TitelH. en U. Hoogeveen - Scheepsmodel van de punter Orse Pluut.
VervaardigerHoogeveen, Harmen, Hoogeveen, Uilke
Trefwoordenpunters, Giethoorn
Objectnummer1997-134
Periode van1964
Periode tot1965
BeschrijvingScheepsmodel van de Gieterse punter Orse Pluut. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. De romp: Opgebouwd uit een plat vlak, één gang en een boeisel. Ter hoogte van de bun (achter de messelbank) zijn metalen bunplaten aangebracht. Rechte voor- en achterstevenbalken. Tuigage: Steekmast in de messelbank. Niet gestaagd. Aan de mast een sprietzeil. De spriet hangt met de onderkant in een lus aan de mast. Aan de bovenkant een metalen vorkvokr die is de bovenkant van het zeil wordt gestoken. Het sprietzeil wordt met de losse broek gezeild, dat wil zeggen zonder giek. De voorkant van het zeil is met touwlussen aan de mast bevestigd. Aan de bovenkant van het voorlijk een metalen ring rond de mast die met een touw aan de bovenknop van de mast is vastgezet. De grootschoot is niet getakeld met blokken, die overigens op de hele boot niet voorkomen. Het model van voor naar achter: In de punt van de voorsteven een driehoekige afdekking. Dan tot aan de mast een open gedeelte. De mast staat in de messelbank. Daarachter een houten bunkist. Daarachter is de boot weer open. Midscheeps twee zwaarden. De zwaarden hebben verdikte koppen en metalen verstevigingen langs de onderkanten. De zwaardsvallen lopen los over de boeisels en zijn binnenboord vastgezet op klampen op de spanten. In het achterschip een achterbank. Het roer hangt schuin met twee roerhaken aan de achterstevenbalk. De kop van het roer is versier met een kroonvorm. Het helmhout valt los over de roerkop en is met een borgpen vastgezet. Kleuren: het onderwaterschip is groen (ook dat van het roer). De romp is aan de buitenkant gelakt. De bovenkanten van de boeisels zijn zwart. De bodem is aan de binnenkant groen geverfd. De koppen van de zwaarden zijn zwart met accenten in wit en ook het roerbeslag is zwart. Accessoires: twee roeiriemen, stander
AchtergrondinformatieHarmen Hoogeveen (1891-1970) begon met de bouw van het model van de punter in 1964. Na het moeilijke model van het Friese jacht Neptunus wilde hij een eenvoudiger model maken. Zijn vader Uilke Hoogeveen (wonende te Vierhuis) had een punter met bun, waarmee hij op het Tjeukemeer viste. Harmen Hoogeveen baseerde zijn model op tekeningen van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Harmen Hoogeveen kreeg in 1964 een beroerte en kon het casco niet afmaken. Zijn zoon Uilke deed dat voor hem. Diens vrouw Iepie Hoogeveen maakte het zeil. Harmen Hoogeveen. Geboren 10 febr. 1891 en overleden 10 juli 1970. Woonde in Vierhuis. Werkte van 1903-1908 op de scheepswerf van Jan Bos te Echtenerbrug. Van 1909 tot 1914 op de werf van Auke van der Zee te Joure. Werkte mee aan de bouw van de boeiers Olga en Almeri. In de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd geweest. Bij terugkomst in 1918 in dienst van machinefabriek H. Koelstra te Balk. waar Harmens broer Hans al werkzaam was. Toen ook van Vierhuis naar Balk verhuisd. In 1934 ging het slecht met het bedrijf van Koelstra, Het werk verkocht. De gebroeders Hans en Harmen Hoogeveen kochten het bedrijf. Harmen bleef actief in het bedrijf tot 1957. De tijd van de scheepsbouw bij Auke van der Zee had grote indruk gemaakt op Harmen Hoogeveen. Hij praatte er veel over en er was een wens ooit zelf nog eens een boeier te maken. Omdat daar geen ruimte voor was, werd dat een model van een boeier. Uilke Hoogeveen (1924-1997) is een zoon van Harmen Hoogeveen. Toen hij op zestienjarige leeftijd de MULO had voltooid, ging hij werken in het bedrijf van zijn vader. De punter Orse Pluut is opgemeter door het Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Afmetingen: lengte 6.35 meter, breedte 1.55 meter, holte 0.60 meter., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 24-26 en 66-68
TitelScheepsmodel van de tjotter (fjouwer-acht) Albert en Nelly.
VervaardigerEssen, M. van
Trefwoordentjotters
Objectnummer1993-252
Periode van1993
Periode tot1993
BeschrijvingScheepsmodel van de tjotter (fjouwer-acht) Albert en Nelly. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De tjotter heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De voorstag is getakeld met een strijktalie, die loopt door twee blokken en die is belegd op een klamp op het voorboeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaggelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. Aan de schoothoek van de fok is een dubbel blok gemaakt. De beide fokkeschoten lopen door dit blok. De vaste einden van de fokkeschoten zijn bevestigd door een gat in een spant. De halende einden zijn belegd op een korvijnagel in een spant in het achterschip. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel met een houten klauw. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met kralen) aan de mast bevestigd. De halstalie loopt door twee dubbelschijf blokken (en door gaten in de messelbank) en is belegd op de nagelbank. Het ondereind van het achterlijk is vastgehaakt aan de giek. De giek rust aan de voorkant met een scharnierde lummel in een oog aan de nagelbank. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. Het grootzeil is voorzien van drie rijen reeftouwen. Door een oog in het achterlijk loopt reeftouw door een van de drie blokken aan het eind van giek. Het is belegd op een van de twee houten klampen op de giek. De grootschoot loopt door twee dubbelschijfs blokken. Het bovenste daarvan hangt aan een beugel om de giek. Het onderste blok is een hakkeblok. Het halende eind van de grootschoot is belegd op dit hakkeblok. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel aan een houten scheerhout. Op de rug van het roer staat een gebogen vlaggemast met vergulde knop. Aan de vlaggemast hangt een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout en voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. De bodem is gepiekt. