TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de topklasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordentopklasse
Objectnummer1985-394
Periode van1985
Periode tot1985
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Topklasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½ Tuigage: Het model heeft een mast die aan de onderkant is vastgezet op een langsscheeps T-ijzer met gaten op de kielbalk. Dit fungeert als rail waarover de mast naar voren of naar achteren gezet kan worden. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag die loopt door een gat in het voordek, over een metalen blok in het voorschip (onder het dek) en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een schuin naar achter lopende zijstag die is bevestigd aan een bout onder het gangboord. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een stagfok een een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een harpsluiting vastgezet op een metaalplaat op het voordek. De metalen fokkeval loopt door een vast metalen blok aan de top van de mast en is met een haak vastgezet op een verticaal T-ijzer met gaten aan de voet van de mast. De fokkeschoot loopt door een blok op een gatenrail op het gangboord, over de kuiprand. Aan stuurboord is de fokkeschoot belegd op een houten klamp aan de kuiprand en aan bakboord hangt de fokkeschoot los is de kuip. Het grootzeil heeft een enigszins kromme gaffel, waarvan de top uitsteekt boven de top van de mast: cattuig. Het bovenlijk is in een gleuf aan de onderkant van de gaffel geregen. De gaffel wordt gehesen met een metalen nokkeval en klauwval die beide door een vast metalen blok aan de top van de mast naar beneden worden geleid en daar zijn vastgehaakt in de gatenrail aan de voet van de mast. De gaffel is met een scharnierende glijleuver aan een metalen rail aan de achterkant van de mast bevestigd. Het voorlijk van het grootzeil is met glijleuvers aan dezelfde mastrail bevestigd. Het onderlijk is in een gleuf in de bovenkant van de giek bevestigd. De voorkant van de giek is met een scharnierende glijleuver aan de mastrail vastgemaakt. De hoogte van de giek (en daarmee van de hals van het grootzeil) is instelbaar met een metalen halstalie die met een haak is vastgezet in de gatenrail aan de voet van de mast. De grootschoot is met het vaste einde vastgemaakt aan de kielbalk. Het halende eind van de grootschoot loopt door een blok aan de giek, door een blok op de kielbalk en is daar belegd op een houten klamp op de kielbalk. Op de top van de mast een rode windvaan (verklikker) aan een metalen pin. De blokken in de mast zijn van metaal. De blokken van de schoten en op het roer zijn van hout. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip heeft een platte, enigszins schuine spiegel. De bodem is licht V-vormig. De doorsnede heeft de vorm van een spant. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven metaalbeslag met op het dek een handgreep. Het voordek steek over de huid van de romp heen en heeft geen waterlijst. Op het voordek metaalbeslag waaraan de hals van de stagfok is bevestigd en waardoor de voorstag naar binnen loopt. De kuip begint al voor de mast. De kuiprand is aan de voorkant V-vormig en steek boven het dek uit. Daarachter is de kuip open (de mast kan immers naar voren gezet worden en daar moet ruimte voor zijn). Ter hoogte van de mast beginnen de gangboorden. De kuiprand is daar lager. Onder de gangboorden zijn open kasten gemaakt. Op de gangboorden de rails met blokken van de fokkeschoot. De kuip is belegd met buikdenningen. Achter de mast de zwaardkast van het verstelbare, metalen midzwaard. De hoogte van het midzwaard is instelbaar door een dubbele zwaardloper die is vastgemaakt aan de bovenkant van het zwaard. Van daar gaat de zwaardloper naar voren, door een boven op de mastrail, vervolgens naar achter en is daar met knopen vastgehaakt achter een gleuf in de achterwand van de zwaardkast. De achterkant van de kuip is recht. Onder het achterdek is een kast gemaakt die kan worden afgesloten met een luik. Op het achterdek twee houten klampen. Het roer hangt met twee roerhaken. Het is voorzien van een recht helmhout. Het roer bestaat uit twee gedeelten: een houten bovendeel dat scharniert aan de roerhaken en een metalen onderstuk. Het metalen gedeelte scharniert in het houten gedeelte en is in hoogte verstelbaar door een metaaldraad die is vastgezet op het helmhout. Kleuren: De romp is wit met blauwe biezen op de waterlijn en langs de bovenrand. Het dek is gelakt, evenals de kuip, de mast, de rondhout, de kasten en het roer. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de Topklasse werd gebouwd naar de oorspronkelijke tekeningen van de N.N.W.B. Het jacht met zeilnummer 112 was de Aquarel van de fam. dr. G.J. Ubbink te Sneek.
In 1960 werd de topklasse ingesteld. Het ontwerp kwam voor uit een in 1958 gehouden prijsvraag. Er bleek toen naast de 16m², behoefte te zijn aan een eenvouding zeiljacht, dat door amateurs gebouwd zou kunnen worden en dat ook op een aanhangwagen te vervoeren zou zijn. Uit een ontwerp van L. Stelwagen te Grou is de Top geboren: een licht scheepje (circa 300 kilo) met een middenzwaard en een gaffeltuig om een korte mast te kunnen houden. Meningsverschillen tussen het bestuur van N.N.W.B. die de prijsvraag uit liet schrijven en het bestuur van de K.N.W.V. leidden er toe dat de Top niet een nationale klasse werd. De N.N.W.B. maakte er toen een gewestelijke klasse van., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 24
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de B.M. klasse.
VervaardigerJonge, Marchienus de
TrefwoordenB.M. klasse
ObjectnummerK-055
Periode van1974
Periode tot1974
BeschrijvingModel van een zeiljacht uit de B.M. klasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:6. Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een mast, die is geplaatst in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag, die is vastgezet op de voorsteven en aan weerszijden door een zijstagen die met een wantspanner zijn vastgezet op puttingijzers aan de binnenkant van de romp. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt zijn gemaakt uit één lap katoen, waarin dubbel gestikte zomen suggereren dat het zeil uit banen is gemaakt. Door de zomen kon er ook enige bolling in het zeil gemaakt worden. De stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals is met een harpsluiting vastgezet op de voorsteven. De fokkeval is belegd op de nagelbank. De fokkeschoot loopt via een houten schootoog op het gangboord, over de kuiprand. In de kuip is de fokkeschoot aan bakboord belegd op een houten klamp die aan de binnenkant van de kuiprand is bevestigd. De fokkeschoot aan stuurboord hangt los over de kuiprand. Het grootzeil heeft geen gaffel: torentuig. In de top van het zeil een driehoekig tophout. De topval van het grootzeil is belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met leuvers aan een metalen rail aan de achterkant van de mast bevestigd. De leuvers zijn dicht maar behoren open te zijn (glijleuvers). In het achterlijk van het zeil zijn drie zeillatten gemaakt. Tussen de top van de mast en het achtereinde van de giek loopt de kraanlijn, die is belegd op de nagelbank aan de voet van mast. Het onderlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgezet op de giek. De grootschoot is aan het vaste einde bevestigd op een blok aan het achtereind van de giek. Van daar loopt de grootschoot naar beneden naar een blok dat is vastgezet op een metalen overloop op het achterdek, om daarna weer omhoog te gaan naar het blok aan het einde van de giek. Vervolgens loopt de schoot naar voren naar een blok dat is bevestig aan een giekring om tenslotte met het halende eind te worden belegd op een houten klamp op de stevenbalk in de kuip. De giekring is los om de giek bevestigd. De ring wordt langsscheeps op zijn plaats gehouden door een touw tussen voor- en achterkant van de giek. Aan de voorkant is de giek met een metalen klauw tegen de mast bevestigd. Aan de klauw is een halstalie gemaakt, die is belegd op de nagelbank. In het grootzeil aan beide kanten het zeilnummer 'BM / 42'. Op de top van de mast een rode windvaan aan een metalen pin. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een platte, verticale spiegel. De bodem is rond (U-vormig) en voorzien van een verstelbaar midzwaard. De huid en de dekken zijn gebouwd van latten (op het dek van lichte en donkere houtsoorten). Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Van voor naar achter loopt over de huis een halfronde stootrand van hout. Op het voordek een metalen klamp. Voor de mast begint de opstaande kuiprand. Van boven gezien is de kuip granaatvormig: van voren puntig en aan de achterkant plat. In de ruimte tussen de punt van de kuiprand en de mast loopt het voordek door. Achter de mast wordt het dek afgesloten door een waterlijst en een nagelbank. Op de gangboorden de wantspanners van het zijwant en de houten ogen voor de fokkeschoot. In de kuip zijn open kasten gemaakt (onder de gangboorden). Daaraan zijn twee klapbanken met metalen poten gemaakt. Tegen de achterkant van de kuip een vaste bank. Op de bodem van de kuip buikdenningen. In het midden van de kuip de zwaardkast van het metalen midzwaard. Dat steek met een punt boven de kast uit. Aan een gat in de punt van het midzwaard is de zwaardloper bevestigd, die via een blok aan de nagelbank naar achter loopt en daar is belegd op een metalen klamp op de achterkant van de zwaardkast. Op het achterdek de metalen overloop van de grootschoot en een metalen klamp. Het roer is opgehangen aan de platte spiegel. Het roer is voorzien van een hoge kop. Het helmhout is recht en is in de roerkop gestoken. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Net onder de stootrand een gele bies. Voor- en achterdek en de gangboorden zijn gelakt. Door het gebruikt van lichte en donkere latten tekenen zich op daar gebogen, langsscheepse lijnen af. Al het houtwerk aan de binnenkant van de kuip is, evenals de mast en de giek, gelakt. Accessoires: een stander, een uitzetter, een schaarmik en een stokdweil. In het zijwant aan bakboord hangt een vaarboom.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De zeilen zijn in 1991 gemaakt door conciërge Pieter Alkema.
Afmetingen van de klasse: lengte 4.75 meter, breedte 1.50 meter, zeiloppervalk 11.80 m². De B.M. (Bergumermeer) werd ontworpen door Hendrik Bulthuis (Burgum 1892-1948), kapper te Burgum. Hij ontwikkelde in 1928 een bouwmethode die de democratisering van de zeilsport in Nederland inluidde. De B.M.jachten, die volgens deze methode zijn ontworpen, konden door amateurs op goedkope wijze worden gemaakt. de jachten werden gebouwd met smalle latten, dei eenvoudig gebogen konden worden. Al in de 19de eeuw werd in de V.S. de lattenbouw toegepast. Het nieuwe van het ontwerp van Bulthuis was dat bij de latten rond de mallen boog en de mallen liet zitten. Anderen verwijdderden de mallen en plaatsten dan spanten. Ook nieuw was dat hij de latten met de ruwe zaagkanten met een grote hoeveelheid nagels aan elkaar spijkers: met maakte de boot waterdicht en zorgde voor een goede stijfheid. In de jaren dertig maakte de klasse een grote vlucht. Er werden veel van gebouwd. Eerst erkende de NNWB het model als klasse, in 1931 gevolgd door het KNWV. Na de Tweede Wereldoorloga nam de belangstelling voor de klasse af. In 1961 hief het KNWV de klasse op en bleven alleen in het noorden wedstrijden voor de B.M. klasse. De door Bulthuis ontworpen zestien-kwadraat-klasse zou echter populair blijven. De B.M. met zeilnummer 42 is een jacht dat regelmatig wordt genoemd in de naamlijsten van deelnemers aan Friese zeilwedstrijden. Van 1939 tot 1947 is J. Pasma uit Sneek de eigenaar (Naam: Favoriet). Van 1948 tot 1950 wordt als eigenaar genoemd P. Heins uit Heerenveen (naam: Favoriet). Van 1952 tot 1956 is R. Overwijk uit Haskerdijken de eigenaar (naam: Favoriet)., literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 60.
- J.K. Kuipers, 'Hendrik Bulthuis' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1992, pp. 34-36.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973-1974, p. 16
- Sneeker Nieuwsblad 16 mei 1974
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de drakenklasse.
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordendrakenklasse
ObjectnummerK-040
Periode van1947
Periode tot1948
BeschrijvingScheepsmodel van de zeiljacht uit de drakenklasse. Op spanten (mallen) gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een mast, die niet te strijken is (steekmast). Halverwege de mast is een zaling gemaakt. De mast wordt gehouden door twee voorstagen. De eerste voorstag is via twee vaste geleideblokken op het voordek vastgezet op een schroefoog op het voordek. De tweede voorstag loopt via een vast geleideblok op het voordek naar een metalen houder daarachter, waarop de stag is vastgezet. Aan de zijkanten wordt de mast gehouden door drie vaste zijstagen en één verschuifbare zijstag (bakstag). Een vaste zijstag is rechtstreeks aan de mast bevestigd, net onder de zaling. De andere twee vaste zijstagen lopen via de zaling naar het gedeelte van de mast boven de zaling. Aan de onderkant zijn de vaste zijstagen met wantspanners aan puttingijzers bevestigd. De bakstag is loopt via een oog op de binnenkant van de kuiprand naar een bevestiging in het midden van de kuip. Deze bevestiging is echter foutief. De bakstag behoort met een glijer te zijn vastgemaakt op een metalen rail op het gangboord, zodat de bakstag naar behoefte naar voren of naar achter kan worden vastgezet. Naar achter wordt de mast gehouden door een achterstag die via een vast geleideblok op het achterdek naar voren loopt en daar via een blok is belegd op een klamp, vlak achter de achterkuiprand. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk. Enkelvoudige stiksels suggereren dat ze uit banen zijn gemaakt. Het voorlijk van de fok is met metalen ringen (leuvers) bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is vastgezet op een metaaldraad die door een vast geleideblok op het voordek wordt geleid naar een metalen houder, waar de metaaldraad op is vastgezet. De fokkeschoot loopt aan stuurboord via geleideblok op het gangboord naar een metalen sjorlier op de buiskap en is belegd op een metalen klamp op het midden van de buiskap. De fokkeschoot aan bakboord loopt los door een geleideblok op het gangboord aan bakboord en ligt los op het gangboord erachter. De fokkeval is belegd op een klamp aan de voet van de mast. Het grootzeil heeft geen gaffel: torentuig (of Bermudatuig). Het voorlijk is is een gleuf in de achterkant van de mast geregen. Op dezelfde wijze is het onderlijk van het grootzeil aan de giek vastgemaakt. In het achterlijk van het grootzeil zijn vier zeillatten gemaakt. Het zeilnummer is aan twee kanten opgestik: 'D / - / H48'. De grootschoot is aan het vaste einde vastgezet aan een blok aan het eind van de giek. Het loopt via een blok aan stuurboord op het achterdek, terug naar het blok aan het einde van de giek, vervolgens naar een blok aan bakboord op het achterdek, wederom omhoog naar een twee blok aan de giek, naar een derde blok aan de giek en dan tenslotte naar een klamp in het midden van de kuip. De drie blokken zijn met metalen beugels aan de giek bevestigd. Op de top van de mast een witte windvaan aan een metalen pin. De metalen blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een overhangende lepelboeg. Het achterschip heeft een overhangende, platte spiegel, die ook enigszins schuin is geplaatst. De bodem is voorzien van vaste kiel. Aan de kiel is het roerblad gehangen. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaal beslag. Van voor naar achter loopt op de hoek van dek en romp een stootrand en op het dek een waterlijsten. Op een balk die loopt van de voorsteven tot de kuiprand een houten klamp in metalen houder, een vast geleideblok, een oogbout, een vaste, drieschijfs geleideblok en een dubbele metalen houder. Aan deze houder zijn de tweede voorstag en de hals van de fok bevestigd. De kuiprand begint net voor de mast. De kuip is van boven gezien granaatvormig: van voren puntig en aan de achterkant plat. De kuiprand is rondom de mast voorzien van een gedeeltelijke overkapping. Achter de mast is een buiskap gemaakt. Deze kap is aan de randen voorzien van metaalbeslag. Op de achterkant van de buiskap twee sjorlieren en een metalen klamp. Op de buitenkant van de kuiprand zijn houten klampen geplaatst: aan stuurboord twee en aan bakboord één. Aan de achterkanten van de kuiprand is aan bakboord en aan stuurboord de naam van het schip geschilderd: 'CLAES COMPAEN'. Aan de achterrand van de kuip de bevestigingen van de grootschoot. In de kuip een achterbank. Langs de randen van de kuip zijn open kastjes gemaakt. In het midden van de kuip een dwarsplank met daarop geleideblokken, schootklemmen en klampen. Ze zijn bedoeld voor de grootschoot, die echter rechtstreeks is belegd op een klamp. Op de gangboorden katrollen en ogen voor de fokkeschoot en glijrails voor de bakstagen. Op het achterdek het helmhout, een houten klamp in metalen houder en de het katrol van de achterstag. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is groen. Van het dek is het gedeelte buiten de waterlijst gelakt. De rest van het dek (voordek, gangboorden en achterdek) is wit. En ook de buiskap is wit. De kuip, de mast, de giek het het helmhout zijn gelakt. Ook de stander is gelakt. Accessoires: L-vormige stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De drakenklasse is een internationale wedstrijdklasse. Afmetingen: lengte 8.90 meter, breedte 1.96 meter, diepgang 1.20 meter. Torentuig van 26.5 m². De romp wordt gebouwd van hout: gangenbouw op ingebogen S-vormige spanten. Het jacht voert een hoog torentuig met genuafok. Sinds 1964 mag bij wedstrijden ook een spinnaker gehesen worden. De draak werd in 1929 ontworpen door Johan Anker uit Noorwegen. In Nederland werd de Draak in 1935 als wedstrijdklasse erkend. En als internationale klasse werd de draak in 1950 erkend door de IYRU. Het is niet bekend aan wie het jacht met zeilnummer 48 heeft toebehoord., Literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 72
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijheidsklasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordenvrijheidsklasse
Objectnummer1982-049
Periode van1982
Periode tot1982
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Vrijheidsklasse. Op spanten gebouwd. De kielbalk, stevens en spanten van eikenhout, de huid van mahoniehout en de dekken van hechthout. Schaal 1:7½. Tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een zijstag. De voorstag is met een harpsluiting bevestigd aan een metalen ring op het voordek. De zijstagen lopen door gaten in de gangboorden en zijn onder de gangboorden bevestigd aan de binnenkanten van de boorden. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De stagfok is breed van vorm. Het achterlijk loopt door tot achter de mast (staartfok of botterfok). Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een harpsluiting vastgezet op een metalen oog op het voordek. De twee fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en zijn belegd op houten klampen aan de binnenkant van de kuiprand. De fokkeschoot aan stuurboord is vastgezet. Die aan bakboord loopt voor de mast langs en ligt los in de kuip. Het grootzeil is voorzein van een rechte gaffel. De gaffel is voorzien van een houten klauw. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De hals van de grootzeil wordt naar beneden getrokken door de halstalie. In het achterlijk van het grootzeil zijn vier zeillatten gestoken. Aan beide zijden van het zeil is het zeilnummer V-125 aangebracht. De onderkant van het zeil is bevestigd in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek rust met een metalen klauw tegen de mast. De grootschoot loopt door twee enkelschijfs blokken aan de giek en door een dubbelschijfs blok op de kielbalk. De schoot loopt in een V-vorm door deze drie blokken en is belegd op een metalen klamp op de kielbalk. De vallen van de zeilen lopen door houten blokken aan de top van de mast. Ze lopen, net als de halstalie, door gaten in het dek aan de voet van de mast en zijn belegd op klampen aan de mastvoet, onder het dek. Op de top van de mast een rood-blauw-rode windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven heeft de vorm van een lepelboeg. Het achtersteven is plat en heeft een schuine spiegel. De bodem is rond en is voorzien van een vaste kiel. De dwarsvoorsnede is U-vormig. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven koperbeslag. De dekken en gangboorden steken buiten de boorden uit: een stootrand. Van voorsteven tot spiegel lopen aan beide kanten waterlijsten over de dekken en gangboorden. Op het voordek het metaalbeslag waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestgd. Daarachter een houten klamp. Voor de mast een V-vormige waterlijst, die doorloopt tot aan de buitenkanten van de gangboorden. Het voordek loopt onder deze waterlijst door. Achter de mast de kuip, die is voorzien van een lage kuiprand. Op de gangboorden aan beide zijden twee schootogen voor de fokkeschoot. Op de binnenkanten van de kuipranden ook twee klampen voor de fokkeschoot. Onder de gangboorden zijn in de kuip open kastjes gemaakt. De ruimten onder het voordek en onder het achterdek zijn eveneens open (niet afgesloten door luiken). In de kuip zijn twee losse dwarsbanken gemaakt. De bodem van de kuip is bedekt met buikdenningen. Ter hoogte van de achterkant van de kuip is op de boorden de naam van het schip geschilderd: 'TWIRKE'. Op het achterdek twee houten klampen. Het roer hangt met een stang aan de spiegel. Het bovenste deel van het roer is van hout. Het onderste deel is van metaal en is in hoogte verstelbaar door een touw dat loopt door een langsscheeps gat in de de kop van het roer en is belegd op een metalen kikker op het helmhout. Het helmhout is gebogen van vorm en is voorzien van een scharnierende dwarsgreep met handvat. Kleuren: De romp is gelakt en voorzien van een witte bies net onder de stootrand. Het onderwaterschip is wit. De dekken, gangboorden, kuip, mast en rondhouten zijn gelakt. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Dit model van de Vrijheidsklasse is vervaardigd naar een verkleinde originele werftekening. Het jacht met zeilnummer 125 is in 1952 gebouwd bij Van der Meulen te Joure. Inrichting en tuigage zijn in samenspraak met de voormalige eigenaar van de V-125, Eddie Wierstra uit Sneek, tot stand gekomen. Wierstra kocht het schip in 1953. Hij won er vele prijzen mee. In 1957 kocht hij een ander schip. De Vrijheid 125 werd verkocht aan W. van den Heuvell te Sneek (deelnemer Sneekweek in van 1957-1968).
In 1942 schreef het K.N.W.V. een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een zeilboot met 12 vierkante meter zeil. De prijsvraag zou kunnen leiden tot een nieuwe klasse. Het moest een stabiel kieljacht worden, dat vooral de jeugd zou aanspreken, dat snel moest zijn maar ook geschikt voor het maken van tochten, dat een lage bouwprijs zou moeten hebben en daarom door amateur gemaakt moest kunnen worden. Er kwamen 55 inzendingen binnen: Workum, Viking, Vlinderjacht, Zomerweelde, Zomerwind, Oostergoo, etc. Siep van der Meer won de eerste prijs met de Zomerweelde. Er waren drie derde prijzen voor L. Moerman (maasjol), Chr. van der Zee (Kilpalipude een soort vergrote olympiajol) en Romke de Vries. Het verbond maakte van de Zomerweelde geen eenheidsklasse. Wel werden er meerdere van gebouwd. De technische commissie van het K.N.W.V. moest zelf een nieuwe klasse ontwerpen met als basis de inzendingen van de prijsvraag. Het nieuwe ontwerp was smaller dan de Zomerweelde en er waren nog een paar verschillen. De romp kon zowel met gangen als met latten (amateurbouw) gemaakt worden. Ook in tuigage kon men kiezen tussen een torentuig of een gaffeltuig (de meeste werden uitgevoerd met gaffeltuig). In december 1945 werd het schip gepresenteerd: de vrijheid. Het ontwerp sloeg goed aan. Al in 1947 waren er 100 gebouwd. Ook voor het buitenland werden er schepen gebouwd, met name ook in Indonesië. Ook kwam er een vergrote vrijheid op de markt (jachtwerf A. de Jong te Joure en jachtwerf Moedt te Sneek)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 15
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 74
- J.K. Kuipers 'De vrijheidsklasse' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 67-72.
BeschrijvingScheepsmodel van een Zuidlaardermeerjol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker. De mast wordt gehouden door metalen stagen: één voorstag en twee zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een ring in d voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan de mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek een giekring met een stang naar achteren. Aan de giekring een tweeschijfs blok. De grootschoot loopt door dit blok en door een blok op de kuipvloer. De zwaardval van het midzwaard loopt via twee ringen in de voorwand van de kuip naar achteren en is belegd op een nagel in de kuipvloer (aan bakboordzijde naast de achterkant van de zwaardkast). In het grootzeil de klasse-aanduiding (letters ZM) en het zeilnummer 11. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Over het voordek loopt een V-vormige waterlijst die bij de kuip overgaat in opstaande kuipranden. De mastkoker staat in een uitsparing van het voordek. In de voorwand van de kuip drie ringen waar zeil- en zwaardvallen op belegd zijn. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en is scharnierend opgehangen aan het bovenste deel van het roer. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, gangboorden en de wanden van de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. De kuipvloer is grijs. Het bovenste deel van het roer is bruin. De metalen delen (giekring, midzwaard, roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe Zuidlaardermeerjol met zeilnummer 11 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1959: het was de BelAir van P.J. Kielman uit Westerbroek. Westrijden voor de Zuidlaardermeerjol zijn alleen bij de Sneekweek van 1959 gehouden. Er waren toen 19 deelnemers, waarvan de meeste kwamen uit Hogezand, Sappemeer, Martenshoek, Foxhol. Er waren echter ook Friese deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 56-57
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 74-75
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijbuiter-klasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordenvrijbuiters
Objectnummer1984-264
Periode van1984
Periode tot1984
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijbuiter-klasse. Op spanten gebouwd. De spanten van eikenhout en de huis van redwood. Schaal 1:7½. Tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een zijstag. De voorstag is met een harpsluiting bevestigd op een T-ijzer op het voordek. De zijstagen zijn met antspanners vastgezet op de gangboorden. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De fok is breed en loopt door tot achter de mast: een staartfok of botterfok. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een harpsluiting vastgezet aan een T-ijzer op het voordek. De fokkeval loopt door een houten blok aan de top van de mast en is belegd op de nagelbank aan de mastkoker. De fokkeschoten lopen doorschootogen op de gangboorden en zijn belegd op houten klampen aan de binnenkant van den kuipranden. De fokkeschoot aan stuurboord is strak getrokken. Die aan bakboord loopt voor de mast langs en ligt los in de kuip. Het grootzeil is voorzien van een S-vormige gaffel, die boven de mast uitsteekt. De gaffel heeft een houten klauw. De gaffel wordt gehesen door een klauwval en een nokkeval, die zijn belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. In het achterlijk van het grootzeil zijn vijf zeillatten gestoken, die doorlopen tot het voorlijk (vleermuiszeil). Aan beide kanten van het zeil is het zeilnummer Z-30 aangebracht. De onderkant van het zeil is bevestigd in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek rust aan de voorkant met een metalen klauw tegen de mast. De giek wordt naar beneden gehouden door de halstalie die is belegd op een metalen kikker op de nagelbank. De grootschoot loopt door twee enkeschijfs blokken aan de giek en door een enkelschijfsblok op een metalen overloop op het achterdek. Het vaste einde van de grootschoot is vastgemaakt aan een scharnierende metaalstrip aan het achtereind van de giek. Van daar loopt de schoot door het blok op de overloop, terug omhoog, door de blokken aan de giek en is belegd op een houten klamp aan de achterkant van de zwaardkast. De blokken aan de giek hangen aan giekringen met houten rollers. Deze zijn onderling verbonden met een touw, dat doorloopt naar de voor- en achtereinden van de giek. Op de top van de mast een wit-rood-witte windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven is steil en overhangend. Het achterschip is lang en overhangend. De achtersteven is plat en heeft een schuine spiegel. De bodem is rond en voorzien van een midzwaard. De dwarsdoorsnede is U-vormig. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. De dekken en gangboorden steken buiten de boorden en vormen zo een stootrand. Op het voordek een houten klamp en daarachter een T-ijzer waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd. Voor de mast een V-vormige waterlijst die loopt van boord tot boord. Het dek loopt onder de lijst door. Achter de mast begint de kuip. Deze is voorzien van een lage kuiprand. Onder de gangboorden zijn geen kastjes gemaakt. De ruimten onder voor- en achterdek zijn open (niet afgesloten door luiken). In het midden van de kuip de zwaardkast. Daarin scharniert het metalen midzwaard. Het is in hoogte vestelbaard. De zwaardloper loopt van de bovenpunt van het midzwaard naar voren, door een blok aan de mastvoet, terug naar voren en is belegd op een nagel dwars door de bovenkant van het midzwaard. Net voor de achterwand van de kuip is een losse dwarsbank gemaakt. Ter hoogte van de achterkant van de kuip is op beide boorden de naam van het jacht geschilderd: 'THEDO'. Het roer hang onder het achterschip. De roeras steekt door het achterdek naar boven. Het roer heeft een dubbel helmhout (gebogen V-vormig). Achter het helmhout de metalen overloop voor de grootschoot en daarachter een houten klamp. Kleuren: De romp is gelakt met een zwart-gouden bies net onder de stootrand. Het onderwaterschip is wit. De dekken en gangboorden zijn wit. Ze zijn overtrokken met zeildoek dat in Lood-wit is gedrenkt. De kuip, de mast en de rondhouten zijn gelakt. De stander is oranje (menie?). Accessoires: stander en roeipeddel.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de Vrijbuiter is gemaakt naar foto's van het jacht met zeilnummer 30, de Thedo, die in de jaren 1935-1936 gold als de snelste vrijbuiter in Nederland. Het schip is in 1934 voor A. Carpentier uit Rotterdam gebouwd door Jan Kuipers te Sneek, die ook bij de bouw van het model heeft geadviseerd. Tekeningen van het jacht waren er niet. De gebruikte materialen zijn de originele: redwood en eikenhout. Carpentier ontwierp het zeil. De vorm van de gaffel was opvallend.
