BeschrijvingScheepsmodel van een smakschip. Op spanten gebouwd. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft twee masten en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel bevestigd aan de voorsteven en aan de achterkant rust de kluiverboom in een kluiverboomstoel. De kluiver wordt niet gehouden door een kraanlijn (aan de mast) nocht door een waterstag, nocht door een boegwant. De masten: een grote mast en een druilmast. De grote mast bestaat uit één stuk (geen stengen). De mast wordt gehouden door een voorstag op de steven (jufferblok van vijf gaten) en aan weerszijden door een staand want van vier hoofdtouwen met daartussen weeflijnen (touwladders) en een lopend want (bakstag). De nok van de gaffel wordt door een dubbele bakstag gehouden. De druilmast wordt gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen. Het staande en lopende want zijn met puttingijzers en rusten (horizontale balken) vastgezet op het berghout. De zeilen van witte katoen. Aan de grote mast worden gevoerd: een buitenkluiver, een binnenkluiver, een stagfok, een breefok, een grootzeil. Aan de druilmast wordt een bezaan gevoerd. De buitenkluiver en de binnenkluiver worden uitgezet met een traveller. De schoten van de beide kluivers zijn belegd op bolders op het voorschip. De stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. In de top van de stagfok een metalen fokkegaffel. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ring is vastgezet op een houten overloop op het voordek. De breefok is vastgezet tussen twee ra's. De schoten van de breefok, bevestigd aan de uiteinden van de onderste ra, wordt vastgezet op klampen aan het boeisel. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. Het zeil wordt zonder giek gebruikt (zeilen met een losse broek). Het voorlijk van het zeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. De broek van het grootzeil (onderkant) is voorzien van een bonnet (een afknoopbaar gedeelte). Opvallend is de kruislingse takelage (met een vioolblok) van de nokkeval van de gaffel. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ring is vastgezet op een houten overloop. De bezaan heeft een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van de bezaan is met rakkralen aan de druilmast bevestigd. De schoot van de bezaan loopt over twee blokken en over een papegaaiestok naar voren. Daar is de schoot belegd op een klamp op de papegaaiestok. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank onder aan de grote mast (waaronder een kleine braadspil is gemaakt) en die van de bezaan op korvijnagels in de boog boven hek. In de toppen van beide masten een blauwe, gerafelde wimpel met daarin een Hollands hoekje. Boven het scheerhout van zijn vergulde mastwortels gemaakt. De houten blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond. De bodem is vlak met afgeronde hoeken. De huid is van eikenhout. De dekken zijn van grenenhout. Het berghout is breed en splitst zich naar voren en naar achteren toe. Het boeisel loopt aan de achterkant hoog op en eindigt in een punt (het hek). Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden, berentanden en kraanbalken. De kraanbalken zijn voorzien van twee schijven en worden bij het ankeren gebruikt. Een anker hangt aan stuurboord over het boeisel. Het ankertouw loopt over het kluisbord aan bakboord naar binnen, is vastgemaakt op de braadspil en loopt dan via een scharnierbaar durksluik in het voordek naar het vooronder. Op het voordek een braadspil (geklemd tussen klossen aan het voorboeisel), het durksluikk, de kluiverboomstoel, een twee luiken van het voorruim en de voerloop van de fok. Achter de grote mast een nagelbank en een waterbalk. Aan de uiteinden van de waterbalk zijn ogen gemaakt, waaraan de kantelbare zeezwaarden hangen. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn voorzien van metaalbeslag (langs de onderrand en vier dwarsstrippen). De zwaardloper gaat over een scharnierbaar schildpadblok, over het boeisel naar voren en wordt ter hoogte van de mast belegd op een klamp op het boeisel. De zwaardloper gaat door slechts één blok. Achter de waterbalk het ruim dat met vier genummerde luiken wordt afgesloten. De roef is aan de voorkant gebouwd op een tweede waterbalk en ook de achterwand is gebouwd op een waterbalk. De voorwand en de zijwanden van de roef zijn overnaads opgebouwd. Aan weerszijden zijn in de zijwanden deuren gemaakt met een ronde bovenkant. Het dak bol ter hoogte van deze deuren enigszins op. In de achterwand van de roef twee panelen en daar tussenin dubbele deuren die naar binnen slaan. Op het dak vande roef een vierkante schoorsteen. Achter de roef de overloop van de grootschoot, een ronde flonder met voetlijsten voor de roerganger en het luik van het achteronder. Aan de binnenkant van dat luik is met goudkleurige letters geschreven 'W. Vos / St. Jacob'. De druilmast is bevestigd in een boog boven het hek. Het hek loopt naar achter in een punt uit. Het berghout splitst zich daar: het onderste deel volgt het ronde achterscip en het bovenste deel volgt het boeisel naar het hek. De gebogen helmstok van het roer loopt door een gat onder het hek (hennegat). In de voorkant vande helmstok is een horizontale schijf gemaakt, zodat de roerganger gebruik kan maken van een roertalie. Het roer is aan de achtersteven opgehangen met zes roerhaken. De kop van het roer loop hoog op en buigt naar voren, zodat de bovenkant de oplopende lijn van het boeisel volgt. De papegaaiestok van de bezaan is aan bakboord aan het berghout bevestigd met een beugel een een klos. Aan weerszijden van de achtersteven zijn twee luiken gemaakt (voor het laden en lossen van hout). Kleuren: De romp is niet geverfd. Het berghout is met was donkerder gemaakt. Op het boeisel een groene bies met rode accente op klossen van puttings. De wanden van de roerf en de kop van het roer zijn groen geschilderd. Accessoires: twee houten standers
AchtergrondinformatieHet model is gemaakt aan de hand van modellen uit andere musea. Daarvan zijn door Willem Vos tekeningen gemaakt en een blokmodel. Het model is van een jong type smak: het voert een gaffelzeil zonder giek en niet een sprietzeil (de oudere types).
De smak is een kustvaarder voor de vaart op Frankrijk, Engeland en Scandinavië en werd ook gebruikt als beurtvaarder en zelfs als oorlogsschip. Al in de 16de eeuw waren smakken reeds in de vaart. Het is een tajlkachtig schip. De inrichting was als die van een binnenvaartschip: achter de mast het ruim, de lage roef en de stuurplaats. In het achterschip is een paviljoen ingelaten en er is een staatse met hennegat. De tuigage bestaat uit een korte mast met spriettuig met hoge nok. Op het hek stond een druilmast met bezaanzeil. Het schip was voorzien van zwaarden. In de 18de eeuw werd het schip verzwaard. Het spriettuig werd toen vervangen door een staand gaffeltuig en de mast werd verlengd met een opgelaste steng, waardoor ook een ratopzeil gevoerd kon worden.
Friese smakken deden met name dienst als kustvaarder. Vanuit plaatsen als Sneek, IJlst, Woudsend, Makkum, Gorredijk en Grou voeren ze op Frankrijk, Engeland en met name op Scandinavië. Ze bleven tot in de eerste helft van de 19de eeuw in gebruik., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, pp. 14-15
- Horst Menzel, Smakken, Kuffen, Galioten, Drei fast vergessene Schiffstypen des 18. und 19. Jahrhunderts (Hamburg, 1997)
TitelScheepsmodel van een kustvaarder, gebouwd op scheepswerf Bijlsma te Warten.
VervaardigerBijlenga, B.
Trefwoordenkustvaarders, Warten
Objectnummer1991-143
Periode van1985
Periode tot1991
BeschrijvingScheepsmodel van de kustvaarder Arklow Abbey uit Dublin. Blokmodel. Schaal 1:100. Rondhouten en tuigage: geen De romp: scherpe voorsteven, platte spiegel, vlakke bodem. Het model van voor naar achter: Op de steven in een wapenschild het beeldmerk van de rederij. Op het verhoogde voordek een lantaarnmast, die wordt gehouden door drie vaste stagen. Voorts een lier voor de twee ankers die uit de kluisgaten hangen, een luik en een aantal bolders. Langs de achterkant van het voordek een reling. Het voordek is te bereiken met twee trappen vanaf de gangboorden. Op het lage tussendek net voor het ruim is een reserve-anker opgesteld. Het ruim worden afgesloten met acht luiken. Op het tussendek net achter het ruim is een reserve-scheepsschroef opgesteld. Het achterdek is verhoogd en bereikbaar met twee trappen. De opbouw op het achterdek is drie verdiepingen hoog. In de bovenste verdieping is de brug. Achter de opbouw de machinekamer met daarop een rechthoekige schoorsteen. Op de schoorsteen wederom het beeldmerk van de rederij. Op de stuurhut een lantaarnmast, met daarin ook de antennes voor de communicatie-apparatuur (radio, radar, etc). Op de top van de mast de vlag van Ierland. Op de daken van de opbouw zijn dekken, omgeven door relings en bereikbaar met trappen. Op het achterschip hangt een sloep in een davit. Ook zijn er twee cilindervormige noodvlotten op de bovendekken geplaatst. Op de spiegel van het schip: 'ARKLOW ABBEY / DUBLIN'. Kleuren: De romp is lichtgroen. Het onderwaterschip is donkergroen. De opbouw en de voormast zijn wit. De boeisels zijn aan de binnenkant okergeel. De luiken zijn donkergroen. Het model staat op twee messingknopsteunen. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHet schip werd in 1981 gebouwd voor Arklow Shipping Ltd. (Arklow, Ierland) op scheepswerf Bijlsma b.v. te Warten. Technische gegevens: lengte 70,60 m., breedte in het midden 10,70 m. diepte 5,10 m. deadweight 1644 ton, netto tonnage 557,70 register ton, Motor: Brons, type 8 GV-H, 1000 p.k., 375 toeren per minuut. In 1996 is de Arklow Abbey hernoemd in Eastfern door de rederij Mideast Marine Ltd. & Fern Trading Ltd. in Ierland. In 2000 is het schip verkocht aan Devo Shipping S.A. in Belize en wederom hernoemd in Fern., Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af. literatuur: - Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1991, p. 20
BeschrijvingScheepmodel van een straalbuiskotter. Werfmodel. De romp is gebouwd volgens de stapelmethode. De opbouw, de boeisels en de schroefinrichting met plaathout. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is geveegd en plat. De bodem is acooladevormig. Het model van voor naar achter: Het voorschip is overdekt met een plaat die loopt van de punt van de voorsteven en het voorboeisel tot aan het dekhuis. Het voordek is op deze wijze overdek met een soort paviljoendek. Van voor naar achter een vaste reling (of boeisel) dat aan de binnenkant is verstevigd met verticale standers. Aan bakboord laat de reling los. Op het dekhuis de brug. De voorwand daarvan is rond. De schoorsteen steekt door het dak van het dekhuis. Aan weerszijden van de schoorsteen trappen die leiden naar de brug. In het achterdek is de plaats te zien waar een liermast geplaatst moet worden. Deze mast is afgebroken. De rest van het achterdek is leeg. Het schip is uitgerust met een straalbuis, waarin de (in hout uitgevoerde) scheepsschroef draait. Een deel van de straalbuis is afgebroken. Achter de straalbuis het roerblad. Kleuren: het model is ongeverfd. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet model is afkomstig van de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker. Het is door Ton Bodewes ontworpen. Het schip kon in meerdere uitvoeringen gemaakt worden: als viskotter, als patrouilleboot voor politie of loodsen of als motorjacht. Uitgangspunt was steeds de romp van dit model. Van 1958 (bouwnummer F4) tot 1968 (bouwnummer F32) maakte Ton Bodewes 24 kotters: hekkotters, viskotters en een kotterjacht. De opdrachtgevers waren afkomstig uit Urk, Katwijk, Delfzijl, Farmsum, Den Helder, Den Oever, Texel, Goede Rede en Wuppertal (het kotterjacht). Voor vele van deze schepen was het houten werfmodel het voorbeeld voor de romp. De viskotter is in Nederland het meest gebruikte motorschip voor de kustvisserij (trawlvisserij, boomkorvisserij en spanvisserij). Op kotters wordt het meest gevist op haring en platvis. In de loop de tijd wordt er steeds meer over het achterschip gevist. Men spreekt dan van een hekkotter. Afhankelijk van de grootte varen op een kotter 4 tot 7 man., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
TitelScheepsmodel van de kustvaarder Paloma, gebouwd te Hoogezand.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenkustvaarders, Hoogezand
Objectnummer1983-284
Periode van1950
Periode tot1975
BeschrijvingScheepsmodel van de kustvaarder Paloma. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft twee masten, die gebruikt worden als liermast (geen zeilen). De voormast wordt gehouden door een voorstag een door twee schuin naar voren lopende zijstagen. De voormast heeft één liergiek. Aan de voormast zijn twee boordlichten bevestigd en aan stuurboord is een vlag in het want gehangen (wit en blauw kruis). De achtermast wordt gehouden door vier stagen: twee daarvan lopen naar voren en zijn vastgezet op de boeisels, de andere twee lopen naar achter en zijn vastgezet op het dak van de machinekamer. Ook de achterste liermast is voorzien van één liergiek. Tussen de twee masten loopt een (antenne)draad met bollen). De romp: Scherpe, schuine voorsteven. Rond achterschip. Vlakke bodem. Het schip van voor naar achter: Op het verhoogde voordek de lier voor de twee ankers, die uit de kluisgaten hangen. Op de voorsteven de naam van het schip: 'PALOMA'. Op het voordek de voorste liermast, een luik, twee naar achteren gerichte pijpen en een stander met werklantaarn. Op de boeisels staan relings en bolders. Het voordek is bereikbaar met twee trappen. Het ruim bestaat uit twee delen met daartussen een dek. Op dat tussendek een mik voor de gieken van de beide liermasten en een kist (voor kabels, wrijfhouten en blusapparatuur). Het ruim wordt afgesloten door dwars gelegde planken. De middelste planken zijn niet geplaatst, maar schuin op de andere gelegd, zodat in het ruim kan worden gekeken. Het verhoogde achterdek is bereikbaar met twee trappen. Net voor de opbouw staat de achterste liermast. Aan weerszijden daarvan twee voorwaarts gerichte pijpen. Op het achterdek de opbouw. In de zijwanden daarvan aan weerszijden vier deuren en in de achterwand één deur. Het bovendek loopt van boord tot boord, zodat het gangboord langs de deuren van de opbouw overdekt is. De verblijven daaronder zijn voorzien van patrijspoorten. Op hetb bovendek is de houten stuurhut. Op het dak daarvan een hoorn, een antenne en een zoeklamp. Achter de stuurhut de opbouw van de machinekamer met daarop de schoorsteen. Op het bovendek bevinden zich verder nog een kompas, een kist, een hekwerk rond een trap, een Nederlandse vlag, twee boordlichten en twee in davits gehangen reddingboten. Op het achterschip: 'PALOMA GRONINGEN' Kleuren: De romp is zwart. Het onderwaterschip is groen. De dekken zijn zwart. De boeisels zijn aan de binnenkant bruin. Ook de randen van de ruimen zijn bruin. De opbouw is wit. Het dak van de stuurhut is groen en dat van de machinekamer bruin. De schoorsteen, de pijpen en de liermasten zijn geel. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieDe kustvaarder Paloma werd in 1955 gebouwd op de scheepswerf Gebroeders Coops te Hoogezand. De afmetingen van het schip: lengte 51.93 meter, breedte 8.40 meter, holte 3.55 meter en DW 640 ton en 493 BRT/281 NRT. Opdrachtgever was Jan Wester (1918-1973. Het schip voer in 1967 in lijndienst, voornamelijk tussen havens op de Rijn en Noorse havens. Kapitien was Chr. Nannen. Op 23 maart 1967 zonk het schip met 510 ton kopererts bij de Elbemonding door een gesprongen huidplaat. De bemanning kon het schip opt tijd verlaten en werd gered., Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 21
- G.J. Mulder, De schepen van de famile Westers, p. 34-35
BeschrijvingScheepsmodel van een driemastbark. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet en het met een ezelshoofd daaraan bevestigde kluifhout worden van boven gehouden door de voorstagen aan de fokkemast. De boegspriet wordt aan de onderkant gehouden door twee waterstagen (kettingen) op de voorsteven. Het kluifhout wordt gehouden door drie waterstagen die lopen via een stampstok (schuin naar beneden wijzende stok aan de boegspriet, ook wel Spaanse ruiter genoemd) en aan weerszijden met twee stagen die zijn vastgezet op de voorsteven en de kraanbalken. Ook loopt van het kluifhout een boegwant van aan weerszijden twee stagen, via uitzetters aan de kraanbalken, naar het boeisel achter de kraanbalken. De boegspriet steekt aan de achterkan door het voordek naar binnen en is op het voordek vastgezet in een stoel en een klos. De drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. De fokkemast en de grote mast zijn gedeeld in drieën: een mast een marssteng en een bramsteng. De bezaanmast is gedeeld in tweeën: een mast en een (mars)steng. Bij de fokkemast en de grote mast worden de verbindingen tussen mast en bramsteng gemaakt door een mars (kraaiennest) en een ezelshoofd. Bij dezelfde masten worden de verbindingen tussen marssteng en bramsteng worden gemaakt door twee ezelshoofden waarvan de onderste is voorzien van een dubbele zaling. Bij de bezaanmast wordt de verbinding tussen mast en steng gemaakt door twee ezelshoofden, waarvan de onderste is voorzien van een dubbele zaling. De fokkemast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven, door een staand want van vijf hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De fokkemarssteng wordt gehouden door een voorstag op de boegspriet, door een staand stengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars en door een dubbel lopend want (bakstag). De fokkebramsteng wordt gehouden door een voorstag op het kluifhout, door een staand want van twee hoofdlijnen op de zalingen en door een lopend want (bakstag). De grote mast wordt gehouden door een voorstag aan de fokkemast, door een staand want van vijf hoofdtouwen met weeflijnen en door een lopend want (bakstag). De grote marssteng wordt gehouden door een voorstag op het ezelshoofd van de fokkemast, door een staand stengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars en door een dubbel lopend want (bakstag). De grote bramsteng wordt gehouden door twee voorstagen op de fokkemarssteng, door een staand stengewant van twee hoofdtouwen op de zaling en door een lopend wanten (bakstag). De bezaanmast wordt gehouden door een voorstag aan de grote mast en door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen. De bezaansteng wordt gehouden door twee voorstagen aan de marssteng van de grote mast, door een staand stengewant van twee hoofdtouwen op de zalingen en door twee lopende wanten (bakstagen). De staande en lopende wanten zijn zonder rusten (horizontale balken) vastgezet op puttingijzers. Het model is niet uitgerust met zeilen. Aan de rondhouten, vallen en schoten is echter wel af te leiden welke zeilen er op het schip gevoerd kunnen worden. Tussen de fokkemast en de boegspriet c.q. kluifhout passen een jager, een buitenkluiver en een binnenkluiver. Aan de fokkemast hangen vier ra's waaraan een fok, een voorondermarszeil, een voorbovenmarszeil en een voorbramzeil gehangen kunnen worden. Aan de grote mast eveneens vier ra's voor vier razeilen: het grootzeil, het grootondermarszeil, het grootbovenmarszeil en het grootbramzeil. De twee onderste ra's van de fokkemast en van de grotemast zijn voorzien van spieren, uitschuifbare ra's waaraan de lijzeilen uitgehaald konden worden. In totaal konden er acht lijzeilen uitgehaald worden. Aan de bezaanmast geen ra's maar een gaffel en een giek voor een gaffelzeil. Tussen de drie masten kunnen aan de stagen langsscheepse stagzeilen en vliegers gehesen worden. Ook boven de gaffel van het bezaanzeil kan een gaffeltopzeil worden gehesen. De onderste ra's van de fokkemast en de grotemast zijn opgehangen in metalen beugels. De andere ra's zijn opgehangen met vallen, die zijn belegd op nagelbanken tegen de binnenkanten van de boeisels. De gaffel van de bezaan hangt in een nokkeval. De top van de gaffel wordt gehouden door dubbel getakelde geerden, die zijn vastgezet op de hoeken van de spiegel. Voorts loopt van de nok van de gaffel naar de bakboordhoek van de spiegel een neerhaler. Ook tussen gaffeltop en giekuiteinde loopt een lijn. De schoten van de razeilen lopen ofwel rechtstreekts naar onderen (de onderste twee razeilen) ofwel via blokken in de mast erachter (de schoten van de razeilen van de fokkemast lopen via blokken aan de grote masten en de schoten van de razeilen van de grote mast lopen via blokken in de bezaanmast. De schoten van de bezaangiek zijn vastgezet op de hoeken van de spiegel. De boelijnen (gebruikt om de ra's schuin naar voren te trekken om scherp aan de wind te kunnen zeilen) ontbreken. In de toppen van de masten knoppen (kloten). Op het schip staan geen vlaggen. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en voorzien van een scheg. Het achterschip heeft van boven een platte spiegel en is van onderen scherp en geveegd. De bodem is in het midden buikig. Het model van voor naar achter: Onder de boegspriet de met drie biezen versierde scheg, met daarop een boegbeeld in de vorm van een mannenbuste. Op het boeisel achter de boegspriet een houder (mik?). Eén van de waterstagen loopt er onderdoor en is vastgemaakt op de braadspil op het voordek. Aan het voorboeisel zijn de kraanbalken gemaakt, die zijn voorzien van uitzetters voor het boegwant. Aan geen van beide kraanbalken hangt een anker. Het dek bestaat uit één verdieping (geen verhogingen). Voor de fokkemast op het voordek de stoel en de klos van de boegspriet en een braadspil. Achter de fokkemast een luik, een opbouw met daaroverheen een soort houder (tweede mik?) en een luikhoofd. Achter de grote mast een nagelbank, een kaapstander en twee luikhoofden. Achter de bezaanmast een opbouw en een opbouw waarin aan de voorkant het stuurrad is te zien en aan de achterkant de roerspil. De spiegel is versierd met profiellijsten in de vorm van een klassiek fries. Kleuren: De romps is zwart. Het onderwaterschip is goud/bronskleurig. Het berghout en de biezen op de scheg en de profiellijsten op de spiegel zijn wit. Het boegbeeld is wit. De binnenkanten van de boeisels en enkele opbouwen en de kleine luiken zijn eveneens wit. Het dek, de braadspil, de nagelbank, de kaapstander en het grote luik zijn gelakt. De masten zijn geheel wit. De stengen zijn gelakt en alleen aan de bovenkant wit geverfd. De ra's en de gaffel zijn zwart en zijn voorzien van witte uiteinden. De giek is geheel wit. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieDe tuigage is in 1958 geheel vernieuwd door J. Hazenberg te Rotterdam.
In de 19de eeuw was een bark een schip met drie, vier of vijf masten, waarvan de achterste mast niet vierkant maar langsscheeps getuigd was. Sindsdien bleef dat het voornaamste kenmerk van de bark. Barken werden in Friesland voornamelijk aangetroffen in de haven van Harlingen. Ze werden gebruikt voor het vervoer van hout., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 21 juli 1958
BeschrijvingSpeelscheepje. Type Kemphaan. Op spanten gebouwd.
Rondhouten en tuigage Het speelscheepje heeft één mast. De mast is voorzien van twee zalingen; de bovenste is V-vormig, de onderste is recht. De mast wordt aan de voorkant gehouden door twee metalen voorstagen die zijn vastgezet op een gatenrail op het voordek. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door vier metalen zijstagen. De bovenste zijstag loopt van de top van de mast, via de bovenste zaling en is vastgezet op de kruising van de onderste zaling. De tweede en derde zijstag lopen van de mast naar de onderste zaling en zijn vastgezet op de dekrand. De vierde zijstag loopt van de onderste zalingkruising naar de dekrand en is daar vastgezet. Aan de achterkant wordt de mast gehouden door een metalen achterstag, die is vastgezet op de spiegel. De mastvoet rust in een glijrail en is daardoor naar voren en naar achteren verstelbaar. De zeilen zijn van witte dacron: een boomfok en een grootzeil. Het voorlijk van de fok is geregen in een metalen draad, die loopt via een blok aan de bovenste zaling en is vastgezet op de onderste zaling. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek. Het onderlijk van de fok is voorzien van een boom. Aan de boom is een blok bevestigd met daaraan de fokkeschoot, die met een ring is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. Het grootzeil heeft de vorm van een Bermudazeil (torentuig). de piekeval is van metaal en loopt door een gat in de top van de mast naar beneden en is vastgezet aan de voet van de mast. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgezet in gaten die in de mast zijn geboord. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillaten ingenaaid. Het onderlijk van het grootzeil is aan voor- en achterkant vastgemaakt aan de giek. De giek hangt aan de voorkant met een zwanehals aan een oog in de mast (het oog ontbreekt). De grootschoot loopt via een blok aan de giek en is met een metalen oog vastgezet aan een metalen overloop op het achterdek. Op de top van de mast een rode windvaan. De op het model gebruikte blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: het voorschip is scherp en heeft een overhangende (extreme) lepelboeg. Het achterschip is eveneens overhangend en is voorzien van een schuine, platte spiegel. De romp is opgebouwd op een knikspant. De bodem is voorzien van een kiel, die is verzwaard met metaal. Het roer is opgehangen aan de kiel.
Het model van voor naar achter: Het speescheepje is gladdeks. Van de voorsteven naar de spiegel loopt over de rand van het dek een stootrand en een waterlijst. Op het voordek T-vormige, metalen gatenrail, waaraan de voorstagen en de fokkehals zijn bevestigd. Voor de mast de metalen overloop voor de fokkeschoot. Daarachter de houten glijrail van de mastvoet. Achter de mast een granaatvormige kuiplijst, die is geplaatst op het dek (geen echte kuip). In de 'kuip' is een luik gemaakt. Ter hoogte van de kuip is aan weerszijden op de boorden de naam van het speelscheepje geschilderd: 'DAY-DREAM'. Achter de kuiplijst steekt de spil van het roer schuin omhoog uit het dek. Aan de roerspil is een krom helmhout gemaakt. Achter het roer de metalen overloop van de grootschoot.
Kleuren De romp is wit. Het onderwater schip is bronskleurig met op de waterlijst een groene bies. Het dek en de rondhouten zijn gelakt. De stander is ongeverfd.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje van het model Kemphaan werd ontworpen door A. van Oudgaarden te Schiedam. Het tijdschrift De Modelbouwer wijdde in 1939 een heel nr. aan de beschrijving van de bouw van dit speelscheepje. Het tijdschrift leverde op verzoek ook het hout en de benodigde verf., Johan Keikes uit Sneek maakt het speelscheepje. Het is later voorzien van nieuwe zeilen., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 22
- Waterkampioen 1939, p. 82, 137-138
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van een driemastfregat. Blokmodel van teakhout, afgewerkt met been. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet wordt gehouden door een waterstag op de voorsteven en loopt over de scheg naar binnen. Op de boegspriet rust het kluifhout. Dat hangt in drie voorstagen en wordt gehouden door een dubbel waterstag via een stampstok (schuin naar beneden wijzende stok, ook wel Spaanse ruiter genoemd), door een boegwant van twee door een uithouder geleide touwen en twee hoofdtwouen aan elke zijde. De drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. Alledrie masten bestaan uit drie delen: een mast, een marssteng en een bramsteng. Masten, stengen en ra's zijn gemaakt uit been. Bij alledrie masten zijn de marsstengen aan de mast verbonden met een mars (kraaiennest) en een ezelshoofd. De marssteng en de bramsteng zijn met elkaar verbonden door twee ezelshoofden, waarvan de onderste is voorzien van een zaling. De fokkemast wordt gehouden door een voorstag op de boegspriet, door een staand want van zes hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders) en door een lopend want (bakstag). De marssteng van de fok wordt gehouden door een voorstag op het kluifhout, door een staand stengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars en door een lopend want (bakstag). De bramsteng van de fokkemast wordt gehouden door een staand stengewant op de zalingen van de marssteng en door een lopend want (bakstag). De grote mast wordt gehouden door een voorstag op een klos bij de fokkemast, door een staand want van zes hoofdtouwen met weeflijnen en door een lopend want (bakstag). De marssteng wordt gehouden door een voorstag op de mars van de fokkemast, door een staand stengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars van de grote mast en door een lopend want (bakstag). De bramsteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de zaling van de fokkemast, door een staand stengewant van twee hoofdtouwen op de zaling van de grote mast en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast word gehouden door een voorstag die is vastgezet aan de voet van de grote mast, door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen en door een lopend want (bakstag). De marssteng van de bezaanmast wordt gehouden door een voorstag op de mars van de grote mast, door een staand stengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars van de bezaanmast en door een lopend want (bakstag). De bramsteng van de bezaanmast wordt gehouden door een voorstag op de zaling van de grote mast, door een staand stengewant van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Alle staande en gaande wanten zijn via rusten (horizontale balken aan de buitenkant van het boeisel) vastgezet op metalen ogen. Het model is niet uitgerust met zeilen. Aan de rondhouten, vallen en schoten is echter wel af te leiden welke zeilen op het schip gevoerd konden worden. Aan de fokkemast passen drie kluivers (jager, buitenkluiver en binnenkluiver) en vier razeilen (fok, voorondermarszeil, voorbovenmarszeil en voorbramzeil). Aan de grote mast passen ook vier razeilen (grootzeil, grootondermarszeil, grootbovenmarszeil en grootbramzeil). Aan de bezaanmast kunnen drie razeilen (begijnzeil, kruiszeil en grietje) en een gaffelzeil gevoerd worden. De twee onderste ra's van de fokkemast en de grote mast zijn uitgerust met spieren, uitschuifbare ra's waaraan lijzeilen bevestigd konden worden. In totaal konden er derhalve acht lijzeilen worden bijgezet. De vallen van de ra's zijn vastgeknoopt aan de masten en stengen (niet beneden belegd). De schoten van de zeilen lopen ofwel rechtstreeks naar beneden (van de onderste razeilen) ofwel via blokken in de mast erachter (de bovenste ra's van de fokkemast en de grote mast) of ervoor (de bezaanmast). De onderste ra's zijn voorts voorzien van boelijnen (gebruikt om een ra schuin naar voren te trekken om scherp aan de wind te kunnen zeilen). De gaffel van de bezaan wordt gehouden door twee geerden, die zijn vastgezet op het achterschip. Ook is deze gaffel voorzien van een neerhaler. De ra's zijn zodanig getuigd dat de ra's schuin staan, met de stuurboord kant van de ra's naar voren wijzend. In de top van de grote mast een rood-gele vlag. Aan de neerhaler van de bezaangaffel een rood-witte-blauwe vlag (het blauw is verkleurd). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en is voorzien van een scheg. Het achterschip is van boven rond en van onderen scherp en geveegd. De bodem is voorzien van een kiel. Het model van voor naar achter: Op de scheg een boegbeeld in de vorm van een mensenfiguur in lang gewaad. Het boeisel van het schip is ter hoogte van het voordek en het middendek aan de bovenkant gegolfd van vorm. Op het verhoogde voordek twee bolders (met rode en groen kop en twee naar voren wijzende metalen kanonnen. Achter de scheg steken twee kraanbalken schuin naar voren. Daaraan hangen de ankers, waarvan de kettingen door de kluisgaten naar binnen lopen. Het voordek wordt aan de achterkant afgesloten met een brede dekplank. Naar het lagere middendek lopen aan weerszijden twee trappen. Op het middendek de fokkemast en de grote mast. Voor de fokkemast een klos waarop de voorstag van de grote mast is vastgezet. Tussen de fokkemast en de grote mast twee luikhoofden en achter de grote mast een derde luikhoofd. Aan weerszijden steken op het middendek zes kanonnen door de geschutspoorten. Van zeven van deze kanonnen (aan stuurboord drie en aan bakboord vier) ontbreken de metalen lopen. Naar het verhoogde achterdek gaan twee trappen. Het achterdek wordt aan de voorkant afgesloten door een benen dekplank. Op het achterdek de bezaanmast, met ervoor en erachter een luikhoofd. Aan weerszijden van het achterste luikhoofd twee naar achteren gerichte kanonnen. Voorts op het achterdek een stuurkast met stuurwiel en daarachter de boogvormige toegang tot het achteronder. Het achterdek wordt omgeven door een touwreling. In de wanden van het schip zijn twee rijen geschutsopeningen gemaakt, waarvan de onderste zijn afgesloten met luiken. In de bovenste rij twaalf geschutspoorten (inclusief die van het middendek) en daaronder een rij van dertien. Dat maal twee en met de vier kanonnen op het voordek en op het achterdek, brengt het totaal aantal kanonnen op 54. Over het want van de fokkemast hangt aan beide zijden een benen rondhout, waarvan de functie niet bekend is. Naast masten, en rondhouten zijn ook op het dek een aantal onderdelen van been gemaakt. Op het voordek zijn de bolders, de dekplank en de afuiten van de kanonnen van been. Op het middendek zijn de vier trappen, de drie luiken de klos van een voorstag en de afuiten van been gemaakt. Op het achterdek zijn de twee luikhoofden, de toegang tot het achteronder en de afuiten uit been vervaardigd. Kleuren: De romp is zwart. Het onderwaterschip is bruin. Boven het berghout, bij de onderste rij geschutspoorten, is een witte band aangebracht. De luiken van de geschutspoorten zijn rood. Het boeisel is wit en aan de binnenkant rood. De scheg en het boegbeeld zijn goudkleurig geverfd. De dekken zijn gelakt. De stander is geschilderd in de kleuren groen en zwart. Accessoires: Stander met grondplaat.