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is de botteloef bevestigd. Aan de botteloef hangt een metalen stokanker aan twee kettingen. Aan het ankerketting is een touw bevestigd dat is belegd op een klamp aan de binnenkant van het voorboeisel. De buitenkant van het voorboeisel is met snijwerk versierd: een voluut met bladertak. De gillings aan de voorkant van het boeisel zijn versierd met twee gesneden voluten met bladertakken. Het voorboeisel en de gillings zijn aan de bovenkant bedekt met koperplaat. Tussen de boeisels is een bedelbalk. Deze is aan de bovenkant bedekt met koperplaat. De achterkant van de bedelbalk is met snijwerk versierd: bladertakken, rozetten en waaiervormen. Aan de binnenkant van het schip zijn de spanten te zien. In het voorschip is een dek gemaakt op dezelfde hoogte als de messelbank. Een deel van het voordek is als luik weg te nemen. De mast is strijkbaar in de mastkoker. Wanneer dat gebeurt moet het luik (uitwip) in het voordek worden weggenomen om de onderkant van de mast door te laten. Achter de mast is een nagelbank gemaakt. Het boeisel is versierd met drie ingesneden biezen en een kraalrand langs de onderkant. De bovenste huidgang is voorzien van een koperen stootrand. Het boeisel is aan binnenkant gedubbeld. De zwaarden zijn met bouten en moeren opgehangen aan het gedubbelde boeisel. De zwaarden hebben een verdikte kop. De zwaardkoppen zijn bedekt met koperplaat, de rest van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met koperen stervormen. De zwaardlopers gaan via twee schildpadblokken op de bovenkant van het boeisel (potdeksel) en zijn belegd op twee bolders in het achterschip (korvijnagels door spanten). Op het boeisel aan bakboord zijn twee scepters gemaakt: voor een gesloten scepter en achter een vorkvormige. In de scepter liggen een vaarboom en een pikhaak. De bodem van het achterschip is bedekt met buikdenningen. Die lopen naar voren door (onder het voordek). Langs de boorden zijn in het achterschip twee banken met deksels gemaakt. Ook tegen het achterschip is een bank gemaakt, met daarin een luik. Het achterhuis is aan de voorkant voorzien van een lancetvormig deurtje. Langs de bovenkant van het achterhuis de hennebalk. Deze is aan de bovenkant bedekt met een koperen plaat. De voorkant van de hennebalk is versierd met snijwerk: bladertakken, rozetten en waaiervormen. Het boeisel van het achterschip is versierd met snijwerk: een voluut met bladertak. Ook de gillings van het boeisel van het achterschip zijn met snijwerk versierd: twee voluten en bladertakken. Het roer is met drie roerhaken gehangen aan de achtersteven. De kop van het roer is bedekt met koperplaat en de wangen ervan zijn met snijwerk versierd: een papegaai en een krulmotief. Over de roerkop valt een helmhout. Dit is aan de achterkant voorzien van koperbeslag. De voorkant van het helmhout is aan de zijkanten versierd met een bladertak. De voorpunt van het helmhout is gesneden in de vorm van een druiventros. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. Het bovenste deel van het boeisel is zwart. De ingesneden biezen zijn lichtgroen en de kraalrand eronder is wit. De gesneden versieringen van de boeisels zijn goudkleurig. De binnenkant van het voorboeisel is wit. De binnenkanten van de boeisels langs het voordek en in de het achterschip zijn blauw. De spanten zijn wit en voorzien van rode koppen. De bedelbalk en de hennebalk zijn meerkleurig geschilderd: witte ondergrond, zwarte biezen, goudkleurige bladeren en rode rozetten. Het voordek is gelakt. De banken in het achterschip zijn grijs. De buikdenningen zijn grijs. De achterbank is gelakt. De veren van de bovenste roerhaken zijn wit. Het helmhout is groen. Het snijwerk aan het helmhout is goudkleurig op wit. De kop van het roer is mmeerkleurig beschilderd: witte ondergrond, goudkleurige krullen en veren, blauwe papegaai met rode kam en snavel. Accessoires: vaarboom, pikhaak, stander.
AchtergrondinformatieDe tjotter Albert en Nelly werd in 1891 gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee. In het werfboek staat: 'De heer Wassenaar, een nieuwe boot. Prijs f. 600,-'. Opdrachtgever was H.A. Wassenaar uit Hilversum. Het schip werd genoemd naar de beide kinderen van de heer Wassenaar. Reeds in 1892 kwam het schip in handen van Thomas Zandstra uit Sneek. Volgende eigenaars: J. Zwart te Sneek (1900-1907), A. ten Cate te Sneek (1907-1913), F.H. Pijttersen te Sneek (1913-1936) onder de naam Marnocht, J.H. Halbertsma te Sneek (1936-1938). Daarna is de tjotter in handen geweest van J. Kuipers te Sneek, R. Dragt te Aalsmeer, F. Schoch te Bloemendaal. Het schip is zelfs in Canada geweest onder de naam Fryslân. In 1962 kocht J. Vermeer uit Arnhem de tjotter en gaf het schip de oorspronkelijke naam terug: Albert en Nelly. Hij liet het schip restaureren, beschreef het nauwkeurig. Voorts zijn er opmetingstekeningen van gemaakt.
De tjotter was 4.80 meter lang. Zo'n tjotter werd een 'fjouwer-acht' genoemd. De breedte van het schip werd in de loop van de tijde enige malen gewijzigd van 2.10 meter (in 1856) naar 2.30 meter (in 1859) en 2.40 (in 1874). De lengte-breedte-verhouding was toen dus 1:2.
Tjotter is niet een benaming die al lang gangbaar is in Friesland. De Friese scheepsbouwers spraken niet van een tjotter maar van een 'boat'. Ze werden gebruikt als werkboten: visserij, vervoer van personen (overzet), kleinvee en kleine vrachten (kruideniers, bakkers, etc.). Deze boten waren nauwelijk gebonden aan maten. Men bouwde kleine boten, boten en grote boten. Pas in de loop van de twintigste eeuw raakte een nadere aanduiding in zwang: de kleinste boten behielden de naam 'boat', tjotters werden die schepen genoemd met een lengte tot circa 4.80 meter en de grotere boten, die ook anders gebouwd waren, werden Friese jachten genoemd. De meest voorkomende maat tjotter is 4.80 meter lang en 2.40 meter breed. (ook de tjotter Albert en Nelly voldoet aan deze maten). De tjotter toont gelijkenis met het Fries jacht en de boeier, maar is daar van te onderscheiden door de geringere afmetingen, de sterke zeeg, het ontbreken van een berghout, het brede roer met het over de klink gelegde houten helmhout. De tjotter is open en heeft soms een dek voor de mast. De tjotter voert een bezaantuig, de fok staat op een botteloef., literatuur:
- J. Vermeer, 'Beschrijving van de tjotter Albert en Nelly' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973/1974, pp. 74-83.
- E.Q. Duyvis, 'De Fjouwerachten van Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973/1974, pp. 63-73.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, pp. 18-19.