De Thedo was deelnemer aan de Sneekweek in 1934 (A. Carpentier te Rotterdam) en in 1937 en 1938 (J.R. van der Berg te Weesp). Na 1939 vormden de vrijbuiters niet meer een aparte klasse in de Sneekweek. In 1942 werd de Thedo door J.C. Smalt uit Wassenaar verkocht aan B.H. van Erk uit Huizen. De naam veranderde toen in 'Captain Kidd'.
In 1918 besloot de K.N.W.V. een commissie te benoemen die studie moest maken van nieuw te vormen klassen. De commissie besloot dat er naast eenheidsklassen ook een vrije klasse met slechts enkele beperkingen (beperkte klasse) moest komen, om experimenteren te bevorderen. Bij de vrijbuiterklasse zijn de beperkingen niet talrijk: grootzeil met fok mogen niet grote zijn dat 15 vierkante meter, de huid- en dekdikte mag niet kleiner zijn dan 12 mm., de oppervlakte van de kuip mag maximaal 2 vierkante meter zijn, het mag geen catamaran zijn en trapeze is niet toegestaan. De klasse kende slechts een geringe bloei, met name rond de 30er jaren. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er geen vrijbuiters meer gebouwd., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De vrijbuiter' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 49-54.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 30.
TitelScheepsmodel van het centerboardjacht Wilhelmina.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordencenterboards
Objectnummer1985-393
Periode van1985
Periode tot1985
BeschrijvingScheepsmodel van het centerboardjacht Wilhelmina. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½. Tuigage: Het jacht heeft één mast en een boegspriet. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door twee voorstagen op de boegspriet en aan weerszijden door twee zijstagen. De voorste voorstag loopt daar twee dubbelschijfs blokken op de voorpunt van de boegspriet en is belegd op een bolder op het voorschip. De tweede voorstag is vastgezet op een glijleuver op de rail op de boegspriet. Deze glijleuver kan naar believen naar voren of naar achteren geschoven worden met behulp van twee lijnen. De ene lijn loopt naar voren, door een blok op de punt van de boegspriet en is belegd op een bolder op het voorschip. De andere lijn loopt rechtstreeks naar achter en is op dezelfde bolder belegd. De voorste zijstagen van de mast zijn met wantspanners vastgezet. De achterste zijstagen van de mast zijn met een harpsluiting vastgezet op een langsscheepse metaaldraad op de gangboorden. Daardoor kunnen deze stagen naar believen naar voren en naar achteren getrokken worden. De stagen zijn vastgezet met een touw dat op het achterschip is belegd op een koperen kikker. De boegspriet aan de voorkant wordt gehouden door een waterstag (met wantspanner) en door een boegwant van aan weerszijden één hoofdtouw (eveneens vastgezet met wantspanners). Aan de achterkant rust de boegspriet in een stoel op het voordek. Deze stoel is voorzien van twee bolders waaraan de stagen en leuverlijnen zijn vastgemaakt. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers vastgezet aan de twee voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgemaakt aan de glijleuver op de boegspriet. De fokkeval loopt door twee enkelschijfs blokken aan de top van de fok en aan de mast. De fokkeval is belegd op een houten klamp aan de mastkoker. Aan de schoothoek van de fok is een vast, dubbelschijfs zusterblok (tweemaal twee schijven) bevestigd. Daardoor lopen de fokkeschoten. Deze zijn getakeld door enkelschijfs blokken op het dek (aan weerszijden van de mast) en lopen door metalen schootogen naar achteren, waar ze in de kuip zijn belegd op koperen kikkers aan de binnenkant van de stuurkuip. Het grootzeil is voorzien van een lange rechte gaffel. De gaffel heeft een houten klauw. Deze klauw wordt gehesen met een dubbel getakelde klauwval (twee dubbelschijfs blokken) en een enkel getakelde nokkeval (twee blokken aan de mast en één aan de gaffel). Beide vallen zijn belegd op houten klampen aan de mastkoker. De bovenkant van het grootzeil is met touwlussen vastgenaaid aan de gaffel. Van de top van de gaffel lopen aan beide kanten van het zeil geitouwen naar beneden, via een lus aan een masthoepel en zijn belegd aan de voet van de mast. Het voorlijk van het grootzeil is met zeven houten masthoepesl aan de mast bevestigd. De onderkant van het grootzeil is met touwlussen vastgemaakt aan de giek. De voorkant van de giek hangt met een scharnierende lummel in een gat in een klos aan de achterkant van de mastkoker. De lummel is voorzien van een patentrif met hendel: het zeil kant gereefd worden door het rond de giek te draaien. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek, door een dubbelschijfs blok op de metalen overloop op het achterdek en door een enkelschijfs blok op de bovenkant van de roeras. Het vaste eind van de grootschoot is vastgezet op het giekblok. De schoot is vervolgens dubbel getakeld op de beide dubbelschijfs blokken, loopt naar beneden naar het blok op de roeras en is belegd op een metalen klamp op het helmhout. Op de top van de mast een blauwe vleugel. De blokken zijn van hout en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven is scherp en steil (verticaal). Het achterschip is overhangend en voorzien van een schuine, bolle spiegel. De bodem heeft een vaste kiel met een midzwaard. Het grootspant heeft een U-vorm. Naar voren toe wordt het schip scherp en naar achter toe overhangend. Het model van voor naar achter: De boegspriet Is aan de voorkant voorzien van twee ronde beugels. Op de bovenkant van de boegsprietl een glijrail, met daarin de gelijleuver, waaraan de middelste voorstage en de fokkehals zijn vastgezet. De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Op het voordek een metaalplaat over de boegspriet en daarachter de stoel met bolders waarin de boegspriet rust. Van de voorsteven naar de spiegel loopt langs de bovenkanten van de boorden een stootrand. Voor de mast is in het dek een luik met bolle wangen gemaakt. Dat luik (uitwip) wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Aan weerszijden van dit luik zijn op het voordek koperen kikkers gemaakt en koperen geleiders voor de landvasten. Aan stuurboord is een landvast aan de kikker vastgemaakt en in een spiraalvorm opgeschoten. Achter de mast loopt het voordek door. De kuip is ovaal van vorm en is voorzien van een hoge kuiprand. De voorkant van de kuip is overdekt met een afneembare houten kajuit. De wanden van deze kajuit zijn uitgevoerd in twee soorten (kleuren) hout en zijn voorzien van twee ronde en zes lancentvormige lichtenranden met ramen. Het dak van de kajuit loopt in een holle lijn naar achteren hoog op. In het midden van het dak een lichtkap met tralies. Langs de randen van het kajuitdak zijn koperen handrelingen gamakt. Aan stuurboord zijn aan de handreling twee kurkzakken (stootwillen) vastgeknoopt. Aan de achterrand van het dak is een koperen naamplaat bevestigd met daarop 'WILHELMINA'. De binnenwand van de kuip is dicht en voorzien van luiken: in de zijwanden aan weerszijden drie luiken (van de kasten onder de gangboorden) en in de voorwand twee luiken (toegang toe het vooronder). De vloer van de kuip is belegd met geschilderde vloerdelen. In het midden een tafel en langs de wanden zijbanken. Het achterste deel van de kuip is open. De vloer en de banken zijn er hoger. In de gangboorden aan weerszijden van de kuip zijn metalen scepters gemaakt waarin twee vaarbomen (aan weerszijden één) rusten. Het roer hang aan het achterste deel van de kiel. De as van het roer steekt door het achterdek naar boven. Het is voorzien van een metalen helmhout met twee hoeken. Op het helmhout is de grootschoot belegd. Aan weerszijden van het helmhout zijn op het achterdek twee koperen kikkers gemaakt. Op de kikker aan stuurboord is een landvast bevestigd, die in spiraalvorm is opgeschoten. Achter het helmhout ligt op het achterdek een witte reddinggordel met daarop 'WILHELMINA / SNEEK'. Daarachter de metalen overloop voor de grootschoot. Op de achterkant van het achterdek zijn twee koperen landvastgeleiders gemonteerd. Kleuren: De romp is gelakt met witte biezen net onder de stootrand en op de waterlijn. Het onderwaterschip is lichtgoren. Het metaalgeslag op de boegspriet en de voorsteven is zilverkleurig. De dekken, gangboorden, mast en rondhouten zijn gelakt. De kajuitwanden zijn gelakt. Het dak van de kajuit is lichtbruin. De wanden van de kuip zijn gelakt, evenals de tafel en de banken. De vloer van de kajuit is grijs geschilderd. Accessoires: stander, twee vaarbomen, reddinggordel en twee kurkzakken.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de Wilhelmina is gebouwd naar de opmetingstekeningen die J.K. Kuipers maakte van het originele schip, dat behoort tot de verzameling van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen.
Van de 17de tot de 19de eeuw heeft de scheepsbouw zich geleidelijk ontwikkeld van ronde naar scherpe schepen. In de Verenigde Staten begon men onstreeks 1840 dergelijke schepen te bouwen, die door hun geringe weerstand meer over het water glijden dan dat zijn water verplaatsen. Ze waren voorzien van een ophaalbare kiel, waardoor afdrijven onder onvloed van de werking van de wind voorkomen werd. Zwaarden werden daardoo overbodig. Al voor het midden van de 19de eeuw werd zo'n Amerikaans jacht in Nederland ingevoerd. Een dergelijk schip won in 1856 op het IJ te Amsterdam een wedstrijd van de Koninklijke Jachthaven. De Wilhelmina is in 1890 te Amsterdam gebouwd. Het schip is bijna 9 meter lang en ruim 3 meter breed. Aan de voorzijde heeft het schip de vorm van een sloep, aan de achterzijde is het voorzien van een spiegel. Het kan op de kluiverboom diverse zeilen voeren. In totaal kan het schip maximaal 100 m² zeil voeren. Ooit werd het schip voorzien van een kajuit. Deze is later verwijderd en wordt in depot (Zuiderzeemuseum) bewaard., literatuur:
- Veelzijdig Verzameld (Zwolle, 1994), pp. 28-29
TitelScheepsmodel van het stoomschip Sneek, bijgenaamd 'De Groate Suup'.
VervaardigerZee, A. van der
Trefwoordenstoomschepen, beurtschepen
ObjectnummerK-021
Periode van1900
Periode tot1925
BeschrijvingScheepsmodel van het stoombeurtschip SNEEK. Op spanten gebouwd. Schaal 1:25. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een liermast) De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een koperen versiering (gelijkend op de hoorn des overvloeds op de stevens van klippers), een metalen naambord 'SNEEK' en geschilderd 'KAPT. S. SIJBRANDIJ / 77 ton'. Onder het berghout zijn een aantal patrijspoorten gemaakt: aan weerszijden zeven patrijspoorten voor de voorsalon en één voor de machinekamer. In de wand van de achtersalon zijn boven het berghout aan weerszijden vijf patrijspoorten gemaakt. Op de voorsteven een rode wimpel. Daarachter een houder met scheepsbel. Op het voorboeisel is aan bakboord een davit gemaakt waarin een stokanker hangt. Aan bakboord hangt een ander anker over het boeisel. De ankerkettingen gaan via de kluisgaten naar de ankerlier op het voordek. De ankerlier is werkend gemaakt. Achter de ankerlier een metalen opbouw met schuifluik en een deur, die toegang biedt naar het vooronder. Verder op het voordek een dubbele bank, een loopplank, een kist en een houten opbouw met schuifluik en een paneeldeur, die de toegang is tot de voorsalon. De liermast bestaat uit twee delen: een mast met daarop een steng. Ze worden gehouden door twee voorstagen (één voor de mast en één voor de steng) en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen (de middelste loopt via een zaling naar de top van de steng en de buitenste zijn bevestigd aan de top van de mast). Aan de voorkant van de mast hangt een toplicht. In de top van de steng een rode wimpel met daarop in witte letters 'SNEEK'. De mast heeft een liergiek, die aan het einde is voorzien van een groot takelwiel. Vlak achter de mast de lier. Midscheeps is het ruim, dat wordt afgedekt door vijf metalen luiken. Achter het ruim de opbouw van de stoommachine. Daarop de door drie tuidraden gehouden schoorsteen, een koperen pijp (veiligheid bij overdruk) en een stoomfluit. Achter de machinekamer het luik van de kolenbunker, dat wordt omgeven door een hekwerk. Aan weerszijden van de stoommachine zijn ronde koperen luiken in het dek gemaakt. Op het dek achter de machinekamer een watervat, een trap naar het verhoogde achterdek (stuurboord) en een dubbele paneeldeur (toegang tot de achtersalon onder het achterdek). Het achterdek wordt omgeven door een reling, waartegen banken zijn gebouwd. Aan de reling hangen aan de voorkant twee witte reddinggordels met daarop in gouden letters 'SNEEK 1878'. In het midden van het achterdek staat een dubbel bank, een koperen kompas en een verticaal stuurwiel achter een soort verschansing van textiel. Achter het stuurwiel is een statie (opgeboeid verblijf). Dit verblijf is toegankelijk via een deur met schuifkap aan stuurboord. Op het dak van deze statie een lichtkap en de overdekking van het stuurhuis. Tegen de reling van het achterdek zijn de boordlichten (rood en groen) geplaatst en op de stuurkast het achterlicht. Op het achterschip staat een rood-wit-blauwe vlag. Kleuren: De romp is zwart, het onderwaterschip is rood. Midscheeps en vlak onder het boeisel een witte bies. De binnenkant van het boeisel is geel. De houtendekken, schuifkappen, rondhouten en banken zijn gelakt. De luiken van het ruim zijn zwart, evenals de opbouw van de stoommachine. Het opboeisel van de statie is grijs. Accessoires: een stander met koperen dwarsstangen, een loopplank, een vaarboom, een pikhaak en een peilstok met verschillende kleuren.
AchtergrondinformatieHet stoomschip had de bijnaam Groate Suup, naar het geluid dat de stoomfluit maakte: 'Suup'. Een kleinere stoomboot is Sneek werd 'De Kleine Suup' genoemd. De bouwer heeft het stoomschip Sneek 18 jaar als machinist bevaren. Tussen 1878 en 1912 was A. van der Zee machinist. Later was Van der Zee chef technische dienst van Verschure & Co. Algemene Binnelandse stoomvaart Maatschappij. Het beurtschip, waarnaar Van der Zee het model bouwde, onderhield een geregelde dienst tussen Sneek en Amsterdam via Stavoren. De 'Sneek' lag afgemeerd in de Geeuw, voor het kantoor van Schenkius.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 31 december 1946, 4 maart 1949.
- Friesch Dagblad 30 dec. 1946
- F. Boschma 'Pakhuis Stad IJlst' in: It Drylster Kypmantsje okt. en nov. 1991.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1967-1968, pp. 57-59
BeschrijvingScheepsmodel van een schokker. Op spanten gebouwd. Eikenhout. Schaal 1:20. Tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is uitgezet door een metalen ring aan bakboordkant van de voorsteven. Aan de achterkant is de kluiverboom vastgezet in een metalen ring op een klos op het voordek. De mast wordt gehouden door een voorstag (koperdraad) die is vastgezet op de voorsteven. De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee dubbelschijfs blokken en die is vastgeknoopt op de haak onder het onderste blok. Aan de mast worden vier zeilen van witte katoen gevoerd: een kluiver, een stagfok een gaffelzeil en een bezaan (of aap). De hals van de kluiver wordt uitgezet met een traveller. Deze wordt naar voren getrokken door een gat in de top van de boegspriet. De schoot van de kluiver is zonder takeling belegd op een klamp aan het boeisel van het voorschip. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers vastgezet aan de voorstag. De hals van de fok is vastgehaakt aan een oog op de voorsteven. De fokkeschoot loopt door een enkelschijfs blok aan de schoothoek van de fok. Het vaste einde van de fokkeschoot is (aan bakboord) met een lus gehaakt achter een klamp in het middenschip en het halende eind van de fokkeschoot is belegd op een klamp in het achterschip (eveneens aan bakboord). In de top van de stagfok houten fokkegaffel met metalen haken. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgemaakt aan de mast. De hals van het grootzeil wordt naar beneden gehouden door een halstalie, die is vastgezet aan een klamp aan de voet van de mast. In het achterlijk van het grootzeil is een oog gemaakt met daaraan de smeerreep die aan de giek is bevestigd. De onderkant van het achterlijk van het grootzeil is vastgehaakt aan het achtereinde van de giek. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. Deze is met een enekschijfs blok getakel en vastgezet op de nagelbank aan de mastkoker. De grootschoot loopt door twee dubbelschijfs blokken. Het bovenste blok hangt aan een koperen ring aan de giek en het onderste blok is een hakkeblok, dat is vastgemaakt op een houten overloop in de achterbank. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. De bezaan (ook wel aap genoemd) heeft de vorm van een driehoek. De top van de bezaan is aan bakboord gehesen. De hals van de bezaan is met een enkele lijn vastgezet op een klamp in het achterschip. De schoothoek van de bezaan wordt naar buiten gezet door een boom die is gehaak achter een van de spanten in het achterschip. De schoot van de bezaan loopt van de buitenkant van de boom naar een korvijnagel in het achterschip (aan stuurboord). De vallen van de zeilen lopen door enkelschijfs blokken aan de top van de mast en door enkelschijfsblokken aan de gaffel (c.q. zeiltoppen), met uitzondering van de bezaan (de bezaansval is rechtstreeks aan het zeil vastgemaakt). De vallen zijn belegd op houten klampen aan de voet van de mast en op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het model heeft een schuinvallende stevenbalk die geheel recht is. Ook de achtersteven is schuinvallend en recht. Het schip heeft een plat valk en ronde gangen, die ook in het voor- en achterschip rond vallen. Boven het berghout vallen de boeisels naar binnen. De bodem is voorzien van metalen bunplaten. Het model van voor naar achter. De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Daarop zijn de voorstag en de fokkehals vastgezet. Aan bakboordzijde is aan de voorsteven een ring gemaakt waardoor de boegspriet wordt uitgezet. Aan bakboordzijde een plaat waarachter de snoes hoort: de ring waarover het ankertouw loopt. Een vierarmig dreganker hangt over het voorboeisel. Het ankertouw loopt over de braadspil op het voordek door een luik in het vooronder naar binnen. De braadspil is geklemd tussen twee klossen aan de binnenkant van het voorboeisel. Achter de boegspriet is in het voordek een tweede luik gemaakt en een lichtkap met tralies. Twee de binennkant van het boeisel van het voorschip zijn aan weerszijden een houten klamp en een bolder gemaakt. Achter de mast loopt de waterlijst van boord tot boord. Achter de waterlijst zijn klossen tegen de boeisels gemaakt. Daaran hangen de zwaarden met bouten en moeren (geen gehaakt ophanging die zeewaardig is). De zwaarden zijn smal van vorm. Ze zijn voorzien van een verdikte kop. De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met metalen stervormen De zwaardlopers lopen door een gat in het boeisel naar binnen en lopen daar naar voren. De zwaardlopers zijn getakels met zwaardtalies die lopen door twee blokken (een enkelschijfs blok achter en een vioolblok voor) en die zijn belegd op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. Onder de waterlijst is de achterwand van het verblijf onder het voordek. Aan bakboord is tegen deze wand een klos gemaakt die de opstap is naar het voordek. Aan stuurboord is in de wand een scharnierende deur gemaakt die is voorzien van sierbeslag. Net voor de wand van het verblijf ontbreekt de buikdenning van het achterschip. Deze laagte vergemakkelijkt de toegang tot het verblijf. Het achterschip is open en de bodem ervan is voorzien van buikdenningen. In het voorste deel van het achterschip staat de trog: het hoge gedeelte van de bun. Tegen de achterwand van het achterschip is een houten bank gemaakt waarvan de voorkant dient als overloop voor de grootschoot. In de achterwand van deze bank is een deurtje gemaakt. Daarboven de stuurboog: een balk met gaten waarin door middel van korvijnagels het helmhout kon worden vastgezet. Deze gaten zijn verstevigd met metaalplaat. Aan weerszijden van de stuurboog zijn kniestukken gemaakt met daarin bolders. Het roer hangt met drie roerhaken aan de schuine achtersteven. Het roer heeft een hoge kop. Over de kop valt het rechte helmhout. Onder het helmhout een verdikking. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. De dekken, buikedenningen, zwaarden en rondhouten zijn gelakt. Het metaal beslag is soms ongeverfd en soms zwart. Op een drietal plaatsen is prinswerk gemaakt (sierschilderwerk in de vorm van rode, witte en blauwe driehoeken): de balk boven de deur naar het vooronder, de voorkant van de stuurbalk en de klos op het roer onder het helmhout. Accessoires: een bezem, een stokdweil, een pikhaak en een vaarboom. Een stander ontbreekt.
AchtergrondinformatieDe schokker is een platboomd vissersvaartuig, dat werd gebruikt op de Zuiderzee (tussen Enkhuizen, Lemmer, Vollenhove en Schokland). Opvallend is de zware (gedubbelde), rechte voorsteven, die onder een hoek van ongeveer 45° is geplaatst. Dit wijst op een Saksische oorsprong van het type (vergelijkbaar met punters en bokken). Het vlak is in de lengterichting licht gebogen en vallend. het vlak is lancetvormig en vrij smal. De boord zijn glad. Ze staan schuin op het vlak, vallen breed open tot aan het berghout en staan bol. Boven het berghout vallen de boeisels sterk naar binnen. Tot circa 1875 waren schokkers met twee masten getuigd: de grote mast met een sprietzeil, een stagfok en een kluiver en de bezaansmast met een bezaan. In het midden van de 19de eeuw voeren al schokkers zonder bezaanmast en werd het sprietzeil vervangen door een bezaanzeil. De zwaarden zijn lang en smal. De lengte varieert van 11 tot 15 meter. De schokkers van de oostwal zijn kleiner dan die van de westwal. Een klein schokkertype is de bons. Een groot type is de Noordzeeschokker, die niet alleen voor de visserij werd gebruikt maar ook door het loods- en reddingwezen. Veel schokkers zijn te Kuinre en Blokzijl gebouwd. Vollenhoeve bezat de grootste vloot van kleine schokkers. Met grote schokkers werd gevist vanuit Urk en Enkhuizen., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 16
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de centaurklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordencentaurklasse
Objectnummer1998-325
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de centaurklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag, vier zijstagen (twee aan elke kant, waarvan de langste door een zaling wordt geleid) en een achterstag. De achterstag eindigt aan de onderkant in een A-vormige draad die is bevestigd aan de punten van de spiegel. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en zijn belegd op korvijnagels die vlak achter de schootogen in de gangboorden zijn gestoken. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een twee houten blokken (één aan de giek en één op de bodem van de kuip) en ligt opgschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter C) en het zeilnummer 58. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven (lepelboeg). Gebogen spiegel (van boven gezien), die schuin naar achter op het water staat. De boot is uitgerust met een vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd en daar achter een bolder. De kuip is aan de voorkant rond van vorm. In de kuip twee dwarsbanken. De roerspil steekt door het achterdek. De helmstok van het roer is van hout. Achter de helmstok is op het achterdek nog een bolder geplaatst. Kleuren: De romp is groen. De kiel en het roerblad zijn zwart. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn wit. De twee banken, de helmstok en de houten blokken zijn gelakt. De metalen rondhouten zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Centaur: lengte 6.20 m., breedte 2.00 m., diepgang 0.85 m, oppdervlakte grootzeil 11 m², oppervlakte genuafok 7.60 m² en oppervlakte stagfok 6 m². De centaur kan uitgevoerd worden met een vaste kiel of met een midzwaard. De centaur is een Nederlands ontwerp en wordt geleverd door jachtwerf Zaadnoordijk te Uitgeest. De Centaur met zeilnummer 58 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. De klasse leverde deelnemers aan de Sneekweken van 1975-1989 (in de jaren 1986 en 1988 geen deelnemers). Veel waren het er niet: het begon met 17 in 1975 en het eindigde met 8 in 1989. Gerrut Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van de PW-2, patrouilleschip van Provinciale Waterstaat Friesland.
VervaardigerTienstra, Boele
Trefwoordenpatrouilleboten, waterstaat, Friesland
Objectnummer1996-001
Periode van1984
Periode tot1984
BeschrijvingScheepsmodel van de PW-2, patrouilleschip van Provinciale Waterstaat Friesland. Op spanten gebouwd. Schaal 1:20. Tuigage: geen
De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip loopt in een ronde lijn uit op een stompe punt. De bodem is niet vlak maar loopt rond. Midscheeps is de romp voorzien van stabilisatoren.
