingesneden bies in de boeisels zijn gevuld met groen. Ook zijn voor en achter in de boeisels groen geschilderde tongen aangebracht: een soort geschilderde gillings. Het bord in het voorschip is groen met zwart. De ruimte eronder is zwart. De bodem en de binnenkant van de bodem zijn gelakt. De messelbank is groen met een zwarte halvecirkel rond de mast. De buikdenning in het achterschip is zwart. De achterbank is groen en het luik erin is zwart. De voorwand van het achterhuis is groen en de hennebalk is zwart met een witte bies. De kop van het roer is groen. Het beslag op de kop van het roer is zwart. Het helmhout is groen met zwarte accenten. Accessoires: twee roeispannen, een vaarboom, een uitzetter of fokkeloet (aan beide kanten een teen) en een hoosvat.
AchtergrondinformatieDe gêrsboat is een Fries boerenbootje. De Friese boot is een platboomde boot met licht gebogen, sterk vallende voorsteven en een rechte steilstaande achtersteven. De kop en het achterschip zijn rond, maar sterk weggeveeegd. Het boord valt breed open tot aan het berghout. het boeisel valt binnenwaarts. De romp is gestrekt en heeft bijna geen zeeg. Op een kleine plecht na is de boot geheel open. Vroeger was de boot uitgerust met één smal zwaard. Later gebruikte men twee ronde, brede zwaarden. De gêrsboat is groter dan de wyldsjitter en vooral hoger. Ze ze zijn zeer eenvoudig: een vlak van één plank, daarop een zijkant van één plank (gang) en daarop het boeisel. De gêrsboat werd gebruikt door boeren voor het vervoer van kleinvee, melk en hooi. Ze waren getuigd met een sprietzeil. Ook konden ze worden geroeid of geboomd.
TitelScheepsmodel van een beurtschip, vervaardigd door Johannes Clazes Sjollema te Woudsend.
VervaardigerSjollema, Johannes Clazes
Trefwoordenbeurtschepen
Objectnummer1998-230
Periode van1866
Periode tot1866
BeschrijvingScheepsmodel van een beurtschip. Blokmodel. Gemaakt in de vorm van een speelscheepje: de kiel is vele malen te groot in verhouding tot de romp en is aan de onderkant met metaal verzwaard. Schaal niet bekend.
De Romp: Het scheepje is rond van vorm, zowel in voor- en achterschip als in de bodem.
Tuigage: Het model is voorzien van één mast. Deze is los. De rest van de tuigage ontbreekt. Wel zijn er nog onderdelen van overgebleven op het model. Voor de ophanging van de zwaarden zijn de puttingijzers van de stagen te zien. Ze zijn gemaakt van inelkaar gedraaid ijzerdraad. Voor de mast is een metalen overloop voor het schootblok van de fok. Achter de roef een kleine overloop voor de grootschoot.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Breed berghout. Op het voordek twee luiken. Achter de mast een ronde luikenkap. Daarop zijn vier luiken geschilderd. De roef is hoog. De zijwanden zijn overnaads opgebouwd. Het dak is bol. In de achterwand van de roef zijn twee ramen geschilderd. Het achterhuis is hoog en voorzien van een schuifluik. Op het boeisel een aantal metalen ogen en één bolder (aan bakboord in het achterschip). Achter de mast de ophanging van de zwaarden. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. Aan de achtersteven drie ogen waarin het roer (dat ontbreekt) heeft gehangen. Aan weerzijden van de achtersteven twee naamborden. Daarop is geschilderd: '18 JOHANNES' en 'SJOLLEMA 66'. De kiel is groot. Aan beide zijden van de kiel een opschrift. Aan bakboordzijde: 'Laatste werk van J.C. Sjollema in le- / ven Scheepsbouwmeester te Grouw en Woudsend'. Aan stuurboordzijde: 'Overleden te Woudsend den 14e Febr. 1867 / in den Ouderdom van ruim 75 Jaar'. Kleuren: De kiel en het onderwaterschip zijn wit. De romp is beschilderd in een houtimitatie. Zwarte lijnen suggereren de gangen, de spuigaten en andere beplanking (van het dek bijvoorbeeld). Het berghout is donkerrood.De dekken en luiken zijn ook beschilderd in een imitatie van hout. De achterwand van de roef is groen.