BeschrijvingScheepsmodel van een Hindelooper boot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen (enigszins verkleurd): een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoten lopen via houten knistukken op de banken naar het achterschip, waar ze belegd zijn op klampen tegen het boeisel. Het grootzeil heeft een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet op de kielbalk. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. De romp is opgebouwd uit vier gangen, waarvan de bovenste naar binnenvalt, zodat het lijkt alsof er een berghout is. De boot is open, heeft geen dekken, maar buikdenningen. Het model van voor naar achter: In het voorschip een bedelbalk. De mast rust in een mastkoker in de mastbank. De vergrendeling van de mast is niet goed: de grendel valt naast het oog. Smalle zwaarden met verdikte kop. De zwaardloper gaat via een gat in het boeisel naar binnen en is daar belegd op een korvijnagel in het achterschip. In het achterschip heeft de boot geen bun. De roerkop is onversierd en loopt verder naar voren dan de bovenkant van het roerblad. Bij de achterbank twee kniestukken met korvijnagels waarop zowel de zwaardloper en de fokkeschoot zijn belegd. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is rood. Op de zwaarden is een groen vlak geschilderd. De mastbank, de achterbank en het achterhuis zijn groen. De buikdenning en de binnenkant van het boeisel zijn blauw. De bovenkant van de mast is wit. De vleugel is rood. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieTheodorus Gerlsma. Geboren te Hindeloopen 26 maart 1885 en volgens opgave in oude inventarisformulieren overleden in 1910. Indien de sterfdatum klopt, kan de in hetzelfde formulier opgegeven vervaardigingsdatum (1921) niet kloppen. Eén van beide jaartallen in dus niet juist.
TitelScheepsmodel van het motorbeurtschip Fryslân uit Grou.
VervaardigerSmit, K.
Trefwoordenmotorvrachtschepen, Grou
Objectnummer1987-039
Periode van1986
Periode tot1986
BeschrijvingScheepsmodel van het motorbeurtschip Fryslân uit Grou. Op spanten gebouwd. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een liermast) De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond het geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op het voorboeisel de naam van het schip: 'Fryslân'. Het voordek is enigszins verhoogd. Op het voordek een lichtkap en een houten opbouw met deuren en schuifluik, dat toegang verschaft tot het vooronder. Op het hoofddek een strijkbare liermast met steng. De mast wordt gehouden door een voorstag en twee zijstagen. De mast is voorzien van één giek en een lier. Achter de mast het ruim dat wordt afgesloten met zes metalen luiken. Achter het ruim de boogvormige opbouw van de machinekamer. In de zijwand aan bakboord een schuifdeur en op het dak een luikenkap. Achter de machinekamer de stuurhut, waarvan de bovenkant van hout is gemaakt. Deze houten opbouw kan in geval van geringe doorvaarthoogte verwijderd worden. Aan de stuurhut hangt de scheepsbel. Achter de stuurhut is de bovendekse stuurstang te zien. Langs machinekamer en stuurhut is boeisel van het achterschip voorzien van een reling. Op het achterboeisel is de plaats van herkomst geschilderd: 'GROUW'. Kleuren: De romp is zwart, het berghout en de boeisels zijn wit. Het voorschip is ook beneden het berghout (tot aan de waterlijn) wit. Het voordek is grijs, het hoofddek is zwart. De machinekamer is roodbruin. De luiken van het ruim zijn grijs. Het houtwerk is gelakt. Accessoires: met vilt beklede stander.
AchtergrondinformatieGerrit Duiker (later zoon Hendrik Duiker) uit Grou onderhield met dit schip een beurtdienst op Leeuwarden. Het schip is in 1923 te Foxhol gebouwd als vrachtschip voor derde klas vaarwateren (max. lengte 14,80 m.). Vanwege het geluid dat de motor maakte werd het schip de 'slyker' genoemd. Nadat de beurtdienst was opgeheven bleef het schip nog enige tijd in Grou. Via Leeuwarden is het rond 1985 verkocht naar Duitsland., literatuur:
- 'Frieslands laatste beurtschipper' in: Leeuwarder Courant 7 okt. 1970
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 20
BeschrijvingScheepsmodel van het stoomberutschip SNEEK I. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De mast fungeert voornamelijk als liermast. Toch kon er ook gezeild worden. In het want aan stuurboot hangt een gaffel, die werd gebruikt wanneer een hulpzeil werd gevoerd. De mast, die licht naar achteren helt, is voorzien van een steng. De steng en de mast worden gehouden door twee voorstagen (één voor de steng en één voor de mast) en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen (de middelste loop via een zaling naar de top van de steng, de buitenste zijn bevestigd aan de top van de mast). De mast heeft twee liergieken. De voorste giek is bevestigd aan de mast en de achterste staat op een bok, net achter de mast. Aan deze grote giek hangt in een beugel aan de top een takelwiel. In de top van de steng hangt een rode wimpel met daarop in witte letters 'SNEEK I'. Daarboven een metalen windvaan in de vorm van een pijl. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op het boeisel van het voorschip is geschilderd 'SNEEK I / KAPT. JOHS. KAPSERSMA'. Op het voorsteven een kleine rood-wit-blauwe vlag als prins. Aan stuurboord hangt aan een davit een anker. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar de ankerlier, die op het voordek staat. Verder op het voordek het luikhoofd van het voorruim en een opbouw met dubbele deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. Daar was een verblijf voor eventuele passagiers. Daartoe zijn in het voorschip aan weerszijden ook twee patrijspoorten gemaakt. Achter de mast de lier en het achterruim. Dit ruim wordt, net als het voorruim afgesloten door een vaste dekplaat (niet door losse planken of luiken). Op het achterruim ligt de reddingsloep. Achter het ruim de opbouw van de stoommachine. Op deze opbouw is een openbrug, met daarin een horizontaal stuurrad, een kompas in een metalen huis, een roephoorn en een scheepsbel. Op de overkapping van de stoommachine de achteroverhellende schoorsteen met daarvoor een koperen pijp en een stoomfluit. Achter de pijp de opening van de kolenbunker. Ter hoogte van de stoommachine is op het boeisel aan bakboord een zwart bord geplaatst, dat aan de korte einden is versierd met zandlopervormen. Van de brug loopt een stuurstang, door de opbouw van de stoommachine heen, naar het houten achterdek, waar de overbrenging op de roerspil is gemaakt. Het houten achterdek is verhoogd. Aan weerszijden is de ruimte eronder bereikbaar met een deur-opbouw. Aan het boeisel zijn daar ook de verhoogde boordlichten (rood en groen) bevestigd. Naast de roeroverbrenging staan op het achterdek nog twee luikenkappen, een watervat en een rood-wit-blauwe vlag op een dubbel gebogen vlaggemast. Op het achterboeisel is geschilderd 'SNEEK ROTTERDAM 1888'. Kleuren: De romp is zwart met net onder het berghout een witte band. Het dek en de ruimoverdekkingen zijn zwart. De binnenkanten van de boeisels, de luikhoofden en de deuropbouwen zijn okergeel of houtkleurig. Het hout van het achterdek en dat van de mast, de steng en de gieken is gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieDe vervaardiger van het model is onbekend. Volgens de schenkers is het gemaakt door een machinist van het schip, wiens naam niet bekend is. Het stoomschip Sneek I onderhield sinds 1888 de beurtdienst van Sneek op Rotterdam.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 4 maart 1949
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1969/70, pag. 12
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse.