AchtergrondinformatieTussen 1857 en 1953 hebben vier generaties van de familie Wildschut een scheepswerf gehad in Gaastmeer. - Roelof Ages Wildschut (geboren Heeg 1800) en zijn vrouw Baukje Oosterwerf vestigden zich in 1857 vanuit Heeg in Gaastmeer. Hij was scheepstimmerman. Ze hadden vier kinderen: Trijntje, Lourens, Hendrik en Jetze. - Lourens (geboren in Heeg in 1835, overleden in Gaastmeer in 1886) nam de werf van zijn vader over. Hij was getrouwd met Aukje Tjipke van Netten (overleden in 1908). Ze hadden vier dochters en vijf zoons (Roelof, Tjipke, Age, Jelle en Jetze). De werf bouwde voornamelijk houten vrachtschepen (Tjalken) en vissersschepen (vooral Staverse jollen). - Roelof Wildschut (geboren 1866) nam de zaak over, samen met zijn broers. Eerst met broer Tjipke (geboren Gaastmeer 3 juli 1871, overleden Gaastmeer 25 mei 1901). Tjipke trouwde op 7 okt. 1893 met Sjoukje Jikke Dam (geboren Beets 15 nov. 1875 en overleden te Oudega 19 aug. 1897). Ze hadden twee kinderen: Harm (geboren te Oudega 19 jan. 1894) en Aukje (jong gestorven in 1896). Na de dood van Tjipke in 1901 zette Roelof de zaak voort met zijn drie andere broers. Rond 1900 werd overgegaaan op de bouw van ijzeren schepen. Maar de werf bood niet genoeg werk voor alle vier broers. In 1909 vestigde Roelof zich als boer in Wyckel, na onenigheid met zijn broers te hebben gehad. De werf werd voortgezet door Jelle, Age en Jetze Wildschut. Maar zonder veel succes. De vraag naar schepen daalde door het verval van de visserij op de Zuiderzee en de toename van het vrachtvervoer over land. In 1921 vertrok Jelle Wildschut naar Amerika, in 1924 gevolgd door Age. In 1926 keerde Age ziek terug uit Amerika, zijn vrouw en kinderen achterlatend. Hij stierf in 1942 in Sneek zonder zijn familie ooit terug te hebben gezien. Jetze Wildschut bleef achter op de werf in Gaastmeer. - Samen met zijn zoon Lourens ging hij zich toeleggen op de bouw van schepen voor de pleziervaart: B.M.-ers, motorboten en roeiboten. In 1953 vertrok ook Lourens Wildschut naar Amerika en kwam een einde aan de werf.
Een fregat is in het algemeen een oorlogsschip met één volle laag geschut, soms aangevuld met kanons op bak en campagne. Het fregat had meestal één of twee dekken en weinig opbouw. De eerste Nederlandse fregatten hadden een platte spiegel. Na 1720 werd deze, onder invloed van Engelse bouwmeesters, vervangen door ronde spiegels. Ze waren als volschip getuigd: drie masten. De vorm en de bouw waren gericht op snelheid en niet op een hecht constructie, zoals bij linieschepen. Ze waren bestemd om dienst te doen als verkenner of voor het overbrengen van berichten. De vroege fregatten waren derhalve klein en bewapend met niet meer dan twaalf stukken. Latere fregatten waren groter en voerden 54-60 stukken. In de negentiende eeuw waren er ook koopvaardijfregatten, die qua vorm en tuigage leken op de oorlgosfregatten, maar waren ingericht voor de handelsvaart., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 25 mei 1951, 26 maart 1970, 9 juli 1970
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1950.
- Ton Tekstra, 'Scheepswerf Wildschut te Gaastmeer' in: Spiegel der Zeilvaart 1988, nr. 1, pp. 27-31.
BeschrijvingSpeelscheepje dat lijkt op een beurtschip met een spiegel, genaamd De Jonge Bruinsma. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast heeft een naar voren gebogen top. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door twee zijstagen op de boeisels. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfoek en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is gehaakt aan de voorsteven. Aan de schoothoek van de fok een jufferblok voor de fokkerschoten. De vast einden van de fokkeschoten zijn vastgeknoopt aan een ring op het boeisel. De schoten lopen dan door het de blokken aan de schoothoek en zijn met het halende eind geregen door de ringen waaraan de zijstagen zijn vastgezet. De schoten zijn niet belegd. In de fok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil heeft een lange rechte gaffel. De gaffel wordt gehesen met de klauwval en de piekeval. De piekeval loopt door twee blokken aan de mast en één blok aan de gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is vastgeknoopt aan de mast. De halstalie is belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is niet vastgezet op een giek: er wordt gezeild met losse broek. De grootschoot is bevestigd aan een metalen ring in de onderkant van het achterlijk. De grootschoot loopt door een vioolblok aan het zeil een een hakkeblok dat is vastgezet op het achterdek. De schoot is belegd op dit hakkeblok. De top van de gaffel wordt in bedwang ghouden door geerden. Aan de top hangt een blok aan een touw. De geerden lopen door dit blok. Het vaste eind is aan bakboord vastgezet op de spiegel en het losse eind is belegd op een klamp aan de spiegel. In het zeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op het schip worden geen vlaggen gevoerd. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip heeft een platte spiegel. De bodem is buikig en voorzien van een grote kiel.
Het model van voor naar achter: Op het voordek een braadspil. Op de boeisels van het voorschip zijn twee bolders gemaakt. Aan de voet van de mast een nagelbank. Daarachter een luikhoofd met langsscheepse bolle luiken. In het boeisel zijn aan weerszijden drie spuigaten gemaakt. Het achterdek is verhoogd. Op het achterdek een luikhoofd met dwarsscheepse bolle luiken. Daarachter het hakkeblok en van de grootschoot en het roer. De spil van het roer steekt net voor de spiegel uit het achterdek. Op de kop van de spil is een afneembaar helmhout geplaatst. De spiegel is aan de buitenkant versierd met snijwerk: bladertaken en bloemen rond vijf toogvormige ramen. De twee buitenste ramen zijn voorzien van glas. De andere drie ramen zijn geschilderd. Onder de ramen de naam van het schip (uitgesneden, opliggende letters): 'DE JONGE BRUINSMA / 1782'.
Kleuren: De romp is donkergroen. Het onderwaterschip is rood, evenals de band van de spuigaten. Het boeisel is aan de buitenkant groen en aan de binnenkant rood. Het dek en de braadspil is rood. De luikenkappen en het helmhout zijn groen. De rondhouten zijn ongeverfd. De spiegel is wit en het snijwerk is beschilderd in de kleuren rood en groen.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is niet gebouwd naar een bestaand model. De romp doet denken aan een beurtschip of tjalk. De spiegel lijkt echter op die van een bootschip. Het is het oudste speelscheepje van Nederland. Het heeft alle kenmerken van een speelscheepje: robuust van makelij met een grote kiel en een groot roer., literatuur:
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1962, p. 11-12
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelScheepsmodel van een palingaak, genoemd de Jonge Wieger.
VervaardigerBruin, Wieger
Trefwoordenpalingaken
Objectnummer1990-498
Periode van1990
Periode tot1990
BeschrijvingScheepsmodel van de palingaak De Jonge Wieger. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een boegspriet. De mast steekt door het voordek. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag die met een peervormig jufferblok met vijf gaten is bevestigd op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande want aan stuurboord is voorzien van weeflijnen (touwladder), dat aan bakboord niet. De staande wanten zijn getakeld met paren jufferblokken (doodskoppen) met drie gaten. De bovenste jufferblokken zijn met touw gestrop en de onderste met metaalbeslag. Deze onderste jufferblokken zijn bevestigd aan puttingijzers op de boorden. De kluiverboom rust aan de achterkant in de kluiverboomstoel op het voordek. De boom wordt naar voren gesjord met een touw dat loopt over een koperen schijf in de achterkant van de kluiverboom. Het touw dat langs deze schijf loopt is belegd op de kluiverboomstoel. Aan stuurboordzijde rust de kluiverboom in een beugel aan de voorsteven. De kluiverboom wordt niet gestaagd door een waterstag of een boegwant. De punt van de kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de mast. Deze kraanlijn is belegd op een korvijnagel in het staande want aan stuurboord. Langs de onderkant van de kluiverboom een looptouw met knopen (ook wel paard genoemd).
De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiverfok een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiverfok wordt uitgezet met een traveller. Deze wordt naar voren gehaald door een schijf in de top van de kluiverboom. Het touw aan de traveller is belegd op de kluiverboomstoel. Van de traveller loopt een touw via een blok aan de top van de mast en is belegd op een korvijnagel in het staande want aan bakboord. Het voorlijk van de kluiverfok is met touwleuvers aan deze lijn bevestigd. De stuurboord-kluiverschoot is belegd op een bolder op het voorschip. De bakboord-kluiverschoot loopt voor het jufferblok van de voorstag langs en ligt opgeschoten op het voordek (aan bakboord). Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de voorstag. In de top van de fok een metalen fokkegaffel voor de fokkeval. De hals van de fok is met twee blokken getakeld op de voorsteven en is belegd op de kluiverboomstoel. De fokkeschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de schoothoek van de fok en door een dubbelschijfs hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. De stagfok is voorzien van een dubbele rij reeftouwen.
Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel. De gaffel wordt gehesen met een dubbel getakelde piekeval (twee blokken op de gaffel en twee blokken aan de mast) en een klauwval (een dubbelschijfsblok op de klauw en en een dubbelschijfsblok aan de mast). Het voorlijk van het grootzeil is met masthoepels aan de mast bevestigd. De halstalie is met het vaste part bevestigd op een oogbout in het dek en is getakeld door een dubbelschijfs blok aan de hals en een enkelschijfs blok op het dek (als een drieschijfs talie of derde hand). De halstalie is belegd op de nagelbank. De onderkant van het achterlijk is vastgezet op de achterkant van de giek. De voorkant van de giek hangt met een scharnierbare lummel in een dubbel oog aan de mast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn, die bij de mast is getakeld met een vioolblok en een dubbelschijfs blok. Van de nok van de gaffel loopt aan beide kanten van het zeil een gijtouw naar een oog in het voorlijk van het grootzeil. Ze zijn belegd op de nagelbank. De grootschoot loopt door een, los aan de giek gestropt, drieschijfs blok en is belegd op een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgemaakt aan een korte overloop op het achterdek. Het grootzeil is voorzien van drie rijen reeftouwen. Het zeil kon al zeilende gereefd worden. Met de gijtouwen aan de gaffeltop kon het achterlijk neergehaald worden. De onderkant van het achterlijk werd neergehaald door een smeerreep aan de giek. Deze lijn is met het vaste eind vastgezet aan de achterkant van de giek. De smeerreep loopt door de onderste reefring (grommer) in het achterlijk door een schijf op de giek en is langs de giek getakeld door een vioolblok en een een enkelschijfs blok en is aan de voorkant van de giek op een houten klamp belegd. De vallen van de kluiverfok, de stagfok en het grootzeil, alsmede de kraanlijn van het grootzeil zijn belegd op klampen en korvijnagels op de nagelbank. Op de top van de mast een blauwe vleugel met Hollands hoekje. Langs de bovenrand van de vleugel een houten scheerhout. Op de rug van het roer staat in een vlaggenstokhouder een rechte vlaggenstok met rood-wit-blauwe vlag. Aan een uitzetter aan bakboord is een toplicht met rondschijnend wit licht gehesen. De lijnen van het toplicht zijn vastgezet op een korvijnagel in het staande want aan bakboord. De blokken zijn van hout, zijn voorzien van metaalbeslag en van lopende schijven.
De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en in het midden vlak. De bodem is voorzien van bunplaten met gaten. In zijn geheel heeft de romp een tjalk-achtige vorm.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is over de gehele hoogte voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Over het boeisel van het voorschip hangen twee stokankers. Deze zijn met touwen geborgd aan de knoppen van de braadspil. Het anker aan bakboord heeft een ankerketting. Deze ketting loopts over het boeisel, door het kluisgat, over de braadspil, over het voordek en door een klapmuts (L-vormige buis) naar binnen. Het anker aan stuurboord heeft een ankertouw. Dit touw loopt over het boeisel, door het kluisgat, over de braadspil en is opgeschoten op het voordek. Achter de voorsteven steekt een metalen pijp uit het voordek. Het is de schoorsteen van de haard in het vooronder (het verblijf van de bemanning). Achter de schoorsteen de braadspil, de kluiverboomstoel, een luikhoofd met scharnierend luik (van het vooronder) en een luikhoofd met los luik. Door dit laatste luik was het zogenaamde schapehok bereikbaar, een ruim waar tuigage, touwwerk en reserve-onderdelen werden opgeslagen. Net voor de mast de overloop van de de fokkeschoot. Tegen het boeisel van het voorschip zijn twee bolders gemaakt en twee relingen (latten in metalen houders). Op het voordek liggen een aantal losse onderdelen: een reddinggordel met daarop 'DE JONGE WIEGER HEEG' en twee kleine ankers met opgeschoten ankertouwen. Naast de mast bevindt zich aan bakboord een lenspomp, waarvan het handvat uit het dek steekt. Achter de mast een watervat. Over de gehele breedte van het schip loopt over het dek achter de mast een brede waterbalk. Op de uiteinden daarvan zijn haken gemaakt die over het boeisel naar buiten steken. Aan deze haken hangen de zwaarden, zodanig dat ze los van de boorden kunnen bewegen (zeezwaarden). De zwaarden hebben spitse koppen die met halve-maanvormen zijn verdikt. Langs de randen van de onderkanten van de zwaarden metaalbeslag. Ook overdwars zijn metalen verstevigingsstrips op de zwaarden aangebracht. De zwaardlopers zijn kettingen. Deze lopen door een schildpadbolk op de buitenkant van het boeisel naar voren, achter het zwaard langs en zijn op het voorschip vastgehaakt in een vioolblok. Dit blok is één van de twee blokken van de zwaardtalie op het boeisel van het voorschip. De zwaardtalie's zijn in het voorschip belegd op houten klampen aan het binnenboeisel. Achter de waterlijst een groot luikhoofd met vier luiken. Dit luikhoofd is de bedekking van de trog van de bun. De bun is in drie compartimenten verdeeld. Achter het grote luikhoofd een tweede luikhoofd met daarop één groot en twee halve luiken. Onder het grote luik is de achterste trog van de bun en onder de kleine luiken de toegang tot het verblijf van de schipper onder het achterdek. Opvallend is dat beide luikhoofden niet in de hartlijn van het schip liggen, maar meer aan stuurboord. Zo bleef aan bakboord meer ruimte over om te werken. Benedendeks zijn de bunnen gebouwd. Over de topplaat van de bun (de deek) kon (gebukt) gelopen worden. Zo was het vooronder bereikbaar vanuit het achteronder (deze gang werd 'Noorwegen' genoemd). Achter het tweede luik de lichtkap van het verblijf van de schipper. De lichtkap heeft een bol dak met schoorsteen. In de wand van de lichtkap zijn ramen met traliewerken gemaakt. Achter de lichtkap de overloop van de grootschoot en twee luiken van twee stuurkuipen (bollestallen). Op het boeisel aan stuurboord staan twee metalen scepters. Daarin ligt een lange roeispaan die werd gebruikt om het schip op stroom te keren (gehaakt achter een bolder) en tijdens de reis dienst deed als reling. Op het boeisel aan bakboord een vorkvormige scepter waarin de giek kon rusten. Daarachter hangt een trapje met drie treden aan de buitenkant van het boeisel. Tegen beide boeisels zijn bolders gemaakt. Aan bakboord ligt op het dek een roeisloep met drie roeibanken en vier roeiriemen. Op het dek diverse losse onderdelen: twee schepnetten, twee stoorwillen van touw, twee aalkorven, een putsemmer met touw, stophoutjes voor de spuigaten (om te voorkomen dat paling op het dek zou ontsnappen) en een schaarmik. In het gangboord aan stuurboord liggen twee pikhaken en twee vaarbomen. Het roer hangt met vier roerhaken aan de achtersteven. Om het roer rechtstandig op te kunnen hijsen is een grondtalie aan het roer gemaakt: een ketting die is vastgezet aan de kop van de achtersteven, loopt door een schijf in het roerblad bij de derde roerhaak en is aan stuurboord met twee blokken getakeld en is daar belegd op een klamp op de kop van de achtersteven. Ook tussen de achterkant van het roerblad en het achterschip bevinden zich aan beide kanten een talie met twee blokken, die door een gat in het achterboeisel naar binnen lopen en daar zijn belegd op klampen tegen het binnenboeisel. Dit zijn de zijtalies, die bij zwaar weer werden gebruikt om het roer tegen de lijzijde van het schip te trekken, zodat het schip met de golven mee loopt. Door het stampen van het schip werd de paling misselijk en nam dan af in gewicht. Dat werd met het wegdraaien van het roer voorkomen. Op het roer een holle roerkop. Het helmhout is voorzien van een handgreep in de vorm van een nagel. Bij zwaar weer kon het roer niet gehouden worden en was een vierschijfs roertalie nodig. Dit is een touw dat loopt door twee schijven in de kop van het helmhout en door twee blokken aan het binnenboeisel. De roertalie is belegd op een bolder aan bakboord. Aan weerszijden van de achtersteven zijn op het boeisel twee naamborden geplaatst met daarop '19 DE JONGE' en WIEGER 90'. Onder het berghout zijn aan weerszijden van de achtersteven twee ramen gemaakt.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. Het achterschip is geel. Het metaalbeslag op de romp (voorsteven, puttingijzers, zwaardbeslag, veren van de roerhaken op het roer, etc.) is zwart. De dekken zijn gelakt, evenals de luikhoofden en luiken. De top van de mast is zwart. De sloep is gelakt. De lichtkap op het achterschip is groen, met een wit dak en witte tralies voor de ramen. De roerkop en het helmhout zijn groen.
Accessoires: Onder het model een stander. Op het voordek twee grote en twee kleine ankers, een reddinggordel en een watervat. Op het achterdek twee schepnetten, twee stootwillen, twee aalkorven, een reddingsloep met vier roeiriemen, een aker, stophoutjes, een schaarmik, twee vaarbomen en twee pikhaken. Bij het model hoort ook een weeginstallatie met evenaar, een schaal en een emmer.
AchtergrondinformatieDe weeginstallatie wordt apart van het model bewaard in de Biedermeierkamer D, Het model is gebouwd naar tekeningen van Wieger Bruin van de palingaak Korneliske Ykes. De tekeningen zijn gecontroleerd door Jan Zetzema en dr.ir. J. Vermeer. De romp en de rondhouten werden gebouwd door Bruin. Na diens overlijden in 1987 hebben de museumconciërges Romke Poelstra en Pieter Alkema het model voltooid: Poelstra het model en de tuigage, Alkema de zeilen. De gebruikte houtsoort in Buxushout. De naam De Jonge Wieger is gekozen omdat de naam Wieger veel voorkomt in de familie Visser van Heeg, en omdat het de voornaam van de maker is. Palingaken zijn bunschepen, gebouwd voor het vervoeren van paling van Friesland naar Londen. het zijn zware, zeewaardige schepen die behoren tot de familie van de tjalken. De steilstaande voorsteven was gebogen, de achtersteven recht. De kop en het achterschip waren volrond gebouwd, het boeisel viel licht binnenwaarts. Het grootspant was U-vormig. Het schip had een matige zeeg en was geheel gedekt. In de bun kon 11 ton paling vervoerd worden. De bun verzwakte het schip midscheeps. Daarom werd in het de palingaken veel en zwaar hout verwerkt. Het tuig was een bezaantuig. gemiddelde afmetingen: lengte 18.50 meter, breedte 4.50 meter., literatuur:
- De Friese Palingaken (vouwblad bij de gelijknamige tentoonstelling 1990-1991 in het Fries Scheepvaart Museum te Sneek).
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 13
TitelScheepsmodel van een bark. Het model is geplaatst in een vaste vitrine.
VervaardigerMolen, G. van der
Trefwoordenbarken
Objectnummer1982-360
Periode van1910
Periode tot1910
BeschrijvingScheepsmodel van een driemastbark. Blokmodel. Geplaatst in een vitrine. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft drie masten en een boegspriet. De boegspriet is aan de achterkant vastgezet op de scheg. Aan de onderkant wordt de boegspriet gehouden door een aantal waterstagen. Van de voorpunt loopt één waterstag naar een stampstok (schuin naar beneden wijzende stok, ook wel Spaanse ruiter genaamd). Vanaf het bevestigingspunt van de tweede kluiver lopend twee waterstagen via de stampstok naar de kraanbalken, waar ze op zijn vastgezet. Van de stampstok aan de boegspriet loopt een metalen waterstag via een tweede stampstok op de scheg van de voorsteven en is dat op de punt, net onder de waterlijn vastgezet. Aan de zijden wordt de boegspriet gehouden door een boegwant van aan weerszijden drie hoofdtouwen. Van de punt, het bevestigingspunt van de tweede kluiver en de stampstok lopen hoofdlijnen naar de kraanbalk, waar ze alldrie op zijn vastgezet. De masten: een voormast, een grote mast en een bezaanmast. De voormast en de grote mast zijn gedeeld in drieën. Bij beide masten zijn de verbindingen tussen mast en stengen gelijk: de verbinding tussen mast en marssteng wordt gemaakt door een metalen mars en de verbinding tussen marssteng en bramsteng wordt gemaakt door twee ezelshoofden waarvan de onderste is voorzien van een driedubbele, metalen zaling. De bezaanmast is in tweeën gedeeld. De verbinding tussen mast en steng wordt daar gemaakt door twee ezelshoofden, waarvan de onderste is voorzien van een dubbele, metalen zaling. De voormast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door en door een staand want van vijf hoofdtouwen (zonder weeflijnen). De marssteng van de voormast wordt gehouden door een voorstag op de boegspriet, door een staand stengewant van drie hoofdlijnen (zonder weeftouwen) op de mars en door een lopend want op het boeisel. De bramsteng wordt gehouden door een voorstag op de punt van de boegspriet, door een staand stengewand van twee hoofdtouwen (zonder weeflijnen) op de zalingen en door een lopend want op het boeisel. De grote mast wordt gehouden door een voorstag aan de voormast en door een staand want van vijf hoofdtouwen (zonder weeflijnen). De marssteng wordt gehouden door een voorstag op de voormast, door een staand want van drie hoofdtouwen op de mars en door een lopend want op het boeisel. De bramsteng wordt gehouden door een voorstag op zaling van de voormast, door een staand want van twee hoofdtouwen (zonder weeflijnen) op de zalingen en door een lopend want op het boeisel. De bezaanmast wordt gehouden door een voorstag op de grote mast en door een staand want van vier hoofdtouwen (zonder weeflijnen). De steng van de bezaanmast wordt gehouden door een voorstag op de mars van de grote mast, door een staand want van twee hoofdlijnen (zonder weeflijnen) op de zalingen en door een lopend want op het boeisel. Het model is niet uitgevoerd met zeilen, maar aan de rondhouten, vallen en schoten is wel af te leiden welke zeilen gevoerd kunnen worden. Aan de voormast kunnen een stagfok en twee kluivers worden gehesen. De vallen lopend via de boegspriet naar het voordek waar ze zijn belegd op een nagelbank. Voorts zijn aan de voormast vijf ra's bevestigd voor vier razeilen (fok, voorbovenmarszeil, voorbovenmarszeil en voor bovenbramzeil). De schoten van de onderste twee ra's lopen naar het boeisel en zijn daar (midscheeps) belegd. De schoten aan de bovenste drie ra's lopen naar de grote mast, maar lopen van daar niet naar beneden. Aan de grote mast zijn zes ra's gehangen, waaraan vijf razeilen gevoerd kunnen worden (grootzeil, grootbovenmarszeil, grootonderbramzeil, grootmiddenbramzei en grootbovenbramzeil). Ook hier geldt dat de schoten van de onderste twee ra's naar het boeisel lopen en daar (op het achterschip) zijn belegd. De schoten van de bovenste vier ra's zijn lopen naar de grote mast, maar lopen van daar niet naar beneden. Tussen de grote mast en de voormast kunnen eventueel twee stagzeilen gehesen worden, al zijn de vallen en schoten daarvan niet aangebracht. Aan de bezaanmast zijn geen ra's gemaakt maar een giek en een gaffel voor een langsscheeps bezaanzeil en eventueel een bezaangaffeltopzeil. De piekeval en de kraanlijn zijn bevestigd aan de bezaanmast. De bezaanschoot is met twee blokken vast gezet op het achterdek. Van de nok van de gaffel lopen twee geerden (touwen die de gaffel in bedang moeten houden) naar het achterdek, waar ze zijn belegd. Tussen de bezaanmast en de grotemast kunnen eventueel twee stagzeilen gehesen worden, al zijn de vallen en schoten daarvan niet aangebracht. In de toppen van alledrie masten een rode vlag. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven is scherp en schuin. De achtersteven is rond en geveegd. De bovdem van het schip is niet te zien. Het model van voor naar achter: De voorsteven is versierd met opgeschilderde voluten het voordek is verhoogd. Op het voordek een nagelbank, een kaapstander en twee dubbele bolders. Het voorboeisel is voorzien van een reling. Van het voordek naar het lagere hoofddek lopen twee trappen, die zijn voorzien van leuningen. Voor de voormast op het hoofddek een nagelbank. Achter de voormast een dekhuis met daarin twee patrijspoorten en in en achterwand een deur. Op het dak twee omgekeerde sloepen. Achter het dekhuis een luikhoofd. Tussen de grote mast en de bezaanmast twee metalen houders met haken, twee kaapstanders (?) en een luikhoofd. De boeisels zijn over de gehele lengte van het hoofddek voorzien van korvijnagels. Aan weerszijden van de bezaanmast staan twee watervaten. Het achterdek is verhoogd. Het is met twee trappen bereikbaar. Op het boeisel van het achterdek is een reling gemaakt. Op het achterdek, achter de bezaanmast, een dekhuis met patrijspoorten in de zijwanden en een deur in de achterwand. In het dak van dat dekhuis een lichtkap en een bolle verhoging voor de deur. Achter de grootschoot bevindt zich de stuurkast met stuurwiel. Kleuren: De romp is zwart. het onderwaterschip is rood. onder het berghout een witte bies. De boeisels en relingen van voor- en achterdek zijn wit. De binnenkanten van de boeisels van het lage hoofddek zijn rood. De dekken zijn ongeverfd. Het voorste dekhuis en de erop liggende sloepen zijn wit. Van het achterste dekhuis zijn de wanden ongeverfd en het dak wit. de luiken zijn gelakt. De watervaten zijn wit. De masten, ra's en andere rondhouten zijn gelakt. De toppen van de tengen zijn wit evenals de overgangen van mast en stengen (bij de ezelshoofden). De zee is turquoise-wit geschilderd. Accessoires: Het model is geplaatst in een vaste vitrine. De zijwanden daarvan zijn van glas. De voor- en achterwanden zijn van hout, evenals de bovenwand. De bovenwand is voorzien van ruitvormige profileringen. De houten delen van de vitrine zijn beschilderd in een houtnerg-imitatie. De voor- en achterwand zijn aan de binnenkant blauw geschilderd. De zee is gemaakt van geplakt touw.