Het model van voor naar achter: In de voorsteven zijn twee kluisgaten gemaakt. Uit het kluisgat aan stuurboord hangt een anker. Het hangt aan een ketting dat is vastgezet op de ankerlier op het voordek. Het voordek is een bakdek: het is bijna even hoog als de bovenkant van het voorboeisel. Op het voordek is voor de ankerlier een kleine vlaggenstok geplaatst, waarin een Friese wimpel als prins wordt gevoerd. Achter de ankerlier een metalen luik met lichtrand en een strijkbare mast, die wordt gehouden door twee schuin naar voren staande tuidraden. Boven de zaling van deze mast een bord met daarop een wit boordlicht (toplicht). Daarboven een dwarsstang met twee antennes en een naar achter wijzende houder met een derde antenne. Aan stuurboord is van de antenne naar beneden een vlaggelijn gemaakt waaraan een gele wimpel met opschrift is geknoopt: 'BOOT VAN HET JAAR - 1984 -'. Op de top van de mast een rode knop. Onder het voordek bevindt zich een verblijf. In de wand van het schip zijn aan weerszijden drie lichtranden gemaakt (tussen berghout en boeiselrand). Achter het voordek de kajuit: een houten opbouw met rondom ramen; voor twee, aan de beide zijden drie ramen en een schuifdeur en achter een raam en een scharnierende deur. Het dak van de kajuit steekt over de wanden heen. Op de voorkant van het dak een houder met een sirene, een luidspreker, een rood zwaailicht, een blauw zwaailicht en een schijnwerper. Aan de zijkanten van het dak de boordlichten (rood en groen) en aan weerszijden handrelingen. Voorts zijn in het dak twee ventilatie-pijpen gemaakt. Op twee houders op het dak liggen de hulpmiddelen: een zwart-witte slaggaard (pijlstok met verdikking), een vouwbare ladder, een peilstok, een vaarboom en een bezem. Deze hulpmiddelen zijn met touwen vastgesjord. De kajuit is volledig ingericht. Aan bakboord een dashboard met vijf wijzers, een knoppenbord, een marifoon, een gashendel en een stuurrad. Achter het stuurrad een draaikruk met rugleuning. Eenzelfde kruk staat aan stuurboord. Achter de beide schuifdeuren in de zijwanden een trap. Het achterste deel van de kajuit is ingericht met een tafel, met kunstleer beklede banken (aan bakboord en tegen de achterwand) en twee losse stoelen. Achter de kajuit de houten kap van de motor. Daarop zijn rugleuningen gemaakt. Achter deze kap (bank) een metalen luik met lichtrand. De reling op het boeisel begint ter hoogte van de zijdeuren van de kajuit en loopt door tot het achterschip. Daar hangen aan de reling twee oranje reddinggordels en vier blauwe stootwillen. Op het achterschip is in een houder op de reling een vlaggemast geplaatst waaraan de Nederlandse vlag hangt. Eronder een boordlicht. Tussen het berghout en de boeiselrand zijn een aantal opschriften gemaakt. Op de voorsteven aan weerszijden: 'PW 2'. Aan de zijden aan weerszijden: 'PROVINCIALE WATERSTAAT'. Op het achterschip: 'FRIESLAND'. Het schip is voorzien van een schroef en twee roerbladen. Het model is geplaatst op twee houder dragers die zijn gemonteerd op een gelakte plank. Daarop is een metalen plaatje met opschrift bevestigd: 'Inspectievaartuig P.W.-2 / Eig. Provincie Friesland / Bouwjaar 1936 / lengte o.a. 13.25 m. / breedte o.a. 3.25 / diepgang 0.90 m. / vermogen 86 pk / modelbouwer B. Tienstra'.
Kleuren: De romp van het schip is donkerblauw. Het onderwaterschip is bronskleurig met een helrode bies op de waterlijn. De randen van de kluisgaten zijn rood, die van de lichtranden zijn wit. De boeiselrand is rood. De reling is wit. De dekken zijn lichtgrijs. De luiken in het dek zijn donkergrijs. De wanden van de kajuit zijn gelakt en het dak is wit. De ankerlier is bruin en de kap van de machinekamer is gelakt.
Accessoires: vaste stander, slaggaard, vouwbare trap, peilstok, vaarboom, bezem, twee reddinggordels, vier stootwillen.
AchtergrondinformatieHet schip is in 1936 gebouwd op de werf Dolman te Muiden. In de jaren 1960 is het verbouwd op de werf Schilkampen te Leeuwarden.
De modelbouwer Boele Tienstra is geboren 30 sep. 1936. Werkzaam op de administratie van de afdeling scheepsvaartinspectie van Provinciale Waterstaat. Hij bouwde in totaal 23 modellen (skûtsjes, een botter, een betonningsvaartuig, een vrachtschip, etc.), waarvan er drie behoren tot de collectie van het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam. Het model werd in 1984 gebouwd. In dat jaar werd de PW 2 door de Stichting Sneek Promotion aangewezen als Boot van het Jaar. De wimpel is op het model te zien.
De bruikleengever R. de Boer werkte van 1969-1995 bij Provinciale Waterstaat. In 1979 volgde hij W. Otter op als Inspecteur Scheepvaart. Bij zijn afscheid in 1995 werd het model hem aangeboden., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1996, p. 20-21
BeschrijvingSpeelscheepje van het type Grutte Holle. Op spanten gebouwd.
Tuigage: Het speelscheepje heeft één mast, die is voorzien van een zaling. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en aan weerszijden door twee zijstagen, waarvan er één via de zaling is geleid. De zijstagen zijn met wantspanners vastgezet op de boorden van het schip. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok een een grootzeil. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers aan de voorstag vastgezet. De hals van de fok is met een haak bevestigd op de voorsteven. De fokkeschoot is met een metalen ring vastgezet op de overloop op het voordek. Het grootzeil heeft de vorm van een bermudazeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. Het voorlijk dat boven de zaling uitkomt is verstevigd (het kan niet bevestigd worden aan de mast). De hals van het grootzeil is met een ring vastgezet op een oog aan de mast, waarin ook de giek hangt. In het achterlijk van het zeil zeil drie balijnen ingenaaid. Aan de onderkant is het grootzeil met lussen vastgezet op een giek. Deze hangt met een oog aan de mast. De grootschoot loopt van het achtereind van de giek, via een ring op een overloop op het achterdek, terug omhoog naar een blok aan de achterste giekring, langs de giek naar een blok aan de voorste giekring en dan naar beneden waar de schoot is belegd op een houten klamp. De giekringen zijn onderling met elkaar verbonden door een metalen stang. Ook kunnen de giekringen met een lijn naar voren en achteren getrokken worden. De vallen van de beide zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: De voorsteven is schero en overhangend. Het achtersteven is eveneens overhangend en voorzien van een vrijwel verticale spiegel. Het schip is opgebouw rond knikspanten. De bodem is voorzien van een grote kiel, die aan de onderkant met metaal is verzwaard.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Het schip is geheel gladdeks. Langs de randen van het dek is over de hele lengte van de romp en langs de spiegel een waterlijst gemaakt. Net voor de mast een boogvormige, metalen overloop voor de fokkeschoot. De mas staat in een mastkoker. Aan de voet van de mast een nagelbank. Achter de mast de kuip die is voorzien van afgeronde hoeken. LAngs de rand van de kuip een hoge kuiprand. In het schip is niet echt een kuip gemaakt: het blijft gladdeks. De kuip wordt alleen gesuggerreerd met schilderwerk. Achterin de kuip een houten klamp voor de grootschoot. Op het achterdek de metalen overloop voor de grootschoot. Op de spiegel is de naam van het speelscheepje geschilderd: 'FAVORIET'.
Kleuren: De romp is geschilderd in een houtnerf-imitatie. Ook zijn er latten en planken gesuggereerd. Het onderwaterschip en de kiel zijn rood. Ook het dek is geschilderd in houtimitatie met de suggestie van latten. De kuiprand is gelakt. Daarbinnen is met schilderwerk diepte gemaakt: mahoniehouten (imitatie) banken en een grijze buikdenning. De rondhouten zijn ongelakt. De stander is gelakt.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is van het type Grutte Holle: het is langer dan 55 cm. (grut) en het is op spanten gebouwd (hol). De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.) pp. 16-17.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 24
TitelMaquette van de scheepswerf waar M. Busstra uit Luinjeberd bokken op bouwde.
VervaardigerBusstra, Marten
Trefwoordenscheepsbouw, Luinjeberd, Busstra, M.
Objectnummer1989-034
Periode van1989
Periode tot1989
BeschrijvingMaquette van de scheepswerf van M. Busstra te Luinjeberd. Werf met sleephelling. Compleet met twee rolbakken en timmermansbok.
AchtergrondinformatieDe werf van Marten Busstra te Luinjeberd was de laatste Friese werf waar bokken werden gebouwd. De werf had een sleephelling die bestond uit een balk van 18 tot 20 meter. Deze liep in het water. Aan de andere zijde was de balk ongeveer een meter hoog, gesteund door schuin geplaatste palen. Op de bovenzijde werden uitgeholde klossen bevestigd. Over de klossen liep de sleep van ca. 13 cm. breed. De sleep bestond uit twee soorten hout: een eiken zool van 4.5 cm. dik en een vuren dekhout. De sleep werd onder de bok geschoven , die recht voor de helling in het water lag. Met een lier werd dan de sleep met de bok op de helling getroken. De bok werd gesteund door rolbakken (mosterdpotten). Alle genoemde attributen zijn aanwezig op de maquette, ook het driezijdig te gebruiken breeuwbankje. Het model van de bok met inv.nr. 1988-087 van dezelfde maker is op dezelfde schaal gebouwd, zodat het op de helling geplaatst kan worden., literatuur:
- M. Busstra, De Scheepsbouwer en hellingbaas in het begin van deze eeuw (De Knipe, 1988) [niet uitgegeven manuscript]
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 17
TitelScheepsmodel van de palingaak De Stad Workum.
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordenpalingaken, palingaken, Jonge, Marchienus de
Objectnummer1978-068
Periode van1978
Periode tot1978
BeschrijvingScheepsmodel van de palingaak De Stad Workum. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een boegspriet. De mast steekt door het voordek. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag die is bevestigd op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande want aan stuurboord is voorzien van weeflijnen (touwladder), dat aan bakboord niet. De staande wanten zijn getakeld met paren jufferblokken (doodskoppen) met drie gaten. De bovenste jufferblokken zijn met touw gestropt en en de onderste met metaalbeslag. Deze onderste jufferblokken zijn bevestigd aan puttingijzers op de boorden. De kluiverboom rust aan de achterkant in de kluiverboomstoel op het voordek. De boom wordt naar voren gesjord met een touw dat loopt over een koperen schijf in de achterkant van de kluiverboom. Het touw dat langs deze schijf loopt is belegd op de kluiverboomstoel. Aan stuurboordzijde rust de kluiverboom in een beugel aan de voorsteven. De kluiverboom wordt niet gestaagd door een waterstag op een boegwant. De punt van de kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de mast. Deze kraanlijn is belegd op een korvijnagel in het staande want aan stuurboord. Langs de onderkant van de kluiverboom een looptouw met knopen (ook wel paard genoemd). De zeilen zijn van witte katoen: een kluiverfok, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiverfok wordt uitgezet met een traveller. Deze wordt naar voren gehaald door een schijf in de top van de kluiverboom. Het touw aan de traveller is belegd op de kluiverboomstoel. Van de traveller loopt een touw via een blok in de mast en is belegd op een korvijnagel in het staande want aan bakboord. Het voorlijk van de kluiverfok is met metalen leuvers aan deze lijn bevestigd. De stuurboord-kluiverschoot is belegd op een bolder op een klamp aan het binnenboeisel van het voorschip. De bakboord-kluiverschoot loopt voor de voorstag langs en licht los op het voordek (aan bakboord). Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers met rakkralen bevestigd aan de voorstag. In de top van de fok een metalen fokkegaffel voor de fokkeval. De hals van de fok is met twee blokken getakeld op de voorsteven en is belegd op een houten klamp aan het voorboeisel. De fokkeschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de schoothoek van de fok en door een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel. De gaffel wordt gehesen met een dubbel getakelde piekeval (twee blokken op de gaffel en twee blokken aan de mast) en een klauwval (een dubbelschijfs blok op de klauw en een dubbelschijfs blok aan de mast). Het voorlijk van het grootzeil is met masthoepels aan de mast bevestigd. De halstalie is met het vaste eind bevestigd aan een blok aan de hals en is getakeld door een enkelschijfs blok op het dek en het blok aan de hals van het zeil. De talie is belegd op de nagelbank. De onderkant van het achterlijk is vastgezet op de achterkant van de giek. De voorkant van de giek hangt met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn, die bij de mast getakeld met een vioolblok en een enkelschijfs blok op het dek en die is belegd op de nagelbank. Van de nok van de gaffel loopt aan beide kanten van het zeil een gijtouw door één van de masthoepels van het grootzeil. Ze zijn belegd op de nagelbank. De grootschoot loopt door een los aan de giek gestropt drieschijfs blok en is belegd op een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgemaakt aan een korte overloop op het achterdek. Het grootzeil is voorzien van twee rijen reeftouwen. Het zeil kon al zeilende gereefd worden. Met de gijtouwen aan de gaffeltop kon het achterlijk neergehaald worden. De onderkant van het achterlijk werd neergehaald door een smeerreep aan de giek. Deze lijn is met het vaste eind vastgezet aan de achterkant van de giek. De smeerreep loopt door de onderste reefring (grommer) in het achterlijk door een schijf op de giek en is langs de giek getakeld door een vioolblok en een enkelschijfs blok en is aan de voorkant van de giek op een houten klamp belegd. De vallen van de kluiverfok, de stagfok en het grootzeil zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en op de nagelbank achter de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met Hollands hoekje. Langs de bovenrand van de vleugel een scheerhout. Op de achterkant van het helmhout staat in een vlaggenstokhouder een gebogen vlaggenstok met rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout en zijn voorzien van metaalbeslag en van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. De bodem is vlak. De bodem is voorzien van bunplaten met gaten. In zijn geheel heeft de romp een kof-achtige vorm. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Opvallend is dat de berentanden aan de onderkanten in een bolle lijn naar de steven lopen. Ook het slemphout boven (in plaats van onder) de kluisborden is niet gewoon. Over het boeisel van het voorschip hangen twee ankers ankers: een stokanker en een éénarmig anker. Het anker aan bakboord is aan de onderkant geborgd met een touw aan de braadspil. Aan de bovenkant van het anker een ankerketting. Dit loopt over het boeisel, door het kluisgat, over de braadspil, over het voordek en door een klapmuts (L-vormige buis) naar binnen. Het éénarmig anker aan stuurboord is aan de bovenkant geborgd aan de beretand en aan de onderkant aan een touw tussen de braadspil en een klos op de buitenkant van het boeisel. Achter de voorsteven steekt een metalen pijp uit het voordek. Het is de schoorsteen van de haard in het vooronder (het verblijf van de bemaaning). Achter de schoorsteen de braadspil met twee handspaken en de kluiverboomstoel. Daarachter een luikhoofd met scharnierend luik en afneembare voorwand. Dit is de toegang tot het vooronder. Erachter is een tweede luikhoofd met een los luik. Dit luik geeft toegang tot het zogenaamde schapehok, een ruim waar tuigage, touwwerk en reserve-onderdelen werden opgeslagen. Net voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Tegen het boeisel van het voorschip zijn twee dubbele bolders gemaakt. Op de buitenkant van de boeisels (onder de bolders) is aan twee kanten het visserijnummer geschilderd 'W.B.17'. Op het voordek liggen een aantal losse onderdelen: een veirarmig dreganker met touw, twee ronde stootwillen en een opgerolde tros (landvast). Naast de mast bevindt zich aan bakboord een lenspomp, met hevelinstallatie. Over de gehele breedte van het schip loopt over het dek achter de mast een brede waterbalk. Op de uiteinden daarvan zijn haken gemaakt. Met langwerpige ogen over het boeisel hangen aan deze haken de zwaarden, zodanig dat ze los van de boorden kunnen bewegen (zeezwaarden). De zwaardkoppen zijn verdikt. Langs de randen van de onderkanten van de zwaarden metaalbeslag. Ook overdwars zijn metalen verstevigingsstrips op de zwaarden aangebracht. De zwaardlopers zijn kettingen. Deze lopen door een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar voren, achter het zwaard langs, en zijn op het voorschip vastgezet in een vioolblok. De zwaardtalie loopt door dit vioolblok en een vast blok aan het binnenboeisel van het voorschip. De zwaardtalie is belegd op een klamp vlak voor het laatstgenoemde blok. Achter de waterlijst een groot luikhoofd met drie luiken. Dit luikhoofd is de bedekking van de trog van de bun. De bun is in compartimenten verdeeld. Achter het grote luikhoofd een tweede luikhoofd met daarop één groot en twee halve luiken. Onder het grote luik is de achterste trog van de bun en onder de kleine luiken de toegang tot het verblijf van de schipper onder het achterdek. Opvallend is dat beide luikhoofden niet in de hartlijn van het schip liggen, maar meer naar stuurboord. Zo bleef aan bakboord meer ruimte over om te werken. Benedendeks zijn de bunnen gebouwd. Over de topplaat van de bun (de deek) kon (gebukt) gelopen worden. Zo was het vooronder bereikbaar vanuit het achteronder (deze gang werd 'Noorwegen' genoemd). Achter het tweede luik de opbouw van het verblijf van de schipper. De opbouw heeft een plat dak met daarop een vloeistofkompas en een scheepstoeter. In de voorwand van de opbouw zijn twee ramen met zonvormige openingen gemaakt en in de zijwanden elk één raam met dezelfde opening. Achter de opbouw de overloop van de grootschoot en een luik op de stuurkuip (bollestal). Op het boeisel aan bakboord een vorkvormige scepter waarin de giek kon rusten. Tegen beide boeisels zijn dubbele bolders gemaakt. Op het dek diverse losse onderdelen: een vaarboom, twee uitzetters (fokkeloeten), twee pikhaken en een lange roeiriem (gebruikt wanneer het schip op stroom gekeerd moest worden). Aan weerszijden van de achtersteven twee naamborden met daarop '1855 STAD' en 'WORKUM'. Het roer hangt met vier roerhaken aan de achtersteven. Om het roer rechtstandig te kunnen hijsen is een grondtalie aan het roer gemaakt: een ketting, die aan bakboord is vastgezet aan de kop van de achtersteven, loopt door een schijf in het roerblad bij de derde roerhaak en is aan stuurboord met twee blokken getakeld en is daar belegd op een klamp op de kop van de achtersteven. Ook tussen de achterkant van het roerblad en het achterscihp bevinden zich aan beide kanten talie's met twee blokken, die door een gat in het achterboeisel naar binnen lopen en daar zijn belegd op klampen tegen het binnenboeisel. Dit zijn de zijtalies, die bij zwaar weer werden gebruikt om het roer tegen de lijzijde van het schip te trekken, zodat het schip met de golven meeloopt. Door het stampen van het schip werd de paling misselijk en nam dan af in gewicht. Dat werd met het wegdraaien van het roer voorkomen. Op het roer een holle roerkop. De wangen van de roerkop zijn met snijwerk versierd: drie tonnetjes in de vorm van een klaver met een gegolfd tongetje. Het helmhout is voorzien van een handgreep met bolvorm. Bij zwaar weer kon het roer niet gehouden worden en was een roertalie nodig. Dit is een touw dat met een lus is vastgezet aan de kop van helmhout en aan bakboord door twee blokken is getakeld en met een lus is vastgezet aan het binnenboeisel aan stuurboord. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. Langs de bovenrand van het boeisel een witte bies. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen zijn groen en het zwaardbeslag is zwart. De koppen van de berentanden, de bolders op de buitenkant van het voorboeisel, de knoppen van de kluiverboomstoel en van de braadspil zijn rood geverfd evenals de ratel op de braadspil. De koppen van de dubbele bolders op de boeisels van het voor- en achterschip zijn wit. De dekken en luiken zijn gelakt. De opbouw is gelakt (dak en wanden) en de versieringen voor de ramen zijn wit. Het helmhout is groen met een rode voor- en achterkant. De roerkop is meerkleurig beschilderd: blauwe ondergrond met gele tong en de tonnetjes rood, wit en blauw. De naamborden op het achterschip zijn ook meerkleurig: blauwe ondergrond, goudkleurige letters, gele boven- en onderrand en rode zijranden. Accessoires: Kruisvormige stander, een stokanker, een éénarmig anker, een vierarmig dreganker, twee stootwillen, een roeiriem, twee pikhaken, twee uitzetters, een vaarboom, een kompas en een scheepstoeter.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Hij kende de aak en heeft die grondig bestudeerd. Jan Zetzema, auteur van het boek over de Friese Palingaken, had bij bezichtiging van het model enkele punten van kritiek: - de bun loopt te ver door naar voren. - de trog van de bun moet doorlopen tot het dek. - op de trog van de bun hoort een dekplaat met gaten. - de pomp was eenvoudiger, met een dwarse handgreep. - de kluiverval moet niet belegd worden op het want maar op de mast. - het paard (knopentouw onder de kluiverboom) liep door een gat in de boeg. - het anker is niet goed opgehangen. - de hut hoort iets naar stuurboord. - het helmhout moet schuiner gesteld worden. De palingaak Stad Workum werd ook wel de klaveraak genoemd, vanwege de klavervorm op de roerkop. De aak werd in 1855 in Workum gebouwd. Het schip voer voor het kantoor Workum van palinghandelaar en burgemeester Rintsje Jans Visser (1827-1881). Zijn bedrijf ging eerst over op de familie Haagsma en later op de familie Lankhorst, die de Stad Workum in 1932 verkocht aan de firma W. en A. Visser te Heeg. In 1936 werd het schip in Londen gesloopt. Het bijzondere van de klaveraak was dat het wat de vorm betreft meer past bij de kofschepen, terwijl de latere palingaken als de Heeg en de Corneliske Iekes meer uit de kluiten gewassen tjalken waren. Palingaken zijn bunschepen, gebouwd voor het vervoeren van paling van Friesland naar Londen. het zijn zware, zeewaardige schepen die behoren tot de familie van de tjalken. De steilstaande voorsteven was gebogen, de achtersteven recht. De kop en het achterschip waren volrond gebouwd, het boeisel viel licht binnenwaarts. Het grootspant was U-vormig. Het schip had een matige zeeg en was geheel gedekt. In de bun kon 11 ton paling vervoerd worden. De bun verzwakte het schip midscheeps. Daarom werd in het de palingaken veel en zwaar hout verwerkt. Het tuig was een bezaantuig. gemiddelde afmetingen: lengte 18.50 meter, breedte 4.50 meter. l, iteratuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, p. 9-10
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1978, pp. 10-11
- Jaarverslag Visserijmuseum Vlaardingen 1994/1995 (foto van de palingaak op de omslag van het verslag).
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de dertig-kwadraat-klasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordendertig-kwadraat-klasse
Objectnummer1982-144
Periode van1982
Periode tot1982
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de dertig-kwadraat-klasse. Op spanten gebouwd. Steven en kielbalk van eikenhout, spanten van essenhout, rondhouten van grenenhut en de huid van mahoniehout. Schaal 1:7½.
Tuigage: Het jacht heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en aan weerszijden door twee zijstagen. De voorstag is met een harpsluiting vastgemaakt aan een T-ijzer op het voordek. De twee voorste zijstagen zijn met wantspanners vastgezet op de binnenkant van de boorden (door de gangboorden heen). De achterste twee zijstagen kunnen naar believen naar voren of naar achteren gezet worden. Ze lopen met een harpsluiting op een metaaldraad die in de lengterichting op de gangboorden zijn gespannen. De stagen worden naar achteren vastgezet met een touw dat is belegd op een houten klamp op de gangboorden. Aan de mast worden zeilen van witte katoen gevoerd: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een ketting vastgezet op een T-ijzer op het voordek. De fokkeval loopt over een houten blok aan de top van de mast en is belegd op de nagelbank aan de mastkoker. De fokkeschoten lopen door houten blokken op de gangboorden. Deze blokken zijn bevestigd op een gatenrail: ze kunnen naar believen naar voren en een naar achteren vastgezet worden. Na de blokken lopen de fokkeschoten over de kuiprand naar binnen en zijn belegd op houten klampen tegen de binnenkant van de kuiprand. Het grootzeil is voorzien van een eneigszins gebogen gaffel die boven de mast uitsteekt. De gaffel heeft een houten klauw. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval, die zijn belegd op de nagelbank aan de mastkoker. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De onderkant van het grootzeil is vastgezet in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek is met een scharnierbaar oog vastgezet aan een stang aan de achterkant van de mast. De giek is daardoor in hoogte verstelbaar. De halstalie ontbreekt echter. In het achterlijk van het grootzeil zijn zes zeillatten gestoken. Aan beide kanten van het zeil het zeilnummer 1. De grootschoot loopt door drie blokken aan de giek en één blok op een overloop op het achterdek. De blok aan het achtereind van de giek hangt aan een scharnierende metaalstrip. De andere twee blokken aan de giek hangen aan giekringen met houten rollers. Deze zijn onderling verbonden met touwen. De grootschoot is belegd op een bolder op de kielbalk. Op de top van de mast een rood-wit-blauwe windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: De voorsteven heeft de vorm van een overhangende lepelboeg. Het achterschip plat en voorzien van een schuine spiegel. De bodem is rond. Het grootspant heeft een U-vorm. Het jacht is voorzien van ene vaste kiel. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van koperbelag. Van de voorsteven naar de speigel loopt horizontaal een stootrand en verticaal een waterlijst. Op het voordek, net achter de voorsteven, een T-ijzer waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter een bolder met metalen nagle. Van de bolder naar de mast loopt over het midden van het dek een opstaande rand. Aan de voet van de mast een nagelmank met koperen korvijnagels. Daarachter begin de kuip. Van boven gezien heeft de kuip een granaatvorm. De kuip is voorzien van een opstaande kuiprand. Op de gangboorden de gatenrails voor de fokkeschootblokken, de metaaldraad voor de achterste zijstagen en twee houten klampen. In de kuip zijn onder de gangboorden open kastjes gemaakt. Voor en achter zijn twee losse dwarsbanken geplaatst. De ruimte onder het voordek is open. De bodem is bedekt met buikdenningen. In het middenschip is in de buikdenningen een hoosluik gemaakt. De ruimte onder het achterdek is open. Ter hoogte van de achterkant van de kuip is net onder de stootrand de naam van het jacht geschilderd: 'Li'. Het roer hangt schuin aan de achterkant van de kiel. De roeras steekt door het achterdek naar boven. Het helmhout heeft een gebogen vorm. Van de achterkant van de kuip naar het midden van de spiegel loopt een overlangse opstaande rand. Achter het helmhout een metalen overloop voor de grootschoot.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De voorkant van de kiel is rood. Net onder de stootrand is een zwart-gouden bies geschilderd. Het dek is grijs. De waterlijsten en de overlangse lijsten zijn gelakt. De kuip, de mast en de rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de dertig-kwadraat is gemaakt naar de originele tekeningen.
Op de naamlijsten van deelnemers aan zeilwedstrijden in Friesland komt het dertig-kwadraat-jacht met zeilnummer 1 regelmatig voor. Van 1937 tot 1951 is het jacht van dr. W.B. van der Meer uit Leeuwarden en later Grou (naam: Li). Van 1952 tot 1980 wordt het jacht gezeild door G.W. van der Meer uit Leeuwarden (naam: Li).
De dertig-kwadraat-klasse is voortgekomen uit de beperkte zeven-meter-tien-klasse van de N.N.W.B. In deze klasse werd naar hartelust geëxpirimenteerd met de vorm van de romp, het roer, de kiel, het tuig, etc. In de dertiger jaren was men het kostbare uitproberen moe. Het bestuur van de N.N.W.B. besloot daarom in 1936 de klasse nieuw leven in de blazen door van de beperkte klasse een eenheidsklasse te maken. De boot van W. Geveke diende als voorbeeld voor ir. Sj. Veeman die de eenheidsklasse zou ontwerpen. Zo ontstond de dertig-kwadraat-klasse, die zeer strikt omschreven was. De lengte was voortaan 7.50 meter en het zeiloppervlak 30 vierkant meter. Veel schepen zijn er echter niet van gebouwd. Het was een nogal duur schip., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 15-16.
- J.K. Kuipers, 'De 30 m² klasse' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1984, pp. 61-66.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.), p. 88
BeschrijvingHalfmodel van de brik Echo. Op spanten gebouwd nestmodel: spanten (mallen) van eikenhout, gedeeltelijk overdekt met latten van palmhout. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: geen. Alleen de plaats van de twee masten is aangegeven. Deze masten hellen achterover.