VervaardigerGrooten, Oscar
Trefwoordentweeëntwintig-kwadraat-klasse
Objectnummer1996-131
Periode van1996
Periode tot1996
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse. Op spanten gebouwd volgens de lattenbouw-methode. Schaal 1:7½.
Rondhouten en tuigage. Het jacht heeft een mast die is geplaatst in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag die op een T-ijzer op het voordek is vastgezet. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een vaste zijstag en een bakstag. De vaste zijstag is met een wantspanner aan een puttingijzer vastgemaakt. De bakstag is bevestigd op een langsscheepse glijrail op het gangboord. De rail is naar achteren vastgezet met een lijn die loopt door een roller op het gangboord en is vastgezet in een klem op de kuiprand. Het model is uitgerust met zeilen van witte dacron: een fok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit banen waarbij er gelet is op het maken van bolling. Het voorlijk van de fok loopt parallel aan de voorstag, maar is daaraan niet bevestigd. De fokkeval loopt via een metalen blok op de top van de mast naar beneden is daar belegd op de nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op het metalen T.-ijzer op het voordek. De fokkeschoten zijn bevestigd in een ring in de schoothoek van de fok. De schoten lopen waan weerszijden door een roller op een een glijrail op het gangboord (buiten de waterlijst) en door een vaste roller op het gangboord. Ze zijn aan weerszijden vastgezet in een schootklem op de kuiprand. De fokkeschoot aan stuurborod is strak, die aan bakboord is los.
Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel die uitsteekt boven de top van de mast: een cattuig. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De mast is ter hoogte van de gaffelklauw beschemr met leer. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval. Deze lopen door metalen blokken aan de top van de mast en ze zijn belegd op de nagelbank. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillatten gemaakt. Het onderlijk van het zeil is in een gleuf in de bovenkant van de giek geschoven. Aan de voorkant rust de giek met een scharnierende lummel in een oog aan de mast. Dit oog is in hoogte verstelbaar op een hanekamrail aan de achterkant van de mast. De halstalie aan de lummel, door door een gat in het dekje achter de mast en is belegd op een handwiel aan de voet van de mastkoker. Daarmeer kan het zeil getrimd worden. De grootschoot loopt door drie blokken aan de giek en door één blok op de overloop op het achterdek. Het vaste einde van de grootschoot is bevestigd aan het blok op de overloop. Daarna loop de schoot door het blok aan de achterkant van de giek, terug naar het blok op de overloop, door de twee andere blokken aan de giek en is belegd op een metalen grootschootklem met rollers in de kuip. In het grootzeil is aan twee kanten het zeilteken (een driehoek met holle basislijn) en het zeilnummer (65) genaaid. Op de top van de mast een rode windvaan aan een metalen pin. De blokken zijn van metaal en voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een overhangende, platte spiegel die enigszins schuin staat. De bodem is rond (U-vorm) en voorzien van een aangehangen kiel. Het roerblad is aan de kiel opgehangen. De huid is opgebouwd uit latten.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven metaalbeslag met bovenop een handgreep. Daarachter twee touwgeleiders. Van voor naar achter loopt over de hoek van romp en dek een waterlijst en een stootrand. Op het voordek een T-ijzer waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd en een houten bolder met koperen nagel (langsscheeps). Op de gangboorden de puttingijzers van de vaste zijstagen, De glijrails en rollers van de bakstag en de fokkeschoot. De kuip is van boven gezien granaatvormig: van voren puntig en van achteren plat. De punt van de kuiprand begint voor de mast. Het dek loopt onder deze rand door tot net achter de mast. Aan de voet van de mast een nagelbank. De ruimte onder het voordek is open. In de kuip zijn onder de gangboorden kasten gemaakt: voor twee dichte kasten met luiken en daarachter open kasten. De ruimte onder het achterdek is afgesloten door een luik in de achterwand van de kuip. Dit luik en de luiken van de voorkasten zijn versierd met ingezaagde zeilscheepjes. De bodem van de kuip is bedekt met buikdenningen (met metalen ringbeslag om ze te kunnen optillen). Voor de achterwand een losse achterbank. Op de buitenkant van het jacht is ter hoogt van de achterbank de scheepsnaam op de romp geschilderd: 'BETELGEUZE'. Het roer is opgehangen aan de kiel. De as van het roer steekt schuin door het achterdek omhoog. Het helmhout is gebogen van de vorm. Achter het roer de boogvormige overloop van de grootschoot.
Kleuren: De romp is gelakt en voorzien van een witte bies. Het onderwaterschip is wit. De dekken (voor- en achterdek en gangboorden) zijn gelakt. De kuiprand en het houtwerk aan de binnenkant van de kuip zijn gelakt. Ook de mast, de giek, de gaffel en het helmhout zijn gelakt. De stander is zwart.
Accessoires: Stander en landvasten.
AchtergrondinformatieOscar Grooten uit Hengelo (O) is amateur modelbouwer. Hij specialiseerde zich in het maken van zeiljachten. Hij vroeg daarbij vaak tekeningen op uit het archief van het museum. Hij kent de tweeëntwintig-kwadraat-klasse goed: 's zomers zeilt hij in de Cadans van de familie Vriezema te Grou. De zeilen zijn gemaakt door Feitse Visser uit Grou, werkzaam bij zeilmakerij De Vries te Grou.