AchtergrondinformatieGerrit van der Molen is geboren op 27 juni 1873 te Koudem en overleden te Sneek op 3 nov. 1959. Hij voer aanvankelijk op de visloggers van Vlaardingen. Werd later broodbezorger bij bakker Oppenhuizen van de Kruisebroederstraat. Hij maakte diverse flessenscheepjes. Hij is de grootvader van de schenker., In de 19de eeuw was een bark een schip met drie, vier of vijf masten, waarvan de achterste mast niet vierkant maar langsscheeps getuigd was. Sindsdien bleef dat het voornaamste kenmerk van de bark. Barken werden in Friesland voornamelijk aangetroffen in de haven van Harlingen. Ze werden gebruikt voor het vervoer van hout., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 17
TitelScheepsmodel van een botter, een zogenaamde koopschuit.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenbotters
Objectnummer1982-235
Periode van1975
Periode tot1980
BeschrijvingScheepsmodel van een botter. Op spanten gebouwd. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De mast wordt gehouden door een voorstag van metaaldraad. Tussen de metalen voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken en die is op de voorsteven. De kluiverboom is door een ring aan de voorsteven uitgezet. Aan de achterkant is de kluiverboom gehaakt in een blok op het voordek. De rondhouten zijn voorzien van beslag dat van koper is gemaakt. De zeilen zijn van bruine katoen: een grootzeil, een fok een een kluiver. De kluiver wordt met een traveller uitgezet op de kluiverboom. De val van de traveller is belegd op een blok op de kluiverboom. De beide schoten van de kluiver zijn vastgezet op klampen aan de binnenkant van het voorboeisel. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers vastgemaakt aan de voorstag. De hals van de stagfok is gehaakt in een ring op de voorsteven. Het achterlijk van de fok komt tot achter de mast (zogenaamde staartfok of genua). De fokkeschoot loopt door een blok aan het zeil. Aan de voorkant van de schoot is een lus gemaakt die is gehaakt achter een klamp aan een spant in het achterschip. Het andere einde van de fokkeschoot is belegd op een klamp aan een spant bij de achterbank. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het voorlijk is met raktouwen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is met een halstalie vastgemaakt op een klamp op de wand van het vooronder. In het grootzeil is een enkele rij reeftouwen gemaakt. In het achterlijk is een reeftouw gemaakt dat loopt door een oog op de giek, door twee blokken en tenslotte is belegd op een klamp op de giek. Het achtereinde van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot is bevestigd aan een ring om de giek. De grootschoot loopt over twee blokken en is belegd op de onderste van deze twee. Dit blok (een hakkeblok met metalen ring) is vastgezet op een houten overloop aan de achterbank. De vallen van de drie zeilen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond, maar toch ook enigszins scherp. het voorschip loopt hoog op. Ook het achterschip is rond en enigszins scherp. De bodem is rond en voorzien van metalen bunplaten. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van koperbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven geschulpte boeisels en berentanden. Op het voordek een braadspil voor het ankerketting (het anker ontbreekt). In het voordek is een vierkant luik en daarachter een lichtkap met houten traliewerk. Vlak voor de mast loopt over de de gehele breedte van het schip de waterlijst. Daarop is de metalen overloop van de fokkeschoot vastgezet. Tegen de boeisels van het voorschip zijn twee bolders gemaakt. Aan de voet van de mast een nagelbank, waarop de vallen van de zeilen zijn belegd. Vlak achter de mast is de wand van het verblijf onder het voordek. In de wand is aan bakboord een ruitvormig raam gemaakt en aan stuurboord een dubbele deur. De wand is bevestigd aan twee grote inhouten op het grootspant. Aan deze inhouten hangen ook de smalle zwaarden. Ze zijn er met bouten en moeren aan vastgezet. Rond de bout is op het zwaard een stervorm gemaakt. De onderkanten van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag (metaaldraad). De zwaarden lopen langs brede zwaardklossen, die op het berghout zijn bevestigd. De zwaardloper gaat via een gat in het boeisel naar binnen en is daar belegd op een klamp aan op een spant. Het achterschip is voorzien van een laag dek. Voor de wand van het verblijf onder het voordek ontbreekt dit dek. Deze verlaging is nodig omdat anders de deur niet geopend kan worden. In het midden van het achterdek is de trog van de bun. Het luik van de bun ontbreekt. Op de spanten die in het achterschip te zien zijn zijn vier klampen gemaakt, waarop de fokkeschoten en de zwaardloper zijn belegd. De achterbank heeft een houten overloop voor de grootschoot. In de voorwand van het achterhuis een opening (het deurtje van het achterhuis ontbreekt). Erboven een metalen strip met gaten waarin het helmhout met korvijnagels vastgezet kan worden (stuurboog). Aan de einden van deze strip kniestukken met een korvijnagel. Het roer hangt met drie roerhaken aan de schuine achtersteven. Het is voorzien van hoge kop en een overvallend helmhout. Op de voorkant van helmhout een handgreep in de vorm van een gebogen maan. Kleuren: De romp is ongeverfd, het onderwaterschip is groen. Ook de dekken en rondhouten zijn ongeverfd. Accessoires: geen stang). een stervorm op het DeTussen Vlak achter de mast steken de uiteinden van het grootspant Kleuren: Accessoires:
AchtergrondinformatieHet model werd gemaakt naar een zogenaamde koopbotter die werd gebouwd bij scheepswerf Oost te Harderwijk. Een koopbotter werd gebruikt bij het opkopen van gevangen vis. Botters vallen op door hun sterk oplopende kop en hun aflopende achterschip. De bodem van de botter is vlak. De zijkanten zijn licht gebogen en raken voor aan de kromme steven. Over het voorschip bevindt zich het voordek met bemanningsverblijf. Achter de mast is het schip open. Hier is een ruime bun. Het achterschip is laag gehouden om de netten gemakkelijk naar binnen te kunnen trekken. Botters zijn getuigd met een grootzeil dat met één touw wordt gehesen. Opvallend is de fok, die aan de onderkant zeer breed is en ver achter de mast steekt: een zogenaamde staartfok of botterfok. Aanvullend werd soms een kluiverfok en/of een aap gehesen. Er worden vier soorten botters onderschieden: de Zuidwalbotter, de Marker botter, de Volendammer botter (of kwak) en de Noordzeebotter. Op botters viste men vooral met kuilnetten. Ze werden vorral gebouwd en gebruikt in het zuidelijke deel van de Zuiderzee: Monnikendam, Durgerdam, marken, Spakenburg, Kuinre, Blokzijl, Urk, Muiden en Huizen. Rond 1800 bevisten bijna 1000 botters de Zuiderzee. Weinige jaren later werden bij een vlootschouw op het Buiten-IJ ruim 1300 botters geteld., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 16
BeschrijvingScheepsmodel van een Olympiajol. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½.
Tuigage: Het model heeft één mast. De mast heeft aan de onderkant een inkeping die rust op een daarin passende houten rail. De mast kan daarop naar believen naar voren en naar achteren geplaatst worden. Daartoe is in de gleuf in de mastvoet een schijf geplaatst waarover een touw loopt. Dat is bevestigd op een oog in de kielbout en belegd op een metalen klauw, eveneens op de kielbalk. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een zijstag. De voorstag loopt van de uithouder aan de voorkant van de mast naar de voorsteven en is daar onderdeks bevestigd. De zijstagen lopen van de uithouder naar de gangboorden en zijn daar vastgezet met wantspanners. De top van de mast wordt bovendien verstevigd door een stag die loopt van de masttop, via de uithouder, naar het midden van de mast en daar met een lus door de mast is bevestigd. Aan de mast wordt één zeil van witte katoen gevoerd: een grootzeil zonder gaffel (cattuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen door een gleuf in de achterkant van de mast. In de top van het zeil een uitwendig tophoutje. In het achterlijk van het grootzeil zijn vier zeillatten gestoken. Aan beide zijden van het zeil is het zeilnummer 'H-13 O' aangebracht. De onderkant van het grootzeil is geregen in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek hangt met een scharnierbare lummel in een oog aan de mast. De grootschoot loopt door twee blokken aan de giek en door een blok op een metalen opverloop op het achterdek. Het voorste giekblok hangt aan een giekring met houten rollen. Deze giekring is met een stang verbonden aan de achterkant van de giek. Aan de stang hangt het achterste giekblok. Het vaste einde van de grootschoot is vastgezet op het achterste giekblok. Van daar loopt de schoot door het blok op de overloop, terug omhoog, door het achterste giekblok, naar voren, door het voorste giekblok en tenslotte naar beneden. De grootschoot is belegd op een haak in de kielbalk. De blokken zijn van metaal en voorzien van lopende schijven. Op de top van de mast een rode windvaan (verklikker).
De romp: De voorsteven is lepelvormig en steil (bijna verticaal). De achtersteven is plat en heeft een verticale spiegel. De bodem is rond en voorsien van een midzwaard. In dwarsdoorsnede is de romp U-vormig.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van koperbeslag. Op de punt van het beslag is een handgreep gemaakt. De kuip begint met voor de mast. Van boven gezien is de kuip granaatvormig. De kuip is voorzien van een hoge kuiprand, die aan de voorkant uitloopt in een scherpe V-vormige waterlijst. De kuip is geheel open. Onder de gangboorden zijn geen kasten gemaakt. Ook de ruimte onder het voordek en onder het achterdek zijn open (niet afgesloten met luiken). De bodem van de kuip is bedekt met buikdenningen. In het midden van de kuip een zwaardkast voor het midzwaard. De bovenpunt van het midzwaard steekt boven de zwaardkast uit. De dubbele zwaardloper loopt door een blok aan de top van het midzwaard en door twee blokken aan de voet van de mast. De lopers zijn belegd op een metalen kikker aan de achterkant van de zwaardkast. Tussen de boorden is in het achterschip een balk gehangen aan metalen beugels. Op het achterdek staat de metalen overloop van de grootschoot. Het roer hangt aan een stang aan de spiegel. Het bovenste deel van het roer is van hout en het onders van metaal. Het metalen deel scharniert in het houten deel. Het kant wordten opgetroken met een draad die loopt door een langsscheeps gat in de kop van het roer. Dit touw wordt vastgezet op het helmhout. Het helmhout is dubbel en vormt van bovengezien een gebogen V-vorm.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Het metaal van het midzwaard is ongeverfd. De dekken, de gangboorden, de kuip, de mast en de rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Zeilnummer H-13 behoorde toe aan Jan Bakker te Sneek, die met zijn olympiajol onder meer een zilveren jol won. In de naamlijsten van de deelnemers aan de Sneekweek komt de olympiajol met zeilnummer 13 voor van 1938 tot 1941 onder de naam Wildebras. Als eigenaar wordt genoemd D. Bakker uit Sneek.
De olympiajol werd ontworpen voor de Olympische Spelen van 1936. De Duitse zeilbond schreef een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een eenmans-wedstrijdboot. De inzendingen werden vervolgens gebouwd en getest. er werd toen gekozen voor het ontwerp van H. Stauch uit Berlijn. Zijn ontwerp bestond uit een karveel gebouwde middenzwaardboot. De boot werd breed gehouden om de invloed van het lichaamsgewicht van de zeiler - een factor van beland voor het rechtop houden van de boot - niet te groot te doen zijn. De jol is voorzien van een gestaagd toren-cattuig. Twee jaar na de Olympische Spelen in Berlijn werd in 1938 de olympiajol door de I.Y.R.A. erkend als internationale klasse. Door concurrentie van de Finnjol (sinds 1952) verloor de olympiajol aan populariteit. Het leidde er toe dat de Olympiajol in 1970 haar internationale erkenning weer verloor. De klasseorganisatie had nu weer het heft in handen en besloot tot modernisatie: rompen van polyester, metalen rondhouten. Sinds 1990 groeit de klasse weer gestaag. Het zeilteken is een O, gevolgd door een landenletter (Nederland: H) en een volgnummer. De olympiajol werd populair in Duitsland, Nederland en Zwitserland., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 40-41
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 19-20
TitelSpeelscheepje in de vorm van een kajuitzeiljacht.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenkajuitzeiljachten
Objectnummer1985-390
Periode van1925
Periode tot1950
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een kajuitzeiljacht. Op spanten gebouwd.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast wordt aan de voorkant gehouden door twee voorstagen op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door twee zijstagen vanaf de zalingkruising en door één zijstag vanaf de top van de mast. De zijstagen zijn beneden vastgezet in ogen op het dek. Aan de achterkant wordt de mast gehouden door een achterstag op een oog op de spiegel. Alle stagen zijn verstelbaar met houten blokken. De zeilen zijn van witte katoen: een grootzeil en een stagfok. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de stagdok is gehaakt in een oog op de voorsteven. De fokkeschoten lopen door twee ringen in het gangboord naar achter. Het grootzeil heeft de vorm van een bermudazeil (torentuig). Het voorlijk is geregen in een gleuf in de mast. De val loopt op een schijf in de top van de mast. in het achterlijk van het grootzeil is een zeillat gemaakt. Het onderlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgezet aan de giek. De grootschoot is loopt kruislings door twee ogen aan de giek en is met het ene eind vastgezet op een klamp op de achterwand van de kuip en met andere eind aan de metalen helmstok van de zelfstuurinrichting. In het grootzeil een zeilteken: twee vleugels met de letters 'VPW' en het zeilnummer 4. De vallen van de zeilen zijn belegd op drie nalges die door de voet van de mast zijn gestoken. Op de top van de mast een rode, zwaluwstaartvormige windvaan. Aan stuurboord wordt aan een vlaggelijn aan de zaling een rood-wit-blauwe vlag gevoerd.
De romp: De voorsteven is scherp en loopt schuin omhoog. De achtersteven is voorzien van een schuine spiegel. De romp is opgebouwd op knikspanten. De bodem is voorzien van een achterwaarts gerichte kiel, die aan de onderkant is verzwaard met metaal. Het model van voor naar achter: Van de voorsteven naar de spiegel loopt een stootrand over de boorden en een waterlijst over de rand van het dek. Op de boorden van de voorsteven zijn de naamborden aangebracht: 'KAREKIET'. De mast rust in een vierkant blok op het dek. Achter de mast de kajuit met overhellend dak. In de voorwand van de kajuit twee patrijspoorten. In de zijwanden twee ramen en in de achterwand dubbele, naar binnen slaande deuren. In het dak is boven deze deuren een schuifluik gemaakt. Langs de randen van het dak een handreling. Achter de kajuit de kuip. De zijwanden van de kajuit lopen langs de kuip door naar achter, tot achter de achterwand van de kuip. in de kuip ligt een losse trap. Tegen de achterwand van de kuip is de zelfstuurinrichting van het speelscheepje gemaakt. De spil van het roer steeks erlangs omhoog. Op de roerspil een T-vormig helhout dat aan de voorkant is verbonden met de grootschoot en aan de achterkant is vastgezet op een metalen veer, die voor weerstand moet zorgen. Deze veer loopt over het achterdek naar een oog op de spiegel. Op de spiegel een bord met daarop 'OLDESLO'.
Kleuren: De romp is wit, het onderwaterschip is groen. De stootrand en de waterlijst zijn donker gebeitst. Het dek is in een lichte kleur gelakt. Het dak van de kajuit is wit. De wanden van de kajuit, de deuren, het schuifluik en de reling van de kajuit zijn gelakt. Het interieur is lichtgroen geschilderd.
Accessoires: stander en trapje.
AchtergrondinformatieDe eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 24
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een lark. Op spanten gebouwd.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast is geplaats in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door een zijstag. De stagen worden strakgezet met houten spantblokken. Het zeil is van witte katoen: een grootzeil. Het grootzeil heeft de vorm van een cattuig: een rechte gaffel die uitsteekt boven de top van de mast. Het zeil is vastgenaaid aan de gaffel. De gaffel heeft een metalen gaffelbek. Het voorlijk is met raktouwen vastgemaakt ana de mast. Over de gehele breedte van het zeil (van achterlijk naar voorlijk) zijn zeillatten ingenaaid. Aan de achterkant steken deze latten uit het zeil. Het geeft het effect van een zogenaamd vleermuiszeil. Het onderlijk van het grootzeil is vastgenaaid aan de giek. De giek rust met een metalen klauw tegen de mast. De halstalie is vastgezet op de nagelbank. De grootschoot is vastgezet op een oog in de bodem, loopt via een oog in de giek naar een oog aan de voorkant van de giek. De grootschoot wordt strak gezet of gevierd met een houten spanblok. De nokkeval en klauwval van het grootzeil zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een rode windvaan. Bij de tuigage van het speelscheepje is geen gebruik gemaakt van blokken.
De romp: Het voorschip is rond en overhangend. Het achterschip is vlak en verticaal. De bodem is plat en voorzien van een kiel die aan de onderkant is verzwaard met metaal. Aan de spiegel is een roer gehangen.
Het model van voor naar achter: Van halverwege het voordek naar de spiegel loopt een stootrand. Op het dek zijn alleen de bevestigingspunten van de stagen te zien. Aan de voet van de mast een nagelbank. Achter de mast begint de granaatvormige kuip. Deze is voorzien van een boven het dek uitstekende kuiprand. In de kuip is een buikdenning gemaakt in de vorm van een flonder. Wanneer deze wordt verwijderd worden de spanten zichtbaar. Ter hoogte van de kuip is aan weerszijden op de boorden met plakletters de naam van het speelscheepje aangebracht: 'DONALD DUCK'. Aan de spiegel hangt het roer. Het helmhout is afgebroken geweest en provisorisch gelijmd.
Kleuren: De romp is blauw. Het onderwaterschip is steenrood. De stootrand is zwart. Het dek is wit. De kuiprand is gelakt. De buikdenning is ongeverfd. De rondhouten zijn gelakt. Het roer is aan de bovenkant gelakt, het onderwater-deel is steenrood en het helmhout is zwart.
Accessoires: geen (de stander ontbreekt).
AchtergrondinformatieDe eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., De eerste lark voer waarschijnlijk te Loosdrecht. Jachtwerd Beekhuis aldaar bouwde larken, maar was niet de ontwerper ervan. Het ontwerp is waarschijnlijk rond 1905 in Amerika gemaakt. A. van Gool uit Hommerts was de eerste die de lark in Friesland introduceerde. In 1927 deden er voor het eerst larken mee aan de Sneekweek. Het werd een populaire klasse van de NNWB. Het was een beperkte klasse: lengte ten hoogste 4 meter, cattuig van ten hoogste 11 m², etc. Na de Tweede Wereldoorlog is de klasse nooit meer zo populair geweest als daarvoor.
Een lark is een boot, waarbij de kielbalk niet overgaat in een verticaal staande voorsteven maar in een horizontale voorsteven. Van boven, in vogelvlucht gezien, vormen kielbalk en voorsteven een T. Een lark is behoudens de kuipopeningen geheel bedekt. Het cattuig van de lark kenmerkt zich door een kleine mast met een hoge giek. Aanvankelijk waren de zeilen voorzein van een recht achterlijk. Romke de Vries uit Sneek ontwierp voor de Lark 51 van G. de Boer een zeil met katterug en met 7 tot 11 doorlopende zeillatten (Vleermuistuig)., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De lark' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 43-48.
- J. van Vollenhoven, wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 32
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 24
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelSpeelscheepje in de vorm van een scherp jacht.
VervaardigerSlavekoorde, Stoffel
Objectnummer1976-140
Periode van1928
Periode tot1928
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een scherp jacht. Op spanten gebouwd.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast is voorzien van een metalen zaling van metaal. De mast wordt aan de voorkant gehouden door twee metalen voorstagen: de ene voorstag loopt van de top van de mast naar de voorsteven en de andere voorstag loopt van de zalingkruising naar het voordek. Beide voorstag kunnen worden strak gezet met wantspanners. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door drie zijstagen: één zijstag loopt van de top van de mast via de zaling naar beneden en de twee andere zijstagen lopen van de zalingkruising naar beneden. De zijstagen zijn met puttingijzers vastgezet aan de boorden. Ze kunnen strak worden gezet met wantspanners. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers vastgezet aan de tweede voorstag. De hals van de fok is met een oog vastgezet op de wantspanner van de tweede voorstag. Het fokkeschoot bestaat uit een ketting die is vastgezet op een metalen overloop, die rond de mast loopt. Het grootzeil is voorzie van een rechtegaffel. De klauw van de gaffel is geborgd met een streng rakkralen. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De voorkant van de giek is met scharnierende lummel opgehangen in een oog in de mast. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot is met het vaste einde vastgezet op een blok aan het achtereinde van de giek. De schoot loop vandaar naar een blok op een overloop op het achterdek, weer terug naar het blok aan het achtereind van de giek, naar voren naar een blok aan de giek en vervolgens schuin naar voren en is daar in de kuip belegd op een metalen klamp tegen de kuiprand. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel met koperen scheerhout. Op het achterschip een koperen vlaggenmasthouder. De vlaggemast is met daaraan een rood-wit-blauwe vlag is afgebroken. De blokken zijn voorzien van lopende, metalen schijven.
De romp: Het voorschip is scherp, overhangende en aan de voorkant schuin oplopend. het achterschip is overhangend en voorzien van een bijna verticaal geplaatste spiegel. De bodem is U-vormig en voorzien van een kiel.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag en een vlaggenstokhouder voor een prins. Achter de voorsteven aan weerszijden koperen boegklampen die het ankerketting geleiden. Het stokanker hangt aan een ketting over de boegklamp aan stuurboord. Op het voordek twee dubbele metalen bolders. Op de bolder aan stuurboord is het touw belegd dat is vastgemaakt aan het ankerketting. Voor de mast de gebogen overloop van de fokkeschoot. De voet van de mast is voorzien van een nagelbank. Net achter de mast staat een tweede (losse) nagelbank, die niet wordt gebruikt. Daarachter de kuip. De voorkant daarvan is V-vormig. De kuip is voorzien van randen die als waterlijst boven het dek uitsteken. In de kuip zijn rondom vaste banken gemaakt. Tegen de kuipranden zijn vier metalen klampen gemaakt. In de bovenkant van de achterwand van de kuip zijn gaten gemaakt waarin met korvijnagels het helmhout kan worden vastgezet. De spil van het roer steekt uit het achterdek omhoog. Het eraan bevestigde helmhout is aan de voorkant voorzien van een koperen knop. Achter het helmhout een korte, metalen overloop voor de grootschoot. Aan weerszijden daarvan twee dubbele metalen bolders. Het dek is bij de bolder aan stuurboord beschadigd geweest: er is later een nieuw gedeelte ingezet. Op het achterschip een metalen boegklamp en een schuin achterwaarts gerichte vlaggentokhouder.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is donkerder van kleur dan het gedeelte boven de waterlijn. Het dek is gelakt en voorzien van een getekend lattenpatroon. Ook de rondhouten en het interieur van de kuip zijn gelakt.
Accessoires: stander
AchtergrondinformatieHet scheepje is omstreeks 1928 gebouwd door Stoffel Slavekoorde voor zijn zoon Jozias. Waarschijnlijk is het gebruikt als speelscheepje.
De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, p. 27
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingScheepsmodel van de houten zeilschouw de Fjouwer Bruorren. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De schouw heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag die is vastgehaakt op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De loefbyter is bevestigd op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: stagfok en sprietzeil. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgehaakt aan de botteloef. De fokkeschoten lopen door houten schootogen aan de spanten. De fokkeschoot is aan stuurboord belegd op een houten klamp aan een spant in het achterschip. Aan bakboord is de de fokkeschoot los. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is met een dubbel touw vastgezet aan een metalen oog in de bodem van de boot (het is geen echte halstalie omdat het touw niet getakeld is met blokken). De spriet hangt in een touwlus aan de mast. Bij het voorlijk van het zeil, waar veel wrijving is, is de spriet voorzien van een metalen manchet. De bovenkant van de spriet is voorzien van een metalen vorkvorm die is gehaakt in een metalen ring in de bovenkant van het achterlijk van het grootzeil. De onderkant van het achterlijk is gehaakt aan de achterkant van de giek. De achterkant van de giek hangt in het zeil (niet in een kraanlijn). De voorkant van de giek hangt met een zwanehals in een oog in de mast. In het grootzeil het zeilteken van de zeischouwen-klasse (omgekeerde trogvorm). De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een enkelschijfs hakkeblok op de bodem van de boot. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel met metalen scheerhout. De blokken van de vallen zijn van metaal en de twee schootblokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is plat en is staat schuin. Het achterschip heeft een platte spiegel die eveneens schuin staat. De bodem heeft een plat vlak dat naar voren en achteren enigszins oploopt. Het model van voor naar achter. Op de kop van de voorsteven is de botteloef bevestigd. De boeisels zijn versierd met twee ingeneden biezen. Aan de voor- en achterkant zijn de boeisels met een gebogen lijn verlaagd: ingezaagde gillings. De boot is open, heeft geen dekken, en derhalve zijn in het voor- en achterschip de spanten te zien. De bodem is bedekt met buikdenningen. De messelbank rust op twee spanten en is aan de bovenkant verstevigd met kniestukken. Achter de messelbank zijn de boeisels gedubbels. De zwaarden hangen met bouten aan deze gedubbelde boeisels. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van metaalplaat met geschulpte onderrand. Langs de randen van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers lopen omhoog naar een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel, lopen vervolgens naar voren, door een schildpadblok op de bovenkant van het boeisel (potdeksel), naar achter en zijn daar belegd op een houten klamp op de spanten in het achterschip. De achterbank heeft in het midden een luik. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is bedekt met metaalplaat. Het helmhout val over de kop van het roer. Het is geschulpt van vorm. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. De boeisels zijn zwart met een witte kraalrand eronder. De ingesneden biezen van de boeisels zijn gevuld met zwart. De kopplaten van de zwaarden zijn zwaard. Het metaalbeslag langs de randen van de zwaarden is metaalkleurig. De binnenkant van de boot is gelakt. De buikdenningen zijn grijs. De rondhouten zijn gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieDe zeilschouw 'Fjouwer Bruorren' met zeilnummer 16 werd gebouwd door Hielke van der Zee. Tussen 1925 en 1935 was Johannes Zijlstra uit Uitwellingerga een geregelde deelnemer aan zeilwedstrijden met deze schouw. Hij heeft er veel prijzen mee gewonnen. Nadere informatie over de bouwer van het model is te verkrijgen bij mevr. S. Marra-Zijlstra, Iepensteinstraat 79 te Joure. De schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling. De Kleine Schouw is 4.75 meter lang, geheel open en voert meestal een spriettuig (spriet en giek) en een stagfok op een botteloef. De Middenschouw is 5.50 meter lang en heeft een bezaantuig. De Grote Schouw is 6 meter lang en voert eveneens een bezaantuig. Soms is de grote schouw uitgerust met een kajuit. De GWS-schouw heeft een stalen onderbouw en een houten boeisel. Het voert een spriettuig. De lengte is 5 meter (gangbare handelsmaat voor staal). De afkorting GWS verwijst naar de Grouwster Watersport Vereniging die de bouw van dit type in de vroege jaren dertig entameerde en ook wedstrijden voor deze schouwen organiseerde.
BeschrijvingWyldsjitter. Schaal 1:1. Rondhouten en tuigage: De wyldsjitter heeft één mast. De mast staat in de messelbank en is niet gestaagd. Het zeil is van bruin getaande katoen: sprietzeil. Het voorlijk van het zeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De bovenpunt van het voorlijk is met een lus vastgezet aan een haak i de top van de mast. De spriet hangt aan de onderkant met een houten vork in een touwlus. De bovenkant van de spriet is voorzien van een metalen vorkvorm. Deze is gehaakt in een met metaal verstevigd lus in de bovenkant van het achterlijk van het zeil. De onderkant van het achterlijk is voorzien van een touwversteviging waaraan de grootschoot is vastgemaakt. De schoot is niet getakels en is rechtstreeks belegd op een ééntenige klamp op het boeisel van het achterschip. De onderkant van het voorlijk is vastgeknoopt aan een oog in de mast. Het zeil heeft geen giek: er wordt gezeild met losse broek. Het zeil heeft geen vallen. Men streek het zeil door de schoot los te maken en de spriet tegen de mast aan de drukken. Op de boot zijn geen vlaggen of wimpels en ook blokken zijn niet gebruikt. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De boot is gebouwd op een plat vlak dat naar voor en achter oploopt in een rond lijn. Daarop zijn twee gangen gebouwd: een boord en een terugvallend boeisel. De boot van voor naar achter: In het boeisel van het voorschip zijn twee sleuven gemaakt. Daarin rustte de loop van het ganzenroer. In het voorschip is een bord gemaakt dat aan de onderkant is versierd met een ingesneden punt. Daarboven een metalen klamp voor een landvast. De boot is open: in voor- en achterschip zijn de spanten te zien. De bodem van het voordek is bedekt met een verhoogd buikdenning. De messelbank rust op twee spanten en is aan de bovenkant vastgezet met breede kniestukken. Aan stuurboord is op de messelbank een (later bijgemaakte) houder voor de kolf van het ganzenroer gezet. Op het boeisel bij de messelbank zijn twee roeidollen geplaatst. De zwaarden hangen met bouten aan het boeisel. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De boutgaten zijn voorzien van ruitvormige weien. De onderkanten van de zwaarden zijn verstevigd met metaalbeslag. De zwaardlopers gaan door een gat in het boeisel naar binnen en zijn belegd op ééntenige klampen tegen het boeisel in het achterschip. Achter de zwaarden zijn op de boeisels een tweede stel roeidollen geplaatst. De achterbank heeft in het midden een luik. In de voorwand van de achterbank is een hartvorm uitgezaagd. Achter de achterbank het achterhuis. De voorwand daarvan (tevens een soort hennebalk) heeft een uitgezaagde ovaalvorm. Op deze voorwand is de plaquette van het Stamboek Ronde en Platbodems geplaatst met het stamboeknummer 19. Op de einden van de voorwand van het achterhuis (hennebalk) zijn op de boeisels metaalstrippen geplaatst (op de overgang van boord naar achterschip). Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. De kop en de rug van het roer zijn bedekt met koperplaat. Het helmhout valt los over de roerkop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. Het metaalbeslag (klamp op het voorschip, roeidollen, boutgat, zwaardbeslag, mastborgplaat, metaalbeslag op het boeisel van het achterschip) is wit geschilderd. De binnenkanten van de boorden zijn gelakt. Het vlak is rood geschilderd. De buikdenningen die daarop liggen zijn grijs. De mast en de spriet zijn ongeverfd. Accessoires: twee roeiriemen en een roeibankje. Voorts zijn in de boot geplaatst: een zestal lokeenden, een hoosvat en een ganzenroer.