Accessoires: de mast is los, evenals het stuurboordzwaard. Bij het model is een stander.
AchtergrondinformatieJohannes Clazes Sjollema. Geboren te Grou op 21/24 nov. 1791 en overleden te Woudsend op 14 februari 1867.
Zoon van Claes Piers Sjollema (Grou 1767-1850) en van Dieuwke Andries (1767-1836). Net als zijn vader was Claes Piers Sjollema scheepsbouwmeester te Grou. Daarnaast was hij Assessor van de grietenij Idaarderadeel en ouderling van de Nederlands Hervormde Kerk van Grou. Ook was hij boekhouder van het Kofschip De Jonge Cornelis. Enkele afrekeningen van zijn hand bevinden zich in het archief Ate G. Reitsma (bewaard in het Fries Scheepvaart Museum).
Claes Piers Sjollema was patriot. Toen deze partij aan de verliezende hand was vluchtte hij naar Engeland. Een jaar later keerde hij heimelijk terug en woonde in het geheim bij een boer op De Bird bij Grou. Van Claas Sjollema is een portret bekend. Een kopie daarvan wordt bewaard in de Knipselmap Sjollema. Het signet van Claas Sjollema behoort tot de collectie van het Fries Scheepvaart Museum (inv.nr. 1996-278).
Johannes Clazes Sjollema, de zoon van voornoemde Claas Sjollema en de vervaardiger van het model, volgde zijn vader op als scheepsbouwer. De scheepswerf was toen al verlopen. In mei 1852 vertrok hij naar Woudsend en overleed aldaar. Hij werd begraven in Grou. Johannes Clazes Sjollema trouwde in 1787 met Doetje Eesges Boonstra (geboren te Grou in 1795, overleden te Terherne in 1872 en begraven in Grou). Ze hadden negen kinderen, waarvan er vijf tot volwassenheid kwamen:
- Dirkje Johannes Sjollema (1819-1875)
- Dieuwke Johannes Sjollema (1821-1894)
- Tetje Johannes Sjollema (1826-1865)
- Klaas Johannes Sjollema (1831-1878)
- Jelmer Johannes Sjollema (1833-1918).
De laatste zoon was vanaf 1860 scheepsbouwmeester te Oudewetering., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27-28
BeschrijvingScheepsmodel van een bok. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen. Romp: scherpe voorsteven, scherpe achtersteven, plat vlak. Het model van voor naar achter: De stevenbalk is recht. De bodem is geheel vlak. Tegen de voorsteven een voorplecht met daarop een oog met landvast. In het voorschip een dwarsbank. Tegen de achtersteven een klein dekje. Op de achtersteven een ring met landvast. Kleuren: Het vlak is zwart. De boorden zijn wit. De binnenkant van de boot is zwart. De voor- en achterplecht en de dwarsbank zijn wit. Accessoires: vaarboom.
AchtergrondinformatieIn verschillende delen van Nederland voeren bokken, die alle nogal van elkaar verschilden in grootte en uitvoering. De oorsprong van de Friese bok ligt in Noordwest Overijssel. Met het naar het noorden optrekken van de verveners vanuit Overijssel kwamen ook de daar gebruikte scheepstypen naar Friesland. Tot die schepen behoorden de scherpe of spitse praam, de bok en in mindere mate de punter. Een bok is een ongecompliceerd schip. Het heeft een plat vlak en twee rechte stevens die gelijk zijn aan elkaar. Aan de achtersteven hangt geen roer. Dat maakt mogelijk dat het schip in twee richtingen kan varen. Deze eigenschap was vereist omdat de bokken veel werden gebruikt in smalle vaarten en wijken, waarin men ze niet kon keren. De bok kan op verschillende wijzen worden voortbewogen. De bok kan worden geboomd vanaf het schip. De boot kan worden getrokken als er een pad was om over te lopen. Een derde manier was het 'trilkjen'. Hierbij werd vanaf de wal het schip met een paal, die tegen het achterschot werd geplaatst, voortgeduwd. De paal stond bijna haaks op het schip, zodat de duwer bijna naast het schip liep. Daarbij moest er wel op gelet worden dat het schip zich niet in de wal boorde.