In 1935 was de N.N.W.B. van oordeel dat er ruimte was voor een nieuwe klasse van halfgedekte kieljachten, die in grootte zouden liggen tussen de zestien-kwadraat-klasse en de dertig-kwadraat-klasse. De bond schreef daarom een prijsvraag uit. Die werd gewonnen door ir. Sj. Veeman. Het werd de tweeëtwintig-kwadraat-klasse, die nog datzelfd jaar (1935) door de N.N.W.B. werd ingesteld. Het naar het ontwerp gebouwde jacht werd getoond op de nijverheidstentoonstelling HAWATSO te Sneek. Het jacht wer uitgevoerd in latten, zodat ook amateurs het konden bouwen. Maar omdat de mallen vervangen dienden te wodren door spanten was het niet echt geschikt voor amateurbouw. De spantvorm is geschikt voor de Friese wateren: U-vormig met sterke kimbocht, wat veel stabiliteit geeft, zodat de ballast gering kan blijven. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er veel schepen in deze klasse gebouw (P. Olij te Sneek bouwde er zo'n 15). Na de oorlog was er echter nog maar weinig animo voor de klasse. Commissaris der Koningin Van Linthorst Homan was enthousiast 22 m²-zeiler en blies de klasse in 1957 nieuw leven in. Er kwamen enkele moderniseringen: een zwaardere kiel en daardoor de mogelijkheid meer zeil te voeren (van 22 m² naar 26.8 m²) en toestemming voor het voeren van een spinnaker. Aan het einde van de jaren zeventig was er wederom weinig belangstelling. In 1980 waren er bij de Sneekweek zelfs geen wedstrijden voor de 22m². In 1983 is de klasseorganisatie opgericht die wedstrijden ging organiseren. Zo kwam er wederom nieuw leven voor de klasse en ook de erkenning als nationale klasse door het KNWV. Dat had zolang geduurd omdat de 22m² veel concurrentie ondervond van de pampus en de 30m².
Het 22 m² jacht met zeilnummer 65 is de Betelgeuze. Vanaf 1982 zeilt G. Salverda uit IJlst met het jacht. Van af 1982 is het jacht jaarlijks (behalve in 1994) terug te vinden in de lisjten van de Sneekweek en de kampioenswedstrijden van de N.N.W.B., literatuur:
- H. Boersma 'De geschiedenis van de 22 m² klasse in een notedop' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 73-74.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 86.
- Leeuwarder Courant 6 juni 1996
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1996, p. 20
BeschrijvingScheepsmodel van de stoomvrachtboot Stânfries X uit Leeuwarden. Op spanten gebouwd. Schaal 1:50. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een mast die voornamelijk wordt gebruikt als liermast. Maar aan bakboord hangt in het want een gaffel met een opgedoek, bruin zeil, dat als hulpzeil gebruikt kon worden. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen, waarvan de middelste via de zaling bevestigd aan de top van de mast terwijl de buitenste stagen net onder de zaling aan de mast zijn bevestigd. Aan de zaling is ook een metalen uithouder gemaakt, waaraan het toplicht is bevestigd (rondschijnend wit licht). Onder in het staande want hangen de boordlichten (rood en groen). Aan de voorkant van de mast een korte liergiek en aan de achterkant een langere liergiek. De romp: De voorsteven is scherp en steil. De achtersteven is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op de voorboeisels is de naam van het schip geschilderd: STANFRIES X / Kapt. K. Smit'. Aan stuurboord hangt op het voorschip een stokanker in een davit. Het ankerketting loopt via het kluisgat naar de ankerlier, die op het voordek staat. Voorts op het voordek aan bakboord een schoorsteen en een houten watervat. In het midden een metalen opbouw met dubbele metalen deuren. Voor de mast het luikhoofd van het voorruim, dat met vijf metalen luiken wordt afgesloten. Achter de mast de lier en het achterruim, dat met zes metalen luiken wordt afgesloten. Achter het ruim de metalen opbouw van de machinekamer. In de voor- en achterwand daarvan zijn patrijspoorten gemaakt en in de zijwanden schuifluiken. Op de metalen opbouw staat de zeszijdige houten stuurhut (rechte achterwand met schuifdeur en driezijdige voorwand). Aan de stuurhut hangen twee reddinggordels en een scheepsbel. Achter de stuurhut de schoorsteen en twee achterwaarts gerichte pijpen. Aan de boeisels zijn ter hoogte van de machinekamer de loopplanken geplaatst in metalen houders. Achter de machinekamer een klein achterdek. In het achterschip is statie gemaakt (overdekte opboeiïng) als een verblijf voor eventuele passagiers. Het is bereikbaar met een houten deurpartij. Op het achterschip is de plaats van herkomst geschilderd: 'Leeuwarden' (beschildering enigszins beschadigd). Kleuren: De romp is geheel zwart. Alleen langs de bovenkant van het berghout is een gele bies gemaakt. Het opboeisel van de statie is wit. Het dek is zwart. De binnenkant van het boeisel, de deur naar het vooronder en de luiken van de ruimen zijn grijs. De liermast, de gieken, de stuurhut en de deuren van de staten zijn gelakt. De opbouw van de machinekamer en de schoorsteen zijn zwart. Op de schoorsteen een geel-blauwe band. Accessoires: een enkelvoudige standen en twee loopplanken.
AchtergrondinformatieDe geel-blauwe band zijn de kleuren van de rederij Stânfries te Leeuwarden. Het zijn tevens de kleuren van de vlag van de stad Leeuwarden. Rederij Stânfries was een grote rederij, ontstaan uit fusies van kleinere maatschappijen. Ze onderhielden vooral de langere beurtdiensten, van Leeuwarden op Rotterdam bijvoorbeeld. Een andere grote rederij was Saint Martin. Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19-20
TitelScheepsmodel van de rondvaartboot Watersport VI uit Leeuwarden.
VervaardigerSmit, K.