AchtergrondinformatieDe Wyldsjitter is in 1937 door Hans Bijl te Oppenhuizen gebouwd.
In 1956 ging de heer A. ten Cate uit Oudemirdum akkoord met verplaatsing van de wyldsjitter uit het Wilhelminapark naar het museum. Deze boot had Ten Cate in 1937 laten bouwen door Hans Bijl te Oppenhuizen en geschonken aan de Gemeente Sneek. De boot werd gelegd in het Wilhelminapark in een schiphuis. Toen dat schiphuis verviel, zonk de wyldsjitter. Het plan in 1956 was de wyldsjitter uit het park te restaureren en dan in het museum te plaatsen. De boot was echter te zeer verrot. Daarom werd de verrotte boot afgedankt en werd een andere wyldsjitter gekocht van A. Smeding. De boot van Smeding was ook in 1937 door Hans Bijl gemaakt.
Hans Bijl was de enige die deze sierlijke, voor de ganzenjacht bestemde bootjes maakte. Ook diens zoon, Gooitsen Bijl, heeft er nog enkele op stapel gezet, maar na diens vertrek naar de Verenigde Staten in 1948 is de werf in Oppenhuizen opgeheven.
Een wyldsjitter is een Friese boot die speciaal was ingericht voor de jacht. Het is een platboomde boot met licht gebogen, sterk vallende voorsteven en een rechte steilstaande achtersteven. De kop en het achterschip zijn rond, maar sterk weggeveeegd. Het boord valt breed open tot aan het berghout. Het boeisel valt binnenwaarts. De romp is gestrekt en heeft bijna geen zeeg. Op een kleine plecht na is de boot geheel open. Vroeger was de boot uitgerust met één smal zwaard. Later gebruikte men twee ronde, brede zwaarden.
De wyldsjitter is het kleinste ronde Friese schip uit de familie van de tjotters. Doorgaans waren ze 15 voet lang (4.30 meter) en hadden ze een diepgang van slechts 12 cm., zodat er zelfs op ondergelopen land mee gevaren kon worden. De boot kon onhoorbaar, zonder golven, door het water glijden. De jacht op ganzen vond plaats in de vroege ochtend en in de namiddag. De jager lang languit in zijn boot. Hij schoot wanneer de voegels opvlogen en net boven het water waren. Het ganzenroer was geladen met hagel. Een goed schot leverde de jager 20 tot 30 vogels op., Literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 25 oktober 1956
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1956
TitelScheepsmodel van een dektjalk, schippersmodel.
VervaardigerBerg, J. van der
Trefwoordendektjalken, tjalken
Objectnummer1989-240
Periode van1988
Periode tot1989
BeschrijvingScheepsmodel van een dektjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Ronhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag, die loopt door een blok op de voorsteven en is vastgemaakt op de lier op het voordek. Met deze lier kon de mast gestreken worden. Aan weerszijden wordt ge mast gehouden door twee zijstagen, die met wantspanners op het boeisel zijn bevestigd. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de fok is met enkele touwleuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgeknoopt aan de voorsteven. De fokkeschoot loopt door twee blokken en is belegd op de onderste van deze twee (het is echter geen hakkeblok), die is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen aan de mast bevestigd. De hals is vastgezet aan de voorpunt van de giek. De onderkant van het achterlijk van het grootzeil is vastgezet op een oog op de achterkant van de giek. De giek rust aan de voorkant met een zwanehals in de nagelbank. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. Van de top van de gaffel naar de zwanehals van de giek loopt een neerhaler. De grootschoot loopt door twee blokken en is belegd op de onderste van de twee (wat echter geen hakkeblok is). Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de wangen van de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. Op het helmhout van het roer een gebogen vlaggenstok met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van kunststof en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De bodem is vlak.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de steven hangen ankers. De ankerkettingen lopen door de kluisgaten naar binnen, lopend over de braadspil en gaan via twee klapmutsen naar het vooronder. Achter de braadspil de lier van de voorstag en twee luiken. Tegen het boeisel van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Tussen de bolders en de zijstagen zijn zetboeisels op het boeisel gemaakt. Langs de gangboorden zijn op de boeisels ook zetboeisels geplaatst. De zwaarden hangen met een spijker aan de boeisels. De zwaarden zijn langs de randen voorzien van metaalbeslag en ook overdwars zijn er metaalstrippen op gezet. De koppen van de zwaarden zijn niet verdikt. De zwaardlopers zijn kettingen die door een gat in het boeisel, over de gangboorden naar achter lopen en op ankerlieren op het achterdek zijn vastgezet. Achter de mast het luikhoofd van het ruim, dat wordt bedekt door houten luiken (één plaat met lijnen die tweemaal twaalf luiken suggereren). Op het ruim een houder met daarin een peilstok en twee vaarbomen (vastgelijmd). Naast de houder liggen op de luiken ene loopplank en een stokdweil. Het schip heeft geen roefopbouw. Achter het ruim staat een schoorsteen met U-vormige bovenkant, zodat de schoorsteen ook kan dienen als mik. Aan weerszijden van de schoorsteen twee watervaten. Op het achterdek is aan stuurboord een luikenkap met deuren gemaakt die toegang verschaft tot het achteronder. Daarachter zijn voetlijsten gemaakt, waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Tegen de boeisels van het achterschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Tegen het achterboeisel aan staan de twee zwaardlieren met daartussen de lichtkap van het achteronder. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ramen gemaakt. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. Het helmhout is voorzien van een handgreep in de vorm van een korvijnagel. Op het helmhout een vlaggenstok en een bolle roerklik.
Kleuren: De romp is lichtgroen. Het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. De zwaarden zijn gelakt. De dekken en gangboorden zijn zwart. De binnenkanten van de boeisels zijn lichtgroen. De lieren, de luikhoofden, de mastkoker, de watervaten en de toegang tot het achteronder zijn groen. De rondhouten zijn gelakt, evenals de luiken van het ruim en de schoorsteen. De loopplank is zwart met wit. De peil is groen, zwart, rood en wit. Het helmhout heeft een rode handgreep. De roerklik is aan de bovenkant goudkleurig e de wangen zijn groen met witte stippen.
Accessoires: loopplank, peilstok, twee vaarbomen, stokdweil.
AchtergrondinformatieDe vervaardiger J. van der Berg uit Alkmaar was oud-schipper. Hij was 85 jaar oud toen hij het model vervaardigde. Het is een typisch schippersmodel: ruw maar zeer compleet.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen).
Het model is vervaardigd naar een dektjalk: de roef is gesitueerd onder het achterdek. Daardoor is de roef erg laag en donker. het licht komt alleen via lichtkappen in het dek naar binnen., literatuur:
- F. Loomeijer, Met zeil en treil (Alkmaar, 1980), pp. 30-33.
BeschrijvingScheepsmodel van een zeilsloep. Op spanten gebouwd. Palmhout. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt gehouden door een waterstag (die via een blok op de voorsteven naar boven loopt en daar is belegd op een korvijnagel in een nagelboog, net achter de voorsteven) en door een boegwant van twee hoofdtouwen (zie zijn vastgezet op de bolders op het voorschip). Het achtereind van de kluiverboom is vastgezet in een kluiverboomstoel op het voordek. De mast is voorzien van een steng. Ze zijn met twee metalen ezelshoofden aan elkaar verbonden. De mast wordt gehouden door twee voorstagen. Het model is niet voorzien van zeilen. Aan de vallen, schoten en rondhouten is echter wel te zien welke zeilen gevoerd kunnen worden: een kluiver, een fok, een grootzeil en een topzeil. De kluiver wordt met in een oog op de punt van de kluiverboom gehaakt en bevestigd aan de eerste voorstag. De fok wordt bevestigd aan de tweede voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel en en giek. De grootschoot wordt belegd op een hakkeblok, dat is vastgemaakt op een korte overloop op de achterspiegel. Opvallend zijn de geerden die lopen van de nok van de gaffel naar het achterschip. Deze houden de giek gevangen: het schip kan niet door de wind. Tussen de nok van de gaffel en de top van de mast is een lijn, waaraan een topzeil bevestigd kan worden. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank rond de onderkant van de mast. Op de top van de mast een gebogen (verbogen?) metalen pin. De houten blokken zijn voorzien van metaalbeslag, maar niet van lopende schijven. De romp: rond voorschip, nagenoeg platte en overhellende spiegel, bodem met kiel. Opvallend zijn de horizontale groeven in de kiel die het contact met het water te vergroten.
Het model van voor naar achter: Op het voordek een kluiverboomstoel, een braadspil, het luik van het vooronder, een achtzijdige lichtkap en een luik dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken. Vlak voor de mast en overloop van de fok, die van boeisel tot boeisel loopt. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat aan de overloop is bevestigd. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank die rond de mast loopt. Achter de mast de opbouw van het schip: een kajuit met bol dak. De ramen van de kajuit zijn ovaal en lancetvormig. In de achterwand een deur. Achter de kajuit een stuurkuip (bollestal). In de zijwanden daarvan zijn kasten gemaakt. De achterwand van de stuurkuip is verschip met ingezaagde lancetvormen. Rond de stuurkuip de gangboord en een verhoogd achterdek. Deze zijn voorzien van waterlijsten, zodat er geen buiswater in de stuurkuip kan lopen. Het water kan door de lichte bolling van het dek door de gaten in het boeisel naar buiten stromen. De spil van het roer steek door het achterschip. Achter het helhout de spiegel. Op de binnenkant van de spiegel is een korte overloop gemaakt waarop het hakkeblok van de grootschoot loopt. Op de buitenkant van de spiegel is de naam van de sloep geschilderd: 'Zoé'.
Kleuren: het schip is gelakt.
Accessoires: Stander, die bestaat uit een op bolpootjes staande plank.
AchtergrondinformatieHet model is ontworpen en gebouwd door Folkert Nicolaas van Loon (1773-1840). Het is afkomstig uit de collectie Marinemodellen van het RIjksmuseum te Amsterdam. Het originele schip is gebouwd voor baron van Tuyl van Serooskerken van IJzendoorn te Hillegom, die de sloep gebruikte voor de pleziervaart op de Haarlemmermeer. Vermoedelijk is de sloep gebouwd bij Alta te Harlingen.
Folkert Nicolaas van Loon is geboren te Harlingen op 6 dec. 1775. Zoon van Nicolaas van Loon (notaris en advocaat te Harlingen) en Trijntje Fokertsdr. Schellingwouw. In 1780 kocht vader Nicolaas de houtzaagmolen De Noordsche Hengst, vier jaar later overleed hij. Folkert en zijn jongere broer Anrnoldus waren toen wees, want in 1779 was hun moeder al overleden. Aanvankelijk bleven de beide jongens wonen in het ouderlijk huis. Ze werden verzorgd door Anna van Loon, een jongere en ongehuwde zuster van hun vader. Zij trouwde in 1786 met Bouwe Fontein (burgemeester van Harlingen). Arnoldus ging wonen bij de familie Fontein en Folkert kwam terecht bij Benedictus Jongsma, predikant te Peins. Toen Jongsma een beroep buiten Friesland kreeg werd Folkert in 1793 geplaatst bij een patroon: de Leeuwarder koopman Wytze Sybrands, die een houtzagerij op het Vliet had. Kennelijk was Folkert voorbestemd de houthandel van zijn vader over te nemen. Toen hij dat in 1795 wilde doen bleek dat een van de voogden, oom Allard van Scheltinga, niet bereid was de nalatenschap finaal af te rekenen. Op 27 dec. 1795 trouwde Folkert van Loon met Hiske Dirks (Stedehouwer) uit Dronrijp. Ze gingen wonen aan het Vliet in Leeuwarden. Omdat de houthandel van zijn baas Sybrands niet floreerde en hij niet het bedrijf van zijn vader nog niet over kon nemen, werd hij in 1797 secretaris van de grietenij Rauwerderhem. Ze verhuisden naar Jirnsum. Als gevolg van politieke troebelen en de terugkeer van de eerder ontslagen secretaris, werd Folkert van Loon al in 1798 ontslagen. Hij was inmiddels een handel in zuivelproducten begonnen. De houtzaagmolen in Harlingen werd overgebracht naar Jirnsum en daar in 1800 herdoopt in "De Twee Gebroeders" (Folkert en Arnoldus). De zaken in zuivel en hout verliepen zeer voorspoedig. In Jirnsum hield hij zich ook bezig met zeilen en kwam als houthandelaar in contact met scheepsbouwers. Hij verdiepte zich in de vorm van de schepen en in in drijfvermogen. Hij deed dit aanvankelijk uit liefhebberij. In 1804 overleed Folkerts vrouw Hiske. Zij hadden geen kinderen. Hij hertrouwde in 1807 met Jelliana Coulon (dochter van de Leeuwarder burgemeester Carel Coulon). Ze kregen 8 kinderen. In 1810 overleed Arnoldus te Amsterdam. Hij was dr. in de filosofie en net als Folkert lid van de Amsterdamse Vrijmetselaarsloge La Bien Aimee. Folkert van Loon vervulde diverse openbare functies: commissaris tot onderzoek van de belastinge, Ontvanger der grondbelasting in het arrondissement Sneek (1810), Maire van Rauwerderhem (1811), Assessor van Rauwerderhem (1816). Het verschafte hem een basisinkomen. De inkomsten uit de zuivelhandel (export op Engeland) waren rond 1813 terug gelopen als gevolg van het continentaal stelsel. Na 1816 trok de handel weer aan. In Engeland hield Van Loon zich niet allee bezig met de zuivelhandel. Hij bestudeerde er ook de scheepsbouw. In 1820 raakte de zuivelhandel in de versukkeling. Hij verkocht deze bedrijfstak en met de opbrengst ervan kocht hij het aandeel in de model van Pieter Stedehouwer. Deze had de dagelijkse leiding op de molen en had het aandeel in de molen gekocht van Folkerts broer Arnoldus.
Om zijn ideeen over scheepsbouw te testen bouwde hij het platbodem zeiljacht Mercurius (13.6 meter lang en 4.25 meter breed) in Terherne. Hij had het bedoeld als voorbeeld van een handelsscheepje. Zijn ontwerp was onder andere gebaseerd op de studie van dieren die snel op of onder water konden zwemmen: de snoek en de meeuw. Hij kwam tot een verhoudingenstelsel en de zogenaamd sferoïdale omvangslijn. Deze vorm nam hij over op modellen, die uitgebreid werden getest. Proefnemen met schaalmodellen was toen zeer vernieuwend. In 1818 schreef de Huishoudelijke Maatschappij te Haarlem een prijsvraag uit voor ideeën ter verbetering van de scheepvaart. Folkert van Loon deed mee: hij zond de "Beschouwing van den Nederlandschen Scheepsbouw met betrekking tot Deszelfs Zeillaadje" in. Hij won er een zilveren medaille mee. Het bekroonde geschrift werd in boekvorm uitgegeven. In 1820 correspondeerde Van Loon ook met Jhr. H.J. Ortt (medeoprichter van de Zuid Hollandsche Redding Maatschappij in 1824) over een nieuwe type zeil- en roeireddingboot. Van Loon raakte meer en bekend als ontwerper. Hij kreeg opdracht "van de heeren te Zaandam" een driemastkof (galjoot) te ontwerpen.
In 1820 overleed zijn zoon Arnoldus. Ook zakelijk ging het na 1820 niet goed. In 1822 moest de molen verkocht worden. Nu was Folkert van Loon alleen nog ontvanger van grondbelasting. In 1822 werd hij ontvanger in Dokkum, waar het gezin ook naar toe verhuisde. In 1825 waagde hij de stap: hij verhuisde hij naar Harlingen en begon daar een bureau voor scheepsarchitectuur. Hij had veel succes en zijn kunde oogste bewondering bij scheepsbouwers in geheel Nederland. In 1831 verhuisde Van Loon naar Leeuwarden. Hij kreeg opdrachten uit heel het land (Hoogheemraadschap Rijnland bijvoorbeeld) en liet ontwerpen graag uitvoeren in Friesland (Eeltje Teadzes Holtrop te IJlst bijvoorbeeld of de gebroeders Ypes te Franeker). Folkerts zoon Carel Willem van Loon maakte ook tekeningen. In 1838 bracht Van Loon zijn ideeen uit in een boek met een platenatlas. Hij was daartoe aangezet door Gerard M. Röntgen (bestuurder van de werf Feijenoord te Rotterdam) en bekostigd met een bijdrage van f. 1000,= door het Fonds tot Aanmoediging der Nationale Nijverheid. Het werd de Handleiding tot de Burgerlijke Scheepsbouw. Op 13 dec. 1840 overleed Folkert van Loon na een korte ziekte., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 7 en 14 nov. 1957, 2 januari 1958
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1958
- W.F. Broos, 'F.N. van Loon (1775-1840) een vergeten friese scheepsontwerper' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980. pp. 90 e.v.
- Catalogus der Verzameling van modellen van het departement van defensie (1858), p. 127, nr. 688
TitelScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek.
VervaardigerMeekeren, Frits van
Trefwoordentjalken, beurtschepen, Koudum
ObjectnummerK-041
Periode van1947
Periode tot1947
BeschrijvingScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij metalen reefringen aangebracht. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil een dubbele rij metalen reefringen. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast en blauwe vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Met een vorkverbinding is aan de voorsteven een botteloef (in het fries loefbyter) bevestigd. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. In het voordek is een dubbel luik gemaakt, dat toegang biedt tot het vooronder en dat wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken, om zo plaats te bieden aan het contragewicht. Wanneer het luik wordt verwijderd is het contragewicht zichtbaar. Net voor de mast de overloop van de fok, die is bevestigd in ogen in het boeisel. Net achter de overloop aan stuurboordzijde een lenspomp. Achter de mast het ruim dat wordt gesloten met tien (vastgezette) luiken. Tussen het ruim en de boeisels brede gangboorden. Het ruim gaat in een vloeiende lijn over in de roef. In het dak van de roef een schoorsteen. In de wanden ervan geen ramen. In de achterwand van de roef dubbele openslaande deuren. De roef is ingericht met een vloerkleed, een tafel, zijbanken en een schouw. Achter de roef een verlaagd achterdek (bollestal) zijbanken en een achterbank. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn aan de onderkant beschermd door metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een tweetal blokken naar achteren en is daar belegd op een klamp op de buitenkant van het boeisel. De kop van het roer is bekleed met koperplaat. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is zwart. De koppen van de zwaarden zijn groen. De botteloef is zilverkleuring. De top van de mast is wit. De lijsten van de roefdeur zijn groen. Het helmhout is groen en de kop van het roer is zwart. Accessoires: twee vaarbomen (zwarte teen), een fokuitzetter (gelakte teen en een haak).
AchtergrondinformatieVan het schip is een foto aanwezig in het foto-archief van het museum (beurtschepen - zeilend, nr. 14) Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 4 november 1949, 12 okt. 1972
BeschrijvingScheepsmodel van een paviljoentjalk, het beurtschip Bolsward. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De top van de kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de mast en wordt gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen. In het midden wordt de kluiverboom gehouden door een beugel aan de voorsteven en het einde ervan is vastgezet in een metalen kluiverboomstoel op het voordek. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers en rusten (horizontale balken) vastgezet op het boeisel. De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiver, een stag fok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een van de voorbolders. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ring is vastgezet op een houten overloop (van boeisel tot boeisel). In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop in het achterdek. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast en op de voorwand van het ruim. Op de top van de mast een rode vleugel en daarboven een mastwortel. Op het helmhout een rechte vlaggenmast met rood-wit-blauwe vlag. De houten blokken zien niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Het anker is over het voorboeisel gehaakt. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar binnen, is vastgezet op de braadspil op het voordek en loopt dan via een scharnierend luik in het voordek (durksluik) naar het vooronder. Verder in het voordek een luik (uitwip - die verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten), twee pompen en de houten overloop van de fok (van boeisel tot boeisel). Over het boeisel van het voorschip hangen aan weerszijden twee wrijfhouten. Naast de mast (aan stuurboord een watervat). Achter de mast een nagelbank en het hoofdruim, dat met elf paar luiken wordt bedekt. Op de luiken een bak met daarin een peilstok, een vaarboom en een loopplak met voetlijsten. De zwaarden zijn voorzien van een verdikte kop. Langs de onderkant van de zwaarden metaalbeslag en overdwars drie metaalstrippen. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en door twee blokken naar het achterschip waar de val is belegd op een klamp. Achter het ruim de roef. In de wanden daarvan zijn geen ramen of deuren gemaakt. Het dak is puntig is en kan verwijderd worden. Over het boeisel van het achterdek hangt aan weerszijden een wrijfhout. Op het achterdek een paviljoen: een verblijf waarvan het dak even hoog is als de bovenkant van het achterboeisel. Het paviljoen is bereikbaar door een schuifluik aan bakboord. In het dek an van het paviljoen is een lichtkap gemaakt. Het helmhout van het roer loopt over het paviljoen naar voren. Het is voorzien van een rechte vlaggenstok, waarin een rood-wit-blauwe vlag wordt gevoerd. Daarachter een roerkop in de van een mannekop met in zijn mond een korte pijp. Het roer hangt in drie roerhaken. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ovale ramen gemaakt. Daarboven is (tweemaal) op het boeisel geschilderd: 'BOLSWARD'. Kleuren: De romp is ongeverfd. Alleen over het achterschip is een rood-wit-blauwe bies geschilderd, die doorloopt over het roer. Bij de overgang van het achterdek in het paviljoen is op het boeisel een rood-wit-blauwe bies geschilderd. De bovenkant van het achterboeisel is zwart. De wanden van de roef zijn groen geschilderd met witte lijnen die planken suggereren. Accessoires: stander, loopplank, peilstok, vaarboom, watervat.
AchtergrondinformatiePaviljoentjalken onderhielden de beurtvaart tussen Friese steden en Amsterdam en Rotterdam, maar ook wel op Zwolle, Groningen, etc. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk is genoemd naar het paviljoen: het verhoogd achterdek op de hoogte van de bovenkant van het boeisel. Onder het verhoogde achterdek is de roef gesitueerd. De schipper stond vóór het paviljoen te sturen. het helmhout was daarom opvallend lang. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 18.
BeschrijvingScheepsmodel van een fregat uit het laatst van de 18de of uit het begin van de 19de eeuw. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet is aan de achterkant vastgezet in het voorschip, wordt in het galjoen gehouden door woelingen (touwlussen) op de scheg, wordt aan de onderkant gehouden door waterstagen op de scheg. De bovenkant van de beogspriet hangt aan twee voorstagen van de fokkemast. Aan de boegspriet is een kluifhout gemaakt. Dat loopt door een ezelshoofd op de top van de boegspriet. Het kluifhout wordt gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen die worden geleid door ogen in de ra van de voorste blinde.
De drie masten zijn: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. De fokkemast en de grote mast zijn in drieën gedeeld: een mast, een marssteng en een bramsteng. De fokkemast heeft alleen een marsteng. Op alle drie de masten wordt de overgang van mast naar marssteng gevormd door een mars (kraaienest) en een ezelshoofd. De marsen worden aan de achterkant afgeschermd met soort reling van rood zeildoek. De overgang van marssteng naar bramsteng in de voorste twee masten wordt met twee ezelshoofden gemaakt. De fokkemast wordt gehouden door twee voorstagen op de boegspriet en door een staand want van vijf hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De marssteng van de fokkemast wordt gehouden door een staand stengewant van vier hoofdtouwen met weeflijnen, vastgezet op de mars. De bramsteng van de de fokkemast wordt gehouden door een bakstag op het voorboeisel. De grote mast wordt gehouden door een voorstag op het voordek en door een staand want van zes hoofdlijnen met weeflijnen. De marssteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de fokkemars en door staand stengewant van vier hoofdtouwen met weeflijnen. De bramsteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de fokkemarssteng en door lopend want op de zaling van de marstteng van de grote mast. De bezaanmast wordt gehouden door een voorstag op de grotemast en door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen. De steng van de bezaan wordt geouden door een staand stengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars van de bezaanmast. Enkele stagen en vallen aan de bezaanmast zijn losgeraakt. Het model is niet uitgerust met zeilen. Aan de rondhouten, vallen en schoten is echter wel te zien welke zeilen het schip kon voeren. Onder de boegspriet hangen twee ra's voor blinden. Op de voorstagen van de fokkemast konden twee stagfokken gehesen worden. Aan de fokkemast en aan de grote mast passen elk drie razeilen (aan de fokkemast een fok, een fokkemarszeil en een fokkebramzeil en aan de grote mast een grootzeil, een grootmarszeil en een grootbramzeil). Van de fok en het grootzeil (de onderste zeilen van beide masten) zijn ook de boelijnen te zien (gebruikt om de onderkanten van razeilen naar voren te trekken om scherp aan de sind te kunnen zeilen). Aan de onderste ra's van de fokkemast en de grote mast zijn spieren (verlengstukken) gemaakt, die worden uitgezet wanneer er lijzeilen gehesen worden. Aan de bezaanmast kunnen twee razeilen (begijnzeil en kruiszeil) en een latijnzeil (bezaan) met spriet gevoerd worden. De vallen van de ra's zijn belegd op nagelbanken onder aan de masten. Ook zijn er vallen en schoten belegd op de korvijnagels in de staande wanten. Op de toppen van de drie masten vergulden kloten. Op de top van de boegspriet een vlaggemast voor een prins en op de campagne de grote vlaggemast. Aan geen van de masten of vlaggemasten zijn vlaggen gemaakt. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp:
Het voorschip is rond en voorzien van een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is breed en plat en voorzien van snijwerk. De bodem is rond en voorzien van een kiel. Over de romp lopen twee berghouten.
Het model van voor naar achter:
Op de voorsteven een boegbeeld in de vorm van een leeuw. Daarachter het galjoen van drie opengewerkte regelingen. Onder het galjoen de kluisgaten waardoor de ankertouwen naar binnen lopen. Boven het galjoen een soort verschansing van rood zeildoek en aan weerszijden een botteloef (een schuin naar beneden wijzende stok die voorzien is van een schijf, waarover de boelijn van de fok loopt). Aan de einden van het galjoen zijn kraanbalken gemaakt. Daaraan hangen de ankers. Onder de rusten van de staande wanten en boven het bovenste berghout een rij geschutspoorten waaruit de lopen van twaalf kanonnen steken. Het voordek is verhoogd. Voor de fokkemast is over de gehele breedte van het dek een waterlijst gemaakt, met daarop bolders waarop schoten en vallen zijn belegd. Daarachter een nagelbank en de fokkemast. Op de achterkant van het voordek een boog met daarin een scheepsbel. Op het lagere middendek zijn de kanonnen te zien. Ze liggen op houten klossen die de rolpaarden moeten uitbeelden. Boven de kanonnen, langs de boorden zijn overdekkingen gemaakt, een soort gangboorden. Langs deze gangboorden een metalen reling. Midscheeps is in deze relingen een opening gemaakt. Daaronder in op de scheepsromp een trap van voetlijsten gemaakt (valreep). Voor de grote mast staat een nagelbank. Het verhoogde achterdek is te bereiken met twee trappen. Langs de trappen en de voorkant van het achterdek een metalen reling. Voor de bezaan mast is in het achterdek een trapgat gemaakt, dat omgeven is door een reling. Aan de voet van de bezaanmast een nagelbank en een stuurrad. Langs de zijkanten van het achterdek een verschansing van rood zeildoek. De spiegel loopt breed uit en is voorzien van houtsnijwerk (gehangen doek en klavers). Aan de bovenkant van de spiegel drie lantaarns. De galerij eronder heeft zeven toogvormige ramen. De galerij loopt over het achterschip door naar voren (aan weerszijden drie ramen). In de wulf (ruimte tussen galerij en waterlijn) zijn twee openingen gemaakt. Waarschijnlijk zijn het geschutspoorten. Dat maakt het totaal aantal kanonnen dan 26. Het roerblad kan met kettingen en touwen (roertalie) worden vastgezet. Aan de roertalie een touw met daaraan een sloep (een voobank, twee roeibanken en een achterbank en op de voorden twee maal vier roeidollen).
Kleuren:
De romp is gedeeltelijk gelakt en gedeeltelijk geverfd. De berghouten zijn zwart. Het gedeelte onder het berghout (onderwaterschip) is wit. De spiegel, de lantaarns, de galerijen en delen van de wulf zijn verguld, evenals de rusten, de regelingen van het galjoen en de galjoenleeuw. De boeisels van voor- en achterdek zijn zwart met vergulde biezen. De dekken zijn zwart. De relingen op het achterdek en het stuurrad zijn verguld. De rolpaarden van de kanonnen en de verschansingen van zeildoek op voor- en achterdek en op de marsen zijn rood. De rondhouten (masten en ra's) zijn ongeverfd.
Accessoires: stander en sloep.
AchtergrondinformatieHet model werd aan het Fries Museum geschonken door J. Appeldoorn. Een fregat is in het algemeen een oorlogsschip met één volle laag geschut, soms aangevuld met kanons op bak en campagne. Het freagt had meestal één of twee dekken en weinig opbouw. De eerste Nederlandse fregatten hadden een platte spiegel. Na 1720 werd deze, onder invloed van Engelse bouwmeesters, vervangen door ronde spiegels. Ze waren als volschip getuigd: drie masten. De vorm en de bouw waren gericht op snelheid en niet op een hecht constructie, zoals bij linieschepen. Ze waren bestemd om dienst te doen als verkenner of voor het overbrengen van berichten. De vroege fregatten waren derhalve klein en bewapend met niet meer dan twaalf stukken. Latere fregatten waren grote en voerden 54-60 stukken. In de negentiende eeuw waren er ook koopvaardijfregatten, die qua vorm en tuigage leken op de oorlgosfregatten, maar waren ingericht voor de handelsvaart.