De romp: Het voorschip is rond en buikig. Het achterschip is gepiekt en voorzien van een platte spiegel. De boven is rond. Het model van voor naar achter: Van de boegspriet is alleen het achterste gedeelte weergegeven. Onder de boegspriet de scheg, die zich aan de voorkant splitst. Van de romp zijn alleen de spanten (mallen) en een gedeelte van de huidplanken aangebracht. Voorts is het berghout te zien en het raamwerk van de spiegel. Het roer is tamelijk smal. Het geheel is bevestigd op een plank. De onderkant daarvan is versierd met ingezaagde halve accolademotieven. De plank is aan de bovenkant voorzien van vijf ophanggaten. Links van de mast een etiket met daarop een verdeling in 'Amsterdamsche Voeten'. Rechts van de mast een zwart, ovale naamplaat, waarop met witte letters is geschilderd: '1 / Echo . 18 st. / G.B. 1798'. Rechtsonder is op de plank een etiket met daarop nummer 362 geplakt.
Kleuren: De romp is gelakt, met uitzondering van het onderwaterschip, dat wit is. Het berghout en de op één na bovenste huidplank zijn zwart. De ondrkant van het roer, de achterteven en de voorsteven zijn wit. De scheg is zwart. De plank is ongeverfd.
Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHet model is afkomstig uit de Marinecollectie van het Rijksmuseum., Tot voor kort werd aangenomen dat de Echo in 1796 gebouwd was voor de Bataafsche Marine op de admiraliteitswerf te Harlingen. Dit was gebaseerd op de "Beschrijvende Catalogus der Scheepsmodellen en Scheepsbouwkundige Teekeningen" van het Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum uit 1943 (pag. 104). Hierin wordt een tekening beschreven met als beschrijving: "Brik Echo van 16 stukken gebouwd ... in 1796 te Harlingen door P. Schuyt". Nieuw onderzoek heeft aangetoond dat zowel bouwjaar als werf en bouwer anders zijn dan werd aangenomen. In het instituut voor Maritieme Historie wordt op film een tekening uit het voormalige marinearchief bewaard die overeenkomt met die van schuyt maar welke gedateerd is op 1789. Met nog drie andere schepen op andere tekeningen uit het marinearchief waren dit allevier brikken gebouwd voor de admiraliteit van Amsterdam. (2 van 12 stukken: Pijl en Gier en 2 van 16 stukken: Echo en Comeet).
Op grond hiervan rees het vermoeden dat de echo ouder was dan was aangenomen. Verdere naspeuringen leverden de volgende gegevens op:
- J.P. Asmus (de equipagemeester van de marinewerf te Amsterdam) noemt de Echo als volgt: Echo-16st.-100'x31'x17'9", in 1789 gebouwd voor de Admiraliteit van Amsterdam door Cornelis Mast.
- J.C. de Jonge noemt op pagina 686 en verder in de "staat der in dienst zijnde Nederlandsche Zeemagt op het einde van 1974 en in het begin van 1795" opnieuw de Echo die onder Kap.lt. Verhuell, in het Nieuwediep lag.
- G.D. Bom beschrijft de lijst van in 1795 in dienst gestelde schepen : "Echo (16)(brik) vm. Adm. A.dam, lt. M.C. Keil". In hetzelfde boek beschrijft Bom hoe op 14 augustus 1795 de Echo en de Gier uitzeilden richting Skagerrak en op 19 augustus 1795 de eerste oorlogsdaad pleegden door 4 Engelse koopvaarders te nemen. Met hun prijzen voeren ze naar Christiansund, alwaar ze werden ingesloten door de Engelsen die de haven blokkeerden.
- J.C. de Jonge beschrijft op pag. 235ev. hoe het fregat Argo, de kotter Mercurius en de brikken Echo en Gier in mei 1796 uitbreken waarbij zij werden opgewacht door een Engels eskader. De Argo en de Mercurius worden op 12 mijl ten noorden van Texel achterhaald en overmeesterd. De Echo en de Gier werden om hetzelfde lot te voorkomen op het strand van Schiermonnikoog gezet. Het schip wordt door de Jonge opnieuw genoemd in de "Staat der Bataafsche zeemagt in de zomer des jaars 1801" Ze is nu ingedeeld in een eskader dat op het vlie, de Wadden en de Eemsterstromen ligt met een nieuwe kap.lt.J. van Kervel.
Op grond van bovenstaande moet men concluderen dat het steeds om dezelfde Echo gaat die in 1789 in Amsterdam gebouwd is. Na de vrijwillige stranding in 1796 is zij mogelijk versleept naar Harlingen waar Schuyt het heeft hersteld. Waarom hij dan opnieuw een tekening heeft gemaakt terwijl er al één in het archief van de marine lag is onduidelijk.
- De Jonge schrijft tenslotte op pag 525 hoe de Echo met het Korvet William naar Java werd gezonden om hte bericht van de op handen zijnde vrede van Amiens over te brengen.
Na aankomst in Batavia nam de Echo deel aan een expeditie tegen Bantamse zeerovers. Tijdens de terugreis in 1803 naar Texel, brak oorlog met Engeland uit en het schip week uit naar Frankrijk. Hier werd de brik in Oktober 1803 overgenomen door een Franse kaperrederij. In 1804 werd zij, varende onder de Franse vlag, veroverd door de Royal Navy. Onder de engelse vlag ontving zij op 13 September 1804, tezamen met het fregat Diana (in 1815 aangekocht door de Nederlandse marine) de overgave van het eiland Aruba. De Echo en Atalante worden genoemd in een lijst gepubliceerd door Steele in 1813 als zijnde van Franse herkomst., Een brik is een tweemastkoopvaardij- of oorlogsschip dat in de loop van de 18de eeuw ontwikkeld werd en tot in de 19de eeuw bij de meeste zeevarende landen veelvuldig in de vaart bleef. De brik is gegroeid uit de brigantijn. De brigantijn voerde aan de fokkemast vierkant zeilen en aan de grote mast een langsscheeps grootzeil. Later werden aan de grote mast ook een vierkant mars- en bramzeil toegevoerd, zodat eigenlijk beide mast vierkant getuigd waren (alleen het grootzeil aan de grote mast was niet vierkant maar langsscheeps). Op de brik werd dit vierkante grootzeil aan de grote mast toegevoegd en bleef het langsscheepse bezaanzeil. Bovendien werden op de boegspriet en tussen de masten stagzeilen toegevoegd. De twee masten waren zoals gewoonlijk in drieën gedeeld: een ondermast, een marssteng en een bramsteng. In de 19de eeuw werd aan de grote mast soms maar één steng gevaren met één of twee ra's. Dit waren de zogenaamd kruisbrikken. Brikken waren snelle en handige schepen die een relatief kleine bemanning vergden. Afmetingen: lengte 25-28 meter, breedte 6.75-8.50 meter, holte 3.50-5 meter.
Brikken waren niet allen volgens het zelfde ontwerp gebouwd. De Atalante en Gier lagen bijvoorbeeld laag in het water, terwijl de Echo hoog op het water ligt. Het laag te water liggende model bleek goed te voldoen. De in 1797 gebouwde Royal Navy brig-sloop, Cruizer en de later in Engeland gebouwde brikken van de Cruizer klasse, die hetzelfde model tonen, werden hogelijk aangeprezen als verkenningsschepen, maar door beperkte ruimte aan boord bleken zij ongeschikt om in oorlogstijd ver van een thuishaven te opereren. Het hoger te water liggende model van de Echo, biedt meer ruimte voor proviand, materiaal en manschappen en is bruikbaar als transportschip. Omdat het schip lijkt op een koopvaarder bleek het later ook geschikt te zijn voor de kaapvaart., literatuur:
- Asmus, J.P.: "De Genealogie van de schepen ter Oorlog gebouwd bij de respectieve Admiraliteiten..." in: Hoving, A.J. en Lemmers, A.A.: "In tekening gebracht", Amsterdam 2001
- Jonge, J.C. de: "De geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen", 2e druk Haarlem-Franeker 1858
- Bom, HGz. G.D.,: "D'Vrijheid 1781-1797. Geschiedenis van een vlaggeschip", 1897
- Sneeker Nieuwsblad 9 januari 1953 en 27 december 1955.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1952
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1965, p. 20
BeschrijvingScheepsmodel van een zomerweelde-zeiljacht. Op spanten gebouwd. Mahoniehout, eikenhout en vurenhout. Schaal 1:7½.
Tuigage: Het jacht heeft één mast. De mast staat op een houten rail op de kielbalk en is geborgd met een metalen pen door de mastvoet. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een zijstag. De voorstag is met een wantspanner bevestigd op een T-ijzer op het voordek. De zijstagen zijn met wantspanners lopen schuin naar achter en zijn vastgeet met wantspanners. Het model is voorzien van zeilen van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers vastgezet aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een harpsluiting vastgezet op het T-ijzer op het voordek. De fokkeschoten lopen door houten blokken op de gangboorden en zijn belegd op houten klampen aan de binnenkant van de kuiprand. De fokkeval loopt door een houten blok aan de top van de mast en is belegd op de nagelbank aan de mastkoker. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel, die boven de mast uitsteekt: cattuig. De gaffel heeft een houten klauw. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval, die zijn belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De onderkant van het grootzeil is bevestigd in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek is met een scharnierde lummel in een oog aan de mast. In het achterlijk van het grootzeil zijn vier zeillatten gestoken. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek een door een enkelschijfs blok op de kielbalk. De grootschoot is belegd op een metalen haak met klamp achter het kielblok. Het schootblok aan de giek hangt aan een metalen strip die is bevestigd tussen tussen giekringen met metalen rollers. Van de achterste giekring naar het achtereind van giek loopt een metalen stang, die daaraan draaiend is bevestigd. Op de top van de mast een rode windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: De voorsteven heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een platte, schuine spiegel. In dwarsdoorsnede is het schip U-vormig. Het jacht is voorzien van een vaste kiel.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van koperbeslag met handvat. Het dek steeks over de huid heen naar buiten en vormt zo een stootrand. Langs de randen van het dek een waterlijst. Op het voordek een T-ijzer met gaten waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd. Voor de mast een V-vormige waterlijst. Tussen de waterlijst en de mast een kleine dekje. Aan de voet van de mast een nagelbank met metalen korvijnagels. Achter de mast begint de kuip. De kuipranden steken boven het dek uit. Op de gangboorden de blokken voor de fokkeschoten. Onder de gangboorden zijn open kastjes gemaakt. De bodem van de kuip is bedekt met buikdenningen. In het midden van de kuip en tegen de achterwand van de kuip zijn losse dwarsbanken gemaakt. Het roer hangt onder het achterschip. Het roerblad is druppelvormig. De roeras steekt ui het achterdek naar boven. Het helmhout heeft een licht gebogen vorm. Achter het helmhout is op het achterdek nog een houten klamp gemaakt.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De onderkant van de giek is rood. Het dek is buiten de waterlijst gelakt en binnen de waterlijst wit (dergelijke dekken werden soms overdekt met in loodwit gedrenkt zeildoek). De kuipranden, de kuip, de mast en de rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
De Zomerweelde is de voorloper van de vrijheidsklasse. In 1942 schreef het K.N.W.V. een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een zeilboot met 12 vierkante meter zeil. De prijsvraag zou kunnen leiden tot een nieuwe klasse. Het moest een stabiel zeiljacht worden, dat vooral de jeugd zou aanspreken, dat snel moest zijn maar ook geschikt voor het maken van tochten, dat een lage bouwprijs zou moeten hebben en derhalve door amateurs gebouwd moest kunnen worden. Er kwamen 55 inzendingen binnen: Workum, Vinking, vlinderjacht, Zomerweelde, Zomerwind, Oostergoo, etc. Siep van der Meer won de eerste prijs met de Zomerweelde. Er waren drie derde prijzen voor L. Moerman (maasjol), Chr. van der Zee (Kilpalipude, een soort vergrote olympiajol) en Romke de Vries. Het verbond maakte van de Zomerweelde geen eenheidsklasse. Wel werden er meerdere van gebouwd. De technische commissie van het K.N.W.V. moest zelf een nieuwe klasse ontwerpen met als basis de inzendingen van de prijsvraag. Het nieuwe ontwerp was smaller dan de Zomerweelde en er waren nog een paar andere verschillen. De romp kon zowel met gangen als met latten (amateurbouw) gemaakt worden. Ook in de tuigage kon met kiezen tussen een torentuig of een gaffeltuig (de meeste werden uitgevoerd met gaffeltuig). In december 1945 werd het schip gepresenteerd: de Vrijheidsklasse., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 67-68
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 22
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de zestien-kwadraat-klasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordenzestien-kwadraat-klasse
Objectnummer1981-074
Periode van1981
Periode tot1981
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de zestien-kwadraat-klasse. Op spanten gebouwd. De romp van mahoniehout, het lattendek van vurenhouten en mahonie en de rondhouten van oregon. Schaal 1:7½.
Tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een zijstag. De voorstag is met een harpsluiting bevestigd op het metalbeslag van de voorsteven. De zijstagen zijn wantspanners vastgemaakt aan de gangboorden. De zeilen zijn van wit (enigszins verkleurde) katoen: een gaffelgrootzeil en een stagfok. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een ketting vastgezet op het metaalbeslag van de voorsteven. De fokkevla loopt over een houten blok aan de top van de mast en is belegd op de nagelbank aan de mastkoker. De fokkeschoten lopen door houten schootogen op de gangboorden en zijn belegd op houten klampen aan de binnenkant van de kuiprand. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel die boven de mast uitsteekt. De gaffel heeft een houten klauw. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval, die zijn belegd op de nagelbank aan de mastkoker. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgemaakt aan de mast. De onderkant van het grootzeil is bevestigd in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek rust met een metalen klauw tegen de mast. De hoogte van de giek is instelbaar met de halstalie die is belegd op een metalen klamp aan de mastvoet. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillatten gestoken. In het grootzeil is aan weerszijden het zeilnummer 2832 aangebracht. De grootschoot loopt over twee enkelschijfs blokken aan de giek en één enkelschijfs blok op de overloop op het achterdek. Het vaste eind van de grootschoot is bevestigd aan het achtereind van de giek. Van daar loopt de schoot door het blok op de overloop, terug omhoog door de twee blokken aan de giek. De grootschoot is belegd op een houten bolder op de kielbalk. De twee blokken aan de giek hangen aan giekringen met houten rollers. Deze giekringen zijn onderling met elkaar verbonden door een stang en kunnen met een touw naar beleiven naar voren of naar achteren getrokken worden. Dit touw is vastgemaatk aan de voor- en aan de achterkant van de giek. Op de top van de mast een rood-blauw-rode windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: De voorsteven heeft de vorm van een overhangende lepelboeg. Het achterscihp is plat: een schuine speigel. De bodem is rond. Het grootspant heeft een U-vorm. Het jacht is voorzien van een vaste kiel.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van koperbeslag, waarop de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd. Het dekken en gangboorden steken over de boorden heen, zodat een stootrand ontstaat. De dekken en gangboorden zijn uitlatten gebouwd: licht en donker. Op het voordek een houten klamp. Voor de mast een V-vormige waterlijst die overgaat in de kuiprand achter de mast. Het voordek loopt onder deze waterlijst door: tussen de waterlijst en de voorwand van de kuip is een afgesloten dekje. In de gangboorden de wantspanners van de zijstagen en de schootogen. Aan de mastkoker een nagelbank met koperen korvijnagels. De kuip is voorzien van een opstaande kuiprand. Onder de gangboorden zijn kastjes gemaakt. De voorste zijkasten zijn afgesloten met ene luik. Ook de ruimtes onder het voor- en achterdek zijn met luiken afgelsoten. Tussen de open kastjes zijn twee verplaatsbare dwarsbanken gemaakt. De bodem van de kuip is bedekt met buikdenningen. Het roer hang onder het achterschip. De roeras steekt door het achterdek naar boven. Het helmhout is recht. Aan weerszijden van het helmhout twee houten klampen op het achterdek. Achter het helmhout de metalen overloop voor de grootschoot.
De kleuren: De romp is gelakt. Net onder de stootrand een gele bies. Het onderwaterschip is wis. De onderkant van de kiel is rood. De dekken en gangboorden zijn gelakt, evenals de kuip, de mast en de rondhouten.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieZeil en fok zijn gemaakt door conciërge Pieter Alkema. De tekeningen zijn gemaakt door museummedewerker J.K. Kuipers.
Gerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door concimaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Afmetingen van de zestien-kwadraat-klasse: lengte 6 meter, breedte 1.92 meter, zeiloppervlakte 16 m².
De zestien-kwadraat-klasse is ontworpen door Hendrik Bulthuis (Burgum 1892-1948), kapper te Burgum. Hij ontwikkelde in 1928 een bouwmethode doe de democratisering van de zeilsport in Nederland inluidde. De B.M.-jachten, die volgens deze methode is ontworpen, konden door amateurs op goedkope wijze gemaakt worden. De jachten werden gebouwd uit smalle latten, die eenvoudig gebogen konden worden. Al in de 19de eeuw werd in de V.S. de lattenbouw toegepast. Het nieuwe van Bulthuis was dat hij de latten rond de mallen boog en de mallen liet zitten. Ook nieuw was dat hij de latten met de ruwe zaagkanten met een grote hoeveelheid nagels aan elkaar spijkerde: het maakte de boot waterdicht en zorgde voor een goede stijfheid. In de jaren 30 maakte klasse een grote vlucht. Bulthuis wilde echter ook een grotere boot met dezelfde methode maken: het werd een jacht van 6 meter lengte met een zeiloppervlakte van 16 m². Na enige veranderingen door de Technische Commissie van de NNWB werd het type als klasse erkend en later ook door het KNWV. Rond 1930 werden er zeer veel van gebouwd. Van de zestien-kwadraat-klasse zijn ruim 4500 wedstrijdjachten en 5000 toerjachten gebouwed. In de loop de tijd is er het een en ander aan het onwerp gesleuteld. Het leidde tot een nadere onderverdeling: de toerklasse was de vrije klasse tot 1939, de puntklasse voldeed aan de voorschriften van 1939 en de streepklasse voldde aan de voorschriften van 1948.
De zestien-kwadraat met zeilnummer 2832 komt regelmatig voor op de naamlijsten van deelnemers aan Friese zeilwedstrijden. Van 1954 tot 1955 was het jacht van K.H. Lukkien uit Zwolle (naam: Tammo). Van 1956 tot 1969 was H.A. Minks uit Leeuwarden de eigenaar (naam: Nonpareil). In 1973 was het jacht van J. van der Schaaf uit Grou (naam: Nonpareil). In 1974 en 1975 D.Th. Schuurmans uit Sneek (naam: Nonpareil). In 1986 L. van der Meij uit Leeuwarden (naam: Bikkel)., literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 60.
- J.K. Kuipers, 'Hendrik Bulthuis' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1992, pp. 34-36.
- De Golfslag Jrg. 2 nr. 15 (17-08-1935), pp. 157-160
BeschrijvingHol en open werfmodel van een motorjacht. Stapelmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De voorsteven is scherp en rond, schuin oplopend. Het achterschip is voorzien van een platte, schuine spiegel. De bodem ontbreekt. Het model van voor naar achter: Het model is gebouwd volgens de stapelmethode: vijf opelkaar gelijmde, in vorm gezaagde plankdelen. Het model is hol. De bodem ontbreekt. In het achterschip zijn twee blokken ingelaten (als bodem). Dekken en opbouw ontbreken. Kleuren: Het werfmodel is ongeverfd. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHet model is afkomstig van de Leeuwarder werf De Roos van R. van der Meijden aan de Dokkumer Ee aldaar. Motorboot is in de watersport de verzamelnaam voor alle pleziervaartuigen die uitsluitend worden voortgestuwd door een motor. Ze worden onderverdeeld in: - open boten zonder kajuit (bijvoorbeeld de autoboot, de speedboot, de visboot en de bijboot). - dagkruisers met verhoogd voordek, waaronder enige kajuitaccomodatie en met een grote open kuip. - motorkruisers, middelgroot met kajuitopbouw en vaak daarachter een kuip - motorjachten, grote zeewaardige motorboten met het uiterlijk en de allure van een jacht., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19
BeschrijvingScheepsmodel van een oorlogsschip. Op spanten gebouwd. Voorstelling van het schip in aanbouw. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het model geeft weer hoe een linieschip werd gebouwd. Het schip staat op stapel. Op de kiel zijn de spanten en de inhouten gemaakt. De inhouten zijn aan de bovenkant nog niet afgezaagd. Op bodem ligt aan de binnenkant (boven de kiel) het zaathout. De binnenkant is gedeeltelijk van de wegering (horizontale binnenplanken) voorzien. De dwarsbalken van het geschutsdek zijn aangebracht, maar ze zijn nog niet gestut. Midscheeps is de plaats van de grote mast te zien. De buitenkant van het schip is nog niet voorzien van gangen (horizontale buitenplanken), maar wel van het berghout en de rahouten (profiellijsten) daarboven. Boven het berghout zijn twaalf geschutspoorten gemaakt. De poorten van het dek daarboven zijn nog maar gedeeltelijk ingezaagd. Aan het voorschip ontbreekt de scheg en het galjoen. Aan het achterschip ontbreekt het roer en de spiegel. De kiel van het schip is voorzien van nummers. Er wordt genummerd vanaf het midden (de plaats van de grote mast): naar voor 1 t/m 30 en naar achter 1 t/m 36. De kiel is geplaatst op twaalf trapvormige klossen. De romp wordt gestut door schuinstaande balken. Rondom de romp loopt een bouwstelling. Op de voorkant van de bouwstelling een gedeeltelijk afgescheurd etiket met daarop het nummer 497. Het geheel is geplaatst op een plank, waaronder aan één kant een klos is geplaatst zodat de plank scheef staat. Op de bovenkant van de plank een nummer in inkt: 'B-42 (5)'. Kleuren: Het model is niet geverfd. De bouwstelling is ook niet geverfd. De plank waarop het geheel is bevestigd is bruin gebeitst. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHet model is een voorstelling van een in aanbouw zijnde oorlogsschip. In het Sneeker Nieuwsblad van 18 december 1953 wordt gemeld dat het een voorstelling is van het in 1752 te Harlingen gebouwde linieschip De Eendracht, dat werd ontworpen door de Harlinger scheepsbouwer Schelte Simons Hasselaar. Het schip had 54 stukken. In het artikel van 26 november 1954 is als bouwjaar 1769 opgegeven. In 1779 voer het linieschip De Eendracht onder commando van Adriaen de Rook naar Algiers om er te onderhandelen met de Dey over de zeeroverij die daar plaatsvond. Over dit bezoek is een uitvoerig verslag beschikbaar waaruit geciteerd wordt in de artikelen in het Sneeker Nieuwsblad van 26 en 30 november 1954. Het linieschip de Eendracht verging op 1 januari 1782 op het Flie. Een linieschip is een groot oorlogsschip dat voldoende weerstandsvermogen had om in kiellinie (achter elkaar) de zeeslag in te gaan. Deze kiellinie raakte rond 1650 in zwang. Linieschepen vormden de kern van de vloot. Ze waren gebouwd op weerstand en niet op snelheid. Ze waren volledig getuigd met drie (soms vier) masten. Ze voerden tussen de 50 en 110 stukken geschut, opgesteld op twee (soms drie) dekken. Dood de ondiepten voor de Nederlandse kust waren de Nederlandse linieschepen vaak kleiner dan de Engelse. Soms werden oude Oostindiëvaarders omgebouwd tot linieschip. Dat voldeed echter niet. In de loop der tijd werd het linieschip groter. Deze ruimte werd niet gebruikt voor meer kanonnen maar voor vergroting van het kaliber van de kanonnen. In navolging van Engeland werd ook in Nederland de platte spiegel van het linieschip vervangen door een ronde spiegel (eind 17de eeuw). Ook verminderde de zeeg en de hoogte van de achteropbouw. Door de komst van de stoomschepen verdween het houten linieschip in de tweede helft van de 19de eeuw. Ze werden vervangen door pantserschepen en later door slagschepen., literatuur:
- Catalogus der Verzameling van modellen van het Departement van Defensie (nr. H-398, p. 85, nr. 497)
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1952
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1953
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 57
- Sneeker Nieuwsblad 9 januari 1953, 18 dec. 1953, 26 nov. 1954, 30 nov. 1954, 27 dec. 1955
- Leeuwarder Courant 2 en 3 okt. 1954
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum - persberichten 1954
BeschrijvingScheepmodel van een viskotter, genaamd Jacob, met visserijnummer UK 141. Hekkotter voor de boomkorvisserij. Blokmodel. Schaal 1:50.
Rondhouten en tuigage: De viskotter heeft een lantaarnmast en een dubbele liermast. Op het voordek de lantaarnmast, die wordt gehouden door twee schuin naar voren staande metalen standers. Aan de achterkant van de mast zijn treden gemaakt. In de lantaarn mast hangen drie boordlichten. Op de top van de mast een antenne. Van de voorsteven naar de mast lopen twee antennedraden, die worden voortgezet naar de liermast op het achterdek. De liermast bestaat uit twee standers met daartussen een bovenlegger. De masten worden gehouden door voorstagen op de relingen en door een achterstag op de betig. Aan de voorkanten van de masten zijn trappen gemaakt. Aan de zijkanten van de masten een liergiek.
De linker liergiek is uitgelaten en wordt gehouden door een kraanlijn aan de bovenzijde en door schoten aan de voor- en achterzijde. Aan deze liergiek wordt een kornet gesleept. Het net heeft een dwarsstang, waartussen de bovenrand van het net strak is gespannen. De onderkant van het net is verzwaard met kettingen, zodat het open gaat, wanneer het door het water wordt gesleept. De rechter liergiek is achterwaarts gericht, rust op de beting en wordt gehouden in de kraanlijn. De lieren worden getakeld en bediend door een motorlier op het dek onder de stuurhut. Aan de legger tussen is een overloop met reling gemaakt en een kleine lantaarnmast. Daaraan zijn twee schijnwerpers en twee boordlichten bevestigd. Aan een uithouder is met een vlaggelijn een rood-wit-blauwe vlag gehesen. De blokken aan de liermast zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is plat en geveegd. De romp is in het midden buikig.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de boeg het visserijnummer 'UK 141'. Het voordek is een soort paviljoendek: het ligt op het boeisel van het voorschip. Langs de randen van het voordek een metalen reling. In het boeisel eronder zijn aan weerszijden zes patrijspoorten gemaakt. Op het voordek drie dubbele bolders, een V-vormige waterlijst en de lantaarnmast. Achter deze mast de brug. De voorwand van de brug loopt rond en is voorzien van zeven (geschilderde) ramen. In de zijwanden twee ramen met daaronder een naambord met daarop 'JACOB'. Op het dak van de brug drie schijnwerpers (een naar voren en twee naar achteren), een radarantenne en de schoorsteen, met daaraan de hoorn. Het dek loopt achter de brug door en vormt zo een overkapping van een deel van het lagere achterdek. Op dit verhoogde achterdek een luik, een reddinggordel en twee reddingvlottonnen. Tussen het hoge en het lage dek een trap. Op het lage achterdek onder de overkapping de motorlieren. In het midden van het dek de dubbele liermast. Achter de liermast op het achterdek twee luikhoofden en een beting (of bok), waarin de gieken, waneer er niet mee gevist wordt, kunnen worden vastgezet. Op het achterschip: 'Jacob / Urk'. Het berghout is aan stuurboord-achter los.
Kleuren: De romp is groen met een witte bies, het onderwaterschip is rood. Het boeisel en het stuurhuuis zijn wit. Het bovendek (voor en achter) is groen, het lage achterdek is van gelakt hout. De sein- en liermast zijn okergeel. De schoorsteen is rood met zwart.