Trefwoordenrondvaartboten
Objectnummer1988-228
Periode van1988
Periode tot1988
BeschrijvingScheepsmodel van de rondvaartboot Watersport VI uit Leeuwarden. Op spanten gebouwd. Schaal 1:50. Rondhouten en tuigage: geen (twee vlaggemasten) De romp: De voorsteven is scherp en stijl. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Over de buitenkant lopen twee berghouten (stootranden). Op het boeisel is over de gehele lengte van het schip een reling gemaakt. Op het voorschip is de naam van het schip geschilderd: 'WATERSPORT VI'. Op de voorsteven een driehoekige Friese vlag. Op het voordek is aan stuurboord tegen de reling een bank gemaakt. Aan bakboord een opbouw met schuifluik en dubbele deuren: de toegang tot de benedendekse ruimte. Deze ruimte is voorzien van negen patrijspoorten aan elke kant. De bovendekse salon is gemaakt van hout en tentdoek en loopt van boeisel tot boeisel. Langs de wanden van de salon banken en in het midden een dubbele bank. De voormast steekt door het dak van de salon heen. De mast wordt gehouden door vier stagen die aan het dak van de salon zijn bevestigd. Direkt achter de salon een open, metalen opbouw: een door metalen stangen gedragen bovendek. Onder dat dek is de overkapping van de stoommachine te zien en een tweede opbouw met schuifluik en dubbele deuren. Ook deze opbouw biedt toegang tot de benedendekse ruimte. Achter de stoommachine het luik van de kolenbunker. Het bovendek is omgeven door een reling. Op het bovendek staat de zeszijdige stuurhut (de achterwant is recht, de voorwand is driezijdig). Op de stuurhut een wit boordlicht en aan de voorwand hangt een scheepsbel. Voor de stuurhut een dubbele bank. Aan de reling hangen de boordlichten (groen en rood) en een hoefijzervormige reddingboei. Achter de stuurhut steekt de schoorsteen van de stoommachine uit het dek. Op de schoorsteen een gele band met daarop de letter W. Achter de schoorsteen een tweede bank en de trap die de verbinding vormt tussen bovendek en achterdek. Het achterdek is overkapt met een opbouw van hout en tentdoek. Langs de ronde achterreling is een bank gemaakt. Op het achterdek de achtermast, die wordt gehouden door drie stagen. De stagen van de beide masten en de draden tussen de masten zijn gepavoiseerd met driehoekige vlaggetjes. In de top van de voormast een blauwe wimpel op stok en in de tot van de achtermast een Friese vlag op stok. Op het achterschip voert het schip een rood-wit-blauwe vlag. Kleuren: De romp is lichtgeel, het onderwaterschip is zwart. Het bovenste berghout is lichtgeel het onderste is ei-geel. De houten dekken, de houten opbouw, de houten salon, de banken en de houten opbouw van de stuurhut zijn gelakt. Het bovendek is geel. Het tentdoek van de salon en de achteroverkapping is wit. De overkapping van de stoommachine, de schoorsteen en de trap zijn zwart. Accessoires: enkelvoudige houten stander.
AchtergrondinformatieDe rondvaartboot Watersport VI had een vaste ligplaats aan de Zuidergracht te Leeuwarden, vlak voor de Beurs. Het schip was eigendom van Hennie van Duuren. Er werden veel rondvaarten mee gehouden vanuit Leeuwarden. Voordat het werd omgebouwd tot rondvaartboot was het in de vaart als beurtschip 'Eendracht II' van de gebroeders Bakker te Langweer. Met het schip werd een beurtdienst tussen Langweer en diverse Friese plaatsen onderhouden. Het stond bekend als 'Langweerder boot' of de 'Witte boot'. Het was toen niet geel maar wit en was nog niet voorzien van de houten opbouw.
Het schip was omstreeks 1910 gebouwd bij 'Molema & Landeweers machinefabriek en scheepswerf' te Leeuwarden voor f 8.000,--., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 22
- Dirk Swierstra, 'Molema & Landeweers machinefabriek en scheepswerf' in: Leovardia nr. 5 (juni 2001), p. 13
TitelScheepsmodel van het Dokkumer veerschip Tjerk Hiddes.
VervaardigerSmit, K.
Trefwoordenstoomschepen, beurtschepen, Dokkum
Objectnummer1991-301
Periode van1991
Periode tot1991
BeschrijvingScheepsmodel van het veerschip Tjerk Hiddes. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van de voor naar achter: Het voordek is als een paviljoendek: het is gemaakt op de bovenkant van het boeisel. Op het voordek een blauwe vlag. De opbouw loopt van boeisel tot boeisel, er zijn geen gangboorden. De verlaagde deur van het voorste passagiersverblijf bevindt zich in de voorwand van de opbouw, met een trap vanaf het voordek te bereiken. Aan weerszijden van deze deur zijn trappen die toegang verschaffen tot het houten bovendek, op het dak van de opbouw. Op de zijkanten van de trappen een cirkelvorm met daarop 'TJERK HIDDES'. Op het bovendek een dubbele zitbank, de metalen opbouw van de stoommachine en het stuurrat. De schoorsteen staat op de opbouw van de stoommachine en wordt gehouden door een tuidraad. Aan de voorkant van de schoorsteen is de stoomfluit bevestigd. In de wanden van metalen opbouw schuifluiken. Achter de opbouw een lichtkap en een stander met de hendels waarmee de machine wordt bediend. Het stuurrand is horizontaal. Het wordt omgeven door een halfronde, dichte, metalen verschansing. Aan de verschansing hangt de scheepsbel. Onder het bovendek bevinden zich de passagiersverblijven (voor en achter) en de machinekamer. In de zijden van de opbouw zijn aan weerszijden patrijspoorten gemaakt: in het voorste passagiersverblijf vijf, in de machinekamer één en in het achterste passagiersverblijf zeven. In het achterschip is een soort stuurkuip (bollestal) gemaakt. Dit vergemakkelijkt de toegang tot het achterste passagiersverblijf. Ook in het achterschip zijn aan weerzijden van de deur van het passagiersverblijf trappen gemaakt. Op het achterdek een luik en op het achterboeisel een vlaggenstok waaraan de Friese vlag wordt gevoerd. Kleuren: De romp is zwart en wit. De witte band is op de voorsteven het dikst en versmalt zich naar achteren toe. Het berghout en de boeisels zijn zwart. Het voordek en het achterdek zijn grijs. De opbouw is groen en voorzien van witte biezen. Het houten bovendek is gelakt. De bank is wit, de machinekamer is zwart en de verschansing op dhet stuurrad is grijs. Accessoires: een houten stander, met vilt bekleed.
AchtergrondinformatieHet beurtschip Tjerk Hiddes onderhield de beurtvaart van Leeuwarden op Dokkum, met als thuishaven Leeuwarden. Het voer tot circa 1930. Het was een stoomschip in een vorm die doet denken aan een trekschuit. De inrichting van het schip was luxueus. De eersteklas-afdeling had een pluche bekleding, spiegels aan de wand, een Belgische brander en schaakspellen. De tweedeklas-afdeling had houten banken. Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Rink van der Velde, 'Op'e taast oan board en op it gefoel farre' in: Leeuwarder Courant 12 nov. 1985, p. 11
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 18
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1991, p. 20
TitelScheepsmodel van de stoomkustvaarder Hunze IX.
VervaardigerSmit, K.