BeschrijvingScheepsmodel van de fjouwer-acht Vrouwe Anna Beatrijs. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: De tjotter heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door vier boegstagen (ook stangen, aan elke kant twee) op het boeisel. De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken en die is belegd op een klamp op het voorboeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. In de fok is één rij reeftouwen aangebracht en in het grootzeil twee rijen reeftouwen. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. Aan de schoothoek van de fok hangt een dubbel blok. De beide fokkeschoten lopen door dit blok. De vaste einden van de fokkeschoten zijn bevestigd op een oogbout in het voordek. De halende einden lopen door houten schootogen en zijn belegd op een korvijnagel in een spant in het achterschip. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met kralen) aan de mast bevestigd. De halstalie loopt door een dubbelschijfs blok aan de hals van het zeil en twee enkelschijfsblokken op de messelbank, en is belegd op de nagelbank. Het ondereind van het achterlijk is vastgezet aan de giek. De giek rust aan de voorkant met een scharnierende lummel in een oog aan de nagelbank. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt door twee dubbelschijfs blokken. Het bovenste daarvan hangt aan een beugel om de giek. Het onderste blok is een hakkeblok. Het halende eind van de grootschoot is belegd op dit hakkeblok. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een blauwe vleugel (met Hollands hoekje) aan een metalen scheerhout. Op de rug van het roer staat een licht gebogen vlaggemast met vergulde knop. Aan de vlaggemast een Friese vlag. De blokken zijn van hout en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is de botteloef bevestigd. De boeisels zijn versierd met geschilderde voluten en bladertakken: in de gillings voor en achter, aan beide zijden steeds drie voluten. Voorts zijn de boeisels versierd met drie gesneden biezen. De boeisels zijn voor en achter bedekt met koperplaat. De bovenste huidgang is voorzien van een koperen stootrand. In het voorschip is tussen de boeisels een bedelbalk. Deze is aan de bovenkant bedekt met koperplaat. De achterkant van de bedelbalk is met snijwerk versierd: bladertakken. Aan de binnenkant van het schip zijn de spanten te zien. In het voorschip is een dek, op dezelfde hoogte als de messelbank. Op het voordek ligt een anker met één blad. Een deel van het voordek is als luik weg te nemen. De mast is strijkbaar in de mastkoker. Wanneer dat gebeurt moet het luik (uitwip) in het voordek worden weggenomen om het ondereind van de mast door te laten. Aan de mastkoker een nagelbank. Midscheeps is het boeisel aan de binnenkant gedubbeld. De zwaarden zijn met bouten en moeren opgehangen aan het gedubbelde boeisel. De zwaarden hebben een verdikte kop. De zwaardkoppen zijn bedekt met koperplaat. Langs de onderkanten van de zwaarden metaalbeslag (scherp van vorm). De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met koperen stervormen. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de bovenkant van het boeisel (potdeksel) naar binnen en zijn daar belegd op korvijnagels in de spanten. Op het boeisel aan bakboord zijn twee scepters aangebracht: voor een vorkvormige scepter en achter een gesloten scepter. In de scepters liggen een vaarboom en een pikhaak. De bodem van het achterschip is bedekt met buikdenningen. Langs de boorden zijn in het achterschip twee banken met deksels. Ook tegen het achterschip is een bank. Het achterhuisje is aan de voorkant voorzien van een lancetvormig deurtje. Daarop is de naam 'HARMEN' geschilderd. Langs de bovenkant van het achterhuis de hennebalk. Deze is aan de bovenkant bedekt met een koperen plaat. De voorkant van de hennebalk is versierd met snijwerk: bladertakken met bloemen. Het roer is met drie roerhaken aan de achtersteven gehangen. De kop en de rug van het roer zijn bedekt met koperplaat. De wangen van de roerkop zijn met snijwerk versierd: een zon en een bloemtak. Over de roerkop valt een helmhout. Dit is aan de achterkant voorzien van koperbeslag. De voorkant van het helmhout is aan de zijkanten versierd met een bladertak. De voorpunt van het helmhout is gesneden in de vorm van een druiventros. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. De boeisels zijn zwart met drie groene biezen en een witte onderrand. De voluten op de boeisels zijn goudkleurig. De binnenkanten van de boeisels zijn blauw (boven) en groen (beneden). De spanten zijn wit en voorzien van rode koppen. De bedelbalk en de hennebalk zijn meerkleurig geschilderd: witte ondergrond, zwarte biezen, goudkleurige ranken, groene bladeren en rode bloemen. Het voordek is gelakt. De banken en buikdenningen in het achterschip zijn gelakt. De veren van het roer zijn wit (boven) en rood (onderwaterschip). Het helmhout is groen. Het snijwerk aan het helmhout is goudkleurig op wit en de druiventros is goudkleurig. De kop van het roer is meerkleurig beschilderd: witte ondergrond, gouden zon en groene bloemtak met rode bloem. Accessoires: vaarboom, pikhaak, anker en stander.
AchtergrondinformatieHarmen Hoogeveen. Geboren 10 febr. 1891 en overleden 10 juli 1970. Woonde in Vierhuis. Werkte van 1903-1908 op de scheepswerf van Jan Bos te Echtenerbrug. Van 1909 tot 1914 op de werf van Auke van der Zee te Joure. Werkte mee aan de bouw van de boeiers Olga en Almeri. In de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd geweest. Bij terugkomst in 1918 in dienst van machinefabriek H. Koelstra te Balk. waar Harmens broer Hans al werkzaam was. Toen ook van Vierhuis naar Balk verhuisd. In 1934 ging het slecht met het bedrijf van Koelstra, Het werk verkocht. De gebroeders Hans en Harmen Hoogeveen kochten het bedrijf. Harmen bleef actief in het bedrijf tot 1957. De tijd van de scheepsbouw bij Auke van der Zee had grote indruk gemaakt op Harmen Hoogeveen. Hij praatte er veel over en er was een wens ooit zelf nog eens een boeier te maken. Omdat daar geen ruimte voor was, werd dat een model van een boeier.
Uilke Hoogeveen (1924-1997) is een zoon van Harmen Hoogeveen. Toen hij op zestienjarige leeftijd de MULO had voltooid, ging hij werken in het bedrijf van zijn vader.
Het model van de fjouwer-acht Vrouwe Anna Beatrijs is gebouwd door Harmen Hoogeveen. Na het voltooien van het model van de boeier Constanter in sept. 1960 begon hij in 1961 met de bouw van het model van de Vrouwe Anna Beatrijs. Hij baseerde de bouw op de opmetingstekeningen die in opdracht van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten waren gemaakt. Het casco is door zoon Uilke Hoogeveen afgewerkt en geschilderd. In 1963 was dat gereed. Het model werd zonder mast in een vitrine geplaatst en bij Harmen Hoogeveen in de kamer gezet. In 1964 maakte Uilke Hoogeveen de rondhouten en de blokken. In 1980 maakte Pieter Alkema uit Sneek de zeilen. De tekeningen die bij de bouw van het model zijn gebruikt zijn van W.H. Fortuin: inv.nrs. 1998-116 en 1998-117.
De tjotter Vrouwe Anna Beatrijs is gebouwd in 1907 door Lolke Lantinga te IJlst. Opdrachtgever: P. Kuipers te Workum. Prijs: f. 402,62. Afmetingen: lengte 4.90 meter, breedte 2.18 meter, holte 0.99 meter, zeiloppervlak 25.3 m2., literatuur:
- dr.ir. J. Vermeer, Tjotters en boatsjes (Leeuwarden, 1997)
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 24-26 en 62-65
BeschrijvingScheepsmodel van de stalen Lemsteraak met visserijnummer LE 6. Op spanten gebouwd: zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt uitgezet door een beugel aan de voorsteven. Aan de achterkant is de kluiverboom vastgezet in een lus aan de waterbalk. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller, waarvan de val is belegd op een voorbolder. De schoot van de kluiver is belegd op een klamp in he achterschip. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de metalen voorstag. De fokkeschoot is belegd op een klamp in het achterschip. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. In het grootzeil een dubbele rij reeftouwen. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is bevestigd aan aan oog op de kielbalk. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel. De blokken zijn voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. In de bodem zijn bunplaten gemaakt.
Het model van voor naar achter Op de voorsteven het visserijnummer: 'LE 6'. Links naast de steven hangt het dreganker over de geschulpte kluisborden. Op het voordek de braadspil, het luik voor het ankertouw, een schoorsteen en het luik van de kajuit. Achter de mast de waterbalk waaraan de zwaarden zijn bevestigd. De smalle zwaarden hebben verdikte koppen en de onderkanten ervan zijn voorzien van metaalbeslag. Dwars over de onderkant van de zwaard is nog een metaalstrip gemaakt. De zwaardloper gaat over het boeisel naar binnen en in belegd op een klamp. Aan het boeisel op het voordek aan weerszijden een bolder. In de wand van het voordek naar het achterschip een dubbele deur. Het achterschip heeft geen dek maar een buikdenning. In het achterschip een metalen bun. Aan de binnenwanden van het achterschip aan weerszijden drie klampen, waarop ondermeer de kluiver- en fokkeschoot en de zwaardloper zijn belegd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok. Dit blok is vastgezet op een oogbout in de kielbalk. In het achterschip een gecontourneerde achterbank en het achterhuisje met lancetvormige deur. Daarboven de stuurboog: een balk met gaten waarin het helmhout met korvijnagels kan worden vastgezet. Aan de einden van de stuurboog kniestukken met daarin een korvijnagel. Het roer heeft een bolle roerklik, die naar voren uitsteekt.
Kleuren: De romp is onder het berghout zwart. De boeisels erboven zijn grijs, evenals het metalen voordek. Voorts groene accenten: de roerkop, het helmhout, de stuurboog, de achterbank, de zwaardkoppen, het bundeksel en de kop van de steven. Kluisborden, berentanden, luiken en zwaarden zijn gelakt. Het roer is van onderen zwart en van boven gelakt. De masttop is zwart met witte hanepoten en trommelstok.
Accessoires: stander en anker.
AchtergrondinformatieDe Lemsteraak komt, zoals de naam al aanduidt, uit Lemmer. De eerste Lemsteraak werd in 1876 gebouwd door Pier de Boer uit Lemmer. Het schip werd ontwikkeld uit de kleinere bot-aak. De Lemsteraak is een rond schip met kielbalk. De voorsteven is gebogen en vallend. De achtersteven is recht en licht vallend. De romp heeft een rond grootspant en is gladboordig. De kop is volrond. Het achterschip is iets slanker. Het boeisel valt sterk in. De romp heeft een matige zeeg. De tuigage bestond uit een steekmast met bezaantuig (grootzeil, stagfok en kluiverfok). De zwaarden zijn lang en smal. De lengte varieerde van 10.30 meter tot 14.50 meter. De eerste ijzeren Lemsteraak werd in 1898 gebouwd door Croles te IJlst. Aanvankelijk werd de Lemsteraak gebruikt als moederschip en als jager voor de haringvletten. Ook vervoerden Lemsteraken mosselzaad van de Zuiderzee naar Zeeland en mosselen van Zeeland naar België. In Zeeland werde mosselaken gebouwd naar voorbeeld van de Lemsteraak, die vanwege de snelheid 'jachten' of Bruinissser jachten werden genoemd. Beroemd waren de zeilwedstrijden voor Lemsteraken. Hierbij voerden ze soms in totaal zes zeilen en fokken. Zelfs op het Amsterdamse IJ werden zeilwedstrijden voor Lemsteraken georganiseerd. Een visser kon hier aan deelnemers- en prijzengeld soms meer verdienen dan met een dag vissen.
Andries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Opmerking van scheepsbouwer Dirk Blom uit Hindeloopen bij het model: de kluiverinstallatie is niet goed, het roer is dat van een skûtsje (niet van een vissersschip) en de top van de mast is te hoog.
TitelSpeelscheepje of lytse holle, vervaardigd door Eeltje Holtrop van der Zee te Joure.
VervaardigerZee, Eeltje Holtrop van der
TrefwoordenJoure
Objectnummer1995-277
Periode van1880
Periode tot1890
BeschrijvingSpeelscheepje van het type Lytse Holle. De holle romp is overdekt met blik.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op de metalen botteloef (in het fries loefbyter). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de fok is met elf metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een haak en een touw vastgezet op de botteloef. De fokkeschoot loopt met een ring over een metalen overloop. Het grootzeil is voorzien van een sterk gebogen gaffel. Het zeil is aan de gaffel vastgenaaid. Het voorlijk van het grootzeil is met twaalf masthoepesl aan de mast bevestigd. De hals is met een draad aan een oog in de mast bevestigd. In het achterlijk zijn drie plooien ingenaaid (voor het verkrijgen van bolling). De giek is aan de voorkant met een zwanehals opgehangen in een oog aan de mast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschool is met een ring vastgezet op een metalen overloop. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. Bij de tuigage van het speelscheepje is niet gebruik gemaakt van blokken, doch alleen van metalen ogen.
De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip heeft een platte verticale spiegel. De bodem is rond en voorzien van een kiel, die aan de onderkant is verzwaard met metaal. Het speelscheepje is niet voorzien van een roer.
Het model van voor naar achter: De botteloef is met een blok vastgezet op de voorsteven. Het holle speelscheepje is overdek met een metaalplaat die is beschilderd alsof het dek van planken is gemaakt. Voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Op het achterschip alleen de overloop van de grootschoot. De achterspiegel is voorzien van een profiellijst. Daarbinnen is de naam 'A.G. Brouwer' geschilderd.
Kleuren: De romp is wit met langs het dek een rode en blauwe bies. Het dek is beschilderd in een imitatie houtkleur met zwarte randen (planken suggererend). Rond het dek twee groene randen. De rondhouten zijn gelakt. De botteloef en de overlopen zijn zwart. De spiegel is wit met een rode profielrand en een opschrift in zwart. De stander is groen met wit.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is van het type Lytse Holle: de romp is korter dan 55 cm. (lyts) en het is niet massief (hol). Het speelscheepje werd gemaakt voor Arjen Gjalt Brouwer, geboren te Joure in 1879 en overleden te Rotterdam in 1947. hij was de enige zoon van Gjalt Arjens Brouwer (1854-1940) en Hiltje Taconis (1856-1950/1951)., Bij het scheepje hoort een verklaring van mevrouw M. van der Burg-Borger (een achternichtnicht van Arjen): 'Dit scheepje was eigendom van Arjen Gjalt Brouwer, geboren te Joure 1879 en gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee, scheepsbouwer te Joure, waarschijnlijk tussen 1880 en 1890'. Marijke Borger (geboren 1887) was getrouwd met Boke van der Burg. Haar ouders waren Johannes Borger (geboren 1857) en Rigtje Rinkes. De vader van Johannes Borger was Heero Borger (geboren 1828) en haar moeder was Marijke Riensk Geerts. De vader van Heero Borger was Johannes Heeres Borger en zijn moeder was Rimkje Wygers van Eyck. Zij hadden ook een dochter Tettej Borger (geboren 1830) die getrouwd was met Arjen Gjalts Brouwer. Hun zoon was Gjal Arjens Brouwer (geboren 1854) die getrouwd was met Hiltje Taconis (geboren 1856). Hun zoon was Arjen Gjalt Brouwer (voor wie het scheepje is gebouwd). In 1946 kwam het scheepje in bezit van de kleinzoon van genoemde mevr. Marijke van der Burg-Borger, mr. Joh. Borger van der Burg. Deze liet het na aan de A.G. van Mill, die het in overleg met de familie Borger van der Burg schonk aan het museum., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden.
BeschrijvingScheepsmodel van een houten beurtschip. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt aan de voorkant gehouden door een waterstag en door een boegwant van twee hoofdtouwen die zijn belegd op een klamp op het boeisel. In het midden wordt de kluiverboom gehouden door een metalen ring aan de voorsteven en aan de achterkant in een schuingeplaatste kluiverboomstoel. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers op het boeisel bevestigd. De zeilen zijn van lichtbruine (verkleurd?) katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. Het voorlijk van de kluiver is met metalen ringen bevestigd aan de eerste voorstag. De schoot van de kluiver is belegd op een klamp aan het boeisel. De stagfok is net als de kluiver met metalen ringen bevestigd aan een voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op de overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk is met rakkralen (glazen kralen) bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat is bevestigd op een overloop op het achterschip. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank aan de mastkoker. Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. De ronding zijn enigszins hoekig, niet vloeiend. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de steven kluisborden en berentanden. Aan bakboord hangt over een beretand een stokanker. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar de braadspil op het voordek. Aan een bolder an bakboord hangt een kurkzak over het berghout. Achter de braadspil een scharnierend luik met een rond raam en een dubbel luik (uitwip) die wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken om het ondereind van de mast door te laten. Aan de onderkant van de mast een loden contragewicht. Net voor de mast de overloop van de fokkeschoot, die loopt van boeisel tot boeisel. Achter de mast de nagelbank en de roef. De roef heeft in het dak een lichtkap en in de zijwanden aan weerszijden drie patrijspoorten. Twee scharnierende deuren en een schuifluik bieden toegang tot de roef. Het interieur van de roef is ingericht: vloerbedekking en banken die met groene pluche zijn bekleed. De zwaarden zijn voorzien van verdikte koppen. Ze zijn aan de onderkant bekleed met metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een schildpadblok door een gat in het boeisel naar het achterschip en is daar (ongetakeld) belegd op een bolder. Opvallend is dat aan een ring op de bovenkant van de zwaarden een touw is vastgemaakt, dat loopt naar een oog in de top van de mast en dan terug gaat naar beneden, waar het is belegd op een klap op de zijwand van de roef. Op beide boeisels zijn ter hoogte van de roef scepters gemaakt. In de scepters aan bakboord ligt een pikhaak en in die aan stuurboord ligt een vaarboom. Achter de roef is een verlaagd dek (bollestal) dat omgeven wordt door banken. De gangboorden lopen door tot het achterschip. Langs de randen van de gangboorden zijn waterlijsten gemaakt, zodat buiswater niet van de gangboorden in het verlaagd achterdek kan lopen. Op het achterhuis is de overloop van de grootschoot bevestigd. De helmstok steekt onder deze overloop door. De helmstok kan met korvijnagels worden vastgezet in de gaten van de stuurboog op het achterschip. Op het roer een eenvoudige roerkop. Op de achterkant van het roer een recht vlaggenstok met daarin een rood-geel-witte vlag. Op de buitenkant van het achterboeisel is tweemaal de naam van het schip geschilderd: 'DE HOOP'. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is groen met een rode bies en het berghout is groen. De kluisborden zijn groen met rood in het kluisgat. De berentanden hebben rode koppen. De koppen van de zwaarden zijn groen. Binnen de boeisels is het houtwerk gelakt: luiken, ruim, dekken, rondhouten. Accessoires: stander, aker, loopplank, stokdweil, pikhaak en vaarboom
AchtergrondinformatieLiekele Boom moet tegen het eind van de 19e eeuw geboren zijn in Friesland (Joure?). Na zijn jeugd doorgebracht te hebben in Friesland, vertrok hij naar Rotterdam, waar hij tot zijn pensionering in het havenbedrijf werkzaam was. Hij overleed op ongeveer 80-jarige leeftijd. Bij tijd en wijle fungeerde hij als schipper op het zeiljacht, waarmee Prins Hendrik en de bekende Rotterdamse zakenman en kunstverzamelaar Van Beuningen tochten maakten. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Ingekomen stukken 1978-200 en 1978-217 en uitgegane stukken 23 nov. 1978. - Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, p. 17
BeschrijvingScheepsmodel van de Lemster Beurtman, het beurtschip van Lemmer op Amsterdam. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt aan de voorkant gehouden door een kraanlijn, in het midden door een haak en een ring aan de voorsteven en de achterkant rust in een metalen kluiverboomstoel.
Het model heeft één mast, die is voorzien van een steng. Mast en steng worden gehouden door een voorstag die met een tiengaats jufferblok op de voorsteven is bevestigd. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen (tussen twee daarvan zijn weeflijnen gemaakt als touwladder) en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers vastgezet op het boeisel. De mast is niet strijkbaar. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok, een grootzeil en een driehoekig topzeil. Het katoen is verkleurd en er zijn gaten in gevallen. Het grootzeil lijkt nieuwer dan de andere zeilen. De kluiver wordt uigezet met een traveller. De kluiverschoot is belegd op een bolder aan stuurboord. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen aan de voorstag bevestigd. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgemaakt aan een overloop. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. Het wordt gebruikt zonder giek (zeilen met de losse broek). Aan de broek van het grootzeil is een bonnet (afknoopbaar gedeelte) gemaakt. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgemaakt op een overloop op het achterschip. Het topzeil is bevestigd aan de steng en aan de bovenkant van de gaffel. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rood-wit-blauwe zwaluwstaartvleugel en erboven een versierde kloot. De houten blokken zijn voorzien van metaalbeslag, maar niet van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Opvallend is de brede kop van het schip en het smalle, gepiekte achterschip.
Het model van voor naar achter. De voorsteven is met metaal bestlagen. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden, de berentanden en twee kraanbalken. Deze kraanbalken worden gebruikt bij het ankeren om te voorkomen dat de scheepshuis beschadigt. Het anker hangt over de kraanbalk aan stuurboord. Het ankerketting loopt via het kluisgat naar de braadspil op het voordek. Tussen braadspil en voorsteven is een vierkanten metalen schoorsteen. Achter de kluiverboomstoel zijn twee luiken in het dek gemaakt. De binnenkanten van de luiken zijn beschilderd: de voorste met een landschapje met man, de achterste met een voorstelling van een beurtschip. Vlak voor de mast de overloop van de fokkeschoot, die loopt van boeisel tot boeisel. Naast de mast een watervat met hevel die uitmondt in een aker. Achter de mast een hoge nagelbank, waarop enkele vallen en ondermeer de halstalie zijn belegd. Daarachter het ruim, dat wordt afgedek met drie ronde luiken, en een hoge roef. Tussen de roef en de nagelbank loopt een soort ladder, die gebruikt zal zijn als houder van het zeil en de gaffel, wanneer deze gestreken waren. Aan weerszijden van het ruim zijn in de gangboorden twee lenspompen gemaakt. De roef heeft in de voor- en zijwanden ruitvormige ramen. In de zijwanden zijn schuifdeuren gemaakt en in de achterwand dubbele, scharnierende deuren. De zwaarden zijn gemaakt uit een stuk. Ze zijn voorzien van verdikte koppen en metaalbeslag over de boven- en onderkant. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en is binnenboord getakeld met een zwaardtalie die loopt door twee blokken en die in het voorschip is belegd op een klamp tegen de binnenkant van het boeisel. In het achterschip is een paviljoen gemaakt: een verblijf waarvan het dak even hoog is als de bovenkant van het achterboeisel. Het is toegankelijk door twee schuifluiken in het paviljoendek. Over het paviljoendek loop de overloop van de grootschoot. De helmstok van het roer is licht gebogen en loopt over het paviljoendek, onder de overloop naar het dek tussen roef en paviljoen. Het roer wordt versierd met een gehelmde roerkop. Op de achterkant van de helmstok is geschilderd: '1839'. In het achterschip zijn aan weerszijden van het roer twee ramen gemaakt. De randen daarvan zijn met schilderwerk versierd: bladertakken en wapens. Het wapen aan stuurboord is dat van Amsterdam. Het wapen aan bakboord is moeilijk te zien. Onder de geoxideerde verf tekent zich een bolvorm af en dat zou de aardkloot van het wapen van Lemsterland kunnen zijn.
Kleuren: De romp is geheel gelakt. Ook de rest van het houtwerk (dekken, ruim, rondhouten, etc.) zijn gelakt. De twee luiken op het voordek zijn donkergroene geverfd, evenals het midden van de luiken van achterruim. De roef is ook donkergroen met rond de ramen een rode bies. Het helmhout is groen met een rood handvat. De roerkop en de randen van de achterramen van het paviljoen zijn meerkleurig beschilderd. Accessoires: houten stander, watervat en aker.
AchtergrondinformatieHet model van het beurtschip stelt, indien het wapen aan bakboord inderdaad dat van Lemsterland is, de Lemster Beurtman voor. Dit schip onderhield de beurtdienst van Lemmer op Amsterdam.
De vorm van de romp (brede kop en gepiekt achterschip) is waarschijnlijk afgeleid van de denkbeelden daarover van de scheepsbouwkundige Folkert Nicolaas van Loon, die in zijn 'Handleiding tot den Burgerlijken Scheepbouw' (Workum, 1838) uitvoerig ingaat op de bouw van beurtschepen.
Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 17-18
BeschrijvingScheepsmodel van een Lemster beurtman in de vorm van een paviljoentjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De mast heeft een steng, die met twee metalen beugels (ezelshoofden) aan elkaar verbonden zijn. VAn de onderkant van de steng is een splinter afgebroken. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag die met een jufferblok (stagblok) met vijf gaten is vastgezet op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders), door een staand want van één hoofdtouw dat hoger aan de mast is vastgezet en door een lopend want (bakstag). De staande wanten zijn met paren jufferblokken vastgezet op puttingijzers op de zwaardklos (in de functie van rust). De kluiverboom rust aan de achterkant in een metalen houder op het voordek en in een beugel die aan bakboord aan de voorsteven is bevestigd. De voorkant van de kluiverboom hangt in een kraanlijn. De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiverfok, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiverfok wordt uitgezet met een traveller op de kluiverboom. De traveller wordt naar voren getrokken met een lijn die loopt over een schijf in de top van de kluiverboom en die is belegd op de beretand aan bakboord en op een klamp op het achtereind van de kluiverboom. Van de traveller loopt naar de top van de mast een vaste (ongetakelde lijn, een soort stag). Het voorlijk van de kluiverfok is met metalen leuvers aan deze lijn bevestigd. De hals van de kluiverfok is vastgehaakt aan de traveller. De kluiverschoot is aan stuurboord belegd op een bolder in het voorschip. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een blok vastgezet op de voorsteven. In de top van de stagfok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt door een blok aan de schoothoek van de fok en door een hakkeblok dat is vastgezet op de overloop op het voordek. De fokkeschot is belegd op dit hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. De piek van de gaffel wordt gehesen met een piekeval die in een kruisvorm is gespannen over een vioolblok aan de gaffel. De klauw wordt met de klauwval gehesen. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgezet aan de mast. De halstalie van het grootzeil is met twee blokken getakeld en belegd aan de voet van de mast. Het grootzeil heeft geen giek: het wordt gezeild met losse broek. Aan de onderkant van het grootzeil is een bonnet gemaakt. Dit is een afknoopbaar gedeelte, waarmee het zeil bij harde wind werd gereefd. Aan het achterlijk is een gei gemaakt: een lijn die werd gebruikt om het achterlijk van het zeil in de richting van de mast te trekken. Van de gaffelnok naar het achterdek lopen aan weerszijden twee geerden (touwen die de gaffel in bedwang moeten houden). Aan de onderkant van het achterlijk van het grootzeil is de grootschoot bevestigd. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan het zeil en enkelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het achterschip. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen en kraanlijnen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en op de nagelbank achter de mast. In de top van de steng een rode vleugel aan een koperen scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond en hebben terugvallende boeisels. De bodem is vlak en rond. De achterkant van de bodem is gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. De kluisgaten zijn versierd met snijwerk in de vorm van een ster. Over het boeisel aan stuurboord hangt een stokanker met houten stok. Het ankertouw loopt door het kluisgat aan stuurboord naar binnen, is geslagen over de braadspil en verdwijnt door een luik in het voordek naar binnen. Achter de braadspil de metalen stander van de kluiverboom. Tegen de boeisels van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Daaronder hangen over het berghout aan weerszijden drie wrijfhouten. In het voordek zijn twee luiken gemaakt. Het voorte luik is scharnierbaar. Het twee, grotere luik is los. Voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Achter de mast een losstaande nagelbank. Ter hoogte van de nagebank zijn de zwaarden aan de boeisels gehangen. De zwaarden hebben verdikte koppen en zijn aan de bovenranden versierd met ingesneden schulpvormen. Aan de onderkant zijn de zwaarden verstevigd met vier houten dwarslatten en een halfronde metalen strip. Ook langs de randen van de zwaarden is metaalbeslag aangebracht. De zwaardlopers lopen naar achter, door en staartblok aan een ketting op de buitenkant van het boeisel, terug naar voren, door een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel en zijn belegd op de bolders op het achterschip. Achter de nagelbank het luikhoofd van het ruim dat met vijf bolle luiken wordt overdekt. De kajuit daarachter heeft een bol dak. In de zijwanden van de kajuit ovale lichtranden met schuifluiken. In de achterwand van de kajuit dubbele deuren. Achter de kajuit is de plaats van de roerganger. Het achterdek is een paviljoendek (het dek is even hoog als de bovenkant van het boeisel). Het lange helmhout steekt over het paviljoen heen naar voren. Op de voorkant van het paviljoen de overloop van de grootschoot. Over de berghouten van het achterschip hangen twee wrijfhouten (aan beide kanten één). In de boeisels van het achterschip zijn ramen gemaakt om licht te scheppen in het paviljoen. Onder de ramen geschilderde wapens: aan bakboord het wapen van Lemsterland (hand met aardkloot) en aan stuurboord het wapen van Amsterdam (drie Andreaskruisen). Het roer is smal en hoog van vorm. Het hangt met vier roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met drie tonnetjes. Het helmhout is gebogen en aan de voorkant voorzien van een koperen knop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Het berghout en de bovenkant van het boeisel is zwart. De boeisels zijn gelakt, alleen in het voor- en achterschip zijn ze groen met een goudkleurige bies. De kluisborden zijn groen met ene goudkleurige ster. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen en de inschulpingen zijn groen. De dekken zijn gelakt, evenals de luiken, het ruim en de kajuit. Er zijn enkele groen accenten aangebracht: de koppen van de bolders, de koppen van de nagelbank en de luiken van de kajuit. De rondhouten zijn gelakt. Het roer en de roerkop zijn gelakt. De drie tonnetjes op het roer zijn rood, wit en blauw. Accessoires: stander en pikhaak.