Bokken konden goedkoop gebouwd worden en waren daarom populair, niet alleen bij boeren maar ook bij bijvoorbeeld timmerlieden en aannemers. Veel bokken werde gehuurd van een werf. Dit was met name gebruikelijk in de plaatsen rond Heerenveen en Drachten., literatuur:
- M. Busstra, De scheepsbouwer en hellingbaas in het begin van deze eeuw (De Knip, 1988), niet uitgegeven manuscript.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 23
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, p. 17
BeschrijvingScheepsmodel van een ijzeren bok. Op spanten gebouwd: huid van zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:10.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: De voorsteven en de achtersteven zijn gelijk: scherpe, rechte stevens. Het vlak is plat. De boorden lopen schuin. De boot heeft geen roer.
Het model van voor naar achter: Het voorschip en het achterschip zijn gelijk. Ze hebben een rechte stevenbalk. In de steven een driehoek. Daarachter een vast dek met opstaande rank. Dan een kleine open ruimte met houten buikdenning die doorloopt onder het dek. Vervolgens een verticaal, staand dwarsschot. Aan de onderkant van deze schotten zijn beugels gemaakt waaraan de trilkerpaal kon worden gestoken. In het midden van de schotten zijn koperen kettingen vastgemaakt: de landvasten. Tussen de beide dwarsschotten de laadruimte. Deze is met langsscheepse planken bedekt. In de open boot zijn de spanten te zien, evenals de bollingen van de klinknagels.
Kleuren: De romp is zwart. De binnenkant van de bok is ook zwart. De buikdenningen en het dek van het laadruim zijn gelakt. De loopplank is grijs met wit. De vaarboom is gelakt en heeft een zwarte onderkant. De trilkerspeal is ongeverfd. Accessoires: een vaste stander, een vaarboom, een trilkerspeal en een loopplank.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
In verschillende delen van Nederland voeren bokken, die alle nogal van elkaar verschilden in grootte en uitvoering. De oorsprong van de Friese bok ligt in Noordwest Overlijssel. Met het naar het noorden optrekken van de verveners vanuit Overijssel kwamen ook de daar gebruikte scheepstypen naar Friesland. Tot die schepen behoorden de scherpe of spitse praam, de bok en in mindere mate de punter. Aanvankelijk werden bokken gebouwd van hout (model inv.nr. 1988-078). Later werden ze echter ook van ijzer gemaakt.
Een bok is een ongecompliceerd schip. Het heeft een plat vlak en twee rechte stevens die gelijk zijn aan elkaar. Aan de achtersteven hangt geen roer. Dat maakt mogelijk dat het schip in twee richtingen kan varen. Deze eigenschap was vereist omdat de bokken veel werden gebruikt in smalle vaarten en wijken, waarin men ze niet kon keren. De bok kan op verschillende wijzen worden voortbewogen. De bok kan worden geboomd vanaf het schip. De boot kan worden getrokken als er een pad was om over te lopen. Een derde manier was het 'trilkjen'. Hierbij werd vanaf de wal het schip met een paal, die tegen het achterschot werd geplaatst, voortgeduwd. De paal stond bijna haaks op het schip, zodat de duwer bijna naast het schip liep. Daarbij moest er wel op gelet worden dat het schip zich niet in de wal boorde.
Bokken konden goedkoop gebouwd worden en waren daarom populair, niet alleen bij boeren maar ook bij bijvoorbeeld timmerlieden en aannemers. Veel bokken werde gehuurd van een werf. Dit was met name gebruikelijk in de plaatsen rond Heerenveen en Drachten.