Accessoires: een kornet. Het model is gemonteerd op een plank met daaromheen een opstaande rand, waartussen een doosvormige glazen overkapping past. Het model is met twee standers in het vlak aan de plank gemonteerd. Op de plank drie informatiebordjes.
AchtergrondinformatieDe viskotter Jacob werd in 1967 gebouwd op de scheepswerf van Ton Bodewes te Franeker (bouwnummer F-30). Op de drie informatieborden die bij het model horen de volgende informatie: 'Bouwnr. F 30 UK 141 JACOB Bouwjaar 1967 / Hekkotter voor de boomkorvisserij / Hessel Snoek en zonen, Urk / Scheepswerf Ton Bodewes N.V. Franeker' 'Afmetingen: / Lengte over alles: 26.60 m / Lengte tussen loodl.: 22.75 m / Breedte op spanten: 6.60 m / Holte i.d. zijde: 3.10 m / Diepgang: 3.40 m / Motor: Stork 660 PK'. 'Model vervaardigd door / J.Kal / v. Bleiswijkstraat 50b / Vlaardingen'. De viskotter is in Nederland het meest gebruikte motorschip voor de kustvisserij (trawlvisserij, boomkorvisserij en spanvisserij). Op kotters wordt het meest gevist op haring en platvis. In de loop de tijd wordt er steeds meer over het achterschip gevist. Men spreekt dan van een hekkotter. Afhankelijk van de grootte varen op een kotter 4 tot 7 man. Kornetten zijn sleepnetten met een boom vlak voor het net (in tegenstelling tot dwarskuilnetten). Ze worden voornamelijk gebruikt voor de visserij op het IJsselmeer, waar er paling mee wordt gevangen., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 23
BeschrijvingScheepsmodel van de boeier Constanter. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast, die staat in een mastkoker. De mast worden gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een klamp op de achterkant van de voorsteven. De botteloef is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door vier boegstagen (ook stangen, aan weerszijden twee). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de fok hangt los van de voorstag. De fok wordt gehesen door de fokkeval, die loopt door een blok aan top van het zeil en door een mast in de mast en die is belegd op een klamp aan de mastkoker. De hals van de fok is met een haak vastgezet op de botteloef. De fokkeschoten lopen door jufferblokken aan de schoothoek en blokken op de overloop. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast (geen raktouwen). Het grootzeil heeft een gebogen gaffel, die wordt gehesen door een klauwval en een piekeval. De klauwval (op de gaffelbek) loopt door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval (op de kromming van de gaffel) loopt door een blok op de gaffel en door een blok aan de mast. De piekeval is belegd op de nagelbank. De halstalie loopt door een blok aan de hals van het grootzeil en is vastgezet op een oog aan de voet van de mast. De halstalie loopt door een blok aan de hals van het grootzeil en is vastgezet op een oogbout in het dek. Het onderlijk van het grootzeil hangt los van de giek (losse broek). De onderkant van het achterlijk is met een ring vastgezet op de achterkant van de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierend lummel in een lummelpot in de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De kraanlijn loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet aan een oog op de kielbalk. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond, met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en niet gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is bekleed met een metalen strip. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Zij zijn met schilderwerk versierd: sterren en bladertakkken. Er is geen bedelbalk. De boeisels zijn niet voorzien van gillings. Aan de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. Voor de mast zijn in het voordek twee luiken (de uitwip) die verwijderd worden wanneer de mast wordt gestreken, om het ondereind van de mast door te laten. Boven de uitwip de overloop van de fokkeschoten. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met opgeschilderde sterren. De zwaardlopers gaan door een gat in het boeisel naar binnen en zijn belegd op de bolders in de stuurkuip. De zwaardlopers zijn niet getakeld. Achter de mast de nagelbank. Daarachter de kajuit. De kajuit heeft een gebogen (hol) dak. In de voorwand van de kajuit twee ronde ramen van koper. In de zijwanden zijn dezelfde soort ramen aangebracht (aan weerszijden één). In de achterwand van de kajuit twee deuren met ramen. De achterwand is langs de dakrand versierd met geschilderde bladertakken. Aan de achtereinden van de gangboorden zijn waterlijsten gemaakt. De kuip is voorzien van een vast dek. Langs de zijwanden en de achterwand van de kuip zijn kistbanken gemaakt. Op het deurtje van het achterhuis een onleesbaar opschrift. Langs de bovenrand van het achterhuis de hennebalk die is versierd met schilderwerk: vaas met bladertakken. Tegen boeisels van het achterschip zijn bolders gemaakt. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt en er staat een roerleeuw op. Uit de voorkant van de roerkop steekt een houten helmstok met een houten handgreep. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart (ook van het roer). De berghouten zijn zwart met witte biezen. Ook het boeisel is zwart met witte biezen en goudkleurige versieringen op de gillings (voluten). De zwaarden zijn gelakt, de zwaardkoppen zijn zwart (met witte bies), de boutversiering is goudkleurig en de randen van de zwaarden zijn metaalkleurig. De kluisborden en berentanden zijn meerkleurig: goud, rood en groen op een witte ondergrond. De hennebalk is beschilderd in goud en rood op wit. De dekken, de gangboorden, de kajuit, de stuurkuip en de rondhouten zijn gelakt. De sierrand op de achterwand van de kajuit is beschilderd in goud op wit. Het roer is gelakt. De roerkop is zwart (met witte bies). De roerleeuw is goudkleurig. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieG. Ooms heeft het model gemaakt naar opmetingstekeningen in het boek Ronde en Platbodemjachten van H. Huitema. Van de boeier is daarvoor de Constanter opgemeten. De boeier Constanter is gebouwd in 1876/1877 door Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. Opdrachtgever was Minnema Buma te Leeuwarden. Later is de opdracht overgenomen door W.A. Tromp te Woudsend. Prijs: f. 20.000,=. Afmetingen: lengte 8.05 m., breedte 3.20 m., holte 1.10 m., zeiloppervlak 58 m². Wedstrijden voor boeiers waren er bij de Sneekweken van 1956-1960, 1962-1964, 1968 en 1969. Het waren de begin- en hoogtijdagen van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Regelmatige deelnemers waren het statenjacht Friso, C.J.W. van Waning te Rotterdam in de boeier Maartje (voorzitter van het Stamboek), Mr. T. Huitema in de boeier Eudia (secretaris van het Stamboek), en H. Halbertsma te Grou in de boeier Constanter (1956-1960). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- H.G. van Slooten, 'De Friese boeier Constanter 1877-1977' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-18976, pp. 50-84.
- H.G. van Slooten, 'Constanter Semper Constant' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, pp. 48-54.
- T. Huitema, Ronde en Platbodemjachten (Amsterdam, 1977), pp. 222-224
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 27
TitelBlokmodel van een walvisvaarder, afgewerkt met been.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenwalvisvaarders
Objectnummer1982-001
Periode van1850
Periode tot1875
BeschrijvingScheepsmodel van een walvisvaarder. Blokmodel van teakhout, afgewerkt met been. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft drie masten en een boegspriet. De boegspriet is verlengd met een kluifhout. Ze zijn met een metalen ring aan elkaar verbonden. De boegspriet en het kluifhout worden gehouden door drie voorstagen, een waterstag naar onder (via een stampstok of Spaanse ruiter) en aan weerszijden door boegstagen (waarvan twee via een soort blinde-ra die fungeert als uithouder). Aan de achterkant is de boegspriet gehaakt in een nagelbank en vastgezet in het voordek. De drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. Alledrie masten bestaan uit drie delen: een mast en een marssteng en een bramsteng. Tussen de mast en de marssteng is een houten overloop (de mars). De verbinding tussen mast en marssteng wordt gemaakt door een zogenaamd ezelshoofd (plaat van been). Ook de verbinding tussen marssteng en bramsteng wordt gemaakt door een ezelshoofd en twee zalingen van been. Aan de voorkant worden de fokkemast en de daarop staande stengen gehouden door drie voorstagen, die zijn vastgezet op de voorsteven, de boegspriet en het kluifhout. De fokkemast, de grote mast en en bezaanmast worden alledrie aan weerszijden gehouden door een staand want van vijf hoofdtouwen met daartussen weeflijnen (touwladders). Het staand want is met puttingijzers en rusten (horizontale balken) vastgezet aan de buitenkant van het schip, onder het berghout. De marsstengen worden aan weerszijden gehouden door een marsstengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders) die zijn vastgezet aan de marsen. Ook tussen de masten zijn stagen gemaakt. Het schip is niet uitgerust met zeilen. De drie masten zijn elk voorzien van vier dwarsra's. Aan de bezaanmast naast deze ra's een rechte gaffel en een giek. De vallen van de de zeilen zijn belegd op nagelbanken rond de masten. In de top van de grote mast een rood-wit-blauwe vlag (verkleurd) en in de neerhaler van de gaffel op het achterschip een tweede rood-wit-blauwe vlag. In de toppen van de masten kloten van been. Ook de blokken zijn van been. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Puntig voorschip met aangezette voorsteven. Platte achterover hellende spiegel. Bodem met kiel. Het model van voor naar achter: Aan de achterkant is de boegspriet gehaakt in een nagelbank en vastgezet in het voordek. Aan weerszijden van de steven een kraanbalk, waaraan een anker hangt. Op het verhoogde voordek, achter de boegspriet, een kaapstander. Rond de voet van de drie masten zijn nagelbanken gemaakt. Tussen de masten twee dekhuizen. Aan weerszijden hangen twee reddingsloepen buitenboord en twee stootkussens. Achter de bezaanmast een stuurwiel. Het achterdek is verhoogd. Het is omgeven door een metalen reling. Op het verhoogde achterdek is de schoot van de bezaan vastgemaakt. De spiegel is plat. Er zijn drie toogvormige ramen in gemaakt met erboven enige versieringen. Boven de spiegel de achterlantaarn. Diverse onderdelen zijn gemaakt van been: de ankers, de boegversieringen, de stootkussens, de bovenkant van het boeisel, de nagelbank op het voordek, de kaapstander, de nagelbanken, de daken van de dekhuizen, de bolders, het stuurwiel, de relingstanders, de lantaarn, de spiegel en het roer. Kleuren: Het model is gelakt. De benen onderdelen zijn ongeverfd. Er zijn verder geen kleuren op aangebracht. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieDe herkomst van het model is niet bekend. Het is eerder in het museum geweest. Daarvan is melding gemaakt in het Sneeker Nieuwsblad van 29 juli 1948. Walvisvaarders waren zeilschepen die speciaal waren ingericht voor de jacht op walvissen. Het zijn de Noordsvaarders of Groenlandvaarders. Dat is een aanduiding van de functie, niet van het type. Noordsvaarders waren fluitschepen, katschepen of bootschepen. Het model lijkt, vanwege de vorm van het achterschip, het meest op een bootschip. Bootschepen zijn kleine fluit-achtige schepen. De boorden zijn echter minder ingehaald dan bij het fluitschip. Bootschepen hebben geen hekbalk en de ronding van de romp loopt door tot tegen de achtersteven. Daarboven is een breed hakkebord met ramen. Er waren drie masten met onder- en mars zeilen, in de 18de eeuw ook bramzeilen. Walvisvarende bootschepen hadden zes sloepen. Gemiddelde afmetingen in de 18de eeuw: lengte 27 meter, en breedte bijna 4 meter., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 29 juli 1947literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 29 juli 1947
BeschrijvingScheepsmodel van een snik. Het model is gebouwd uit zinkplaat dat op spanten is geklonken. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het skûtsje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag van touw op de stevenbalk en door een staand want van twee metalen zijstagen. De zijstagen zijn met wantspanners bevestigd op puttingijzers op de boorden van het schip. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in vouwplooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met koperen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een haak vastgezet op de stevenbalk. In de top van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt over twee tweeschijfsblokken. De onderste daarvan is een hakkeblok, dat is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. De fok is niet voorzien van rij reeftouwen. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Deze wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met rakkralen) bevestigd aan de mast. De halstalie van het grootzeil loopt over een tweeschijfs blok aan de hals van het zeil en over twee blokken aan weerszijden van de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De grootschoot loopt over een tweeschijfsblok aan het einde van giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van twee rijen reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op korvijnagels in de nagelbank achter de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp met een rechte, schuine stevenbalk. Het achterschip is rond. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter: De voorsteven bestaat uit een schuin geplaatste rechte balk. Het boeisel van het voorschip is bij de stevenbalk voorzien van uithollingen. Op het voorboeisel zijn twee bolders geplaatst en twee houten zetboeisels. In het voordek een in tweeën gedeeld metalen luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Voor de mast (en over het voorluik) de metalen overloop van de fokkeschoot. De mast staat in een houten mastkoker. Achter de mast de nagelbank waarop de vallen van de zeilen zijn belegd. Achter de mast zijn op het dek de blokken van de halstalie vastgezet. Daarachter het luikhoofd van het ruim, dat wordt afgesloten door tweemaal negen houten luiken. Op de luiken liggen een loopplank, een vaarboom en een pikhaak. Over de gehele lengte van het ruim en de roef zijn op de boeisels houten zetboeisels geplaatst. De zwaarden hangen met bouten aan het boeisel. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van opgenageld metaalbeslag. Rond het boutgat een stervormige versiering. Langs de onderrand van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers gaan door twee blokken en zijn belegd op een metalen klamp op het achterboeisel. De lopers zijn opgeschoten aan haken aan het achterboeisel. Achter het ruim de roef. De voorwand daarvan is blind (geen ramen). In de zijwanden van de roef aan weerszijden een ovale lichtrand. In de achterwand van de roef dubbele houten deuren. Op het dak van de roef een lichtkap met traliewerk. In de bollestal achter de roef langs de zijwanden houten banken. Op de achterboeisels aan weerszijden een bolder. Tegen de achterwand van de bollestal een lancetvormige doftdeurtje met daarop 'SNEEK AB 1996'. Het roer is met twee roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is geprofileerd van vorm. De kop van het roer steekt over het helmhout naar voren en is aan de bovenkant voorzien van metaalbeslag. Ook de rug van het roer is met metaal beslagen. Kleuren: De romp van het schip is zwart. Voor- en achterschip zijn wit, evenals de boeisels. Het berghout en de bovenranden van de boeisels zijn zwart. De zetboeisels zijn gelakt. De zwaarden zijn gelakt en het metaalbeslag op de zwaarden is zwart. De dekken, de gangboorden en de bollestal zijn grijs. Het luikhoofd is zwart en de luiken zijn gelakt. De voor- en zijwanden van de roef zijn wit, de achterwand is bruin en het roefdak is groen met een bruin kader. De lichtkap van de roef is gelakt en de tralies zijn wit. De banken in de bollestal zijn gelakt. Het roer is gelakt en het roerbeslag is zwart. De rondhouten zijn gelakt. De trommelstok van de mast is zwart met wit op het beslag. Accessoires: pikhaak, vaarboom en een loopplank. Het model is vastgezet op een stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen. Het model is gebouwd naar de scheepsbouwtekening met inv.nr. 1982-728. Het is een tekening van Murk Brandsma, gemaakt in januari 1905. Brandsma had met zijn vader Rients Brandsma een scheepswerf aan de Dongjumervaart te Franeker. De overgebleven tekeningen van de werf worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. Murk Brandsma bouwde het schip in 1905 voor Pieter van Straten te Oosterbierum. De oorspronkelijke afmetingen van het schip (op de tekeningen vermeld): lengte 12 meter, breedte 2.45 meter en holte 0.80 meter. Een snik is een variant op de tjalk. Het achterschip lijkt op dat van de tjalk, maar de voorsteven verschilt wezenlijk met die van een tjalk. Bij een snik werd de voorsteven door een schuin geplaatste rechte stevenbalk gevormd. De snik was bovendien slanker dan een tjalk. De breedte was aangepast aan de nauwe bruggen. Met een snik kon snel gezeild worden. Snikken werden in Friesland met name gebruikt in de Noordwesthoek. Er werden meestal aardappelen mee vervoerd., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1996, p. 19
BeschrijvingScheepsmodel van een fregat uit het laatst van de 18de of uit het begin van de 19de eeuw. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een boegspriet met kluifhout en drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. De fokkemast en de grote mast zijn in drieën gedeeld: een mast, een marssteng en een bramsteng. De fokkemast heeft alleen een marsteng. Op alle drie de masten wordt de overgang van mast naar marssteng gevormd door een mars (kraaienest) en een ezelshoofd. De marsen worden aan de achterkant afgeschermd met soort reling van rood zeildoek. De overgang van marssteng naar bramsteng in de voorste twee masten wordt met twee ezelshoofden gemaakt. De boegspriet steekt uit het voorschip en wordt aan de onderkant gehouden door een waterstag op de scheg en hangt aan de bovenkant in twee voorstagen van de fokkemast. Het kuishout op de boegspriet is bevestigd met een ezelshoofd en een woeling (gesjord touwwerk). Aan de onderkant wordt het kluifhout gehouden door een waterstag rechtstreeks op de scheg en door twee waterstagen doe worden geleid door een dubbele stampstok (schuin naar beneden wijzende stok aan de boegspriet, ook wel Spaanse ruiter genaamd). Aan weerszijden wordt het kluifhout gehouden door een boegwant van één hoofdtouw. Aan de bovenkant hangt het kluifhout in een voorstag van de fokkemast. De fokkemast wordt gehouden door twee voorstagen op de boegspriet en door een staand want van zes hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De marssteng van de fokkemast wordt gehouden door een staand stengewant van vier hoofdtouwen met weeflijnen, vastgezet op de mars. De bramsteng van de de fokkemast wordt gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen op de zaling van de marssteng en door drie bakstagen op het boeisel. De grote mast wordt gehouden door een voorstag op het voordek en door een staand want van zes hoofdlijnen met weeflijnen. De marssteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de fokkemars, door een staand stengewant van vier hoofdtouwen met weeflijnen en door een bakstag op het boeisel. De bramsteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de fokkemarssteng, door een staand want van twee hoofdlijnen op de zaling van de marssteng van de grote mast en door een lopend want op het boeisel. De bezaanmast wordt gehouden door een voorstag op de grote mast en door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen. De steng van de bezaan wordt gehouden door een voorstag op de mars van de grote mast, door een staand stengewant van drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars van de bezaanmast en door een lopend want op het boeisel. Het model is niet uitgerust met zeilen. Aan de rondhouten, vallen en schoten is echter wel te zien welke zeilen het schip kon voeren. Onder de boegspriet hangt een ra voor een blinde. Op de voorstagen van de fokkemast konden drie fokken of kluivers gehesen worden. Aan de fokkemast en aan de grote mast hangen vier ra's waaraan drie razeilen passen (aan de fokkemast een fok, een fokkemarszeil en een fokkebramzeil en aan de grote mast een grootzeil, een grootmarszeil en een grootbramzeil). Aan de onderste ra's van de fokkemast en de grote mast zijn spieren (verlengstukken) gemaakt, die worden uitgezet wanneer er lijzeilen gehesen worden. Aan de bezaanmast hangen geen ra's. Wel kan een latijnzeil (bezaan) met spriet gevoerd worden. De schoten aan de onderste ra's zijn belegd op de boeisels. De schoten van de bovenste ra's lopen naar de masten erachter. Aan de top van de spriet van het latijnzeil zijn geerden gemaakt die lopen naar het achterdek. Ze moeten de spriet in bedwang houden. De vallen van de ra's zijn belegd op nagelbanken onder aan de masten. Ook zijn er vallen en schoten belegd op de korvijnagels in de staande wanten. Op de toppen van de drie masten vergulde kloten. Op het achterschip een vlaggemast. Aan geen van de masten zijn vlaggen gehangen, ook niet aan de vlaggemast op het achterschip. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond en voorzien van een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is breed en plat en voorzien van snijwerk. De bodem is rond en voorzien van een kiel. Over de romp lopen twee berghouten. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een boegbeeld in de vorm van een leeuw. Daarachter het galjoen van drie opengewerkte regelingen. Onder het galjoen de kluisgaten waardoor de ankertouwen naar binnen lopen. Boven het galjoen aan weerszijden een botteloef. Dit is een schuin naar beneden wijzende stok die voorzien is van een blok, waardoor de boelijn van de fok moet lopen. Deze boelijn (bedoeld om de ra van de fok naar voren te trekken wanneer scherp aan de wind wordt gezeild) ontbreekt echter. Aan de einden van het galjoen zijn kraanbalken gemaakt. Daaraan hangen de ankers. Onder de rusten van de staande wanten en boven het bovenste berghout een rij geschutspoorten waaruit de lopen van twaalf kanonnen steken. Het voordek is verhoogd. Op de voorkant van het voordek een rij bolders. Daartussen twee naar voren gerichte kanonnen. Voor en achter de fokkemast twee nagelbanken. Achter de fokkemast een U-vormige schoorsteen, een rij bolders meet daartussen een houder voor de scheepsbel. Op het lagere middendek zijn de kanonnen te zien. Ze liggen op houten klossen die de rolpaarden moeten uitbeelden. Boven de kanonnen, langs de boorden zijn overdekkingen gemaakt, een soort gangboorden. In het midden van het middendek staat een sloep. Daaronder zijn de roosters gemaakt. Voor de grote mast staat een nagelbank. Het verhoogde achterdek begint achter de grote mast. Het is aan de voorkant voorzien van een metalen reling, die rondomd de grote mast loopt. Voor de bezaanmast is in het achterdek een trapgat gemaakt, dat omgeven is door een reling. Aan de voet van de bezaanmast een nagelbank. Achter de bezanmast een stuurrad. De spiegel loopt breed uit en is voorzien van houtsnijwerk (krulmotieven). Aan de bovenkant van de spiegel twee lantaarns. De galerij eronder heeft zeven toogvormige ramen met opgeschilderde roeden. De galerij loopt over het achterschip door naar voren (aan weerszijden drie ramen). In de wulf (ruimte tussen galerij en waterlijn) zijn twee openingen met luiken gemaakt. Waarschijnlijk zijn het geschutspoorten. Dat maakt het totaal aantal kanonnen dan 28. Kleuren: De romp is gedeeltelijk gelakt en gedeeltelijk geverfd. Het brede berghout is zwart, het smallere berghout erboven is gelakt. Het gedeelte onder het berghout (onderwaterschip) is wit. De spiegel, de lantaarns, de galerijen en delen van de wulf zijn verguld, evenals de rusten, de regelingen van het galjoen en de galjoenleeuw. De boeisels van voor- en achterdek zijn zwart met vergulde biezen. De dekken zijn zwart. De relingen op het achterdek en het stuurrad zijn verguld. De rolpaarden van de kanonnen zijn rood. De rondhouten (masten en ra's) zijn ongeverfd. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet model lijkt op het model van het fregat Pallas met inv.nr. 1980-106. Dit model stamt uit dezelfde tijd en zal ook een Friese oorsprong hebben. Notaris Nanne Ottema verwierf het model in Workum. Bij verwerving werd gezegd dat het zou zijn gebouwd door een zeekapitein. Ottema gaf het in 1954 in bruikleen aan het museum. Het model werd gerestaureerd in het museum van Braake (Duitsland). Na zijn dood in 1955 ging het model niet retour naar de Ottema-Kingma-stichting, maar kwam terecht bij dr. H. Halbertsma. Hij liet het model rond 1970 voor een tweede maal restaureren door een personeelslid van het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam.
Een fregat is in het algemeen een oorlogsschip met één volle laag geschut, soms aangevuld met kanons op bak en campagne. Het fregat had meestal één of twee dekken en weinig opbouw. De eerste Nederlandse fregatten hadden een platte spiegel. Na 1720 werd deze, onder invloed van Engelse bouwmeesters, vervangen door ronde spiegels. Ze waren als volschip getuigd: drie masten. De vorm en de bouw waren gericht op snelheid en niet op een hechte constructie, zoals bij linieschepen. Ze waren bestemd om dienst te doen als verkenner of voor het overbrengen van berichten. De vroege fregatten waren derhalve klein en bewapend met niet meer dan twaalf stukken. Latere fregatten waren groter en voerden 54-60 stukken. In de negentiende eeuw waren er ook koopvaardijfregatten, die qua vorm en tuigage leken op de oorlogsfregatten maar waren ingericht voor de handelsvaart., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1956
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 24-25
- Sneeker Nieuwsblad 20 september 1956
TitelOnvoltooid scheepsmodel van een driemastkoopvaardijschip.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenkoopvaardijschepen, Oostindiëvaarders
ObjectnummerK-009
Periode van1800
Periode tot1900
BeschrijvingScheepsmodel van een driemastkoopvaardijschip (mogelijk een oostindiëvaarder). Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een boegspriet. De masten en andere rondhouten ontbreken. De gaten voor de masten in de dekken geven aan dat op het model drie masten hebben gestaan. De boegspriet steekt uit het voordek, wordt daar gehouden door een stoel en en is met een woeling (touwlussen) vastgezet op het galjoen. De rest van de tuigage (masten, wanten, stagen, zeilen, schoten en vallen) ontbreekt. Opvallend is dat op de romp ook niet de rusten (voor de bevestiging van de staande wanten van de masten, de touwladders) zijn aangebracht. De romp: Het voorschip is rond en licht gepiekt. Het is voorzien van een galjoen. Het achterschip is eveneens gepiekt. De spiegel is plat en loopt breed uit met zijgalerijen naar voren. Het model van voor naar achter. Het galjoen is opengemaakt en bestaat uit twee gebogen regelingen. Tussen de regelingen versiering in houtsnijwerk. De galjoensleeuw staat op de punt van de scheg. In het voordek zijn de schuin naar voren stekende kraanbalken gemaakt. Daaraan horen de ankers te hangen. Het voordek is verhoogd. In het voordek een gat voor de fokkemast en een kaapstander. Een tweetal spaken van de kaapstander is afgebroken. Op de achterlijst van het voordek twee metalen ringen. De ruimte onder het voordek is open toegankelijk (geen wand) vanaf het lagere opperdek (het dek waarin de grote mast staat). In het midden van het opperdek middendek vijf vlonderluiken (ventilatie van kruitdampen). Daarachter het gat van de grote mast. Daarachter is de ruimte onder het halfdek open (geen wand). Achter de grote mast het hoger gelegen halfdek. Dat is bereikbaar met twee trappen aan weerszijden van de grote mast (de trappen zijn los). Aan de voorkant van het halfdek een reling. Het dek loopt daar in vijf zijden rond de mast. In het midden van het halfdek een luik en daarachter het gat voor de bezaanmast. Achter het halfdek is de ruimte onder het campagnedek open (geen wand). Het campagnedek is hoger dan het halfdek. Aan de achterkant van het achterdek de houder van de vlaggenstok. Uit de scheepswand steken drie rijen kanonslopen: op en net boven het berghout een rij van elf, daarboven een rij van tien en vanaf het half dek nog eens een rij van vier. Voorts steken uit het achterschip nog eens twee kanonnen. Dat brengt het totale aantal geschut op 52. De kanonnen zijn gemaakt van hout en zijn niet voorzien van rolpaarden. Ze steken uit vierkante gaten, die niet zijn voorzien van luiken. De spiegel is aan de bovenkant versierd met voluten. Daaronder een rij met vijf kleine ramen, een lijst met gesneden voluten, vervolgens een rij met vijf grote ramen en wederom een gesneden sierlijst met blanco naambord. De onderste galerij (die met de vijf grote ramen) loopt door naar voren, waar nog eens drie zijramen zijn gemaakt. De zijgalerij rust op een versierd console en heeft een met snijwerk versierd, gebogen dak. De bovenkant van het roer steekt door de wulf (de inspringing naar voren, onder de galerijen). van het achterschip. Aan weerszijden van de achtersteven de twee achterkanonnen. Kleuren: Het onderwaterschip is wit. De romp is gelakt. Het berghout en de profileringen zijn zwart. Het galjoen en de galjoensleeuw zijn verguld. De dekken zijn ongeverfd. De lijsten om de dekken zijn zwart. De binnenkanten van de boeisels zijn rood (opperdek) en groen (halfdek). De spiegel is geschilderd in de kleuren groen, blauw en geel. Rond de ramen witte lijsten. De onderlijst van de wulf is rood. De drie sloepen zijn groen van buiten en wit van binnen. De roeiriemen zijn groen met zes witte kepers. De losse trappen zijn groen. De twee anders zijn zwart en de stokken van de ankers zijn groen met rode uiteinden. Accessoires: stander, twee kleine sloepen met vier banken, één grote sloep met vijf banken, veertien roeiriemen.