AchtergrondinformatieDe aanwezigheid van de wapens van Lemsterland en Amsterland onder de ramen van het paviljoen maken waarschijnlijk dat het beurtschip de dienst tussen Lemmer en Amsterdam onderhield: 'de Lemster beurtman'. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk dankt zijn naam aan het paviljoen in het achterschip: een verhoogd achterdek op het niveau van de bovenkant van het boeisel. Onder het paviljoen bevindt zich het verblijf van de bemanning of de passagiers. De schipper staat vóór het paviljoen te sturen. Opvallend is het lange helmhout. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
TitelScheepsmodel van het stoombeurtschip Stad Workum.
VervaardigerSmit, K.
Trefwoordenstoomschepen, beurtschepen, Workum
Objectnummer1987-038
Periode van1986
Periode tot1986
BeschrijvingScheepsmodel van het stoombeurtschip Stad Workum. Op spanten gebouwd. Schaal 1:50. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Het schip is over de gehele lengte voorzien van twee berghouten op stootranden. Op de voorsteven, tussen de stootranden, de naam van het schip: 'STAD WORKUM'. Tussen de stootranden bevinden zich ook de patrijspoorten van de passagiersverblijven: in het voorschip aan weerszijden vijf en in het achterschip aan weerszijden vier. Het dek is van hout. Op het voorschip een houten opbouw met dubbele deuren en schuifluik, dat toegang verschaft tot het passagiersverblijf in het vooronder. Midscheeps een houten luik en daarachter de metalen opbouw van de machinekamer. In de voorwand daarvan de deur. Op het dak de schoorsteen die wordt gehouden door twee tuidraden. Rond de schoorsteen een hekje. Aan de schoorsteen is aan de voorkant de stoomfluit bevestigd. Aan de achterwand van de machinekamer hangt de scheepsbel. Links van de machinekamer een rond metalen deksel van de kolenbunker. Rechts van de machinekamer een dubbel metalen luik met daaronder een loopplank (voor vee). Achter de machinekamer een lichtkap met tralies. Daarachter een stander met de hendels waarmeer de machine bediend werd. Op het achterschip een houten opbouw met dubbele deuren en schuifluik, dat toegang verschaft tot het passagiersverblijf in het achterschip. Het achterdek is enigszins verhoogd. Daar bevindt zich het horizontale tuurwiel dat direct op de roerspil is bevestigd. Op het boeisel is over de gehele lengte van het schip een vaste reling gemaakt. Daarin waan weerzijden op drie plaatsen openingen (afgesloten door kettingen) waardoor mensen, vee en goederen aan boord kunnen komen. Kleuren: De romp is groen. Het onderwaterschip is zwart. Op het voorschip een witte band. De berghouten zijn wit (boven) en groen (onder). De reling is wit en de leuning ervan is zwart. Het dek en de houten opbouw zijn gelakt. De machinekamer en de metalen luiken zijn zwart. Accessoires: een houten stander.
AchtergrondinformatieHet beurtschip Stad Workum van de familie Groenhoef onderhield de beurtdienst van Workum op Sneek.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagierstuimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten (dat was ook de stoomboot De Stad Workum het geval). Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 20
TitelScheepsmodel van een visaak, zoals gebouwd in Buitenstvallaat.
VervaardigerWerff, Gurbe van der
Trefwoordenvisaken, aken, vissersschepen
Objectnummer1988-295
Periode van1988
Periode tot1988
BeschrijvingScheepsmodel van een ijzeren visaak. Blokmodel van hout. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De aak heeft één mast. De mast steekt uit het dak van de roef. De mast is niet gestaagd. Op de voorsteven is met een vorkverbinding een botteloef geplaatst (in het fries 'loefbyter'). De botteloef is niet gestaagd met waterstagen of boegstagen. Het model heeft geen zeilen. Tussen de top van de mast en de voorpunt van de botteloef de val van de stagfok. De val is vastgezet op de botteloef, loopt door een blok aan de top van de mast, en is aan de onderkant met één blok getakeld en belegd op een klamp op de achterwand van de roef. Het grootzeil is opgedoek op de giek. Daar overheen is een bruine huik gelegd. De voorkatn van de giek hangt met een scharnierende lummel in een oog aan de mast. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. Het grootzeil heeft slechts één val. Deze val loopt door een blok aan de top van de mast en is aan de onderkant getakeld door één blok. De val van het grootzeil en de kraanlijn zijn belegd op houten klampen aan de achterwand van de roef. De grootschoot is niet getakeld. De schoot loopt door een oog aan een glijder rond een metalen overloop op het achterschip en is aan bakboord belegd op een houten klamp op het achterdek. Op de overloop zijn twee eindstoppen gemaakt. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond. De bodem is rond en is midscheepsvoorzien van ingeboorden gaten, die bunplaten suggereren. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is de botteloef bevestigd. Het voordek en de gangboorden lopen gelijk met de bovenkant van de boeisels. Op het voordek een pijp met bolle kap. Daarachter de roef (ook wel tent genaamd). De voorwand van de roef is laag en heeft geen ramen. De zijwanden hebben dubbele ramen met schuifluiken. In de achterwand aan stuurboord dubbele deuren en aan bakboord een raam. In het dak van de roef een scharnierend luik, een lichtkap, een schoorsteen (met U-vormige bovenkant) en een schuifluik boven de deuren. Het achterschip is open. In het midden ervan de trog van de bun. De bun bestaat uit drie delen en wordt met één deksel gesloten. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdik. De boutgaten zijn versierd met koperen stervormen. Langs de randen van de zwaarden rond koperbeslag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar voren, door een schildpadblok op het boeisel naar binnen en zijn belegd op houten klampen in het achterschip. Op het boeisel aan bakboord zijn twee scepters gemaakt: de voorste is gesloten en de achterste is vorkvormig. In de scepters liggen twee vaarbomen van ongelijke lengte. Tegen het achterhuis zijn twee banken of kisten gemaakt. In de voorwand van het achterhuis zijn twee deuren getekend. Op het achterhuis de overloop van de grootschoot en twee klampen. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met een geschilderde vis. Het helmhout vals los over de roerkop en steekt onder de overloop door naar voren. Kleuren: De romp is groen. Het onderwaterschip en het berghout zijn bruin. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen zijn bruin. Het voordek, de gangboorden en het achterdek zijn grijs. De voorwand van de roef is grijs. De zijwanden van de roef zijn wit. De achterwand van de roef is ongeschilderd. Het achterschip is grijs: de buikdenning en de binnenkanten van de boeisels. De buntrog en de banken tegen het achterhuis zijn gelakt. De kop van het roer is bruin met een geschilderde vis in wit. Het helmhout is gelakt. Accessoires: een stander en twee vaarbomen.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd naar de visaken zoals die gebouwd werden op de werf van J.O. van der Werff te Buitensvallaat (onder Drachten). Visaken werden eerst in hout uitgevoerd, later in ijzer. De kajuit of tent was eerst een scharnierend voordek, dat dienst deed als schuilplaats. Later kreeg de tent het karakter van een kajuit.
Visaken waren in het begin van onze eeuw een bekende verschijning in het Friese waterland. De doorgaans fraai gevormde scheepjes hadden voor de mast een tentvormige kajuit met een vlak dak. Hierin woorde de visser met zijn gezin. De strijkbare mast draaide door deze kajuit. Achter de mast had het schip een bun voor het bewaren van gevangen vis. Meestal hadden de visaken een min of meer vaste ligplaats bij een dichtzet. Dit is een dwars over een vaart gespannen visnet. Wanneer een schip moest passeren werd dit net, dat aan een kabel was gespannen, vanaf de wal neergelaten en na het passeren van het schip weer opgetrokken. Dit betekende dat zo'n dichtzet dag en nacht bewaakt moest worden. Doorgaans deed de visser dit vanuit de visaak., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 23
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 19
TitelScheepsmodel van een houten tjalk: een turfschip.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenskûtsjes, tjalken, turfschepen
ObjectnummerK-051
Periode van1900
Periode tot1950
BeschrijvingScheepsmodel van een houten turfschip. Uitgehold blokmodel, aan de buitenkant met latten bekleed. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een metalen voorstag op de voorsteven en door een voorstag op de kluiverboom. Deze laatste voorstag loopt door een blok op de punt van de kluiverboom naar achter en is belegd op de beretand aan stuurboord. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen en door twee lopenden wanten (bakstagen) die ieder met twee blokken getakeld zijn. Het touw van de voorste bakstag is belegd op het staande wand en het touw van de achterste bakstag is op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. De stagen zijn aan de boorden vastgezet met puttingijzers. De boegspriet rust aan de achterkant in een metalen stander. De voorkant van de kuiverboom hangt in de voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiver wordt uitgezet met eem traveller. De kluiverschoot is belegd op een voorbolder aan bakboord. De stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is met een halstalie die loopt door twee blokken vastgezet op de voorsteven en belegd op de beretand aan bakboord. De fokkeschoot loopt via twee blokken. Het onderste blok is een hakkeblok, waarop de fokkeschoot is belegd. Dit hakkeblok is met een ring vastgezet op een metalen overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het voorlijk van het goortzeil is voorzein van metalen beugels. Daaraan zijn touwen bevestigd die rond de mast zijn bevestigd. De halstalie van het grootzeil loopt door twee blokken en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is vastgezet op een giek. De voorkant van de giek rust met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot van het grootzeil loopt door een tweeschijfs blok aan het achtereind van de giek en door een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voor en het achterschip zijn rond. De bodem is vlak. De bouwwijze is er de oorzaak van de het model tamelijk hoekig is. De op de romp aangebrachte latten zijn niet gebogen. Het voor- en achterschip zijn uitgezaagd en geplakt aan de lange rechte gangen. De hoekigheid wordt nog geaccentueerd door het verschil in kleur tussen de uitgezaagde en de rechte gangen. Het model van voor naar achter. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Achter de voorsteven een scepter waarin de kluiverboom rust. Achter de scepter een braadspil en twee luiken. Tegen het voorboeisel zijn aan weerszijden twee bolders geplaatst. Op de boeisels van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst. Achter de mast het luikhoofd met daarop tweemaal vier luiken (drie luiken ontbreken). Ook op de boeisels ter hoogte van het ruim zijn zetboeisels geplaatst. De zwaarden zijn tamelijk smal van vorm. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van koperbeslag en de onderkant zijn eveneens van metaalbeslag voorzien. De zwaardlopers gaan via een metalen schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar achteren, zijn daar getakeld met zwaardtalies die door twee blokken lopen en die zijn belegd op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. Het schip heeft geen roef of kajuit. Op het achterdek staat een schoorsteen met een U-vormige bovenkant (mik-functie). Daarachter is het hakkeblok van de grootschoot vastgezet in het dek. Onder de helmstok van het roer bevind zich het luik van het achteronder. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ramen gemaakt (voor het achteronder). Tegen de boeisels van het achterschip zijn twee bolders geplaatst. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. Het roer is voorzien van een vast helmhout. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart, evenals het berghout. Het dek, de luiken, de rondhouten en de losse onderdelen zijn alle gelakt. Accessoires: een vaarboom, een pikhaak, een uitzetter, een mik en een loopplank.
AchtergrondinformatieVan alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje.
TitelScheepsmodel van de boeier Friso (ex Semper Idem)
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordenboeiers
ObjectnummerK-044
Periode van1962
Periode tot1962
BeschrijvingScheepsmodel van de boeier Friso. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een een metaalstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorstag loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De mast heeft geen zijstagen, hoewel er bij de zwaardklossen wel puttingijzers voor zijn aangebracht. De botteloef is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers vastgezet aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting bevestigd op de botteloef. In de top van de fok een metalen fokkegaffel voor de fokkeval. De fokkeschoot loopt door twee blokken: een dubbelschijfs blok aan de schoothoek en een enkelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. In de fok een enkele rij reeftouwen. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen bevestigd aan de mast. De halstalie is vastgezet op een oogbout in het dek (links van de giek), loopt door een dubbelschijfs blok aan de hals en door een blok op het dek (rechts van de giek) en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het achterlijk is vastgezet op de achterkant van de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierende lummel in een oog op de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het achterhuis. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De vallen van de beide zeilen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en aan de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel met koperen scheerhout. Erboven een mastwortel. Op de rug van het roer een gebogen vlaggenstok met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond, met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en aan de achterkant gepiekt. Het model van voor naar achter: Aan de botteloef hangt een anker (ondersteboven). Het ankertouw loopt door het kluisgat, over de braadspil op het voordek en is daaronder opgeschoten. De voorkant en bovenkant is bedekt met koperplaat. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. De kluisborden zijn met snijwerk versierd: bladertakken rond de kluisgaten. Ook de berentanden zijn versierd met snijwerk: bladertakken op de voorkant en de zijkanten en halve-maanvormen op de bovenkant. Het slemphout (berghout tussen berentanden en voorsteven) is met koperplaat bedekt. De boeisels zijn voorzien van opliggende biezen. De gillings op de boeisels zijn versierd met geschilderde voluten met bladertakken. Op het voordek staat de braadspil, voorzien van één handspaak. Tegen de boeisels zijn twee bolders gemaakt, waarvan de koppen met koper beslagen zijn. Voor de mast twee luiken (de uitwip) die verwijderd worden wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en aan de bovenkant voorzien van koperplaat. De randen van de zwaarden zijn verstevigd met metaalbeslag. De zwaardlopers gaan door een schildpadblok aan de buitenkant van het boeisel naar voren, lopen daar, via een tweede schildpadblok, naar binnen. De zwaardlopers zijn getakeld door een kattekopblok en een schildpadblok in het achterschip en zijn belegd op het houten klamp in het achterschip. Achter de mast de nagelbank. Daarachter de halstalie en de roef. De roef heeft een gebogen (hol) dak. In de voorwand van de kajuit twee driehoekige lichtramen met tralies. In de zijwanden aan weerszijden één ovale lichtrand met tralies. In de achterwand van de kajuit twee deuren met ramen en koperen traliewerken. De achterwand is langs de dakrand versierd met snijwerk in de vorm van bladertakken. Daarboven zijn uithollingen gemaakt die dienst doen als mik (de gestreken rondhouten kunnen er in rusten). Aan de achtereinden van de gangboorden zijn waterlijsten gemaakt, waarvan de bovenkanten zijn voorzien van koperbeslag. Op het boeisel aan stuurboord zijn twee scepters geplaatst daarin liggen een uitzetter (fokkeloet). Aan bakboord staan op het boeisel ook twee scepters. Daarin liggen een vaarboom en een pikhaak. De kuip is voorzien van buikdenningen. Langs de zijwanden en de achterwand van de kuip zijn kistbanken gemaakt. In de achterwand van de kuip een lancetvormig deurtje. De bovenrand van deze wand is afgesloten met een hennebalk die met snijwerk is versierd: bladertakken. De rug van de hennebalk is met koper bedekt. Daarop staat de overloop van de grootschoot. Tegen de boeisels van het achterschip zijn bolders gemaakt, waarvan de koppen met koper zijn bedekt. Het roer van de boeier hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De veren van de roerhaken zijn van koper. De kop van het roer is verdikt en er staat een roerleeuw op. Op de rug van het roer koperbeslag met een vlaggenstokhouder. Uit de voorkant van de roerkop steekt het koperen helmhout met houten handvat en koperen handgreep. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De berghouden zijn groen met witte biezen. Ook het boeisel is groen met witte biezen en goudkleurige versieringen op de gillings (voluten). De koppen van de zwaarden zijn groen. De rondhouten zijn gelakt en het metaalbeslag eraan is zilverkleurig geschilderd. Het snijwerk langs de rand van het dak van kajuit is goudkleurig met blauwe ondergrond (verf met gemalen glas). Het snijwerk aan de hennebalk is op dezelfde wijze geverfd: goudkleurige bladertakken op blauwe ondergrond (verf met gemalen glas). De kop van het roer is groen met witte biezen. De roerleeuw is goudkleurig en ligt op een baluw kussen (verf met gemalen glas). Accessoires: kruisvormige stander, uitzetter (fokkeloet), pikhaak, vaarboom.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De boeier Friso is niet het statenjacht dat in 1894 werd gebouwd op de werf van Eeltje Holtrop van der Zee te Joure (lengte 10.30 meter). De boeier waarvan het model is gemaakt werd in 1890 gebouwd op dezelfde werf en was kleiner (8.70 meter lang). De naam was toen Semper Idem. Later is het schip hernoemd in Friso en had als bijnaam 'De Lytse Friso'. Het schip was in 1964 eigendom van mr. R.V.E. van der Lande te Helmond. De boeier was van oorsprong in de 16de en 17de eeuw een gladboordig kustvaartuig. In de 18de eeuw werd de zeegaande boeier vervangen door andere kustvaartuigen, bijvoorbeeld de gajoot. Met het woord boeier werd voortaan een binnenvaartuig aangeduid dat voor vele doeleinden werd gebruikt: vervoer van personen (kerkgang), vee en kleine vrachten. Het tegenwoordige boeierjacht is hieruit ontstaan. Deze boeier kenmerkt zich door een lengte-breedte-verhouding van 3 op 1, sterk ingebogen boegen, scherpe onderwaterlijnen die soms zelfs enigszins hol zijn (gepiekt). De kop van de boeier is laag. De zeeg is gering. Het boeisel houdt over vrijwel de gehele lengte dezelfde breedte. Boeiers variëren in lengte van 7 tot 13 meter., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 16 november 1964.
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum - Correspondentie A.M. Sustring - H. Halbertsma d.d. 19 oktober 1964.
BeschrijvingScheepsmodel van een Statenjacht. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: het schip heeft een boegspriet en één mast. De boegspriet is met een woeling vastgezet in een houder aan bakboordzijde van de voorsteven en de achterkant van de boegspriet rust in een klos op het voorboeisel. De boegspriet wordt niet gehouden door waterstagen of een boegwant, noch door een voorstag of kraanlijn aan de mast. De mast is verlengt met een steng. De steng is aan de onderkant afgeschuind en rust op een inkeping in de top van de mast. Aan de bovenkant van de mast is de steng met een metalen ezelshoofd (dubbele ring) vastgezet. De mast wordt gehouden door een voorstag die met een jufferblok dat met zeven touwen is vastgezet op de voorsteven, door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders) en door een lopend want (bakstag). De steng wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door een staand want van één hoofdtouw. De beide staande wanten zijn met jufferblokken en puttingijzers vastgezet op een rust (horizontale balk) vlak voor het zwaard. De zeilen zijn van witte katoen (verkleurd): een kluiver, een fok, een breefok, een gaffelzeil en een gaffeltopzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. In de top van de kluiver een fokkegaffel. De kluiverschoot is belegd op de voorbolder. Het voorlijk van de fok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. In de top van de fok een fokkegaffel. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op een houten overloop op het voordek. De breefok is bevestigd aan twee ra's. De uiteinden van de onderste ra zijn voorzien van knoppen, waaraan de brassen zijn bevestigd. De boelijn (lijn van zijkanten van het razeil die naar voren loopt om bolling te kunnen maken) is op drie punten vastgezet aan het zeil. De boelijnen lopen naar een dubbelschijfs blok op de punt van de boegspriet en lopen dan weer naar het voorschip, waar ze zijn belegd op de voorbolder. Het voorlijk van het grootzeil is met masthoepels aan de mast bevestigd. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel, maar niet van een giek (er werd gezeild met losse broek). Aan de onderkant van het grootzeil is een bonnet gemaakt. Dat is een afknoopbaar gedeelte, waarmee het zeil bij harde wind gereefd werd. Aan het achterlijk zijn vier geien gemaakt: lijnen die werden gebruikt om het achterlijk van het zeil in de richting van de mast te trekken. Van de nok van de gaffel naar de voet van de mast loopt de neerhaler en van de gaffelnok naar het achterdek lopen aan weerszijden twee geerden (touwen die de gaffel in bedwang moeten houden). De voorkant van de gaffel wordt gehesen met een klauwval, die loopt door een dubbelschijfs blok op de gaffelklauw en een driegaats, schijfloos, vast blok aan de mast. De nok van de gaffel wordt gehesen door twee piekevallen. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een houten overloop. Het topzeil is aan de bovenkant vastgezet op de mast en op de nok van de gaffel. De hals is met een lijn vastgezet op een klamp aan de voet van de mast. Ook het topzeil is voorzien van een geitouw. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een rood-wit-blauwe vleugel. Boven het scheerhout van de vleugel een met snijwerk versierde mastwortel van vier ringen. Op de punt van de boegspriet een vlaggenmast met vergulde knop waaraan een rood-wit-blauwe vlag hangt (de prins). Op het achterschip een grote vlaggemast met vergulde knop. Ook daarin is een rood-wit-blauwe vlag gehesen. Op de nok van de gaffel is ook nog een vlaggenstok gemaakt. De zeilen en met name het doek van de vlaggen is zwak: er zijn gaten in gevallen. De vlaggen zijn gerestaureerd met nylon steundoek. De blokken zijn van hout en voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond en voorzien van een scheg. Het achterschip is gepiekt en voorzien van een platte spiegel. De bodem is rond. Het schip wordt gevaren met zwaarden. Het model van voor naar achter: De boegspriet is met een woeling vastgezet in een houder aan bakboordzijde van de voorsteven en de achterkant van de boegspriet rust in een klos op het voorboeisel. De boegspriet wordt niet gehouden door waterstagen of een boegwant, nocht door een voorstag of kraanlijn aan de mast. Onder de boegsrpiet een scheg. Op de scheg een galjoensleeuw, die in zijn voorpoten een blank wapenschild houdt. Deels op de scheg en deels op de slooiknieën (balk tussen boeg en voorsteven) is een vierpotig dier met lange krulstaart gebeeldhouwd. De ankers liggen over het boeisel van de boeg. Ze zijn vastgesjord aan de voorstevens met een touw waaraan ook een rood-wit-zwarte ankerboei hangt. De ankerkabels lopen via de kluisgaten aanweerszijden van de voorsteven naar binnen, waar ze over de braadspil lopen, om daarna te door een luik verdwijnen in het vooronder. De kluisgaten zijn versierd met een gesneden zeemonster (of zeemeermin). In het boeisel van het voorschip zijn aan weerszijden drie geschutspoorten gemaakt. Achter de zwaarden zijn aan twee kanten ook twee geschutspoorten gemaakt. Het totale aantal kanonnen aan boord is tien. De geschutsopeningen worden niet met luiken afgesloten. Ze zijn met snijwerk (bladmotieven) versierd. Bij de geschutsopeningen hangen wrijfhouten over het boeisel: aan beide kanten drie op het voorschip en twee op het achterschip. Op het voordek, achter de voorsteven een nagelbalk, een braadspil met twee stokken en het luik van het vooronder. Op het voordek staan zes kanonnen opgesteld. Ze zijn van gegtoen metaal en rusten in houten rolpaarden. Net voor de mast, over de volle breedte van het schip, de houten overloop van de fok. Achter de mast de stander voor de uitzetter, de pikhaak en de drie bomen. Deze stander bestaat uit twee dwarsscheepse houders (met bolders waarop schoten belegd zijn) met daartussen twee langsscheepse steunen. Onder deze houder een met een reling omgeven trapgat en een vierkante lichtkap (kubusvorm met in vieren gedeelde ramen in de wanden en een houten bovenkant). Achter de lichtkap een houten luik. Onder dit luik is een tekst aangebracht: 'Dit schip is't laatst / herkomstig uit Sneek 1913 / gerestaureerd in 1918 door / G.E.E. Crone, Amsterdam / op't lint in den spiegel staat / 1736'. De zwaarden zijn met splitpennen vastgezet. Ze zijn voorzien van verdikte koppen. Opgeschilderde zwarte biezen suggereren metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar voren waar ze door twee blokken op de bovenkant van het boeisel (potdeksel) lopen en zijn belegd op klampen aan de binnenkant van het boeisel. Boven de achterste geschutsopeningen verhoogd het boeisel zich. De overgang (gilling) is versierd met snijwerk. Het achterschip is verhoogd. De wanden van de kajuit in het achterschip zijn versierd met snijwerk. Het dak loopt bol. In de voorwand van de kajuit zijn twee ramen en in het midden een deur gemaakt. Rond ramen en deur zijn vier gesneden kolommen gemaakt. In de zijwanden zijn drie risalerende ramen gemaakt (ze steken als een soort erker naar buiten). Boven de ramen een blank wapenschild met gehangen doek en rasterwerk. Aan de zijkanten en onderkant van de ramen snijwerk in de vorm van voluten en een hartvorm. Tussen het raam en de voorwant is een gesneden versiering in de vorm van een paard. De rest van de zijwand is ook versierd met snijwerk: in elkaar overlopende voluten. De achterwant van de kajuit - de spiegel - is toogvormig. Aan de bovenkant van de spiegel een met snijwerk versierde en van glas voorzien lantaarn. Daarvoor de vlaggemast. De toog is versierd met voluten. Daaronder twee toogvormige ramen, die ook omgeven zijn door snijwerk. Het glas in de achterramen is, net als het glas in de zijramen, beschilderd zodat het lijkt alsof er roeden in gemaakt zijn. Onder de ramen een banderol waarin het jaartal 1736 is gesneden en in het midden een blank, gekroond waoenschil. In de wulf (terugzwenking tussen spiegel en waterlijn) zijn twee kariatiden gemaakt, draagsteunen in de vormen van menselijke figuren, rustend op rasterwerk. In het platte achterschip onder de wulf zijn aan weerszijden twee luiken gemaakt. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. Het is geborgd door een touw in de achtersteven. De metalen helmstok steeks door de wulf, onder de kajuit door naar voren en wordt bediend op het dek, net voor de kajuit. Kleuren: De romp is ongeverfd. Het onderwaterschip is wit. Het gedeelte boven het berghout is donkergroen. Het berghout en de lijsten daarboven zijn zwart en gedeeltelijk verguld. De zwaarden zijn groen met zwarte biezen en rode versieringen aan de zwaardkoppen. Het snijwerk van de geschutsopeningen, rond de voor-, zij- en achterramen, de banderol en de kariatiden op de spiegel is verguld. De galjoensleeuw is rood en heeft vergulde manen. Het dier achter hem is verguld. De kluisgaten zijn rood en het snijwerk is verguld. Het snijwerk aan de wanden van de kajuit dat niet is verguld is beschilderd in de kleuren wit (voorwand) groen, blauw en rood. De bovenkanten van de boeisel en de proefiellijsten op het dak van de kajuit zijn rood. De dekken zijn ongeverfd. Het luik van het vooronder en de rolpaarden van de kanonnen zijn rood. De lichtkap en de houder van de bomen zijn in groen en rood beschilderd. De uitzetter en één van de bomen zijn niet geverfd. De andere twee bomen en de pikhaak zijn groen met een rode knop (druif). Accessoires: Een met snijwerk versierde stander, een uitzetter, drie bomen en een pikhaak.
AchtergrondinformatieStatenjachten werden gebruikt voor het vervoer van hoogwaardigheidsbekleders als prinsen (daarom ook wel prinsenjacht genoemd), leden van de admiraliteitencolleges, leden van de Staten, de V.O.C. of de W.I.C., etc. de vaartuigen waren doorgaans fraai ingericht en voorzien van allerlei versieringen en snijwerk. In de loop van de 18de eeuw werden statenjachten ook als pleziervaartuig aangewend. Nochtans bleef het als officieel vaartuig van de Staat bij de Koninklijke Marine in gebruik tot 1843. Statenjachten zijn rondgebouwde vaartuigen met weinig diepgang en daarom meestal voorzien van zijzwaarden. De eerste Statenjachten voerden een spriettuig. Omstreeks 1660 kwam hiervoor in de plaats een staand gaffeltuig. De korte mast van het spriettuig werd dan vervangen door een langere met een steng. Statenjachten werden door Nederlandse bewindhebbers wel eens als geschenk aangebonden aan buitenlandse vorsten. Buitenlandse koningen kochten ook wel soortgelijke schepen in Nederland., Literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 17 december 1946, 27 september 1946.
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum, Intekenlijst, inv.nr. 172.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1978.