Het model werd gebouwd naar de scheepsbouwtekening met inv.nr. 1991-464: een tekening van Bauke Roorda uit Drachten voor ene Flik in Haulerwijk. Het was een bok van 10 meter lang en 2 meter breed., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, p. 17
BeschrijvingScheepsmodel van een houten kajuitschouw. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft een mast en een boegspriet. De mast staat in een mastkoker en wordt gehouden door een voorstag op de top van de boegspriet. De boegspriet is vastgezet in een beugel op de voorsteven. De voorkant wordt gehouden door een metalen waterstag en aan de achterkant rust de boegspriet in een klos op het voordek. De zeilen zijn van witte (verkleurde) katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een metalen haak vastgezet op de top van de boegspriet. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op een metalen overloop, vlak voor de mast. Het grootzeil is voorzien van een kromme gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De halstalie is loopt door drie twee blokken en is vastgezet op de nagelbank. De voorkant van de giek is met een zwanehals opgehangen in een oog in de nagelbank. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt over een blok aan de giek en is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op de bodem van de stuurkuip. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voor- en achtersteven zijn plat en schuin. De boorden hebben een knikvorm. de bodem is plat. Het roer is aan de achtersteven opgehangen. Het model van voor naar achter: De binnenkant van de voorsteven is voorzien van snijwerk in de vorm van bladeren. Tegen de boeisels zijn twee houten bolders geplaatst. In het voordek is een taps luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Voor de mast loopt over dit luik een metalen overloop voor de fokkeschoot. Aan de voet van de mast een nagelbank. Aan de boeisels zijn bouten de zwaarden opgehangen. De zwaarden hebben een verdikte kop. Ze zijn voorzien van lijnen die doen lijken alsof het zwaard is opgebouwd uit drie delen. De zwaardlopers gaan via schildpadblokken op de buitenkanten van de boeisels naar achter en zijn daar belegd op de achterbolders. Tussen de mast en de kajuit is enige dekruimte. Daar zijn de blokken van de halstalie gehaakt in ogen in het dek. De kajuit heeft een naar achter toe schuin oplopend dak. De wanden van de kajuit zijn blind (niet voorzien van ramen of patrijspoorten). In de achterwnad van de kajuit twee openslaande deuren. De kajuit is ingericht met een tafel en banken langs de wand. Het achterschip is verlaagd: de stuurkuip of bollestal. Langs de zijwanden en de achterwanden van de kuip zijn banken gemaakt. In het midden van de kuip is de grootschoot vastgemaakt. De binnenkant van de achtersteven is voorzien van snijwerk. Aan de achtersteven hang het roer in twee roerhaken. Kleuren: De romp van het schip is wit. Het onderwaterschip is rood met een groene bies op de waterlijn. Het berghout is groen evenals de bovenrand van het boeisel. De binnenkanten van de boeisels, de dekken, de kajuit en de kuip zijn gelakt. De mast en de rondhouten zijn gelakt en voorzien van accenten in zwart: de beide einden van de giek en de top van de mast. Het roer is gelakt. Het onderwatergedeelte van het roer is rood met een groen bies op de waterlijn. Het helmhout is zwart en en de roerkop is donkergroen. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieGerrit van der Molen is geboren op 27 juni 1873 te Koudum en overleden te Sneek op 3 nov. 1959. Hij voer aanvankelijk op de visloggers van Vlaardingen. Werd later broodbezorger bij bakker Oppenhuizen uit de Kruisebroederstraat te Sneek. Hij maakte diverse flessenscheepjes. Hij is de grootvader van de schenker., De schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. De zeeschouw (ook genoemd Lemsterschouw of spekbak) was een vergroting van de Friese schouw en bedoeld voor de visserij op de Zuiderzee. De eerste werd waarschijnlij in 1898 te Lemmer gebouwd. Ze werden aangetorffen in plaatsen als Hoorn, Enkhuizen en Lemmer. Ze voerden een grootzeil, stagfok en eventueel een kluiver. De lengte varieerde van 8 tot 11 meter en de breedte van 3 tot 3.50 meter. Veel zeeschouwen die thans als jacht worden gebouwd, zijn van dit type afgeleid., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 17