Trefwoordenkustvaarders, stoomvaart
Objectnummer1992-037
Periode van1992
Periode tot1992
BeschrijvingScheepsmodel van de stoomkustvaarder Hunze IX. Op spanten gebouwd. Gemaakt van koperplaat. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft twee liermasten. De voormast wordt gehouden door twee voorstagen aan weerszijden door eem staand want van vier hoofdtouwen. In de voormast twee liergieken. Aan stuurboord is in het want een lantaarn gehangen. De achtermast wordt aan weerszijden gehouden door een staand want van vijf hoofdtouwen. Ook de achtermast is voorzien van twee liergieken. Aan de achterkant van deze liermast is een witte wimpel gehesen. Tussen de beide masten is een antennedraad gespannen. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Scherpe, tamelijke steile voorsteven. ROnd, geveegd achterschip. Valkke bodem. Het model van voor naar achter: Verhoogd voordek met daarop de ankerlier. Uit het kluisgat aan stuurboord steekt een anker. Op het lagere dek op het voorschip een liermast met aan de voet daarvan de lier. Daarachter de ingang van het voorruim, afgesloten door een groot luik. Het middenschip is verhoogd. Het is aan de voorkant bereikbaar met twee trappen. Op het het verhoogde middendek de aan weerszijden twee dekhuizen met daarop twee in davits gehangen reddingboten. In beide dekhuizen aan weerszijden acht patrijspoorten. In het midden, tussen de beide dekhuizen in, de opbouw van de machinekamer met daarop een schoorsteen met stoomfluit, twee achterwaarts gerichte pijpen en een lichtkap. Op de schoorsteen een witte band met daarop de letter H. Op de voorkant van de machinekamer een houten stuurhut, die aan twee kanten is te bereiken met een trap. Voor de stuurhut een brug over de geheele breedte van schip. Op de brug een stuurrad en een kompas. Achter het verhoogde middendek een lager achterdek. Tussen middendek en achterdek twee trappen. Op het achterdek de toegang tot het achterruim, afgesloten met een groot luik. Erachter de liermast met de lier en een klein luik. Kleuren: De romp is zwart. Het berghout is wit. Het voor en achterdek en de luiken zijn grijs. Het midden dek is gelakt hout. De dekhuizen zijn wit. De stuurhut en de brug zijn gelakt. De relingen zijn wit met een zwarte bovenkant. De schoorsteen is zwart met een witte band. De beide liermasten zijn zwart, evenals de erbij behorende lieren en de lier op het voordek. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieIn de kustvaart was het gebruik van stoommachines weinig populair. De omvang van de ketel en de kolenbunker vergde veel ruimte en het gewicht vroeg teveel tonnage. De Hunze IX was een van de weinige kustvaarders op stoomtractie. Het was een Engels schip, rond 1890 gekocht door de Groninger-Rotterdammer Stoomboot-Maatschappij voor een dienst van Groningen op Hamburg, Bremen en Bremerhaven. Het was een schip van 284 ton. Door een cholera-epidiemie in Hamburg kon de dienst aanvankelijk niet optimaal opereren. Vanaf 1905 was het echter een winstgevende lijndienst. Dat bleef zo tot de Eerste Wereldoorlog, die een eind aan de dienst maakte. Volgens de Wet op de Zeevaartdiploma's is een kustvaarder voor de Kleine Handelsvaart een schip met een waterverplaatsing van minder dan 500 brt (sinds 1970: kleiner dan 75 meter lang). De Nederlandse kustvaart heeft zijn oorsprong in de provincie Groningen. De in de veenkoloniën gegraven turf werd steeds verder weg verkocht. Dat deed de behoefte aan schepen toenemen. De schepen werden in Groningen gebouwd en uitgereed. Ook het graan vond op de coasters zijn weg naar het buitenland. De steeds grotere schepen kwamen ook buiten het Noordzeegebied (tot in Afrika). Rond 1850 beleefden de Groningse rederijen een hoogtepunt. Ze lieten hun schepen bouwen in de provincie Groningen en hun bemanningen kwamen er ook vandaan. De schepen werden echter bevracht in Amsterdam of Rotterdam. Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw en van zeilvaart naar motorvaart behielden de Groningse reders hun positie maar slechts ten dele. Na 1920 kwam er echter een nieuwe impuls voor de scheepsbouw in Groningen. In 1923 bouwde scheepswerf Gideon te Groningen een ijzeren kustvaarder met een kleine motor van slechts enkele tientallen p.k. en met een hulpzeil (dat al vrij snel verdween). De Groninger coaster beviel goed: het schip was betrouwbaar, kon veel lading vervoeren en was in staat ver landinwaarts te varen (lading van huis tot huis). De vloot coasters (kleiner dan 500 brt) groeide snel (in 1939 536 schepen). Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de Groninger coaster populair. Er werden speciale schepen gebouwd voor olieën, chemicaliën, vlees, fruit, containers, etc. Na 1960 nam het aantal coasters weer af., literatuur:
- J.M. Fuchs, De beurt is aan ..., (Wormerveer, z.j.) pp. 50-51.
BeschrijvingScheepsmodel van de treinboot Leeuwarden. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het model heeft een logge vorm. De voor- en achterkant zijn gelijk: rechte stevens. De vorm is bepaald door het doel waarvoor het schip is gemaakt: er moeten gemakkelijk wagons op kunnen rijden en het schip moet veel draagvermogen hebben. Het model van voor naar achter: In de voorsteven kant een luik uit het boeisel worden weggeschoven, zodat de rails op het dek bereikbaar worden. Op het voorschip een vlaggemast met blauwe vlag, twee sloepen in davits en de wissel waardoor de rails zie in twee banen splitst. Tussen de rails houten flonders. Tussen de beide sporen houten dekken en flonders. Over de beide sporen heen staat een metalen poort met daarop de brug. Deze is omheind door reling en aan twee kanten bereiktbaar met een ladder. Op de brug de stuurhut. De besturing geschiedt met kettingoverdracht. Tussen de beide sporen een lichtkap, de tandwielen van het stuurketting, een opbouw met deuren en twee stoommachines. Deze zijn gelijk van vorm: opbouw met daarop een schoorsteen en een stoomfluit, die worden gehouden door tuidraden en voor de opbouw een tralieluik met voorwaaarts gerichte pijp. Achter de stoommachnes, tussen de sporen een lichtkap, een kleine opbouw, een watervat. twee lichtkappen, een twede watervat, een opbouw met deuren en een houder met lantaarn en een kleine opbouw met pijp en boordlicht. Op de rails staan staat aan bakboord een tankwagon en aan stuurboord een veewagon. Op het achterschip de stoothekken van de spren en de rollen die de stuurkettingen geleiden. Deze zijn gedeeltelijk overdekt. Op het achterboeisel een rood-wit-blauwe vlag. Het schip is voorzien van twee roeren en twee schroeven. Kleuren: De romp is zwart. Op het berghout een witte bies. Het dek is zwart. De houten tussendekken en flonders zijn gelakt, evenals het dek van de brug en de stuurhut. De metalen boog van de brug en de opbouwen in het midden (deuren en lichtkappen) zijn rood-bruin. De stoommachines zijn zwart. De pijpen ervoor zijn wit met een rode binnenkant. De schoorstenen zijn zwart met een witte band. Accessoires: enkelvoudige houten stander.