BeschrijvingScheepsmodel van het driemastfregat Pallas. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet en het kluifhout hangen in de voorstagen. Het kluifhout wordt aan de onderkant gehouden door een waterstag, die wordt gelied door een naar beneden gerichte stampstok (Spaanse ruiter). De boegspriet wordt ook door een waterstag gehouden. Ter hoogte van het galjoen is de boegspriet met woelingen (touwlussen) bevestigd op de scheg. De achterkant van de boegspriet steekt door het voordek in het vooronder en is daar bevestigd op een klos. De drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. De fokkemast en de grote mast bestaan uit een mast, een marssteng en een bramsteng. De bezaanmast bestaat uit een mast en één (mars)steng. Bij alledrie mast worden de mast en de marssteng met elkaar verbonden door een mars (kraaienest) en een ezelshoofd. Bij de voorste twee masten worden de verbindingen tussen marssteng en bramsteng gemaakt door twee ezelshoofden, waarvan de onderste is voorzien van zalingen (dwars- en langsscheepse). De fokkemast wordt gehouden door een voorstag op de boegspriet en door een staand want van vijf hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De marssteng van de fokkemast wordt gehouden door een voorstag op de boegspriet, door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen op de mars en door een lopend want (bakstag). De bramsteng van de fokkemast wort gehouden door een voorstag op het kluifhout, door een staand want van twee hoofdtouwen op de zalingen en door een lopend want (bakstag). De grote mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door een staand want van zes hoofdtouwen met weeflijnen. De marssteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de mars van de fokkemast, door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen op de mars van de grote mast en door een lopend want (bakstag). De bramsteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de zalingen van de fokkemast, door een staand want van twee hoofdtouwen op de zalingen van de grote mast en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast wordt gehouden door een voorstag die is vastgezet aan de voet van de grote mast en door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen. De marssteng van de bezaanmast wordt gehouden door een voorstag op de mars van de grote mast, door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars van de bezaanmast en door een lopend want (bakstag). De stagen zijn met koperen puttingijzers vastgezet op drie rusten (horizontale balken aan de buitenkant van het boeisel). De boegspriet is voorzien van een ra, de fokkemast en de grote mast hebben elk drie ra's en de bezaanmast heeft twee ra's en een gaffel. De onderste ra's van de fokkemast en de grote mast zijn uitgerust met spieren, uitschuifbare ra's, waaraan lijzeilen bevestigd kunnen worden. Het model is niet uitgerust met zeilen, maar aan de rondhouten, de schoten en de vallen is af te leiden welke zeilen op het schip gevoerd konden worden. Aan de boegspriet past een blinde (aan de ra). Aan de fokkemast kunnen drie kluiverfokken gevoerd worden (op boegspriet en kluifhout) en aan de ra's een fok (eventueel uitgebreid met lijzeilen), een fokkemarszeil en een fokkebramzeil. Aan de grote mast passen een grootzeil (eventueel uitgebreid met lijzeilen), een grootmarszeil en een grootbramzeil. Aan de bezaanmast konden een begijnzeil, een kruiszeil en een gaffelzeil gevoerd worden. De onderste razeilen van de drie masten zijn voorzien van boelijnen (gebruikt om de onderkant van het zeil naar voren te trekken om scherp aan de wind te kunnen zeilen). De vallen van de zeilen en ra's zijn belegd op nagelbaken aan de voet van de masten. De schoten, die soms geleid worden via de stagen van de masten erachter, zijn belegd op deze nagelbanken of op korvijnagels en klampen aan de binnenkanten van de boeisels. In de toppen van de masten geen vlaggen of vleugels. In de top van de grote mast een restant van een scheerhout. Ook aan de vlaggemast op het achterschip hangt geen vlag. De blokken zijn van palmhout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond en voorzien van een scheg en een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat en loopt met zijgalerijen breed uit. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Op de scheg is een vergulde galjoenleeuw geplaats. Het galjoen bestaat uit drie regelingen, met daaronder de met profiellijsten versierd looiknieën (balk tuggen scheg en boeg). Boven het galjoen steven twee botteloeven uit de boeg (stokken die aan de uiteinden zijn voorzien van schijven, waarover de boelijnen van de fok lopen). Ook is het boegwant van de stampstok op de botteloeven vastgezet. Boven de boeg steken de twee kraanbalken buiten het schip. Aan deze balken hangen de ankers, die met hun bladen zijn gehaakt achter het staande want van de fokkemast. De ankertouwen lopen via de kluisgaten (onder het galjoen) naar binnen. Op het voordek, voor de fokkemast, twee nagebanken met daartussen twee naar voren gerichte kanonnen op rolpaarden. Achter de fokkemast een soort mik (?) en de houder met scheepsbel. Het verhoogde voordek is aan twee kanten bereikaar met twee trappen. In de wand tussen voordek en middendek zijn openingen met schuifluiken gemaakt. In het middendek twee roosterluiken (koekoek). Op het middendek staan waan weerszijden drie kanonnen op rolpaarden (zonder wielen). Onder het steken aan beide kanten drie kanonnen naar buiten en onder het achterdek staan op het geschutsdek aan beide kanten zes kanonnen. Dat brengt het totale aantal kanonnen op 26 (tweemaal twaalf aan de zijkanten en twee op het voordek). Midscheeps, vlak boven het berghout, is nog een luik gemaakt, waaruit geen kanon steekt. Voor de grote mast staat op het middendek een houder (beting?) en achter deze mast een nagelbank. Het hoge achterdek is bereikbaar met twee trappen aan weerszijden van de grote mast. Het voorste deel van het achterdek loopt rond de grote mast en wordt afgesloten met een verschansing. Tussen de verschansing en de bezaan zijn in het achterdek een luik en een trapgat met reling gemaakt. Aan weerszijden van de bezaanmast een nagelbank en vlak achter de bezaanmast een dubbel stuurrad. Tegen de boeisels van het achterschip zijn nagelbanken gemaakt. De vlaggemast rust in een ezelshoofd op de kop van de spiegel. De spiegel is versierd met snijwerk. Over de vollebreedte is een galerij van vijf toogvormige ramen gemaakt. Deze galerij loopt als zijgalerij door naar voren nog eens een breed zijraam is gemaakt. Op de hoeken van de spiegel beelden van een figuur met drietand (Neptunus). Onder de ramen band met daarop in vergulde sierletters: 'PALLAS'. In de wulf (de inzwenking tussen spiegel en waterlijn) zijn aan weerszijden van de achtersteven twee luiken gemaakt, mogelijk geschutspoorten. De kop van het roer steekt door de wulf naar binnen. Het roer is met vingelingen aan de achtersteven opgehangen. Het model is met nagels bevestigd op een blok. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Het berghout is zwart. Ook de boeisels en het galjoen zijn zwart met daarop vergulde profielijsten. De galjoenleeuw en het snijwerk aan de spiegel zijn ook verguld. De dekken zijn gelakt. De rolpaarden van de kanonnen, de houder van de scheepsbel, de beting, enkele klampen en nagelbanken en de reling rond het trapgat op het achterdek zijn rood. De binnenkanten van de boeisels en de verschansing van het achterdek zijn groen (soms met witte biezen). De schuifluiken in de want tussen voordek en middendek zijn beschilderd met rood-witte zandlopervormen. Accessoires: een blok als vaste stander.
AchtergrondinformatieDe Pallas werd in 1781 gebouwd in Harlingen in opdracht van de Friese Admiraliteit, na de grote brand in het Admiraliteitsgebouw in 1771, waarbij de archieven en modellen van oudere schepen verloren zijn gegaan. Bij de tewaterlating voerde het fregat 40 stukken geschut, later 20. Het nam deel aan de Vierde Engelse oorlog (1780-1784). De Pallas werd in 1799 genomen door de Engelsen. Het model is in 1949 gerestaureerd. Een fregat is in het algemeen een oorlogsschip met één volle laag geschut, soms aangevuld met kanons op bak en campagne. Het fregat had meestal één of twee dekken en weinig opbouw. De eerste Nederlandse fregatten hadden een platte spiegel. Na 1720 werd deze, onder invloed van Engelse bouwmeesters, vervangen door ronde spiegels. Ze waren als volschip getuigd: drie masten. De vorm en de bouw waren gericht op snelheid en niet op een hechte constructie, zoals bij linieschepen. Ze waren bestemd om dienst te doen als verkenner of voor het overbrengen van berichten. De vroege fregatten waren derhalve klein en bewapend met niet meer dan twaalf stukken. Latere fregatten waren groter en voerden 54-60 stukken. In de negentiende eeuw waren er ook koopvaardijfregatten, die qua vorm en tuigage leken op de oorlogsfregatten maar waren ingericht voor de handelsvaart., literatuur:
- C.J.W. Schaap, 'De Admiraliteit van Friesland' in: Jaarboek Fries Scheepsvaart Museum 1982 pp. 65-66.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1949
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 17
BeschrijvingScheepsmodel van de palingaak Heeg. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een boegspriet. De mast steekt door het voordek. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag die met een peervormig jufferblok met vijf gaten is bevestigd op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopen want (bakstag). Het staande want aan bakboord is voorzien van weeflijnen (touwladder), dat aan stuurboord niet. De staande wanten zijn getakeld met paren jufferblokken (doodskoppen) met drie gaten. De bovenste jufferblokken zijn met touw gestropt en en de onderste met metaalbeslag. Deze onderste jufferblokken zijn bevestigd aan puttingijzers op de boorden. De kluiverboom rust aan de achterkant in de kluiverboomstoel op het voordek. De boom wordt naar voren gesjord met een touw dat loopt over een koperen schijf in de achterkant van de de kluiverboom. Het touw dat langs deze schijf loopt is belegd op een klamp op de kluiverboomstoel. Aan stuurboordzijde rust de kluiverboom in een beugel aan de voorsteven. De kluiverboom wordt niet gestaagd door een waterstag op een boegwant. De punt van de kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de mast. Deze kraanlijn is aan stuurboord, langs de mast getakeld met één blok en is belegd op de nagelbank. Langs de onderkant van de kluiverboom een looptouw met knopen (ook wel paard genoemd). De zeilen zijn van witte katoen: een kluiverfok, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiverfok wordt uitgezet met een traveller. Deze wordt naar voren gehaald door een schijf in de top van de kluiverboom. Het touw aan de traveller is belegd op de braadspil. Het voorlijk van de kluiverfok is met metalen leuver bevestigd aan de kraanlijn van de kluiverboom. De hals van de kluiverfok is vastgehaakt aan de traveller. De stuurboord-kluiverschoot is belegd op een bolder op het voorschip. De bakboord-kluiverschoot loopt voor het jufferblok van de voorstag langs en licht opgeschoten op het voordek (aan bakboord). Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag. De hals van de fok is met een touw vastgezet op de voorsteven. De fokkeschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de schoothoek van de fok en door een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. De gaffel wordt gehesen met een dubbel getakelde piekeval (twee blokken op de gaffel en twee blokken aan de mast) en een klauwval (een dubbelschijfs blok op de klauw en een dubbelschijfs blok aan de mast). Het voorlijk van het grootzeil is met masthoepels aan de mast bevestigd. De halstalie is met het vaste eind bevestigd aan een oogbout in het dek en is getakeld door een dubbelschijfs blok aan de hals van het zeil en door een enkelschijfs blok op het dek. De talie is niet belegd maar is met een knoop vastgezet op het halsblok. De onderkant van het achterlijk is vastgezet op de achterkant van de giek. De voorkant van de giek rust met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn, die langs het staande want aan stuurboord is getakeld met een vioolblok en een enkelschijfs blok op het dek. De kraanlijn is belegd op een klamp tegen het binnenboeisel. De grootschoot loopt door een drieschijfs blok aan de giek en is belegd op een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgemaakt aan een korte overloop op het achterdek. Het grootzeil is voorzien van een enkele rijen reeftouwen. Het zeil kon al zeilende gereefd worden. De onderkant van het achterlijk werd neergehaald door een smeerreep aan de giek. Deze lijn is met het vaste eind vastgezet aan de achterkant van de giek. De smeerreep loopt door de reefring (grommer) in het achterlijk door een schijf op de giek en is langs de giek getakeld door een vioolblok en een enkelschijfs blok en is aan de voorkant van de giek met een knoop vastgezet (geen klamp). De vallen van de kluiverfok, de stagfok en het grootzeil zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en op de nagelbank achter de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met Hollands hoekje. Langs de bovenrand van de vleugel een scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn wel voorzien van metaalbeslag maar niet van lopende schijven.
De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. De bodem is vlak. De bodem is voorzien van bunplaten met gaten. In zijn geheel heeft de romp een tjalkachtige vorm.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is over de gehele hoogte voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden, berentanden. Daarnaast de kraanbalken die rusten op stangen op het berghout. Aan de kraanbalken hangen de twee stokankers. Deze zijn aan de onderkant met touw geborgd aan de bolders op het voorschip. De ankers worden worden uitgelaten aan een touw dat met een blok is getakeld, dat loopt over de schijf in de top van de kraanblak en dat is belegd op het achtereind van de kraanbalk. Het anker aan stuurboord heeft geen ankerketting en is aan de bovenkant met een touw geborgd aan de beretand. Het anker aan bakboord heeft wel een ankerketting. Dat loopt door het kluisgat onder (en niet rond!) de braadspil, over het voordek en door een klapmuts (buis) naar binnen. Achter de voorsteven een houten schoorsteen met U-vormige bovenkant. Daarachter de braadspil met twee handspaken en de kluiverboomstoel. In het voordek een luikhoofd met scharnierend luik, dat toegang verscahft tot het vooronder. Daar is het verblijf van de bemanning. Daarachter een luikhoofd met los luik. Door dit luik is het zogenaamde schapehok bereikbaar. Dit is een ruim waar tuigage, touwwerk en reserve-onderdelen werden opgeslagen. Net voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Tegen het boeisel van het voorschip zijn twee bolders gemaakt.
Over de gehele breedte van het schip loopt over het dek achter de mast een brede waterbalk. Op de uiteinden daarvan zijn haken gemaakt die over het boeisel naar buiten steken. Aan deze haken hangen de zwaarden, zodanig dat zo los van de boorden kunnen bewegen (zeezwaarden). De zwaarden hebben spitse koppen die met halve-maanvormen zijn verdikt. Langs de randen van de onderkanten van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers lopen door een scharnierend schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar voren, achter het zwaard langs, en zijn op het voorschip vastgemaakt aan een vioolblok. Dit blok is één van de twee blokken van de zwaardtalie op het boeisel van het voorschip. De zwaardtalie's zijn in het voorschip belegd op houten klampen aan het binnenboeisel. Achter de waterlijst een groot luikhoofd met vier luiken. Dit luikhoofd is de bedekking van de trog van de bun. De bun is in compartimenten verdeeld. Achter het grote luikhoofd een tweede luikhoofd met daarop twee luiken. Onder deze luiken is de achterste trog van de bun en de toegang tot het verblijf van de schipper in het achterschip. Opvallend is dat beide luikhoofden niet in de hartlijn van het schip liggen, maar meer naar stuurboord. Zo bleef aan bakboord meer ruimte over om te werken. Benedendeks zijn de bunnen gebouwd. Over de topplaat van de bun (de deek) kon (gebukt) gelopen worden. Zo was het vooronder bereikbaar vanuit het achteronder (deze gang werd 'Noorwegen' genoemd). Achter het tweede luik de opbouw van het verblijf van de schipper. De opbouw heeft een dak met daarop een kompas. In de wanden van de opbouw zijn ramen gemaakt. Achter de opbouw de overloop van de grootschoot en het luik van de stuurkuip (bollestal). Tegen beide boeisels zijn bolders gemaakt. Op het dek diverse losse onderdelen: een schaarmik en een pikhaak. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. Het roer is niet voorzien van een grondtalie (waarmee het roer rechtstandig opgehesen kon worden). Tussen de achterkant van het roerblad en het achterschip bevinden zich aan beide kanten talie's met twee blokken, die over het achterboeisel naar binnen lopen en daar zijn belegd op klampen tegen het binnenboeisel. Dit zijn de zijtalies, die bij zwaar weer werden gebruikt om het roer tegen de lijzijde van het schip te trekken, zodat het schip met de golven meeloopt. Door het stampen van het schip werd de paling misselijk en nam dan af in gewicht. Dat werd met het wegdraaien van het roer voorkomen. Op de kop van het roer een onversierde roerklik met op de rug ervan koperplaat. Het helmhout is niet voorzien van roertalie. Aan weerszijden van de achtersteven zijn op het boeisel naamborden gemaakt met daarop geschilderd 'HEEG' en 'HEEG'.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. De zwaarden zijn geheel gelakt. De dekken zijn gelakt. Slechts enkele onderdelen zijn geverfd: de ratel van de braadpil (groen), de kluisgaten (rood en zwart), de binnenkant van het scharnierend luik op het voordek (rood en blauw). De wanden van de opbouw van het schippersverblijf zijn groen. De roerkop is groen. Het helmhout is groen met een zwarte voor- en achterkant. De naamborden zijn meerkleurig: zwarte ondergrond, gele randen en witte letters.
Accessoires: stander, twee ankers, pikhaak, schaarmik en kompas.
AchtergrondinformatieDe palingaak Heeg werd in 1868 in Heeg gebouwd. Het schip voer voor het kantoor Heeg. In 1935 werd De Heeg uit de vaart gehaald en in 1946 werd het schip gesloopt in Makkum. Palingaken zijn bunschepen, gebouwd voor het vervoeren van paling van Friesland naar Londen. het zijn zware, zeewaardige schepen die behoren tot de familie van de tjalken. De steilstaande voorsteven was gebogen, de achtersteven recht. De kop en het achterschip waren volrond gebouwd, het boeisel viel licht binnenwaarts. Het grootspant was U-vormig. Het schip had een matige zeeg en was geheel gedekt. In de bun kon 11 ton paling vervoerd worden. De bun verzwakte het schip midscheeps. Daarom werd in het de palingaken veel en zwaar hout verwerkt. Het tuig was een bezaantuig. gemiddelde afmetingen: lengte 18.50 meter, breedte 4.50 meter., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 26 maart 1970, 9 juli 1970, 12 okt. 1972.
BeschrijvingScheepsmodel van de motor-salonboot Marfin. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½.
Tuigage: Het schip heeft geen masten en geen zeilen. De romp: De voorsteven is scherp en steil (horizontaal). Het achterschip is eveneens verticaal en heeft een (van boven gezien) V-vormige spiegel. De bodem heeft midscheeps een knikspant-vorm. Naar voren wordt het schip schepr en naar achteren loopt het vlak omhoog naar de spiegel. In het achterschip is het schip op zijn breedst op de knik van het spant. Daarboven lopen de boorden naar binnen). De lijnen van de boorden lopen van achter naar voren op: dit is vooral zichtbaar op het berghout.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is bekleed met koperbeslag. Het voordek loopt enigszins bol. Op het voordek een vlaggemast en zeilverenigingswimpel van de Koninklijke Zeilvereeniging Oostergoo te Grou (rood-wit-rood-wit-rood met in het midden een blauwe ruitvorm met gouden kroon). Daarachter de vuldop van de brandstoftank en een naar voren gerichte pijp. Aan de zijkanten van het voordek twee metalen klampen en twee landvast-geleiders. In het voorschip de stuurkuip. Op de voorrand daarvan twee ramen. Van deze ramen naar het dak van de salon lopen vier balken. Hierover kan een tent gespannen worden. Onder de ramen zijn in de voorwand van de stuurkuip twee deuren gemaakt die toegang verschaffen tot het vooronder, waar de motor staat. Aan bakboord is in de stuurkuip een trapje gemaakt. Daarachter het verticale stuurwiel met stuurstoel. Aan stuurboord staat in de stuurkuip een klein aanrecht met ronde spoelbak. Achter de stuurkuip de salon: een overdekte ruimte met ramen in de voorwand (twee ramen) en in de zijwanden (aan weerszijden twee ramen). In het midden van de voorwand een deur met raam. Langs de wanden van de salon staan banken en een kast. Het achterste deel van de salon is wel overdek maar de wanden ontbreken (eventueel te bekleden met tentdoek). LAngs de achterwand van de salon een bank. Deze bank, de zijbanken in de salon en de stuurstoel in de stuurkuip zijn voorzien van kussens die zijn bekleed met groen-beige fluweel. Het dak van de salon is bol (in de breedte). Langs de randen van het dak zijn handrelingen gemaakt. Het achterddek is net als het voordek enigszins bol. Op het achterdek twee metalen klampen en een schuine vlaggemast met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. Van de voorsteven naar de spiegel lopen over de bovenkant van de boorden stootranden (langs de randen van de dekken en gangboorden. Bovendien is van de voorwand van de salon tot aan de spiegel een soort berghout gemaakt. Tussen dit berghout en de stootrand zijn in het voorschip lichtranden in de boorden gemaakt (aan weerszijden drie). Daarachter het naambord met daarop geschilderd: 'Marfin'. De boorden van het achterschip zijn voorzien van stabilisatoren. Het zijn verbredingen die zijn aangebracht op de knik in de romp. Ze zijn met koperbeslag bekleed. Onder de spiegel is de scheepsschroef en het roerblad te zien. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken en gangboorden zijn gelakt. Het dak is wit. Het interieur van de salon (wanden, vloeren, banken en kasten) is gelakt. De pijp voor het voordek is geel.
Accessoires: stander.
De motor staat voor in het schip. Daar is ook de vuldop van de benzinetank. Vanuit de open stuurstand is de motorruimte te betreden via een deurtje. In deze kuip is aan bakboordzijde een horizontaal stuurwiel met bedieningshendels. Bij slecht weer kan dit geheel uit de vloer worden gelicht en geplaatst worden in het overdekte gedeelte, zodat met van daaruit kan sturen. Dit systeem werkt met kettingen en stangen. Op het ettingen en stangen. op het voordek twee wegneembare ramen. De zijkanten kunnen worden afgesloten met kleden. Achter het stuurwiel een bank. Aan stuurboord een spoelbak. Aan beide zijden een trap naar het dek. Tussen de voorkuip en de salon een shot met twee ramen en daartussen een deur. In de salon zijn tegen dit tussen schot aan beide zijden kasten en een bank gemaakt. De bank is om te bouwen tot slaapbank. De achterkant van de salon wordt afgesloten met een tussenschot met ramen en een deur. Achter de salon een overdekte achterkuip. De zijkanten kunnen worden afgesloten met kleden. De buizen waar het dak op steun zijn tevens de afvoeren van het water op het dak. onder het achterdek twee lange laden, die in uitgetrokken toestand slaapplaatsen vormen. Steven, panten, kiel en huid zijn van eikenhout, de rest van mahoniehout.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
De motorsalonboot Marfin werd in 1928 gebouwd door jachtwerf J. Langenberg aan het Vliet te Leeuwarden, voor J.J. Oosterhof, directeur van de Algemene Friese Levensverzekerings Maatschappij. De oorspronkelijke naam was Wypianco. De afmetingen: lengte 10.70 m, breedte 2.36 m, diepgang 0,65 m.. De boot was voorzien van een 4 cilinder Ford-motor van circa 16 pk. Het was de grootste salonkruiser die bij Langenberg is gebouwd. In 1936 verkocht Oosterhof de boot aan J.M. Kingma van Kingma's Bank, die koos voor een nieuwe naam: Marfin (van een schilderij werd de naam Martin verkeerd gelezen). Kingma kocht het schip, compleet met schiphuis, voor f. 3.000,=. In 1960 kocht J. Nieuwenhout uit Leeuwarden de Marfin. Hij plaatste voor de open gedeelten ook ramen en maakte het schip tot een zogenaamde glazenkast. In 1964 kocht de heer J. van der Berg het schip. In samenwerking met de toen 69-jarige jachtbouwer Johannes Langenberg en de zonen van Van der Berg werd de Marfin geheel gerestaureerd en in oude staat gebracht.
De familie Langenberg is een familie van scheepsbouwers. Vanuit Duitsland vestigde Hermanus langenberg zich via Deventer in 1815 te Nieuweburg 9bij Heerenveen) als scheepsbouwer. Zijn zoon Johannes volgde hem op, die op zijn beurt werd opgevolgd door zijn zoon hermanus. Diens zoon Klaas was vader van drie zonen: Johannes, Klaas en Jan. Jan was de jongste en voor hem was geen plaats meer op de werf van hun vader, waar de twee oudere broers al werkten. Daarom ging Jan Langenberg werken in de scheepsbouw in Amsterdam, Sliedrecht en Utrecht. In 1919 keerde Jan Langenberg terug in Friesland, waar hij werkte bij scheepswerf Molle J. van der Werf aan het Vliet te Leeuwarden. Na een jaar nam langenberg van hem het bedrijf over. Hij legde zich tot op de bouw van zeiljachten en motorboten. De eerste salonboot van Langenberg werd in 1921 gebouwd met aanwijzingen van notaris Willem Wachter uit Leeuwarden, die in het buitenland dergelijk boten had zien varen. Voor diverse opdrachtgevers werden vervolgens salonboten gebouwd. Op de werf van de familie Langenberg te Nieuwebrug werden later ook dergelijke schepen gebouwd, nauwelijks te onderscheiden van de boten die aan het Vliet waren gebouwd. Zoon Johannes ging in 1925 werken op de werf van zijn vader Jan Langenberg. Zijn broer Dirk ging zich toeleggen op de bouw van schepen in ijzer (later leraar ambachtsschool). Na 1945 werden er bijna geen nieuwe schepen meer gebouwd. In 1960 sloot de werf bij het dempen van het Vliet.
Het model is gebouwd naar opmetingstekeningen van J.K. Kuipers uit 1985., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De jachtwerf J. Langenberg en zn. te Leeuwarden' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1990, pp. 40-50.
BeschrijvingScheepsmodel van een hoeker. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een kluiverboom een twee masten. Aan de linkerkant van de voorsteven zijn een kluiverboom en een daaraan bevestigd kluifhout uitgestoken. De kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de grote mast, is met een ring bevestigd aan de voorsteven en is aan de achterkant met een lus vastgemaakt aan de voet van de grote mast. Het kluifhout is met woelingen (touwlussen) aan de kluiverboom bevestigd. De top van het kluifhout hangt eveneens in een kraanlijn aan de grote mast. De twee masten: een grote mast en een bezaanmast. De grote mast wordt gehouden door een voorstag die met een jufferblok op de voorsteven is bevestigd, door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen (touwladder) en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast is voorzien van een steng. De bezaanmast wordt gehouden door een staand want van twee hoofdlijnen. De steng van de bezaanmast wordt gehouden door een lopend want (bakstag). Het model is niet uitgerust met zeilen. Aan de rondhouten, de vallen en de schoten is echter wel af te leiden welke zeilen op het schip gevoerd konden worden. Aan de grote mast passen een een kluiver, een fok en een gaffelzeil. Aan de bezaanmast een gaffelzeil en eventueel een gaffeltopzeil. De vallen en schoten van de zeilen zijn belegd op bolders op de boorden. In de top van de grote mast een scheerhout met daaraan een half vergane, rode vleugel. Boven het scheerhout een mastwortel. In de top van de bezaanmast een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven zijn de kluisgaten en de kraanbalken (voor de ankers). Op het voordek een dwarsbalk (voorstelling van de braadspil?). De gaffel is neergelaten en hangt onder aan de grote mast. De uiteinden zijn vastgezet op voor en achtersteven. Aan de gaffel hangt een blauw-witte drijver. Tegen de mast staat een staak met ook daaraan een blauw-witte drijver. Achter de grote mast ligt aan bakboord een tweede staak met drijver (bruin). Net voor de bezaanmast een nagelbank. Achter de bezaanmast een waterlijst. Het helnhout van het roer steeks over deze lijst naar voren. Het roer in met touwen aan de achtersteven gehangen. Op de kop van het roer een hoge, naar voren wijzende roerkop, die is versierd met een golvende tong en drie tonnetjes (klaver). In de punt een gaatje. Kleuren: De romp is bruin, het onderwaterschip is groen. Het berghout is groen, evenals de bovenkant van het boeisel. Het boeisel zelf is wit. Kluisgaten en kraanbalken zijn groen. Het helmhout is groen. De roerkop heeft een witte ondergrond en in voorzien van een meerkleurige beschildering: rode tong en tonnentje in de kleuren rood, wit en blauw. Het dek is groen. De masten en rondhouten zijn ongeverfd. De stander is bruin. Accessoires: blokstander waarop het schip met twee nagels is bevestigd.
AchtergrondinformatieDe modellen K-013-a en K-013-b zijn vrijwel identiek aan elkaar. De hoeker is een klein tot middelgroot zeevaartuig dat voornamelijk werd gebruikt voor de visserij, maar ook werd ingezet voor de koopvaardij en zelfs als oorlogsschip. Al in de Middeleeuwen waren er schepen die hoeker werden genoemd. De naam is afgeleid van de wijze van visvangst die op het schip werd beoefend: het vissen met hoeklijnen (beugvisserij). In de 16de eeuw was een hoeker een geheel bedekt schip met anderhalfmasttuig: een grote mast met razeilen op halve scheepslengte en een bezaansmast op het achterschip. De 17de eeuwse hoeker had ingetrokken boorden een rond achterschip, zonder hoog oplopende staatsie (zoals bij de buis het geval was). In de 18de eeuw werd het vierkante bezaanzeil op de achtermast vervangen door een gaffeltuig. Boven het grootzeil werd een marszeil en soms een bramzeil gevoerd. Een visserijhoeker was ongeveer 20 meter lang. Een koopvaardijhoeker was ongeveer 30 meter lang en had een volledig tweemasttuig of zelfs een driemasttuig (in plaats van anderhalf). Het type verdween in de tweede helft van de 19de eeuw en werd vervangen door de logger. De laatste hoeker werd in 1886 uit de vaart genomen.
TitelSpeelscheepje in een vorm die doet denken aan een B.M. jacht.
VervaardigerHaan, Geert de
TrefwoordenB.M. klasse
Objectnummer1981-477
Periode van1935
Periode tot1935
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een B.M. jacht. Blokmodel.
Tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast is van bamboe gemaakt. De mast is in de romp gestoken en is niet gestaag. De giek van het grootzeil is een ijzeren stang die met ijzerdraad scharnierend aan de mast is bevestigd. De zeilen zijn van witte katoen, die inmiddels bruin zijn verkleurd. De bovenpunt van de fok is met een strop aan de mast bevestigd. De hals van de fok is met een oogpen aan de voorsteven vastgezet. De fokkeschoot is met een metalen ring vastgezet op een metalen overloop. Het grootzeil heeft de vorm van een Bermudazeil (torentuig). De bovenpunt van het grootzeil is met een strop bevestigd aan de mast. Het voorlijk is met raktouwen aan de mast vastgezet. Het onderlijk is vastgezet op de metalen giek. In het grootzeil zijn over de gehele zeilbreedte (van achterlijk naar voorlijk) drie zeillatten gemaakt. De grootschoot is vastgeknoopt in een oog in de romp. Op het schip worden geen vlaggen gevoerd.
De romp. het voorschip is scherp. Het achterschip is overhangend en voorzien van een rechtopstaande platte spiegel. De bodem is rond en voorzien van een kiel. De kiel is gemaakt uit een dubbele metaalplaat die aan de bovenkant is omgebogen (T-vormig) en daar aan de romp is vastgespijkerd.
Het model van voor naar achter. Het speescheepje heeft de vorm van een blok. Op het dek is niets anders gemaakt dan de overloop en de andere noodzakelijke bevestigingspunten voor de schoten en vallen. Op de boorden van het voorschip is de scheepsnaam geschilderd: 'MARTHA'. Het speelscheepjes heeft geen roer.
Kleuren: De romp is groen (romp, dek en onderwaterschip). De kiel is zilverkleurig. De mast en de giek zijn ongeverfd. De stander is groen.