AchtergrondinformatieWalle Oppedijk kreeg het model in 1930 van een nicht. Haar vader, W. Maas te Makkum (overleden in 1917 of 1918) kocht de romp op een veiling en liet er een nieuw tuig op zetten. De toenmalige conservator H. Halbertsma vond het tuig echter niet passen bij de romp en liet het verwijderen. Marchienus de Jonge, conciërge van het Zuiderzeemuseum, maakte er vervolgens een nieuw tuig op. Dat is later echter waarschijnlijk weer verwijderd., literatuur:
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum - correspondentie A.M. Sustring met H. Halbertsma d.d. 30 okt. 1959 en 22 dec. 1959 - Sneeker Nieuwsblad 29 juli 1947, 4 nov. 1949 en 9 juni 1950
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de pampusklasse.
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordenpampusklasse
ObjectnummerK-038
Periode van1947
Periode tot1948
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de pampusklasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een mast die is geplaatst in een mastkoker. De mast is voorzien van een zaling. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door twee voorstagen. De voorste is met een harpsluiting vastgezet op de voorsteven. De tweede voorstag is met een harpsluiting vastgezet op een metalen T-ijzer met gaten op het voordek. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door twee vaste zijstagen, waarvan de een net onder de zaling is vastgezet en de ander via de zaling is bevestigd aan de top van de mast. Van onderen zijn de zijstagen met wantspanners gehaakt in ogen in het gangboord. Aan de achterkant wordt de mast gehouden door een achterstag met een harpsluiting is vastgezet aan metaalbeslag op het midden van de spiegel. Het model is voorzien van zeilen van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Enkelvoudige stiksels in het doek suggereren de banen. Het voorlijk van de fok is met metalen ringen aan de tweede voorstag bevestigd. De hals van de fok is bevestigd op hetzelfde T-ijzer als waaraan de tweede voorstag is bevestigd. De fokkeval loopt over een blak aan de mast (ter hoogte van de zaling) naar beneden en is belegd op een nagelbank. De fokkeschoten lopen door metalen schootogen op het gangboord, over de kuiprand. De fokkeschoot aan bakboord is belegd op een houten klamp aan de binnenkant van de kuiprand. De fokkeschoot aan schuurboord hangt los over de kuiprand. Het grootzeil heeft geen gaffel: torentuig. In de top van het zeil een driehoekig tophout. De topval loopt door een schijf in de top van de mast naar beneden en is belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met zeven glijleuvers bevestigd op een metalen rail aan de achterkant van de mast. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillatten gemaakt. Van de zalingkruising naar het achtereind van de giek loopt de kraanlijn, die is belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is door een gleuf in de bovenkant van de giek geregen. De grootschoot is aan het vaste einde bevestig aan een hondsvot van het blok dat aan het einde van de giek hangt. Van daar loopt de schoot naar een blok dat is vastgezet op een overloop op het achterdek om daarna weer omhoog te lopen en via het blok aan het giekeinde naar voren te lopen, naar een blok aan de giekring. Van dat blok loopt de grootschoot naar beneden en is in de kuip belegd op een bolder op de kielbalk. De giekring wordt op zijn plaats gehouden door een lijn die is gespannen tussen giekring en de voorkant van de giek. De giek is aan de voorkant met een oog bevestigd aan een verticale stang aan de achterkant van de mast. De hoogte van de giek is daardoor variabel. De halstalie, waarmee de hoogte kan worden ingesteld ontbreekt echter. In het grootzeil is aan twee kanten het zeilteken (dichte driehoek) en zeilnummer (165) geplakt. Op de top van de mast een witte windvaan op een metalen pin. De blokken zijn van hout en voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een overhangende lepelboeg. Ook het achterschip is overhangend en voorzien van een kleine, schuin geplaatste, platte spiegel. De bodem is rond (U-vormig) en heeft een aangehangen kiel. Het roerblad is opgehangen aan de kiel. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven metaalbeslag. Van de voorsteven tot de spiegel is op de hoek van dek en romp een stootrand bevestigd. Op het voordek het T-ijzer waaraan de tweede voorstag en de fok zijn bevestigd en een metalen klamp. De boven het dek uitstekende kuiprand begint op het voordek, voor de mast. Het dek loopt door tot achter de mast en wordt daar afgesloten door een lage waterlijst. Tussen de waterlijst en de mast is de nagelbank. Op de gangboorden aan weerszijden de bevestigingsogen van de twee zijstagen en het schootoog van de fokkeschoot. In de kuip zijn onder het voordek en achterdek afsluitbare kasten gemaakt en onder de gangboorden open kasten. In het midden en tegen de achterkant van de kuip een bank. De bodem is bedekt met buikdenningen. Op de romp, net onder de stootrand, ter hoogte van de achterbank, is de naam van het schip op geschilderd: 'BOECANIER'. Op het achterdek het enigszins kromme helmhout van het roer, daarachter de overloop van de grootschoot, een metalen klamp en het beslag voor de achterstag. Kleuren: De romp is gelakt. Daardoor is zichtbaar dat enkele huidgangen lichter zijn dan de rest (aan stuurboord de tweede en derde gang en aan bakboord de derde en vierde gang). Het onderwaterschip is groen. Voordek, achterdek en gangboorden zijn wit. Het houtwerk in de kuik is gelakt, evenals de mast, de giek en het helmhout. Accessoires: kruisvormige stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. In 1933 schreef het KNWV een prijsvraag uit waarin werd gevraagd een zeiljacht met een zeiloppervlak van 16 vierkante meter te ontwerpen. Het verbond wilde een klasse tussen de twaalf-kwadraat-klassen en de regenbootklasse en vertrouwde niet op het succes van de zestien-kwadraat, die al door de NNWB als klasse was erkend.
W. de Vries Lentsch sr. uit Nieuwendam won de prijsvraag met de Pampus, die in 1934 werd erkend als nationale eenheidsklasse. Afmetingen: lengte 6.70 mter, breedte 1.69 meter, holte 0.80 meter, zeiloppervlak: oorspronkelijk 16 m² (daarboven moest personele belasting over een zeiljacht betaald worden) en na de Tweede Wereldoorlog 19.1 m² (de belasting was toen vervallen). Het pampusjacht met zeilnummer 165 komt op de naamlijsten van deelnemers aan de Sneekweek van 1945 tot 1954 voor onder de naam Boecanier. Eigenaar is dan W. Visser uit Enschede., literatuur:
- Leeuwarder Courant 30 mei 1949
TitelScheepsmodel van een gedekte praam met roef in het voorschip.
VervaardigerPietersma, B. ; Huizum
Trefwoordenpramen, bokken
ObjectnummerK-042
Periode van1949
Periode tot1949
BeschrijvingScheepsmodel van een gedekte praam met roef in het voorschip. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte (verkleurde) katoen: fok en grootzeil. Het voorlijk van de fok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoten lopen via houten ogen in de gangboorden naar het achterschip, waar ze belegd worden op bolders. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktowuen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ook in het achterdek is vastgezet. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: scherpe voorsteven met rechte stevenbalk, scherpe achtersteven met rechte stevenbalk, platte bodem. Het model van voor naar achter Op de steven balk zijn de voorstag en het blok van de fok bevestigd. Op het voordek in de punt een klamp waarop de fok is vastgemaakt. Aan de beide boeisels op het voorschip een bolder. Voor de mast een roef met metalen schoorsteen en ruitvormige ramen in de wanden. De toegang tot de roef is een luik in de achterkant van de roef. De roef is ingericht met banken. Al voor de mast begint het ruim dat 10 luiken heeft. Achter de mast rusten de luiken op een scheerboom. Voor de mast is in de plaats van een scheerboom een luik (uitwip), dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Langs het ruim zetboeisels. De ruimte tussen boeisel en ruim is smal, zodat smalle gangboorden overblijven. De zwaarden hebben een verdikte kop en hebben aan de onderkant metaalbeslag. De zwaardloper gaat door een schildpadblok en door twee eenschijfs blokken en wordt belegd op een klamp op de buitenkant van het boeisel. In het achterschip aan de zijkanten en de achterkant banken. Aan het boeisel in het achterschip twee bolders. De roerkop is onversierd en bedekt met metaalbeslag. Kleuren De romp is gelakt en het onderwaterschip is zwart. De loopplank is zwart en heefft witte zijkanten. De bovenkant van de mast is zwart. Accessoires: Loopplank, stokdweil, fokuitzetter en een pikhaak.
AchtergrondinformatieHet model van de praam werd in opdracht van de Vereniging Fries Scheepvaart Museum gebouwd door B. Pietersma te Huizum.
In de vroegere beschrijvingen van het model wordt het 'aardappelsnik' genoemd. Maar omdat het model geen rond achterschip heeft kan het geen snik zijn. Het model is gebouwd en getuigd naar een foto van een dergelijk schip, op de helling aan de Franekervaart, bij molen De Monnik., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 13 oktober 1950
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1950
BeschrijvingScheepsmodel van een wyldsjitter. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: HEt model heeft één mast. De mast staat in de messelbank en wordt niet gestaagd. Het zeil is van witte katoen: sprietzeil. Het voorlijk van het sprietzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De spriet hangt in een touwlus aan de mast. De bovenkant van de spriet steekt door een metalen oog in de bovenkant van het achterlijk van het zeil. Aan de onderkant van het achterlijk is aan door een metalen oog de grootschoot bevestigd. Deze is zonder takelage (geen blokken) belegd op een houten klamp aan het boeisel aan stuurboord. Het zeil heeft geen giek: zeilen met losse broek. Het zeil wordt niet gehesen met een val maar is met een haak vastgezet op een oog aan de top van de mast. Het zeil wordt gestreken door de grootschoot los te maken en dan de spriet tegen de mast te drukken en daaraan vast te knopen. Op de boot zijn geen vlaggen of wimpels en ook blokken zijn niet gebruikt. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De romp is opgebouwd op een plat vlak dat voor en achter oploopt. Daarop zijn twee gangen gezet: een boord en een boeisel. Het model van voor naar achter: In het voorschip is een bord gemaakt die aan de onderkant is versierd met een ingesneden punt. In het boeisel van het voorschip zijn twee sleuven gemaakt waarin de loop van het ganzenroer kan rusten. De wyldsjitter is een open boot: geen dekken. In het voorschip zijn zelfs geen buikdenningen. De messelbank rust op twee spanten en is aan de bovenkant vastgezet met kniestukken. In het achterschip buikdenningen. Aan stuurboord hangt aan het boeisel een zwaard. Het zwaard is niet met een bevestigd maar hangt met een touw over het boeisel aan een haak aan de binnenkant van het boeisel. Er is geen zwaardloper aan bevestigd. Aan bakboord is geen zwaard. Op de boeisels zijn roeidollen gemaakt. De achterbank heeft in het midden een luik. In de voorwand van de achterkant een ruitvormig gat. Achter de achterbank het achterhuis. De voorwand daarvan heeft een boogvormige bovenkant die met koperbeslag is bedekt. Aan de einden daarvan is ook op het boeisel koperplaat gelegd (over de naad tussen het boord en het achterschip). In de voorwand van het achterhuis is een lancetvormig gat gemaakt. Het dek van het achterhuis is enigszins verlaagd. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is bedekt met koperplaat. Het helmhout valt over de roerkop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is donker gebeitst. De binnenkant van de boot is gelakt. De buikdenning in het achterschip is donker gebeitst. Op de onderzijde hiervan een signaturr: 'H. Bijl / 14 sepember / 1938'. De vaarboom en de roeispanen zijn eveneens gebeitst. Accessoires: een ganzenroer, een hoosvat, een bankje, twee roeispanen en een vaarboom.
AchtergrondinformatieHans Bijl was scheepsbouwer te Oppenhuizen. In 1937 bouwde hij de Wyldsjitter die in 1956 door het museum is verworven (K-057). Zijn zoon Gooitsen Bijl nam de werf over. In 1948 emigreerde hij naar de Verenigde Staten en kwam een einde aan de werf., Een wyldsjitter is een Friese boot die speciaal was ingericht voor de jacht. Het is een platboomde boot met licht gebogen, sterk vallende voorsteven en een rechte steilstaande achtersteven. De kop en het achterschip zijn rond, maar sterk weggeveeegd. Het boord valt breed open tot aan het berghout. Het boeisel valt binnenwaarts. De romp is gestrekt en heeft bijna geen zeeg. Op een kleine plecht na is de boot geheel open. Vroeger was de boot uitgerust met één smal zwaard. Later gebruikte men twee ronde, brede zwaarden. De wyldsjitter is het kleinste ronde Friese schip uit de familie van de tjotters. Doorgaans waren ze 15 voet lang (4.30 meter) en hadden ze een diepgang van slechts 12 cm., zodat er zelfs op ondergelopen land mee gevaren kon worden. De boot kon onhoorbaar, zonder golven, door het water glijden. De jacht op ganzen vond plaats in de vroege ochtend en in de namiddag. De jager lang languit in zijn boot. Hij schoot wanneer de voegels opvlogen en net boven het water waren. Het ganzenroer was geladen met hagel. Een goed schot leverde de jager 20 tot 30 vogels op., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 juli 1951, 25 oktober 1956
BeschrijvingOnvoltooid model van een beurtschip. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: De romp van het schip rond: de bodem, voor- en achterschip zijn rond. Het roer, de zwaarden, de mast en de andere rondhouten ontbreken. In de romp zijn de spanten en de inhouten te zien en een deel van de bekleding van het ruim. Van het voordek zijn de leggers aangebracht. Ook de mastkoker is geplaatst evenals de dragers van het voorluik. In het achterschip is het achterschot van de roef geplaatst. Daarachter is de bollestal. Kleuren: geen (ongelakt hout) Accessoires: geen
AchtergrondinformatieTussen 1857 en 1953 hebben vier generaties van de familie Wildschut een scheepswerf gehad in Gaastmeer. - Roelof Ages Wildschut (geboren Heeg 1800) en zijn vrouw Baukje Oosterwerf vestigden zich in 1857 vanuit Heeg in Gaastmeer. Hij was scheepstimmerman. Ze hadden vier kinderen: Trijntje, Lourens, Hendrik en Jetze. - Lourens (geboren in Heeg in 1835, overleden in Gaastmeer in 1886) nam de werf van zijn vader over. Hij was getrouwd met Aukje Tjipke van Netten (overleden in 1908). Ze hadden vier dochters en vijf zoons (Roelof, Tjipke, Age, Jelle en Jetze). De werf bouwde voornamelijk houten vrachtschepen (tjalken) en vissersschepen (vooral Staverse jollen). - Roelof Wildschut (geboren 1866) nam de zaak over, samen met zijn broers. Eerst met broer Tjipke (geboren Gaastmeer 3 juli 1871, overleden Gaastmeer 25 mei 1901). Tjipke trouwde op 7 okt. 1893 met Sjoukje Jikke dam (geboren Beets 15 nov. 1875 en overleden te Oudega 19aug. 1897). Ze hadden twee kinderen: Harm (geboren te Oudega 19 jan 1894) en Aukje (jong gestorven in 1896). Na de vroege dood van Tjipke zette Roelof de zaak voort met zijn drie andere broers. Rond 1900 werd overgegaan op de bouw van ijzeren schepen. Maar de werf bood niet genoeg werk voor alle vier broers. In 1909 vestigde Roelof zich als boer in Wyckel, na onenigheid met zijn broers te hebben gehad. De werf werd voortgezet door Jelle, Age en Jetze Wildschut. Maar zonder veel succes. De vraag naar schepen daalde door het verval van de visserij op de Zuiderzee en de toename van het vrachtvervoer over land. In 1921 vertrok Jelle Wildschut naar Amerika in 1924 gevolgd door Age. In 1926 keerde Age ziek terug uit Amerika, zijn vrouw en kinderen achterlatend. Hij stierf in 1942 in Sneek zonder zijn familie ooit terug te hebben gezien. Jetze Wildschut bleef achter op de werf in Gaastmeer. - Samen met zijn zoon Lourens ging hij zich toeleggen op de bouw van schepen voor de pleziervaart: B.M.-ers, motorboten en roeiboten. In 1953 vertrok ook Lourens Wildschut naar Amerika en kwam een einde aan de werf. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 25 mei 1951 - Leeuwarder Courant 18 juli 1951
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1950.
- Ton Tekstra, 'Scheepswerf Wildschut te Gaastmeer' in: Spiegel der Zeilvaart 1988, nr. 12, pp. 27-31.
BeschrijvingScheepsmodel van een houten botter. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De lange kluiverboom wordt door een beugel naast de steven uitgezet en is aan de achterkant vastgehaakt in een lus aan de waterlijst. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een klamp in het achterschip. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de metalen voorstag. De fokkeschoot is belegd op een klamp in het achterschip. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. In het grootzeil een dubbele rij metalen reefringen (die roesten). De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is bevestigd op een houten overloop in de achterbank. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een witte vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. In de bodem zijn bunplaten gemaakt. Het model van voor naar achter: Over het voorboeisel hangt een vierarmig dreganker. Op het voordek een braadspil, een luik voor het ankertouw, een schoorsteen en een luik van de kajuit. Vlak voor de mast een waterbalk met daarop een horizontaal geplaatste metalen overloop. De overloop loop bijna van boeisel van boeisel. Op de overloopt zijn geen schoot vastgemaakt. Op het boeisel op het voordek twee bolders. De grootspanten, vlak achter de mast, zijn verlengd en steken boven het boeisel uit. Aan deze punten zijn de zwaarden opgehangen. De smalle zwaarden hebben een verdikte kop en zijn aan de onderkant voorzien van metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een houten oog op het boeisel naar binnen en is daar belegd op een klamp. Achter de mast geen dek maar een buikdenning. In de wand bij de mast (van achterschip naar het voordek) een dubbele deur en twee opstappen naar het voordek. In het achterschip de trog van de bun (het hoge deel) met aan weerszijden daarvan de lage delen van de bun die uitmonden in de bunplaten in de bodem van het schip. Op het boeisel in het achterschip aan weerszijden drie klampen waarop de kluiverschoot, de fokkeschoot en zwaardloper zijn belegd. De achterbank heeft houten overloop voor de grootschoot, die is belegd op een hakkeblok. Boven het achterhuis de stuurboog: een balk met gaten waarin het helmhout met korvijnalgels vastgezet kan worden. Aan de einden van deze balk kniestukken met een korvijnagel. Het roer heeft een holle roerklik Kleuren De romp is zwart, het onderwaterschip is bronskleurig. De buikdenning is grijs. Het beslag, de roerkop en het helmhout zijn zwart. Prinswerk in rood-wit-blauw is aangebracht onder de roerkop en onder het dekje van het achterhuis. Het luik op de bun is zwart. Accessoires: dreganker, dekzwabber, pikhaak en twee fokuitzetters (bomen), stander.
AchtergrondinformatieBotters vallen op door hun sterk oplopende kop en hun aflopende achterschip. De bodem van de botter is vlak. De zijkanten zijn licht gebogen en raken voor aan de kromme steven. Over het voorschip bevindt zich het voordek met bemanningsverblijf. Achter de mast is het schip open. Hier is een ruime bun. Het achterschip is laag gehouden om de netten gemakkelijk naar binnen te kunnen trekken. Botters zijn getuigd met een grootzeil dat met één touw wordt gehesen. Opvallend is de fok, die aan de onderkant zeer breed is en ver achter de mast steekt: een zogenaamde staartfok of botterfok. Aanvullend werd soms een kluiverfok en/of een aap gehesen. Er worden vier soorten botters onderschieden: de Zuidwalbotter, de Marker botter, de Volendammer botter (of kwak) en de Noordzeebotter. Op botters viste men vooral met kuilnetten. Ze werden vorral gebouwd en gebruikt in het zuidelijke deel van de Zuiderzee: Monnikendam, Durgerdam, marken, Spakenburg, Kuinre, Blokzijl, Urk, Muiden en Huizen. Rond 1800 bevisten bijna 1000 botters de Zuiderzee. Weinige jaren later werden bij een vlootschouw op het Buiten-IJ ruim 1300 botters geteld., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 12 okt. 1972
BeschrijvingScheepsmodel van een houten schokker. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt uitgezet door een beugel op de voorsteven. Aan de achterkant is de kluiverboom gehaakt in een lus aan de waterlijst. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok, een grootzeil en een bezaan (aap). De kluiver wordt uitgezet met een traveller, waarvan de val is belegd op een voorbolder. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder (korvijnagel in een spant). Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de metalen voorstag. De fokkeschoot is belegd op een bolder (korvijnagel in een spant). Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. In het grootzeil een enkele rij metalen reefringen. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is bevestigd op een houten overloop in de achterbank. De bezaan (aap) is driehoekig van vorm en wordt met een spriet uitgezet naar achteren. De punt van de spriet wordt gehaakt in een uitsparing in de bun. De hals van de bezaan is gehaakt in de achterkant van de giek. De schoot van de bezaan loopt naar voren en is belegd op een bolder (korvijnagel in een spant). De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Rond voorschip met rechte stevenbalk, rond achterschip, ronde bodem. In de bodem zijn bunplaten gemaakt. Het model van voor naar achter: Aan voorsteven is rechts een snoes (rol) gemaakt waarover een vierarmig dreganker hangt. In de voorsteven geen kluisborden. De mannings zijn niet recht maar gebogen en vormen een V. Op het achterdek een braadspil met daarop het ankertouw, een luik voor het ankertouw, een schoorsteen en een luik van de kajuit. Voor de mast een houten overloop, die is geklemd tussen twee kniestukken aan het boeisel. Op de overloop zijn geen schoten belegd. Achter de overloop de waterbalk. De zwaarden zijn opgehangen aan beslag op het grootspant (het eerste spant achter de mast). Op het boeisel van het voordek aan weerszijden een bolder. De zwaarden hebeen een verdikte kop en zijn aan de onderkant voorzien van metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een houten oog op het boeisel naar binnen en is belegd op een klamp tegen de binnenkant van het boeisel. In de wand tussen het voordek en het lagere achterschip een dubbele deur en twee opstappen naar het voordek. In het achterschip geen dek maar een buikdenning. In het midden van het achterschip de bun: een hoog deel (de trog) met luik en aan weerszijden daarvan twee lage delen die uitmonden op de bunplaten in de bodem van de het schip. De achterbank heeft een houten overloop voor de grootschoot. Het achterhuis heeft een opening (de deur ontbreekt). Daarboven de stuurboog: een balk met gaten waarin het helmhout met korvijnagels kan worden vastgezet. Op de hoeken van de stuurboog en het boeisel kniestukken (met lange uitlopers op de boeisels) met daarin een korvijnagel. Het helmhout is gecontourneerd van vorm. Het roer heeft een hoge ronde roerkop. Het boeisel is in het middenschip verhoogd. Aan de binnenkant van het boeisel in het achterschip aan weerszijden drie bolders en een klamp voor de zwaardloper. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is bronskleurig. Het beslag is zwart. Het luik van de bun, de roerkop en het helmhout zijn groen. De punt van het helmhout is zwart. Onder de roerkop is prinswerk in rood-wit-blauw aangebracht. De buikdenning is grijs. De bovenkant van de mast is zwart, de trommelstok wit. Accessoires Twee fokuitzetters (bomen), een stander en een kuilnet. Het kuilnet is trechtervormig en heeft links en rechts twee verticale houten waaraan de treklijnen zijn bevestigd. De door kurken drijvend gehouden bovenkant van het net is korter dan de onderkant, die met vijf kettingen is verzwaard.
AchtergrondinformatieDe schokker is een platboomd vissersvaartuig, dat werd gebruikt op de Zuiderzee (tussen Enkhuizen, Lemmer, Vollenhove en Schokland). Opvallend is de zware (gedubbelde), rechte voorsteven, die onder een hoek van ongeveer 45° is geplaatst. Dit wijst op een Saksische oorsprong van het type (vergelijkbaar met punters en bokken). Het vlak is in de lengterichting licht gebogen en vallend. het vlak is lancetvormig en vrij smal. De boord zijn glad. Ze staan schuin op het vlak, vallen breed open tot aan het berghout en staan bol. Boven het berghout vallen de boeisels sterk naar binnen. Tot circa 1875 waren schokkers met twee masten getuigd: de grote mast met een sprietzeil, een stagfok en een kluiver en de bezaansmast met een bezaan. In het midden van de 19de eeuw voeren al schokkers zonder bezaanmast en werd het sprietzeil vervangen door een bezaanzeil. De zwaarden zijn lang en smal. De lengte varieert van 11 tot 15 meter. De schokkers van de oostwal zijn kleiner dan die van de westwal. Een klein schokkertype is de bons. Een groot type is de Noordzeeschokker, die niet alleen voor de visserij werd gebruikt maar ook door het loods- en reddingwezen. Veel schokkers zijn te Kuinre en Blokzijl gebouwd. Vollenhoeve bezat de grootste vloot van kleine schokkers. Met grote schokkers werd gevist vanuit Urk en Enkhuizen., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 12 okt. 1972
BeschrijvingScheepsmodel van een ijzeren roeischouw. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10.
Rondhouten en tuigage: geen
De romp: Het voorschip is plat en loopt schuin omhoog. Het achterschip heeft een platte, nagenoeg verticale spiegel. Het vlak is plat en loopt naar voren en naar achteren omhoog.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een metalen oog waaraan een landvast kan worden bevestigd. De boot is open. Te zien zijn acht spanten. De huidplaten zijn op de spanten vastgeklonken. Ook de onderlinge verbindingen tussen de huidplaten zijn geklonken. De bodem is bedekt met vier houten buikdenningen. Achter de roeibank een plank met twee gaten, die verwijderd wordt om te hozen. Tussen het derde en vierde spant van voren is de roeibank. Deze is vastgeschroefd op twee metalen steunen. Achter de roeibank op de boeisels twee roeipennen. In het achterschip een achterhuis: verticale wand van ijzer, bedekt met een bank van hout. De achterbank loopt aan de zijkanten met de boorden mee naar voren. Op de hoeken van het achterschip twee metalen klampen.
Kleuren: De romp is geheel zwart. Ook de binnenkant van de boot is zwart. De buikdenningen en de banken zijn grijs. Op de roeibank is een zwarte halve cirkel geschilderd. De roeispanen zijn gelakt, de uiteinden ervan zijn zwart. Het hoosvat is blank hout.
Accessoires: vaste stander, twee roeispanen en een hoosvat.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gemaakt naar een tekening van Murk Brandsma, scheepsbouwer te Franeker. De tekening heeft inv.nr. 1983-396.
De schouw is wijd verspreid in Nederland. Schouwen hebben een plat vlak, een openvallend boord en een invallend boeisel, waardoor een hoekige knikspantvorm ontstaat. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel.