BeschrijvingScheepsmodel van een Akkrumer jol. Op spanten gebouwd. Mahoniehout op spanten van eikenhout. Schaal 1:7½. Tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een zijstag. De voorstag is met een wantspanner bevestigd op het metaalbeslag op de voorsteven. De zijstagen lopen schuin naar achter en zijn met wantspanners vastgezet op de gangboorden. Aan de mast worden zeilen van witte katoen gevoerd: een stagfok een een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De fokkehals is met een harpsluiting vastgezet op het metaalbeslag van de voorsteven. De beide fokkeschoten lopen door metalen schootogen op de gangboorden, over de kuiprand naar binnen en zijn daar belegd op houten klampen aan de kuiprand. De fokkeval loopt over een houten blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel die boven de mast uitsteekt. De gaffel heeft een houten klauw. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval, die zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen vastgemaakt aan de mast. De hals van het grootzeil is met een halstalie vastgezet op een metalen klamp aan de voet van de mast. De onderkant van het grootzeil is bevestigd in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek rust met een houten klauw tegen de mast. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillatten gemaakt. In het zeil aan twee kanten het zeilnummer 'A 77'. De grootschoot loopt over een enkelschijfs blok aan de giek en door een enkelschijfs blok op de kielbalk en is belegd op een metalen T-beslag op de kielbalk. Op de top van de mast een rode windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip is plat en voorzien van een schuine spiegel. De wanden zijn overnaads. Het vlak is plat. De dwarsdoorsnede heeft de vorm van een knikspant. Het jacht heeft een vaste kiel. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd. Op de bovenste gangen van het voorschip is aan weerszijden de naam van het jacht geschilderd: 'WEAGENDûNSER'. Op het voordek een houten klamp. Voor de mast een V-vormige waterlijst die overgaat in de kuipranden erachter. Het dek loopt onder de waterlijst door tot achter de mast. Achter de mast is de kuip. In de voorwand van de kuip (onder de mast) zijn twee luiken gemaakt. Langs de zijwanden zijn over de spanten rugleuningen gemaakt. De bodem is bedekt met open buikdenningen (flonders). Het roer hangt onder het achterschip. Het roerblad is druppelvormig. De roeras steekt uit het achterdek naar boven. Het helmhout is gebogen van vorm. Aan weerszijden van het helmhout zijn op het achterdek houten klampen gemaakt. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen met een witte bies op de waterlijn. Het dek, de kuip, de mast en de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de Akkrumer jol is gebouwd naar opmetingstekeningen van een zogenaamde vijf-meter-jol. De Akkrumer jol met zeilnummer 77 is L. Oost uit Akkrum. In de deelnemerslijsten van de zeilvereniging De Eendracht uit Akkrum komt het jacht voor in 1971 en 1972 onder de naam 'Weagendounser' (sic!) en in 1975 met dezelfde eigenaar onder de naam 'Annie'. In 1976 komt het jacht op de deelnemerslijsten van De Eendracht voor met als eigenaar J. SChuurman uit Leeuwarden.
In 1932 kochten Albert Wedman en Tjesse Oosterbaan de failliete jachtwerf van H.E. Wester te Akkrum. Wedman ontwierp er een zeiljol met als basis de bouwwijze van een zeilschouw. Het werd de Akkrumer jol, die nadien veel is gebouwd. Al in 1935 werden er wedstrijden voor georganiseerd. Na de oorlog verliet Oosterbaan de werf. Wedman zette de werf voorts onder eigen naam, vanaf 1954 in compagnonschap met Wobbe Oost. In 1956 nam Oost de werf over. Op de werf liepen jaarlijks circa 20 Akkrumer jollen van stapel. Bijzonder is dat alle Akkrumer jollen op een werf werden gebouwd. Het ontwerp en de rechten daarop heeft Wedman nooit uit handen willen geven. Er bestaan geen tekeningen van de jol. Er werd gebouwd vanaf mallen van het halve vlak, de steven, de spiegel, de spanten, de kiel en het roer. Ook van de drie huidgangen is een mal. De jol wordt gebouwd zonder kielbalk en op de wijze van een schouw. Akkrumer jollen zijn gebouwd in diverse lengtes: 3.5 - 5 meter. Van de jeugjol (4 meter lang) zijn er circa 150 gebouwd, van de 5-meter jol zijn er circa 500 gebouwd. Niet alles werd echter precies vastgelegd in werfboeken. De Akkrumer jol is nooit verheven tot eenheidsklasse. Er konden alleen onderlinge wedstrijden gehouden worden. Daarom is in 1966 de Akkrumer jollenclub opgericht., literatuur:
- J.K. Kuipers, 'De Akkrumer Jol' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 55-60.