Accessoires: stander met twee losse blokken.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje doet qua vorm en tuigage (mede gezien de tijd waarin het is gemaakt) het meest denken aan een B.M. jacht. Het is in 1935 door Geert de Haan gemaakt voor de familie Stoelinga te Sneek., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., De B.M. (Bergumermeer) werd ontworpen door Hendrik Bulthuis (Burgum 1892-1948), kapper te Burgum. Hij ontwikkelde in 1928 een bouwmethode die de democratisering van de zeilsport in Nederland inluidde. De B.M.jachten, die volgens deze methode zijn ontworpen, konden door amateurs op goedkope wijze worden gemaakt. de jachten werden gebouwd met smalle latten, dei eenvoudig gebogen konden worden. Al in de 19de eeuw werd in de V.S. de lattenbouw toegepast. Het nieuwe van het ontwerp van Bulthuis was dat bij de latten rond de mallen boog en de mallen liet zitten. Anderen verwijdderden de mallen en plaatsten dan spanten. Ook nieuw was dat hij de latten met de ruwe zaagkanten met een grote hoeveelheid nagels aan elkaar spijkers: met maakte de boot waterdicht en zorgde voor een goede stijfheid. In de jaren dertig maakte de klasse een grote vlucht. Er werden veel van gebouwd. Eerst erkende de NNWB het model als klasse, in 1931 gevolgd door het KNWV. Na de Tweede Wereldoorlog nam de belangstelling voor de klasse af. In 1961 hief het KNWV de klasse op en bleven alleen in het noorden wedstrijden voor de B.M. klasse. De door Bulthuis ontworpen zestien-kwadraat-klasse zou echter populair blijven., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 60
- J.K. Kuipers, 'Hendrik Bulthuis' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1992, pp. 34-36.
BeschrijvingScheepsmodel van een hoeker. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een kluiverboom en twee masten. Aan de linkerkant van de voorsteven zijn een kluiverboom en een daaraan bevestigd kluifhout uitgestoken. De kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de grote mast, is met een ring bevestigd aan de voorsteven en is aan de achterkant met een lus vastgemaakt aan de voet van de grote mast. Het kluifhout is met woelingen (touwlussen) aan de kluiverboom bevestigd. De top van het kluifhout hangt eveneens in een kraanlijn aan de grote mast. De twee masten: een grote mast en een bezaanmast. De grote mast wordt gehouden door een voorstag die met een jufferblok op de voorsteven is bevestigd, door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen (touwladder) en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast is voorzien van een steng. De bezaanmast wordt gehouden door een staand want van twee hoofdlijnen. De steng van de bezaanmast wordt gehouden door een lopend want (bakstag). Het model is niet uitgerust met zeilen. Aan de rondhouten, de vallen en de schoten is echter wel af te leiden welke zeilen op het schip gevoerd konden worden. Aan de grote mast passen een een kluiver, een fok en een gaffelzeil. Aan de bezaanmast een gaffelzeil en eventueel een gaffeltopzeil. De vallen en schoten van de zeilen zijn belegd op bolders op de boorden. In de top van de grote mast een scheerhout met daaraan een vergane vleugel van onbestemde kleur. Boven het scheerhout een gedraaide knop. In de top van de bezaanmast een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven zijn de kluisgaten en de kraanbalken (voor de ankers). Op het voordek een dwarsbalk (voorstelling van de braadspil?). De gaffel is neergelaten en hangt onder aan de grote mast. De uiteinden zijn vastgezet op voor en achtersteven. Aan de gaffel hangt een blauw-witte drijver. Tegen de mast staat een staak met ook daaraan een blauw-witte drijver. Net voor de bezaanmast een nagelbank. Achter de bezaanmast een waterlijst. Het helnhout van het roer steeks over deze lijst naar voren. Het roer in met krammen aan de achtersteven gehangen. Op de kop van het roer een hoge, naar voren wijzen roerkop, die is versierd met een golvende tong en drie tonnetjes (klaver). Aan de roerkant een deel van een afgebroken vlaggemast. Kleuren: De romp is bruin, het onderwaterschip is groen. Het berghout is groen, evenals de bovenkant van het boeisel. Het boeisel zelf is wit. Kluisgaten en kraanbalken zijn groen. Het helmhout is groen. De roerkop heeft een witte ondergrond en in voorzien van een meerkleurige beschildering: rode tong en tonnetjes in de kleuren rood, wit en blauw. Het dek is groen. De masten en rondhouten zijn ongeverfd. De stander is bruin. Accessoires: blokstander waarop het schip met twee nagels is bevestigd.
AchtergrondinformatieDe modellen K-013-a en K-013-b zijn vrijwel identiek aan elkaar. De hoeker is een klein tot middelgroot zeevaartuig dat voornamelijk werd gebruikt voor de visserij, maar ook werd ingezet voor de koopvaardij en zelfs als oorlogsschip. Al in de Middeleeuwen waren er schepen die hoeker werden genoemd. De naam is afgeleid van de wijze van visvangst die op het schip werd beoefend: het vissen met hoeklijnen (beugvisserij). In de 16de eeuw was een hoeker een geheel bedekt schip met anderhalfmasttuig: een grote mast met razeilen op halve scheepslengte en een bezaansmast op het achterschip. De 17de eeuwse hoeker had ingetrokken boorden een rond achterschip, zonder hoog oplopende staatsie (zoals bij de buis het geval was). In de 18de eeuw werd het vierkante bezaanzeil op de achtermast vervangen door een gaffeltuig. Boven het grootzeil werd een marszeil en soms een bramzeil gevoerd. Een visserijhoeker was ongeveer 20 meter lang. Een koopvaardijhoeker was ongeveer 30 meter lang en had een volledig tweemasttuig of zelfs een driemasttuig (in plaats van anderhalf). Het type verdween in de tweede helft van de 19de eeuw en werd vervangen door de logger. De laatste hoeker werd in 1886 uit de vaart genomen.
BeschrijvingScheepsmodel van een driemastclipper. Blokmodel, voorzien van masten en rondhouten die uit been zijn gesneden. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet wordt gehouden door een waterstag op de voorsteven. Op de top van de boegspriet een ezelshoofd dat de verbinding maakt met het kluifhout. Het kluifhout wordt gehouden door een waterstag die via een stampstok (schuin naar beneden wijzende stok, ook wel Spaanse ruiter genoemd) is vastgezet op de voorsteven en het boeisel bij de kraanbalken. Ook loops aan weerszijden een dubbel boegwant van de top van het kluifhout, via de kraanbalken, naar het boeisel van het voorschip. Aan de achterkant steken de boegspriet en het daar op liggende kluifhou door het voordek naar binnen. De drie masten zijn: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. De masten hellen enigszins achterover. Alledrie masten zijn in drieën gedeeld: een mast, een marssteng en een bramsteng. Ook de bevestiging van masten en stengen is bij de drie masten gelijk: de marssteng is met een mars (kraaiennest) en een ezelshoofd aan de mast bevestigd en de bramsteng is aan de marssteng bevestigd met twee ezelshoofden, waarvan de onderste is voorzien van een dubbele zaling. De verstaging van de drie masten is ook gelijk: de masten worden gehouden door een door een staand want van zes hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders) en door een lopend want (bakstag). De marsstengen worden gehouden door een staand stengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars en door een lopend want (bakstag). De bramstengen worden gehouden door een staand want van twee hoofdlijnen op de zaling en door een lopend want (bakstag). De staande en lopende wanten zijn aan weerszijden via rusten (horizontale balken op het boeisel) vastgezet met nagels. De masten en stengen worden ook gehouden door voorstagen. De voorstagen van de fokkemast, fokkemarssteng en fokkebramsteng zijn vastgezet op de voorsteven, de boegspriet en het kluifhout. De voorstagen van de grote mast, grote marssteng en grote bramsteng zijn vastgezet op de fokkemast (de voet van de mast, de mars en de zaling). De voorstagen van de bezaanmast, de achtermarssteng en achterbramsteng zijn vastgezet op de grote mast (voet van de mast, mars en zaling). Het model is niet uitgevoerd met zeilen maar aan de rondhouten en schoten is af te leiden welke zeilen er op het schip gevoerd konden worden. Aan de fokkemast passen drie kluivers (jager, buitenkluiver en binnenkluiver) en vier razeil (fok, voorondermarszeil, voorbovenmarszeil en voorbramzeil). Aan de grote mast passen ook vier razeilen (grootzeil, grootondermarszeil, grootbovenmarszeil en grootbramzeil). Aan de bezaanmast kunnen drie razeilen (begijnzeil, kruiszeil en grietje) en een gaffelzeil gevoerd worden. De twee onderste ra's van de fokkemast en de grote mast zijn uitgerust met spieren (uitschuifbare ra's waaraan lijzeilen bevestigd konden worden. In totaal konden er derhalve acht lijzeilen worden bijgezet. De ra's zijn vastgeknoopt aan de masten en stengen en kunnen dus niet met vallen neergelaten worden. De gaffel van de bezaan is evenmin voorzien van vallen. Wel is de gaffel aan de nok vastgezet met geerden (gebruikt om de gaffel in bedwang te houden) en is er een neerhaler aan vastgezet. De schoten van de zeilen lopen via blokken in de mast erachter (de zeilen van de fokkemast en grote mast) of via blokken in de mast ervoor (de zeilen van de bezaanmast). De onderste ra's zijn voorzien van boelijnen (gebruikt om de ra schuin naar voren te kunnen trekken om scherper aan de wind te kunnen zeilen). De schoten zijn vastgeknoopt op ringen op het boeisel. In de toppen van de masten geen vlaggen. Alleen aan de neerhaler van de gaffel wordt een rood-wit-blauwe vlag (tamelijk nieuw) gevoerd. De romp: De voorsteven is scherp, clippersteven. Het achterschip is van boven rond en van onderen scherp en geveegd. De bodem is voorzien van een kiel. Het model van voor naar achter: Onder de boegspriet op de scheg een boegbeeld in de vorm van een vogelkop. Het voordek is hoog (bijna gelijk met de boevenkant van het boeisel). Op het voordek een afuit van een kanon (het kanon zelf ontbreekt), een bolder en twee bovendekse kraanbalken met een bolder, die samen een V-vorm maken. Aan de uiteinden van de kraanbalken hangen de ankers. De ankerkettingen lopen via de kluisgaten naar binnen. Op het middendek de fokkemast en de grote mast met daartussenin een dekhuis met geschilderde deuren en ramen. Voor de fokkemast een klos voor de voorstag van de grote mast. Achter de grote mast een luikhoofd. Op het verhoogde achterdek de bezaanmast met ervoor en erachter een luikhoofd. Op het achterschip een stuurkast met stuurwiel en een opbouw van het achteronder. Rond het achterdek een touwreling. Kleuren: De romp is zwart. Het onderwaterschip is goud/bronskleurig. Het boegbeeld is eveneens goudkleurig. De dekken zijn gelakt. De binnenkanten van de boeisels, het dekhuis, de luikhoofden, de bolders en de andere opbouwen op het dek zijn wit geverfd. De stander is gebeitst. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieTussen 1857 en 1953 hebben vier generaties van de familie Wildschut een scheepswerf gehad in Gaastmeer. - Roelof Ages Wildschut (geboren Heeg 1800) en zijn vrouw Baukje Oosterwerf vestigden zich in 1857 vanuit Heeg in Gaastmeer. Hij was scheepstimmerman. Ze hadden vier kinderen: Trijntje, Lourens, Hendrik en Jetze. - Lourens (geboren in Heeg in 1835, overleden in Gaastmeer in 1886) nam de werf van zijn vader over. Hij was getrouwd met Aukje Tjipke van Netten (overleden in 1908). Ze hadden vier dochters en vijf zoons (Roelof, Tjipke, Age, Jelle en Jetze). De werf bouwde voornamelijk houten vrachtschepen (Tjalken) en vissersschepen (vooral Staverse jollen). - Roelof Wildschut (geboren 1866) nam de zaak over, samen met zijn broers. Eerst met broer Tjipke (geboren Gaastmeer 3 juli 1871, overleden Gaastmeer 25 mei 1901). Tjipke trouwde op 7 okt. 1893 met Sjoukje Jikke Dam (geboren Beets 15 nov. 1875 en overleden te Oudega 19 aug. 1897). Ze hadden twee kinderen: Harm (geboren te Oudega 19 jan. 1894) en Aukje (jong gestorven in 1896). Na de dood van Tjipke in 1901 zette Roelof de zaak voort met zijn drie andere broers. Rond 1900 werd overgegaaan op de bouw van ijzeren schepen. Maar de werf bood niet genoeg werk voor alle vier broers. In 1909 vestigde Roelof zich als boer in Wyckel, na onenigheid met zijn broers te hebben gehad. De werf werd voortgezet door Jelle, Age en Jetze Wildschut. Maar zonder veel succes. De vraag naar schepen daalde door het verval van de visserij op de Zuiderzee en de toename van het vrachtvervoer over land. In 1921 vertrok Jelle Wildschut naar Amerika, in 1924 gevolgd door Age. In 1926 keerde Age ziek terug uit Amerika, zijn vrouw en kinderen achterlatend. Hij stierf in 1942 in Sneek zonder zijn familie ooit terug te hebben gezien. Jetze Wildschut bleef achter op de werf in Gaastmeer. - Samen met zijn zoon Lourens ging hij zich toeleggen op de bouw van schepen voor de pleziervaart: B.M.-ers, motorboten en roeiboten. In 1953 vertrok ook Lourens Wildschut naar Amerika en kwam een einde aan de werf.
Het model was niet voltooid. De vroege dood van Tjipke zal daar de oorzaak van zijn geweest. Conciërge R. Poelstra voltooide en restaureerde het model. De clipper is ontstaan uit snelle Amerikaanse schoeners, die door loodsen, douane en marine werden gebruikt. Het waren schepen met een scherpe romp, een lage opbouw, sterk vallende masten met een lichte maar hoge tuigage. Deze schepen werden in het begin van de 19de eeuw vergroot (80-110 voet). het centrum van de bouw van deze schepen lag in Baltimore. het was de zogenaamde Baltimore-clipper, een schip met twee masten. Ze waren getuigd als schoenerbrik. Ze konden snel zeilen, maar hadden geen economisch laadvermogen. Na de Engels-Amerikaanse oorlog (1812-1814) richtte Amerika zich op vergroting van de overzeese handel met China en Europa door regelmatige en veelvuldige (snelle) vrachtdiensten (pakketvaart) in te stellen. Omdat snelheid succesvol bleek te zijn in het vergroten van de handel werden oude schepen sneller getuigd en werden nieuwe schepen gemaakt op snelheid. Daarbij was de Baltimore-clipper het voorbeeld voor het lijnenplan van de romp. De nieuwe clippers waren echter grote dan de Baltimore-clipper en getuigd met drie masten. Ook in Engeland ontwikkelde men snelle koopvaardijschepen, naar voorbeeld van de Amerikaanse clippers. Met name de Engelse theelclippers waren zee snel, de Cutty Sark bijvoorbeeld. In Nederland was het handelssysteem protectionistisch en daarom meer gericht op de oude trage koopvaarders dan op het ontwikkelen van snelle schepen. Pas na circa 1850 zag men in Nederland de voordelen in van snelle koopvaarders. De Nederlandse clippers werden gebouwd naar Amerikaans voorbeeld: ze waren van ijzer, hadden ijzeren ondermasten en een stalen want. Het centrum van de Nederlandse clipperbouw lag te Dordrecht. Na 1880 werden de meeste Nederlandse clippers verkocht en vervangen door motorschepen., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 25 mei 1951
- Leeuwarder Courant 18 juli 1951 - Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1950.
- Ton Tekstra, 'Scheepswerf Wildschut te Gaastmeer' in: Spiegel der Zeilvaart 1988, nr. 12, pp. 27-31.
TitelSpeelscheepje in de vorm van een Baltimoreschoener.
VervaardigerJelmers, Wiensen
Trefwoordenschoeners
Objectnummer1982-002
Periode van1823
Periode tot1823
BeschrijvingSpeelscheepje. Model in de vorm van een Baltimoreschoener met twee masten. Uitgehold blokmodel.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft twee masten en een boegspriet. De beide masten zijn voorzien stengen, die daaraan met twee metalen beugels (ezelshoofden) zijn bevestigd. De fokkemast wordt aan de voorkant gehouden door twee vaste (ongetakelde) voorstagen op de boegspriet. Aan weerszijden wordt fokkemast gehouden door een staand want van de vier hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders) en door een loped want (bakstag). De fokkesteng wordt aan de voorkant gehouden door een vaste voorstag van de top van de steng naar de voorpunt van de boegspriet. De grote mast wordt aan de voorkant gehouden door twee voorstagen die zijn vastgezet op ogen in het voordek. Aan weerszijden wordt de grote mast gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen zonder weeflijnen en door een lopend want (bakstag op het achterdek. De grote steng wordt gehouden door een voorstag op de top van de fokkemast. De zijstagen (staand en lopend want) zijn aan de boorden vastgezet met puttingijzers. De boegspriet rust in een stoel op het voordek en is met een beugel vastgezet op de voorsteven. Aan de onderkant wordt de boegspriet gehouden door een waterstag van het midden van de boegspriet naar de scheg. Van de voorpunt van de boegpriet lopen twee waterstagen naar een metalen stampstok (schuin naar beneden wijzende stok die ook wel Spaanse ruiter werd genoemd) en splitsen zich achter deze stok in twee stagen die zijn vastgezet op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de boegspriet gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen die zijn vastgezet op de buitenkant van de het boeisel. De bovenkant van de boegspriet hangt in de voorstagen van de fokkemast. Het model is niet uitgerust met zeilen. Wel zijn er ra's, een gaffel en een giek aangebracht, alsmede de vallen en schoten van de zeilen. Aan de voorkant van de fokkemast kunnen een stagfok en een kluiverfok gehesen worden. De vallen van de beide fokken zijn vastgehaakt aan lussen aan de beogspriet: die van de kluiverfok op de punt van de boegspriet en die van de stagfok halverwege de boegspriet. De fokkeschoten ontbreken. Aan de fokkemast zijn drie ra's gehangen. Alle drie ra's zij voorzien van schoten aan de uiteinden ervan. De schoten van de onderste ra lopen rechtstreeks naar beneden en zijn belegd op het boeisel. De schoten van de middelste ra lopen via blokken aan het onderste ezelshoofd van de grote mast en zijn belegd op klampen aan de voet van de grote mast. De schoten van de bovenste ra lopen via het bovenste ezelshoofd aan de grote mast en zijn belegd op klampen aan de voet van deze mast. Aan de achterkant van de fokkemast is plaats voor een gaffelzeil. Daartoe hangt een gaffel aan de fokkemast. Aan de top van de gaffel zijn geerden gemaakt. Dit zijn touwen die lopen van van de gaffeltop naar de beide boorden en hebben tot doel de gaffel in bedwang te houden. Het langsscheepse zeil aan de gaffel zeil wordt gezeild met losse broek, dat wil zeggen zonder giek. De grote mast is voorzien van een grote gaffel en een grote giek. Daaraan kan het grootzeil gehesen worden. De gaffel wordt gehesen met een piekeval en een klauwval. Tussen de top van de gaffel en de top van de grote steng loopt een lijn. De giek hangt aan de voorkant met een zwanehals in een oog in de mast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. Tussen de top van de gaffel en de achterkant van de giek loopt een lijn. De grootschoot loopt door een dubbelschijfsblok aan de giek en is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op de spiegel. De vallen van de zeilen en de schoten zijn belegd op de nagelbanken aan de voet van de beide masten en op klampen aan de mast. In de top van de fokkemast een blauwe vlag met Hollands hoekje (dorpsvlag van Heeg). In de top van de grote mast is aan een vlaggenlijn een vlaggenstok met rode vleugel gehesen. Aan de lijn tussen de top van de gaffel en het achtereind van de giek is een rood-wit-blauwe vlag geknoopt. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip heeft een vorm van een schoener: scherp met een puntige scheg. Het achterschip heeft een zwaar overhellende spiegel. De bodem is rond en buikig en voorzien van een grote kiel, die aan de onderkant is verzwaard met metaal.
Het model van voor naar achter: Op de scheg is een soort kluivernet geschilderd. Op de voorsteven de boegspriet. Daarachter de stoel waarin de de achterkant van de boegspriet rust. Over de boeisels liggen twee ankers. De ankerkettingen lopen door de kluisgaten naar binnen, lopen over de braadspil en daarna door klapmutsen (L-vormige buizen) door het voordek naar binnen. Achter de braadpil een luikhoofd met scharnierbaar, bol luik. Aan de voet van de fokkemast een nagelbank. Tussen de beide masten het luikhoofd van het ruim, dat is bedekt met één groot luik, en een kaapstander. Achter de grote mast een nagelbank en een lichtkap met traliewerken in de zijwanden. Achter het staande want van de grote mast zijn aan beide kanten davits gemaakt waarin sloepen hangen. Het achterdek is verhoogd. Het is te bereiken met twee trappen. Langs de trappen leuningen en langs de randen van het achterdek relingen. Tussen de beide trappen is in de voorwand van het achterdek een deur met bolle overkapping gemaakt. In het midden van het achterdek een ronde lichtkap. Net voor de spiegel staat op het achterdek een houten stuurkast met stuurwiel. Op de boeisels bij de trappen naar het achterdek is aan beide kanten de naam van het schip geschilderd: 'ZEEMEEUW'. De spiegel is versierd met een opgeplakte touwrand met knoop. Daarbinnen is een geschilderd opschrift: 'ZEEMEEUW / VAN HEEG / AV / GESTRAND OP AMELAND / 13 DESEMBER 1823'.
Kleuren: De romp is zwart. Het onderwaterschip is wit. Het boeisel is voorzien van een brede gele bies en twee smalle rode biezen. Op de scheg is een bladertak geschilderd (als op klippers) en een kluivernet. De binnenkanten van de boeisels zijn wit. De dekken zijn lichtbruin. De stoel van de boegspriet, de braadspil en het luik op het voordek zijn wit. De luik tussen de beide mast is bruin. De kaapstander is wit met op de kop een rode ster. De lichtkap achter de grote mast is wit met een rode bies. De relings van het achterdek zijn wit. De deuren tussen de trappen zijn zwart. Het stuurhuis op het achterdek is zwart. De rondhouten zijn gelakt. Het opschrift op het achterdek is wit op een zwarte achtergrond.
Accessoires: een stander, twee sloepen en twee ankers.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje werd vervaardigd voor Anne Annes Visser (Heeg 1809-1895). Zijn vader gaf het mee aan een schipper van een palingaak, die het zou tuigen. De aak verging echter. Jaren later zag Anne zijn scheepje in een winkel in Amsterdam. Het bleek op Ameland aangespoeld te zijn en door de vinders in Amsterdam verkocht. Vader Anne Annes kocht het terug. In het archief van W. en A. Visser in het compagnie reedersboek staat: ' t' Schip of aal-aak Cornelia, schipper Johan Haantjes den 3 de Des. 1824 uit Texel in Zee zeilder Gedestineerd na London, is den 13 december 1824 op de Kalkman bij het Vriesche gat zonder volk gestrand, alles eraf en eruit, en is daar weder afgebracht den 21 february 1823 voor de zomma f.1100,-'. Het model werd teruggevonden in een ingestort huis in Franeker. Het model was zeer gehavend: een romp en enkele losse onderdelen (de braadspil, het luik op het voordek, de kaapstander, de lichtkap, de stuurkast, een van de sloepen en één blokje)., De schoener is een zeilschip met scherpe romp, getuigd met gaffelzeilen, gaffeltopzeilen en stafzeilen. Oorspronkelijk had het type twee masten, later meer (tot 7). Schoeners worden gebruikt voor de koopvaardij, visserij, marine, loodsdiensten, douane en pleziervaart. De langsscheepse tuigage had als voordeel dat het door een veel kleinere bemanning kon worden behandeld dan een vierkant tuig. In Amerika ontwikkelde het type zich geheel zelfstandig, met name in Virginia en Baltimore. Vooral het tuig van de schoener was populair. Het werd ook op andere schepen toegepast: schoenerbark, schoenerbrik, schoenergaljoot, schoenerkof en schoenerkits., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, pp. 17-18.
TitelSpeelscheepje. Model van de kotter Zwaluw van Heeg.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenkotters
Objectnummer1982-003
Periode van1800
Periode tot1825
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een kotter. Uitgehold blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. Op de mast is een steng geplaatst. Ze zijn aan elkaar verbonden door een houten ezelshoofd en een metalen beugel erboven. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag op de voorsteven. Op de steven is de voorstag door twee blokken getakeld en belegd op de kluiverboomstoel. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders) en door een lopend want (bakstag). De wanten zijn met puttingijzers vastgezet op de boeisels van het schip. De steng wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag op de kluiverboom. De kluiverboom rust in een kluiverboomstoel op het voordek en in een beugel aan de stuurboordkant van de voorsteven. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door een waterstag op de voorsteven, die is getakeld door twee blokken en is belegd op de kluiverboomstoel. Aan weerszijden wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van één hoofdtouw, dat eveneens is getakeld door twee blokken, vervolgens naar binnen loopt door een gat in het boeisel en dat daar is belegd op een klamp aan het boeisel. Het model is niet uitgerust met zeilen, maar aan de rondhouten, vallen en schoten is wel af te leiden welke zeilen er gevoerd konden worden. Op het voorschip konden een stagfok en een kluiverfokken gehesen worden. De kluiver werd uitgezet met behulp van een traveller over de kluiverboom, die naar voren wordt getrokken door een schijf in de voorpunt van de kluiverboom. De val van de kluiver is vastgehaakt op de traveller. De stagfok werd bevestigd aan de voorstag van de mast. De val van de stagfok is vastgehaakt aan een oog op de voorsteven. Ook de schoot van de stagfok is aanwezig. Het dubbelschijfs schoothoeksblok met twee haken ligt los op het voordek. De fokkeschoot loopt door dit blok en door een hakkeblok dat is vastgezet op de metalen overloop, net voor de mast. In de mast zijn drie ra's gemaakt. De onderste ra is aan weerszijden verlengd met spieren, die er met woelingen (gesjord touwwerk) aan vast zijn gezet. Aan de uiteinden van de middelste ra hangen los twee spieren. Tussen deze losse spieren en de vaste spieren van de onderste ra konden twee dwarse topzeilen gehesen worden. Tussen de bovenste ra en de middelste ra kon bovendien een derde topzeil worden gehesen. De ra's en spieren zijn voorzien van compleet getakelde vallen. Schoten zijn alleen gemaakt aan de onderste ra en aan de daaraan bevestigde spieren. Deze schoten zijn belegd op bolders en klampen op het achterschip. De middelste ra's en de bovenra hebben geen schoten, maar werden met de schoten van de onderste ra meegetrokken. Aan de achterkant van de mast is plaats voor een gaffelgrootzeil. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. Deze wordt gehesen met een piekeval (twee blokken op de gaffel en twee aan de mast) en door een klauwval (één blok op de klauw en één blok aan de mast). De giek hangt aan de voorkant met een scharnierende lummel in een oog aan de mast en aan de achterkant in een kraanlijn. Ook van de top van de gaffel naar de achterpunt van de giek loopt een lijn. De grootschoot loopt door een dubbelschijfsblok aan de giek en door een enkelschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van de zeilen en de ra's en de kraanlijn zijn belegd op klampen aan de voet van de mast, op de nagelbank achter de mast en zijn met blokken vastgehaakt in ogen in het dek. Op de top van de mast een rode vleugel zonder scheerhout. Aan de lijn tussen de top van de gaffel en de achterpunt van de giek is een rood-wit-blauwe vlag gehesen. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond, heeft een lepelvormige boeg en een nagenoeg verticale voorsteven. Het achterschip heeft een schuine spiegel en is daaronder geveegd. Het berghout is zeer breed. De bodem is naar voren toe buikig en is voorzien van een grote kiel, die aan de onderkant is verzwaard met metaal.
Het model van voor naar achter: Over het boeisel van het voorschip hangen twee ankers. De ankerkettingen lopen door dekluisgaten aan weerszijden van de voorsteven naar binnen, lopen over de braadspil en gaan door klapmuten (L-vormige buizen) door het voordek naar binnen. De voorsteven is voorzien van metaal beslag. Achter de voorsteven de braadspil, de klapmutsen en aan stuurboord de kluiverboomstoel. Tegen het boeisel van het voorschip zijn twee bolders gemaakt. In het voordek zijn twee luikhoofden gemaakt: het voorste met een scharnierd, bol luik en het achterste met een plat overvallend luik. Voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Achter de mast een losstaande nagelbank. Daarachter het luikhoofd van het ruim, dat wordt bedekt met een groot luik. In het gangboord aan stuurboord staat een reddingsloep met twee roeispanen. Op het achterschip een lichtkap met ramen in de zijwanden, met daarvoor tralies. Op kniestukken tussen het dek en de binnenkanten van de boeisels zijn klampen gemaakt waarop schoten en bakstagen zijn belegd. De spil van het roer steekt uit het achterdek en is voorzien van een helmhout met knop. Net voor de spiegel de overloop van de grootschoot. De spiegel steek als een toog boven het achterboeisel uit. In de speigel zijn gaten gemaakt om het buiswater te kunnen lozen. In de wulf onder de spiegel het geschilderde opschrift 'ZWALUW VAN HEEG'. Aan weerszijden daarvan geschilderde ramen.
Kleuren: De romp is zwart. Het onderwaterschip en het berghout zijn wit. De onderrand van de kiel is rood. De binnenkanten van de boeisels zijn wit. Het dek is gelakt. De braadspil, de kluiverboomstoel, alle luiken, de nagelbank, de lichtkap en het helmhout zijn wit. De rondhouten zijn gelakt en het metaalbeslag erop is zwart. De buitenkant van de spiegel is wit. De scheepsnaam is in geel geschilderd.
Accessoires: stander en twee ankers.
AchtergrondinformatieDe eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Dit speelscheepje zal echter niet voor wedstrijden zijn gebruikt., De Engelse kotter of Cutter in ontwikkeld in de 18de eeuw. Het is een eenmaster, waarvan de romp gekenmerkt wordt door een vrij steile steven, een voorlijk V-vormig grootspant eat naar achteren overgaat in een diep, scherp onderwaterschip. Het hek is overhangend en heeft een platte spiegel. Zeilen: stagfok, kluivers, grootzeil met gaffel en giek en twee ra-topzeilen. Ook werd op kotters wel een briktuig, een kitstuig of een yawltuig toegepast. Kotters werden gebruikt als snelle schepen voor toldiensten, douane, smokkelaars, paketvaart en voor de marine., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)