BeschrijvingScheepsmodel van het Fries jacht Frisia. Blokmodel van eikenhout. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De boot heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank. De mast wordt gehouden door een voorstag die is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een metalen klamp op het voorboeisel. De botteloef (in het fries 'loefbyter') is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De botteloef is voorzien van een opsteker. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte (verkleurde) katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuver aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. Aan de schoothoek van de fok twee zusterblokken waardoor de fokkeschoot loopt. De schoten lopen aan beide kanten door een oog tegen het binnenboeisel en zijn belegd op korvijnagels in het achterschip. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De halstalie loopt over twee blokken, door gaten in de messelbank en is belegd op het onderste blok. De onderkant van het achterlijk is vastgehaakt aan de achterkant van de giek. De voorkant van de giek rust met een zwanehals in een oog aan de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in de kraanlijn. De grootschoot loopt door een blok aan de giek en een hakkeblok dat is vastgezet op de stevenbalk van het schip. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van de beide zeilen en de kraanlijn zijn belegd op klampen aan de wangen van de mastkoker en op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel met metalen scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en in het voor- en achterschip gepiekt. Het jacht heeft geen kielbalk. Het model van voor naar achter: De voorsteven is aan de voor- en bovenkant voorzien van koperbeslag. Ook het boeisel van het voorschip heeft op de bovenrand koperbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. Beide zijn niet voorzien van snijwerk. In de kluisborden zijn geen kluisgaten gemaakt. Het boeisel is versierd met geschilderde voluten met bladertakken: drie op het voorschip en drie op het achterschip. Opvallend is dat de eigenlijke plaats voor deze versieringen, onder de gillings, onversierd zijn. De boeisels zijn op de lange zijden versierd met geschilderde biezen. Achter de voorsteven de bedelbalk. Deze is aan de achterzijde versierd met geschilderde krulmotieven. In het voorschip is een dek gemaakt. De mastkoker in de messelbank heeft verbrede wangen waarvan de koppen met koperplaat zijn bedekt. Achter de mast de nagelbank. Onder de messelbank is geen wand gemaakt. De ruimte onder het voordek is open. Midscheeps zijn de boeisels aan de binnenkant gedubbeld. Aan deze gedubbelde boeisels hangen de zwaarden. De zwaarden hebben Verdikte koppen. De bovenkanten van de zwaardkoppen zijn voorzien van koperplaat en de onderkanten zijn versierd met inschulpingen. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar voren, door een houten oog op het boeisel, terug naar achter, waar ze met één blok getakeld zijn en belegd op korvijnagels in de spanten. Het achterschip is open. De bodem is bedekt met buikdenningen. Langs de zijwanden den achterwand zijn kistbanken gemaakt. OVer de voorwand van het achterhuis loopt de hennebalk. Deze is aan de voorzijde voorzien van geschilderde krulmotieven, omgeven door een soort parelrand. Het roer hangt met twee roerhaken (op het roerblad zijn drie veren aangebracht!) aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt. Daarop een roerleeuw. Aan de voorkant van de roerkop is de metalen helmstok bevestigd. Op de rug van het roer koperbeslag. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is lichtgroen. Het berghout is zwart met een witte bies. De boeisels zijn zwart met groene biezen en goudkleurige voluten op het voor- en achterschip. De kluisborden en bereranden zijn gelakt. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen zijn zwart. De bedelbalk is aan de voor- en bovenkant zwart. De achterkant is wit met sierschilderingen in goudkleur. Het voordek is gelakt. De binnenkanten van de boeisels zijn zwart. De binnenkanten van de boorden (in het achterschip) zijn gelakt. De spanten zijn lichtblauw. De banken zijn gelakt. De buikdenningen zijn grijs. De wanden bij de achterbank zijn wit. De hennebalk is wit met zwarte randen en sierschilderingen in goudkleur. De kop van het roer is zwart. De roerleeuw is goudkleurig. Accessoires: stander, uitzetter (fokkeloet) en stokdweil.
AchtergrondinformatieEen Fries jacht is een open rond zeilvaartuig, in grootte en vorm een tussenvorm tussen de boeier en de tjotter. Oorspronkelijk werd het gebruikt als vrachtscheepje. Tot in de 20ste eeuw werd het type door scheepsbouwers 'Boat' genoemd. Pas toen men enkele 'boaten' louter voor de pleziervaart ging bouwen kwam de benaming Fries jacht in zwang. Het schip heeft een los-vast voordek, waaronder vracht gestuwd kon worden. Het gedeelte achter de mast is open. Het Fries jacht onderscheidt zich van de tjotter door een smal roer met roerleeuw (als op een boeier), door zijn berghouten die met een kniestuk (slemphout) tegen de voorsteven sluiten en door de rondere vorm van de boorden en het vlak. Van de boeier verschilt het Friese jacht zich door het ontbreken van een kajuit en door de geringere holte. Friese jachten zijn veelal rijk versierd: bedelbalk, hennebalk, kluisborden, boeisels, etc., literatuur:
- J. Vermeer, Het Friese Jacht (Leeuwarden, 1992).
BeschrijvingScheepsmodel van het kofschip ANTJE. Op spanten gebouwd. Eikenhout. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model is getuigd als een schoenerbrik. Er zijn twee masten en een boegspriet. De boegspriet is vastgezet in een stoel op het voordek en is met twee metalen beugels vastgemaakt op de voorsteven. Aan de onderkant is de boegspriet vastgezet met een ketting dat loopt van de voorkant naar de voorsteven. De boegspriet is verlengd met een kluifhout. Ze zijn aan elkaar verbonden door een ezelshoofd (voorkant van de boegspriet) en een woeling (touwlussen) net boven de voorsteven. an de voorkant wordt het kluifhout gehouden door twee voorstagen. Aan de onderkant wordt het kluifhout gehouden door een waterstag (naar de voorsteven) en door vier boegstagen (twee aan elke kant, vastgezet op het voorschip). De waterstagen en boegstagen zijn gelied langs een scharnierend stampstok (of Spaanse ruiter). Tussen de voorkant van het kluifhout en het voorschip is een kluivernet van vier hoofdtouwen met weeflijnen.
De masten: Er zijn twee masten: een grote mast en een bezaanmast. De grote mast is in vieren gedeeld: een mast, een marssteng, een bramsteng en een korte bovenbramsteng. De mast en de marssteng zijn aan elkaar verbonden door een mars (kraaiennest) en een ezelshoofd. De marssteng en de bramsteng zijn aan elkaar verbonden door twee ezelshoofden. De bramsteng en bovenbramsteng zijn eveneens door twee ezelshoofden aan elkaar verbonden. De bezaanmast is in tweeën gedeeld: een mast en een marssteng, verbonden door twee ezelshoofden. Opvallend is dat achter beide masten balken met gaten zijn bevestigd.
Verstaging: De grote mast wordt van voren gehouden door een voorstag tussen mars en voorsteven (de trekkracht wordt aan beide uiteinden door juffer- of stagblokken verdeeld over meerdere lijnen) en aan weerszijden door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen en door een lopend want (bakstag). De marssteng van de grote mast wordt van voren gehouden door een voorstag op de voorkant van de boegspriet en aan weerszijden door een staandwantvan drie hoofdtouwen met weeflijnen op de mars en door een lopend want (bakstag). De bramsteng en bovenbramsteng van de grote mast worden van voren gehouden door twee voorstagen (voorzien van touwpluis) op het kluifhout en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen met weeflijnen (op het onderste ezelshoofd van de bramsteng) en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast wordt van voren gehouden door een voorstag op de mars van de grote mast. Aan weerszijden wordt de bezaanmast gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen en door een lopend want (bakstag). De marssteng van de bezaanmat wordt van voren gehouden door een voorstag op een ezelshoofd van de grote mast en aan weerszijde door een staand want van twee hoofdtouwen met weeflijnen en twee gaande wanten (bakstagen). De wanten wijn met puttingijzers en rusten vastgezet op de romp van het schip.
Zeilen: Het model is niet voorzien van zeilen. Aan de rondhouten, schoten en vallen is echter wel na te gaan welke zeilen op het schip gevoerd kunnen worden. Aan de voorkant van de grote mast: een stagfok, een binnenkluiver en een buitenkluiver. De vallen van de drie (kluiver)fokken worden belegd op de nagelbank van de stoel waarin de boegspriet rust. In de grote mast voorts vier ra's waaraan gevoerd worden: het grootzeil, het grootmarszeil en het grootbramzeil. De onderste twee ra's van de grote mast zijn voorzien van uitschuifbare spieren waaraan lijzeilen kunnen worden uitgezet. De vallen van de drie razeil worden belegd op de nagelbank voor de grote grotemast. De schoten van de ra's lopen via blokken aan de bezaanmast naar beneden en worden belegd in de korvijnagels van het achterste staande want. Aan de onderste ra zijn twee paren schoten gemaakt, die via blokken en een opening in het boeisel naar binnen lopen en daar worden belegd op een metalen klamp. De onderste ra is tevens voorzien van boelijnen (gebruikt om de ra naar schuin voren te kunnen trekken). Ook de boelijnen lopen via een gat in het boeisel naar binnen en zijn belegd op de voorbolders. De ra's zijn voorzien van geitouwen, waarmee onderlijken van de razeilen kunnen worden opgehesen. Aan de achterkant van de grote mast een gaffel en een giek waaraan een gaffelgrootzeil kan worden bevestigd. De giek hangt in een kraanlijn (voorzien van touwpluis). De gaffel hangt in een piekeval, die is belegd in het grote staande want aan stuurboord. De top van de gaffel wordt naar beneden in bedwang gehouden door twee geerden. De schoot van het het gaffelgrootzeil is belegd op een hakkeblok op een korte overloop (voor het dekhuis). De bezaanmast is uitgerust met een gaffel en een giek voor een gaffelbezaan. De giek hangt in een kraanlijn (voorzien van touwpluis). De gaffel hangt in een piekeval en de top van de gaffel wordt in bedwang gehouden door twee geerden. De schoten van de gaffelbezaan zijn halverwege aan de giek vastgemaakt en belegd op klampen in het achterschip. Boven de gaffelbezaan een tweede gaffel voor een topzeil. Deze hangt in een piekeval.
Op het model worden geen vlaggen, wimpels of vleugels gevoerd. De blokken van het model zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond en gepiekt. De bodem is rond en buikig van vorm. Het schip wordt gevaren zonder zwaarden. Het berghout is breed en bestaat uit vier gangen.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisgaten, gebogen berentanden en kraanbalken. Deze kraanbalken wordt gebruikt bij het ankeren, om te voorkomen dat de scheepshuid beschadigt. Twee stokankers hangen met een touw om een van de bladen aan deze kraanbaken. Aan de ankers hangen ankerboeien. De ankerkettingen lopen via de kluisgaten naar binnen en zijn vastgezet op de braadspil op het voorschip. De braadspil wordt gerold door staken en door een systeem met twee metalen hefbomen. Voor de braadspil de stoel waarin de boegspriet rust. Het boeisel van het voordek is voorzien van relingen. Tegen de boeisels zijn op het voordek bolders gemaakt en twee houten kisten. Voor de grote mast het luikhoofd van het voorruim. Het wordt afgesloten met vier luiken. Tussen het voorruim en de grote mast een nagelbank, waarop de vallen van de zeilen zijn belegd. In het staande want van de grote mast en op het boeisel erachter zijn nagelbanken gemaakt. Tussen het staande want van de grote mast en het staande want van de bezaanmast is op de boeisels een reling gemaakt. Aan stuurboord zijn aan de relingen drie stokken vastgeknoopt. Eén ervan is geblokt, het is de peilstok. Achter de grote mast is het luikhoofd van het hoofdruim. Het is afgesloten met zes luiken. Op de luiken staat een reddingsloep. Ter hoogte van het hoofdruim zijn aan weerszijden in de boeisels luiken gemaakt. Achter het hoofdruim een dubbele lenspomp met twee pompstokken. Aan weerszijden daarvan twee drinkwatervaten op standers. Daarachter het dekhuis. In de voor- en zijwanden daarvan zijn roederamen gemaakt, die zijn voorzien van schuifluiken. In de achterwand van het dekhuis twee dubbele deuren. Het dak van het dekhuis bolt boven de deuren op. De deuren zijn voorzien van gesneden profileringen. Tussen de deuren hangt een kampas aan de achterwand. Op het dak van het dekhiseen schoorsteen. De bezaanmast steekt door het dak van het dekhuis. Achter het dekhuis een plank met voetlijsten, waartegen de roerganger zich schrap kan zetten. Daarachter verhoogt het achterdek zich tweemaal. Op de voorste verhoging is de stuurinstallatie geplaatst. De helmstok is met touwen en blokken aan de boeisels verbonden aan een spil, die door een stuurrand kan worden gedraaid. Aan bakboord is in het achterdek een schuifluik gemaakt dat toegang verschaft tot het achteronder. De reling is langs de ronding van het achterschip dicht. De metalen stang op de bovenkant van de reling loopt met een boog over het helmhout heen. Op de buitenkant van het achterboeisel twee naamborden met daarop 'ANTJE'. Het roer hangt met zeven roerhaken aan de achtersteven. Op de kop van het roer een roerkop in de vorm van een klaver. Tussen de rug van het roer en het berghout van het achterschip zijn roertalies gemaakt, waarmee het roer in een bepaalde stand kan worden vastgezet. Ook is op het roer een roertakel gemaakt, waarmee het roer in zijn geheel kan worden opgetakeld. De roertakel loopt door twee blokken en is belegd op een klamp op de achtersteven. In het achterschip zijn in het berghout vier luiken gemaakt (twee aan elke kant). Aan bakboord is onder het berghout nog een luik gemaakt. De luiken werden gebruikt voor het laden en lossen van lange balken.
Kleuren: De romp is grotendeels gelakt. Het onderwaterschip is zwart met een groene bies. Op het berghout zijn de onder- en bovenkant zwart. Het metaalbeslag aan de buitenkant van het schip (puttingijzers, luikscharnieren, relingen) zijn zwart. Op het voorschip zijn een aantal geschilderde versieringen aangebracht: rode biezen op de stokken van de achters, rode zandlopers op de berentanden, op de koppen van de kraanbalken en op de koppen van de stoel van de boegspriet. De rondhouten zijn gelakt. De mars, de ezelhoofden en het metaalbeslag aan de rondhouten zijn zwart geschilderd. De lenspomp is rood. De ramen en luiken van het dekhuis zijn groen. De binnenkanten van de deuren zijn versierd met geschilderde zandlopers (rood, wit en groen). De binnenkanten van de dichte relingen van het achterschip zijn eveneens met schilderwerkversierd (ruitvormen in rood, wit, zwat en blauw). Het stuurrad is zwart emt rode accenten. Het helmhout is groen met zwarte biezen. De roerkop is groen met versieringen in rood, wit, baluw en goud.
Accessoires: vaste stander, een vaarboom, een peilstok, een uitzetter, twee watervaten, een reddingsloep, twee ankers
AchtergrondinformatieDirk Huismans geboren te Hindeloopen 15 juli 1910 en overleden in aug./sep. 1975 te Enkhuizen. Zoon van Klaas Huismans en broer van Sipke Huismans, de maker van de maquette met inv.nr. 1989-195. Dirk Huismans volgde in Hindeloopen de lagere school. Was daarna Hindelooper schilder (kreeg les van Gerard Huttinga). Vanwege zijn vaardigheden in de volkkunst werd hij in het Openluchtmuseum te Arnhem aangenomen als restaurateur. Rond 1950 werd hij restaurateur in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Rond die tijd maakte hij het model van het kofschip.
Het kofschip is als scheepstype vermoedelijk het resultaat van een geleidelijke ontwikkeling, waarvan het begin ligt in de 17de eeuw. De kof is een zwaar gebouwd schip met een vrij sterke zeeg en met een lengte-breedte verhouding van 3:1. Voor- en achterschip waren rond. Door hun volle vorm hadden deze schepen een grote drift en moesten zijn met zwaarden gevaren worden. In 1741 liet de Workumer koopman Hylke Jans Kingma in Lübeck een kofschip bouwen dat afweek van het gangbare type. Het was grote, het had een gepiekt voor- en achterschip en voer zonder zwaarden. De tuigage bestond uit een anderhald-mast tuig. Het laadvermogen van koffen varieerde van 110 tot 300 ton en de lengte van 16 tot 30 meter. In de 18de eeuw was het kofschip voor Nederland het meest gebruikt voor Nederland het meest gebruikte vrachtschip op de Europese kustwateren. De kof was populair omdat het een breed en vlak laadruim had (geschikt voor granen), omdat het een geringe diepgang had (geschikt voor de Zuiderzee en de Zeeuwse wateren) en omdat de tuigage eenvoudig te bedienen was (een bemanning van zeven koppen was genoeg). In de 19de eeuw ontstonden kofschepen met een afwijkende tuigage: een volledig driemasttuig of een schoenertuig.
Het model is gemaakt naar de tekeningen met inv.nr. T-115., literatuur:
- Horst Menzel, Smakken, Kuffen, Galioten, Drei fast vergessene Schiffstypen des 18. und 19. Jahrhunderts (Hamburg, 1997)
TitelScheepsmodel van het Leeuwarder grachtenpontje.
VervaardigerEppinga, Jeen
Trefwoordenveerponten
ObjectnummerK-065
Periode van1950
Periode tot1961
BeschrijvingScheepsmodel van het Leeuwarder grachtenpontje. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een lantaarnmast) De romp: Het schip heeft een rechthoekige vorm. Het voorschip is plat en vanaf het vlak schuin oplopend. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is plat. Het model van voor naar achter: Voor en achterkant zijn gelijk: dubbele opstap, houten dek met vaste zijrelingen en een ketting als reling over de opstag. In het midden de opbouw, een soort wachthuisje met één wand. In de wand een raam. Het dak overdek de volle breedte van het schip. Langs de rand van het dak een gekartelde sierrand. Op het dak een lantaarnmast die wordt gehouden door twee stagen. In de mast hangen twee boordlichten. De pont wordt voortbewogen door hefboomklem op een draad die over de gracht was gespannen. Het pontje is geplaatst op een plank die de gracht moet voorstellen. Aan twee kanten zijn daar steven trappen met houten leuningen gemaakt. Kleuren: De romp is groen. Het onderwaterschip is groen met een witte rand op de waterlijn. De reling is groen. De opstaande wanden zijn wit. De sierranden zijn wit met rood. De standers van het dak zijn groen met rood. Het dak is blauw. De opstappen en de buikdenning zijn gelakt. Het water is blauw. De trappen zijn geschilderd in steenmotief en de houten leuningen zijn wit. Accessoires: vaarboom, dekzwabber en een pop in gebreide kleren.
AchtergrondinformatieIn Leeuwarden voeren drie grachtenpontjes: bij de gevangenis, bij theater de Harmonie en in de Prinsentuin. De pontjes waren alledrie van dezelfde vorm. De vervaardiger Jeen Eppinga was pontbaas op de grachtenpont in de tussen de Zuidergrachtswal en de Tweebaksmarkt. Op de momenten dat er geen klanten waren doodde hij de tijd in zijn wachthokje met het maken van modellen van zijn pont. Hij maakte ze op bestelling voor klanten die er belangstelling voor hadden. Er zijn dus meerdere exemplaren van dit model gemaakt. Op 17 november 1960 vierde Jeen Eppinga zijn 45 jaar ambtsjubileum.
Tot de collectie van het Fries Scheepvaart Museum behoort een tekening van de stadsponten van Leeuwarden: inv.nr. T-110., literatuur:
- Leeuwarder Courant 17-11-1960
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum, correspondentie A.M. Sustring - H. Halbertsma, d.d. 18 sep. 1961.
BeschrijvingScheepsmodel van een Wieringer bol. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt door een beugel naast de steven uitgezet en aan de achterkant vastgezet op een ring op het boeisel. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van getaande katoen: een kluiver, een stagfok, een grootzeil en een bezaan. De kluiver wordt uitgezet met een traveller, waarvan de val is belegd op de braadspil op het voordek. De schoot van de kluiver is belegd op een van de voorbolders. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil heeft een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat met een oogbout is vastgezet op de achterbank van het schip. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De bezaan (aap) is driehoekig van vorm en wordt naar achteren uitgezet met een spriet, die achter een van de spanten in het achterschip wordt gehaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klamp een ade onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. Daarboven een omhoogstaande kwast. De blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Geveegde bolle kop, die tamelijk laag is. Vol achterschip. De dwarsdoorsnede is bolvormig tot aan het berghout. De bodem is gebouwd op een kiel, de voorsteven is gebogen en de achtersteven is recht en steilstaand. In de bodem zijn bunplaten gemaakt. Het model van voor naar achter: Over het voorboeisel een vierarmig dreganker dat over de snoes (rol naast de steven) kan worden neergelaten. Achter de steven een voordek met daarop een braadspil, een luik voor het ankertouw, een luik voor het vooronder. Aan het boeisel op het voordek aan twee kanten twee bolders. Voor de mast de overloop van de stagfok, die loopt van boeisel naar boeisel. Achter de mast de waterbalk, waaraan de beide smalle zwaarden zijn bevestigd. De zwaarden hebben en verdikte kop. De zwaardloper gaat via een gat in het boeisel naar binnen en is daar belegd op een klamp. Het achterschip heeft geen dek maar een buikdenning. In het midden van het achterschip de bun: een hoog deel (de trog) met daarop een luik, en een laag deel dat uitmond op de bunplaten in het onderwaterschip. Aan het verticale deel van de achterbank een metalen overloop voor de grootschoot. Over de achtersteven de stuurboog: een balk met gaten waarin het helmhout met korvijnagels vastgezet kan worden. In de hoeken die de stuurboog en het boeisel maken kniestukken met korvijnagels. Kleuren: De romp is donker gelakt, het onderwaterschip is rood. De buikdenning is grijs, de achterbank en doft groen met daarin een zwarte halve cirkel,. De roerkop is groen met eronder prinswerk in rood-wit-blauw. Het helmhout is zwart. Het scheerhout is geel.
AchtergrondinformatieWieringer bolletjes waren de vissersvaartuigen waarmee de Wieringers de Zuiderzee bevoeren. Zij werden te Makkum gebouwd en vertonen in hun lijnen verwantschap met de aken uit Paesens en Moddergat die ook in Makkum werden gebouwd. De schepen werden gebruikt voor de vangst van haring en ansjovis., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 5 september 1952
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1952
TitelScheepsmodel van de PW-10, patrouilleschip van Provinciale Waterstaat Friesland.
VervaardigerTienstra, Boele
Trefwoordenpatrouilleboten, waterstaat, Friesland
Objectnummer1996-002
Periode van1979
Periode tot1979
BeschrijvingScheepsmodel van de PW-10, patrouilleschip van Provinciale Waterstaat Friesland. Op spanten gebouwd. Schaal 1:20. Tuigage: geen
De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip loopt in ronde lijnen uit op een stompe punt. De bodem is niet vlak, maar loopt rond.
Het model van voor naar achter: in de voorsteven zijn twee kluisgaten gemaakt. Uit het kluisgat aan stuurboord hangt een anker. Het hangt aan een ketting dat is vastgezet op de ankerlier op het voordek.Op de punt van het voorboeisel is een kleine vlaggenstok geplaatst, waarin een Friese wimpel als prins wordt gevoerd. achter de ankerlier een brandspuit (met één draaibare spuitmond en twee kranen). De opbouw is aan de voorkant laag. De zijwanden van dit lage gedeelte zijn voorzien van drie patrijspoorten. Het hoge deel van de opbouw is rondom voorzien van ramen: in de voorwand twee ramen, in de zijwanden aan weerszijden twee ramen en een schuifdeur en in de achterwand een raam en een scharnierbare deur. Op het dak van de kajuit staat een lantaarnmast. Op de mast en de zaling zijn diverse lichten (twee witte boordlichten, twee oranje zwaailichten, een rood en een groen rondschijnend licht), een luchthoorn en een antenne geplaatst. Voorts op het dak een luidspreker, een schijnwerper, een ventilatie pijp, twee boordlichten (rood en groen) en de radarantenne. Het dak van de kajuit kan worden weggenomen, zodat de inrichting van de kajuit beter zichtbaar wordt. Tegen de voorwand van de kajuit is het dashboard zichtbaar: een stuurwiel, een electriciteitskast, het bedieningspaneel van de motor (knoppen en vier wijzers) met daarop het merk DAF, een gashendel, een marifoon en andere communicatie apparatuur (inclusief microfoon), een radarmonitor met kap, een brandblusser, etc. Achter de het stuurrad een draaikruk met rugleuning. Een zelfde kruk staat aan stuurboord. Het achterste deel van de kajuit is ingericht met banken (met kunstleer bekleed) tegen de achterwand en de wand aan stuurboord, een tafel en twee losse stoelen. op de achterwand van de kajuit is aan de buitenkant een werfplaat aangebracht met het opschrift 'Scheepswerf / Bijlsma b.v. / Wartena Fr.' Achter de kajuit de mast van de radarantenne en de (afneembare) overkapping van de machinekamer. Deze overkapping is voorzien van vier achterwaarts gerichte pijpen, twee luiken waarin twee lichtranden zijn gemaakt en aan bakboord een toegang door middel van deuren en een schuifluik. Aan stuurboord is tegen de overkapping een kist gemaakt en tegen de achterkant van de overkapping staat de dubbele sleepbolder (beting) van het schip. Wanneer de overkapping wordt weggenomen wordt de servomotor van het schip zichtbaar. De motor is de aandrijving (via wormwielen en tandraderen) van de radarantenne en de scheepsschroef). Tegen de binnenkant van de kap heeft de modelbouwer zijn signatuur achtergelaten: 'B. Tienstra / Leeuwarden / 15-10-1977'. Aan het boeisel van het achterdek hangen reddinggordels met het opschrift 'PW 10 FRIESLAND'. Aan stuurboord is in een ring aan het boeisel een davit geplaatst. Deze kan ook aan bakboord worden gebruikt, want aan het boeisel aan bakboord zijn dezelfde houders geplaatst. Voorts op het achterdek twee dubbele bolders, een trapje tegen het boeisel, een houten achterbank met daaronder een opgerolde landvast. Achter de bank een verhoogd dek met luik. Wanneer het luik wordt verwijderd wordt de stuurinrichting zichtbaar: het stuurwiel in de kajuit staat in verbinding met de twee roerbladen. Achter het luik van de stuurinrichting een vlaggenstok met Nederlandse vlag. Op de boeisels van het voorschip de naam van het schip: 'PW 10'. Op de zijwanden van de kajuit: 'PROVINCIALE WATERSTAAT'. Op het achterboeisel: 'FRIESLAND'. Over het berghoud is over de gehele lengte een rubberen stootrand bevestigd. Het schip heeft één scheepsschroef. Het model is geplaatst op twee houten dragers die zijn gemonteerd op een gelkat plank. Daarop is een metalen plaatje met opschrift bevestigd: 'Inspectievaartuig P.W. - 10 / Eig. Provincie Friesland / Bouwjaar 1973 / lengte o.a. 14.80 m. / breedte o.a. 4.04 m. / diepgang 1.20 m. / Vermogen 195 pk / Cap. bluseenheid 1300 ltr/min. / modelbouwer B. Tienstra'.
Kleuren: De romp is donkerblauw. Het onderwaterschip is bronskleurig met een helrode bies op de waterlijn. De opschriften op de boeisels zijn wit. De dekken zijn grijs. de ankerlier is bruin, de blusinstallatie is oranje. De kajuit is wit. De deuren van de kajuit zijn gelakt. De overkapping van de machinekamer is bruin en de beting is zwart. De achterbank is gelakt. Accessoires: stander, twee reddinggordels, trapje en een landvast.
AchtergrondinformatieHet schip is in 1973 gebouwd op de werf Bijlsma te Warten. In het overzicht van de op de werf gebouwde schepen komt het voor onder bouwnummer 583 'inspectieboot'. De modelbouwer Boele Tienstra is geboren 30 sep. 1936. Werkzaam op de administratie van de afdeling scheepsvaartinspectie van Provinciale Waterstaat. Hij bouwde in totaal 23 modellen (skûtsjes, een botter, een betonningsvaartuig, een vrachtschip, etc.), waarvan er drie behoren tot de collectie van het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam. Dit model werd gebouwd ter gelegenheid van het afscheid van W. Otter, inspecteur van de scheepvaart bij Provinciale Waterstaat Friesland. De bruikleengever R. de Boer werkte van 1969-1995 bij Provinciale Waterstaat. In 1979 volgde hij W. Otter op als inspecteur scheepvaart. Bij zijn afscheid in 1995 kreeg hij het model aangeboden., literatuur:
- A.J. Wijnsma, Van roeiboot tot coaster (z.p., 1993)
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1996, p. 20-21
BeschrijvingFriese zeilschouw. Schaal 1:1 Rondhouten en tuigage: De schouw heeft één mast (oregon grenenhout). De mast staat in een messelbank en wordt gehouden door een metalen voorstag op de voorsteven. De zeilen zijn van witte katoen: een grootzeil van 3.88 m² en een stagfok van 1.78 m². Het voorlijk van de fok is met metalen leuver aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is vastgezet op een ring op de voorsteven. De fokkeschoten lopen door houten schootogen op de messelbank. De fokkeschoot aan stuurboord is belegd op een klamp op het achterste spant aan stuurboord. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel (van essenhout). Deze wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. Het voorlijk van het grootzeil is met twee raktouwen met kralen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is met een dubbel touw gehaakt achter de zwanehals van de giek. Dit touw is niet met blokken getakeld en kan daarom niet Halstalie genoemd worden. De giek is net als de mast gemaakt van oregon grenenhout. De voorkant van de giek rust met een zwanehals in een oog aan de mast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en enkelschijfs hakkeblok op de bodem van de boot. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op ééntenige klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel aan een houten scheerhout. Op de rug van het roer is in een koperen vlaggenstokhouder een gebogen vlaggenstok geplaatst met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van essenhout en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is plat en loopt schuin omhoog. Het achterschip heeft een plaate, schuine spiegel. Het vlak is plat en loopt naar voren en achteren omhoog. De boot van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. HEt boeisel is voorzien van een ingesneden bies aan de onderkant. In het voorschip een verhoogde buikdenning. De messelbank rust op twee spanten. De voet van de mast is aan de voorkant versierd met een mastschild. Hierop een gesneden voorstelling van een zeepaardje met erboven een twaalfpuntige ster. Rond de voorstelling een kader in de vorm van een kabel. Onder de voorstelling: 'SNEEK'. Achter de messelbank is het boeisel gedubbeld. De zwaarden hangen met bouten aan dit gedubbelde boeisel. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De onderkanten van de zwaardkoppen zijn geschulpt. De boutgaten zijn overdekt met een zespuntige koperen sierster. Op de bovenkant van de roerkoppen zijn koperplaten gemaakt. De onderkanten van de zwaarden zijn verstevigd met metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via schildpadblokken op de buitenkant van het boeisel naar binnen en zijn belegd op houten klampen op de achterste spanten van de boot. Achter de zwaarden zijn op de boeisels roeidollen geplaatst. De bodem van het achterschip is bedekt met buitdenningen. De buikdennin voor de achterbank is verhoogd. De achterbank heeft in het midden een luik. In de voorwand van de achterbank is een rechthoekige opening gemaakt. Op de binnenkant van het boeisel is een werfplaatje bevestigd: 'Fa. Joh. v.d. Meulen & Zn. / Jachtwerf / Sneek'. Ernaast een plaquette van het Stamboek Ronde en Platebodemjachten met daarop het stamboeknummer 72. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven.De kop van het roer is met snijwerk versierd: een duif met in zijn bek een tak. De kop en de rug van het roer zijn bedekt met koperbeslag. Op de rug van het roer een koperen vlaggenstokhouder. Het helmhout valt los over de kop van het roer. De kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. Het boeisel is groen met eronder een witte bies. De zwaardkoppes zijn groen met wit in de ingesneden schulpvormen. De binnenkanten van de boorden zijn gelakt. De buikdenningen zijn grijs. De rondhouten zijn gelakt, evenals de beide banken. De kop van het roer is meerkleurig beschilderd: witte ondergrond, witte duif met goudkleurige lijnen op kop en vleugels, rode snavel, groene tak en groene krul boven de kop. Accessoires: twee roeispanen, een hoosvat (J-165), een stootwil (kurkzak) en een loden zinkgewicht (als anker).
AchtergrondinformatieDe schouw is afgetimmerd door conciërge R. Poelstra, Sneek: onder andere de roerklik (versierd met vogel) en het mastschild (versierd met een zeepaardje en het opschrift 'Sneek'). De zeilen zijn gemaakt door zeilmakerij M.F. de Vries te Lemmer: doek A-12, oppervlakte 7.15 m2 (prijs: f. 150,15). De schouw is nadien voorzien van een werfplaatje (inv.nr. J-278).
De schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruitk: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling. De Kleine Schouw is 4.75 meter lang, geheel open en voert meestal een spriettuig (spriet en giek) en een stagfok op een botteloef. De Middenschouw is 5.5.0 meter lang en heeft een bezaantuig. De Grote Schouw is 6 meter lang en voert eveneens een bezaantuig. Soms is de grote schouw uitgerust met een kajuit. De GWS-schouw heeft een stalen onderbouw en een houten boeisel. Het voert een spriettuig. De lengte is 5 meter (gangbare handelsmaat voor staal). De afkortig verwijst naar de Grouwster Watersport Vereniging, die de bouw van dit type in de vroege jaren dertig entameerde en ook westrijden voor deze schouwen organiseerde., literatuur:
- Catalogus Scheepssier in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1991, nrs. 33, 120
TitelScheepsmodel van de Oostindiëvaarder Bossen Hooven.
VervaardigerMeekeren, Frits van, onbekend
TrefwoordenOostindiëvaarders, koopvaardijschepen
ObjectnummerK-053
Periode van1750
Periode tot1800
BeschrijvingScheepsmodel van de Oostindiëvaarder Bossen Hooven. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
De romp: Het voorschip is rond en is voorzien van een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat en loopt breed uit. De bodem is rond. De romp is voorzien van een breed berghout.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet hangt in twee voorstagen aan de fokkemast en wordt aan de onderkant gehouden door een waterstag op de voorsteven. In het galjoen is de boegspriet vastgezet met een woeling (touwlussen). Aan de achterkant steekt de boegspriet door het voordek heen en is onderdeks vastgezet op een klos. Aan de voorkant van de boegspriet is een kluifhout gemaakt, vastgezet met een ezelshoofd op de top van de boegspriet. De top van het kluifhout hangt in een kraanlijn aan de top van de bramsteng van de fokkemast. Aan de onderkant van de boegspriet hangt de ra, waaraan de blinde is vastgemaakt. De drie masten: een fokkemast, een grote mast en een bezaanmast. De fokkemast en de grote mast zijn in drieën gedeeld: een mast, een marssteng en een bramsteng. De bezaan is in tweeën gedeeld: een mast en een marssteng. De overgang van mast naar marssteng wordt op alle drie masten gemaakt door een mars (kraaiennest) en ezelshoofd. De marssteng en de bramsteng op de voorste twee masten zijn met twee ezelshoofden aan elkaar verbonden. De fokkemast wordt gehouden door een voorstag op de boegspriet en door een staand want van vijf hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De marsssteng van de fokkemast wordt gehouden door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen (vastgezet op de mars) en door een lopendbos want (bakstag). De bramsteng wordt gehouden door een lopend want (bakstag). De grote mast wordt gehouden door een voorstag (van de voorkant van de mars naar de voorsteven) en door een staand want van zes hoofdtouwen met weeflijnen. De marssteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag (op de mars van de fokkemast), door een staand stengewant van vijf hoofdtouwen met weeflijnen op de mars van de grote mast, en door een lopend want (bakstag). De bramsteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op een ezelshoofd op de fokkemast en door een lopend want (bakstag). De bezaanmast wordt gehouden door een voorstag die is bevestigd aan de voet van de grote mast en door een staand want van vier hoofdtouwen met weeflijnen. De steng van de bezaan wordt gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen met weeflijnen (vastgemaakt op de mars van de bezaanmast) en door een lopend want (bakstag). De wanten zijn met puttingijzers en rusten vastgezet op de romp van het schip. Het model is niet voorzien van zeilen. Aan de rondhouten, schoten en vallen is echter wel na te gaan welke zeilen op het schip gevoerd kunnen worden. Aan de boegspriet kan aan een ra een blinde worden gezeild. Aan de fokkemast kunnen twee kluiverfokken worden gevoerd. De fokkemast is voorzien van drie ra's voor een fok, een fokkemarszeil en een fokkebramzeil. De grote mast heeft eveneens drie ra's, voor een grootzeil een grootmarszeil en een grootbramzeil. Aan de bezaanmast zijn twee ra's gemaakt voor een begijnzeil en een kruiszeil. Voorts hangt aan de bezaanmast een boom voor een latijnzeil. De vallen van de ra's zijn belegd op nagelbanken aan de voet van de verschillende masten. Ook de schoten van de zeilen zijn op deze nagelbanken en op de korvijnagels aan de binnenkant van de boeisels (achter de staande wanten). Sommige schoten lopen via blokken aan de ra's van andere masten of via blokken aan de stagen tussen de masten. In de toppen van de drie masten vlaggen. Deze vlaggen zijn half vergaan en verkleurd. De oorspronkelijke kleuren zijn rood, wit en blauw (het wit is vergeeld en het blauw is wit geworden). Aan de vlaggemast op het campagnedek hangt geen vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven.
Het model van voor naar achter.
Het galjoen is opengemaakt en bestaat uit drie gebogen regelingen. De bovenste regeling eindigt op het boeisel van het voordek in een gesneden versiering (een gehelmde mannenkop). De galjoensleeuw staat op de punt van de scheg. Aan het einde van het galjoen zijn de kraanbalken gemaakt. Daaraan hangen de ankers. Een tweede anker is gehaakt achter het staande want van de fokkemast. De ankerkabels van de vier ankers lopen door de twee kluisgaten (aan weerszijden van de voorstven, achter het galjoen) naar binnen. Op het verhoogde voordek is een boogvormige nagelbank gemaakt, waarop schoten en vallen zijn belegd. Voor en achter de voet van de fokkemast zijn ook nagelbanken gemaakt. Op de achterkant van het voordek een houder met daarin de scheepsbel. De verschansing van het voordek is gedeeltelijk open. De ruimte onder het voordek is open toegankelijk (geen wand) vanaf het lagere middendek. In de open ruimte onder het dek is een beting (bolder) gemaakt, waarop de ankerkabels zijn vastgemaakt. Op het middendek liggen gegoten metalen kanonnen in houten houders (geen rolpaarden): een rij van elf aan elke zijde. Boven de kanonnen zijn vlonders gemaakt. Op het dek dat een verdieping lager ligt (het geschutsdek) staan ook kannonen. Ter hoogte van het geschutsdek zijn in de romp negen geschutspoorten met luiken gemaakt, waaruit de lopen van de kanonnen steken. Ook in de verschansing van het halfdek zijn geschutspoorten gemaakt, voor vier kanonnen die op dat dek staan opgesteld. Dat maakt het totaal aantal kanonnen van dit schip 48. In het middendek is een luikhoofd gemaakt dat wordt afgesloten met twee luiken. Achter de grote mast een nagelbank. Het halfdek is verhoogd. De voorkant ervan loopt met een boog rond de grote mast en is afgesloten met een reling. In het halfdek is een rooster gemaakt (om de kruitdampen van de kanonnen op de verdieping eronder te kunnen lozen). Achter op het halfdek de bezaanmast en daarachter het dubbele stuurrad met daarboven een boogvormige dwarsbalk. Achter het halfdek de campagne. In de voorwand van de campagne is een deur gemaakt. Aan de achterkant van het campagnedek een vlaggemast (zonder vlag). De spiegel is aan de bovenkant versierd met voluten met daarboven drie opengewerkte lantaarns. Daaronder twee galerijen met ramen. In de bovenste galerij zijn vier ramen en één houten luik gemaakt. In de onderste galerijen zijn vijf ramen gemaakt. Deze onderste galerij loopt door naar voren, waar nog een zijraam is gemaakt. De ramen zijn omgeven door lijsten van gesneden bladmotieven. Tussen de twee galerijen een geschilderde banderol met daarop de naam van het schip: 'BOSSEN - HOOVEN'. De bovenkant van het roer steekt door de wulf van het achterschip. Aan weerszijden van de achtersteven twee luiken, mogelijk van geschutspoorten.
Kleuren: Het onderwaterschip is wit met daarop stippen als van roestige nagels, maar er zijn ook stippen op geschilderd. De romp is ongeverfd. Het berghout en de profileringen zijn donker geverfd of verguld. Het galjoen en de galjoensleeuw zijn verguld. De dekken zijn ongeverfd. De binnenkanten van de boeisels en verschansingen zijn groen. De binnenkanten van de geschutsluiken zijn rood. De overnaadse opbouwen van het halfdek en de campagne zijn donkergroen. De spiegel is ook groen en het snijwerk van de spiegel is verguld. Op het achterschip is een grijsgroen vlak geschilderd.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieDe tuigage van het model is niet het oorspronkelijke. Notaris Nanne Ottema kocht de romp van het model. Rond 1930 liet hij modelbouwer Frits van Meekeren uit Hindeloopen er een nieuw tuig opzetten. Van Meekeren gebruikt daarvoor zijdedraad dat hij van drie draden ineenstrengelde. Ook enkele details (enige kanonnen, de ankers en de statielantaarns) werden bijgemaakt.
De Bossen Hooven werd in 1750 gebouwd te Amsterdam voor de VOC-kamer in Amsterdam.
- Vertrek van Texel op 23 okt. 1751 met als schipper Dirk Took. Aankomst Batavia 6 juni 1752. Aan boord 200 zeelieden, 100 soldaten 13 ambachtslieden en 1 passagier.
- Vertrek van Batavia op 17 jan. 1754 met als schipper Huibert Tiebout. Aankomst Texel 16 aug. 1754. Aan boord 104 zeelieden, 6 soldaten, 2 passagiers en 10 "impotenten".
- Vertrek van Texel op 2 juni 1755 met als schipper Klaas Andersen. Aankomst Batavia 4 jan. 1756. Aan boord 199 zeelieden, 125 soldaten en 2 passagiers.
- Vertrek China op 12 dec. 1756, met als schipper Klaas Andersen. Aankomst Texel 14 aug. 1757. Aan boord: onbekend.
- Vertrek Texel op 30 dec. 1757 met als schipper Jan Hoyer. Aankomst Batavia 1758. Aan boord 206 zeelieden, 141 soldaten, 11 ambachtslieden en 2 passagiers.
- Vertrek Batavia op 31 okt. 1758 met als schipper Jan Hoyer. Aankomst Texel 24 juni 1759. Aan boord 106 zeelieden. 19 soldaten, 5 ambchtslieden, 2 impotenten en 2 passagiers.
- Vertrek van Texel op 26 maart 1760 met als schipper Kornelis van der Stam. Aankomst Ceylon 7 okt. 1760. Aan boord 301 personen
- Vertrek van Batavia op 1 febr. 1762 met als schipper Jan van der Zee. Aankomst Texel 29-9-1762. Aanboord 108 zeelieden, 1 impotent, 6 passagiers.
- Vertrek van Texel 14 dec. 1763 met als schipper Pieter Sybrandsz. Flout. Aankomst Batavia 11 juli 1764. Aan boord 298 zeelieden, 44 soldaten, 6 ambachtslieden en 2 passagiers.
In 1770 werd het schip werd opgebracht in Indië opgebracht en verkocht.
F. Gaastra kwam in een studie over Eyso de Wendt het schip Bossen Hooven tegen. Het was in 1753/1754 en in 1756/1757 in Canton. De Wendt heeft het schip gekend en heeft er wellicht zelfs op gevaren. Van de uitreis van 1760/1761 is een journaal van schipper Cornelis van der Stam. Het geeft een goed beeld van het leven aan boord van een Oostindiëvaarder en is - zo blijkt uit de studie van L. Wagenaar over Galle - van belang voor de kennis van de opstand in Ceylon in dat jaar. Onder schipper Jan van der Zee zeilde het schip in 1762 naar patria in dezelfde retourvloot waarmee ook Eyso de Wendt (op het vergelijkbare schip De Jonge Lieve) naar Nederland vertrok.
Op 14 december 1763 lichtte de Bossen Hooven bij Texel het anker voor een reis naar Batavia. Aan boord 350 opvarenden, waaronder acht Friezen: Meindert Janse uit Leeuwarden (onderweg gestorven op 17 jan. 1764), Claas Steenstra uit Bolsward (onderweg overleden 21 febr. 1764), Dirk Wessels uit Leeuwarden (onderweg overleden 24 febr. 1764), Siebe Dirk Danser uit Harlingen (overleden te Batavia 26 sept. 1764), Gerrit Harincks uit Grou (overleden te Batavia 24 nov. 1765), Ouke Frederiksz uit Kollum (gestorven in Aziatische wateren op 30 juni 1766), Walburg Evert uit Drachten (gevangen gezet en gedeserteerd in Surat in India) en Douwe Jacobsz uit Sneek. De laatste kwam in Kaap de Goede Hoop ziek van boord, bleef daar om op de kustvaartuigen aldaar te varen, en keerde op 15 juni 1769 terug in Amsterdam., literatuur:
- Ingekomen stukken d.d. 22 feb. 1994
- Femme S. Gaasta en Wilma Seybel 'Een Kollumer koopman in de Oost' in: De Vrije Fries, nr. 74 (1994), pp. 85-102.
- F.S. Gaastra 'Friesland en de VOC' in: Negen Eeuwen Friesland Holland (Zutphen, 1997) pp. 184-195
- Sneeker Nieuwsblad: 29 juli 1947, 12 okt. 1972
- Nanne Ottema 'Een scheepsmodel uit de achttiende eeuw' in: Leeuwarder Nieuwsblad 5 dec. 1936
- J.R. Bruijn e.a. Dutch Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries. (1979) 3 delen.
BeschrijvingHalfmodel van een kofschip. Nestmodel: dunne latten tegen spanten die de vorm hebben van dwarsschotten. Het voorschip en het achterschip wordt gevormd door houten blokken (houtwormgaten, behandeld). Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond en gepiekt. De bodem is rond. Het schip is voorzien van een breed berghout. Het model van voor naar achter: Van de kluiverboom is alleen het achterste gedeelte te zien. De bevestiging daarvan op het voorschip is niet gedetailleerd weergegeven. Het dek is niet aangebracht. Alleen de plaats van de masten is aangegeven. Het roer is smal. Het helmhout is tamelijk lang en loopt naar voren toe naar beneden. De kop van het roer is voorzien van een kop die is versierd met een klaver. Het model is vastgezet op een plank. Aan de bovenkant daarvan een zwart bordje met daarop in witte letters: 'KOF LANG 85 V'. Links onder een etiket met het nummer 978. Aan de bovenkant van de plank twee metalen ophangogen. In de achterkant van de plank is ingesneden: 'KOF L-85 V'. Bovendien is aan de achterkant een maatschaal aangebracht. Kleuren: Het model is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Het boerghout en de kop van de voorsteven zijn zwart. Het helmhout en de kop van het roer zijn ook zwart. De plank is gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieHoutworm in 1991 behandeld., Het halfmodel is afkomstig uit de collectie van de koninklijke marine in het Rijksmuseum. Het kofschip is als scheepstype vermoedelijk het resultaat van een geleidelijke ontwikkeling, waarvan het begin ligt in de 17de eeuw. De kof is een zwaar gebouwd schip met een vrij sterke zeeg en met een lengte-breedte verhouding van 3:1. Voor- en achterschip waren rond. Door hun volle vorm hadden deze schepen een grote drift en moesten zijn met zwaarden gevaren worden. In 1741 liet de Workumer koopman Hylke Jans Kingma in Lübeck een kofschip bouwen dat afweek van het gangbare type. Het was grote, het had een gepiekt voor- en achterschip en voer zonder zwaarden. De tuigage bestond uit een anderhald-mast tuig. Het laadvermogen van koffen varieerde van 110 tot 300 ton en de lengte van 16 tot 30 meter. In de 18de eeuw was het kofschip voor Nederland het meest gebruikt voor Nederland het meest gebruikte vrachtschip op de Europese kustwateren. De kof was populair omdat het een breed en vlak laadruim had (geschikt voor granen), omdat het een geringe diepgang had (geschikt voor de Zuiderzee en de Zeeuwse wateren) en omdat de tuigage eenvoudig te bedienen was (een bemanning van zeven koppen was genoeg). In de 19de eeuw onstonden kofschepen met een afwijkende tuigage: een volledig diremasttuig of een schoenertuig., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 21
- Horst Menzel, Smakken, Kuffen, Galioten, Drei fast vergessene Schiffstypen des 18. und 19. Jahrhunderts (Hamburg, 1997)
BeschrijvingScheepsmodel van een kofschip. Op spanten gebouwd. Eikenhout. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft twee masten en een boegspriet. De boegspriet wordt gehouden door twee voorstagen, een waterstag en een boegwant. Op de steven is de boegspriet vastgezet in een ring en aan het einder rust de boegspriet in een V-vormige houder met daarin korvijnagels, waarop de voorstagen en de vallen van de kluivers zijn belegd. De masten: een grote mast met steng en een bezaanmast. De grote mast wordt gehouden twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van vier hoofdlijnen met weeflijnen (touwladders) en een lopend want van twee bakstagen. De steng wordt bovendien aan weerszijden gehouden door een lopend want (bakstag). De bezaanmast wordt aan weerszijden gehouden door een staand want van twee hoofdlijnen en een lopend want (bakstag). Ook tussen de grote mast en de bezaanmast is een verstaging. Het staande en lopende want is vastgezet op puttingijzers en rusten (horizontale balken) op het berghout. Het model is niet voorzien van zeilen. Aan de rondhouten, de vallen en de schoten is echter af te leiden welke zeilen gevoerd kunnen worden: een buitenkluiver, een binnenkluiver, een stagfok, een gaffelgrootzeil, twee ra-topzeilen en een bezaanzeil. De buitenkluiver wordt vast gehaakt aan de punt van de boegspriet. De binnenkluiver wordt uitgezet met een traveller. Het voorlijk van de stagfok wordt bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot wordt belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel en een giek. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is bevestigd in het dek, aan de voet van de bezaanmast. De twee ra-topzeilen (marszeil en bramzeil) worden bevestigd aan drie ra's. De schoten aan de onderste ra lopen rechtstreeks naar het achterdek. De schoten van de ra's daarboven lopen via blokken in de bezaanmast naar beneden. Aan de bezaanmast kan een bezaanzeil worden gevoerd. Deze bezaan is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. De schoot van de bezaan is halverwege aan de giek bevestigd, en is belegd op twee hakkeblokken die aan weerszijden van de achtersteven op het boeisel zijn vastgemaakt. De bezaan kan achteren getrimd worden door middel van een traveller. De vallen van de zeilen zijn aan de grote mast vastgezet op een lier aan de voet van de mast. De vallen van de bezaan zijn belegd op klampen aan de onderkant van de bezaanmast. In de toppen van de beide masten rode vleugels. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: het voorschip is rond, het achterschip is rond en gepiekt. De bodem is bijna vlak en voorzien van kimlatten (stabilisatoren). Het model is slank en heeft minder zeeg dan gebruikelijk was. Het berghout is breed en bestaat uit vijf gangen. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven versierde kluisgaten. Over het voorboeisel hangen twee stokankers, waarvan de ankerkettingen via de kluisgaten zijn vastgezet op de braadspil op het voordek. Op de hoeken van het voorschip zijn twee kraanbalken gemaakt, om te voorkomen dat het anker de scheepshuid beschadigt. In de uiteinden van deze balken twee schijven. De ankerkettingen lopen, na de braadspil, over het voordek naar twee houten kisten tegen het boeisel. In het midden van het voordek een houten luik. Voor de grote mast de overloop van de stagfok. Achter de mast een lier voor de vallen van de zeilen. Daarachter de luiken van het ruim. Daarboven staat een jol met daarin twee roeispanen. Tussen de roef en het ruim liggen twee watervaten. De roef heeft een recht voor- en achterwand, de zijwanden zijn daarentegen overnaads gemaakt. In de wanden geen ramen. Op het dak van de roef een luik en een schoorsteen. In de achterwand van de roef een toogvormige, scharnierende deur en daarboven een vast mik met klossen waarin de giek gelegd kan worden. Achter de roef de bezaanmast. Het achterdek is verhoogd tot een paviljoen. De ruimte onder het paviljoen is beriekbaar door een schijfluik aan stuurboord. In het achterdek een lichtkap. Het helmhout van het roer loopt over het paviljoen naar het dek daarvoor. De roerganger kan het helmhout bedienen met een roertalie. Op de kop van het roer een hoge roerkop die versierd is met een gegolfd tongetje en drie tonnetjes. Het roer is smal en is met vier roerhaken bevestigd aan de rechte achtersteven. Het kan opgehesen worden met een roertakel. In het achterschip zijn, aan weerszijden van de achtersteven twee ramen gemaakt. Kleuren: Het houtwerk is gelakt. Het metalen beslag (op de rondhouten, het roer, de puttings, het watervat) is zwart gevefd. De koppen van de bolders, de braadspil en de kraanbalken zijn versierd met geschilderd zandlopervormen (rood en wit). Accessoires: stander, jol met twee riemen, watervat
AchtergrondinformatieHet kofschip is als scheepstype vermoedelijk het resultaat van een geleidelijke ontwikkeling, waarvan het begin ligt in de 17de eeuw. De kof is een zwaar gebouwd schip met een vrij sterke zeeg en met een lengte-breedte verhouding van 3:1. Voor- en achterschip waren rond. Door hun volle vorm hadden deze schepen een grote drift en moesten zijn met zwaarden gevaren worden. In 1741 liet de Workumer koopman Hylke Jans Kingma in Lübeck een kofschip bouwen dat afweek van het gangbare type. Het was grote, het had een gepiekt voor- en achterschip en voer zonder zwaarden. De tuigage bestond uit een anderhalfmasttuig. Het laadvermogen van koffen varieerde van 110 tot 300 ton en de lengte van 16 tot 30 meter. In de 18de eeuw was het kofschip voor Nederland het meest gebruikt voor Nederland het meest gebruikte vrachtschip op de Europese kustwateren. De kof was populair omdat het een breed en vlak laadruim had (geschikt voor granen), omdat het een geringe diepgang had (geschikt voor de Zuiderzee en de Zeeuwse wateren) en omdat de tuigage eenvoudig te bedienen was (een bemanning van zeven koppen was genoeg). In de 19de eeuw onstonden kofschepen met een afwijkende tuigage: een volledig driemasttuig of een schoenertuig., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 18-19
- Jaarverslag Vereeniging Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum 1985, p. 16.
- Horst Menzel, Smakken, Kuffen, Galioten, Drei fast vergessene Schiffstypen des 18. und 19. Jahrhunderts (Hamburg, 1997)