AchtergrondinformatieTechnische gegevens: Bouwjaar 1909 (werf Rijker & Co., Rotterdam). Afmetingen: lengte 66,25 meter, breedte 12,20 meter, holte 3 meter, diepgang voor 1,25 meter en achter 1,65 meter. Machine: 2 cylinder verticaal geplaatste compoundmotoren met twee schroeven. Vermogen: 2 x 350 ipk en 2 x 210 npk. De motoren zijn gebouwd bij de Alblasserdamsche Machinefabriek. Ketels: twee schotse ketels achter elkaar geplaatst, druk 8,26 atm. Capaciteit: 10 wagons. De stoomtreinpont Leeuwarden was het derde stoomveerpont dat de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij in de vaart kreeg. Het was een copie van de eerder gebouwde Enkhuizen. Voorheen werden goederen vervoerd met de passagiersdienst tussen Stavoren en Enkhuizen. Toen er echter steeds meer goederen vervoerd moesten worden en de tijd om die te laden ontbrak (de passagiersdienst had een strak tijdsschema) ontstond de behoefte de goederen apart te vervoeren. En het handigste was de wagon meteen op een schip te rijden. Ir. G.J. Bosman ontwierp het schip. Het moest niet te veel diepgang hebben, het moest breed zijn (twee rails), het moest een groot draagvermogen hebben en het moest sterke motoren hebben (veel gewicht in een log schip). Bij de ponten hoorden lange oprijbruggen om getijdeverschillen op te vangen. Locomotieven konden vanwege hun gewicht niet aan boord worden gereden. De locomotieven werden wel gebruikt om de wagons aan boord te rijden, maar daarvoor werden speciaal geconstrueerde tussenwagons gemaakt die 29,32 meter lang waren. De eerste treinpont, de Stavoren, werd in 1899 in de vaart gebracht. Rond de eeuwwisseling had de S.S. het monopolie in Friesland voor het vervoer over spoor. De H.Y.S.M. probeerde met de treinponten een voet aan de grond te krijgen in Friesland. Dat lukte. In 1901 nam de H.Y.S.M. de Noord-Friesche Locaal Spoorwegmaatschappij over (Leeuwarden-Harlingen en Stiens) en verloor de S.S. het monopolie. De aanschaf van de treinponten was dus een begin van de concurrentie. De H.Y.S.M. wilde met de ponten ervoor zorgen dat er zoveel mogelijk wagons naar Friesland vervoerd werden. De H.Y.S.M. werd zo een geduchte concurrent. In 1917 gingen de beide maatschappijen een samenwerkingsverband aan. Het was toen niet meer nodig zoveel mogelijk wagons over zee te vervoeren. In 1917 werden er nog 24.000 wagons overgezet, in 1918 waren dat er nog maar 8.000, en dat nam verder af tot circa 6.500 in de jaren tot 1936, toen de laatste pont met wagons over het IJsselmeer ging. De Leeuwarden werd in 1937 in Zaltbommel verbouwd tot passagiersschip Trinidad voor een rederij in Venezuela. Het schip maakte de tocht over de oceaan op eigen kracht. Maar de reis verliep niet voorspoedig: de ombouw naar oliegestookte stoommachines was niet vlekkeloos geschied. De reis duurde zeer lang (1 juli 1937 - 18 okt. 1937). De Leeuwarden heeft als Trinidad nog tot 1951 dienst gedaan in Venezuela., literatuur:
- F. Boom, W.J.J. Boot en W.G. Klein, Een eeuw spoorwegdienst Enkhuizen-Stavoren (Amsterdam, 1987), pp. 35-43.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, pp. 19-20
BeschrijvingModel van een twaalf-voets-jol. Op spanten gebouwd. Steven en kiel van eikenhout, spanten van essenhout en huid van mahoniehout. Schaal 1:7½. Tuigage: Het model heeft één mast. De mast is een steekmast: de onderkant is door een gat in de kleine voorplecht van het jacht gestoken en rust op een klos in het voorschip. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door twee zijstagen. De gaffelval fungeert tevens als voorstag. De zijstagen zijn met harpsluitingen vastgezet op de boorden, schuin achter de mast. Aan de mast wordt één zeil van witte katoen gevoerd: een grootzeil met gaffel zonder klauw (zogenaamd emmerzeil). De gaffel is enigszins gekromd en steekt boven de mast uit. De val van de gaffel loopt over een langsscheepse schijf in de top van de mast, door een blok op de voorsteven en is belegd opeen korvijnagel in de voorplecht. Deze val fungeert tevens als voorstag. De onderkant van de gaffel hangt los van de mast en wordt met ene lijn naar achter getrokken. Deze lijn is vastgezet op de achterkant van de giek. Het voorlijk is geheel los van de mast (geen raktouwen). In het zeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De onderkant van het grootzeil is met lussen vastgenaaid aan de giek. De giek rust met een houten klauw tegen de mast. Deze klauw wordt naar beneden gehouden door de halstalie die is belegd op een korvijnagel in de voorplecht. De grootschoot loopt door twee enkelschijfs blokken aan de giek en door een enkelschijfs blok op een metalen overloopt op de spiegel. Het vaste eind van de schoot is bevestigd aan het achtereind van de giek. Van daar loopt de schoot door het blok op de overloop, terug omhoog, door de twee blokken aan de giek en is belegd op een metalen haak op de kielbalk. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven is verticaal. De boorden zijn overnaads. Het achterschip is plat en heeft een verticale spiegel. De jol heeft een midzwaard. De dwarsdoorsnede is U-vormig. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van koperbeslag. In het voorschip is een Voorplecht met kniestukken gemaakt. In de voorplecht een metalen ring, waardoor de mast is gestoken. De jol is een open boot: geen dekken. Aan de binnenkant van de boorden zijn de spanten te zien. Langs de bovenkant van de boorden een stootrand. De bodem is bedekt met buikdenningen. In het voorschip is een vaste dwarsbank gemaakt, vastgezet met kniestukken. Daarachter de zwaardkast. De punt van het midzwaard steek uit de zwaardkast omhoog. De zwaardloper is aan deze punt vastgemaakt. Van daar loopt de zwaardloper naar voren, door een blok aan de mastvoet, terug naar achter, waar de loper is beelgd op een houtenklamp aan de achterkant van de zwaardkast. Midscheeps een tweede vaste dwarsbank. Deze loopt aan de zijkanten door naar achter (zijbanken) en gaat daar over in de hterbank. Bij de middenbank zijn in het boeisel roeidollen gestoken. Op de zijbanken liggen twee roeispanen. Op de bovenkant van de spiegel is de metalen overloop van de grootschoot bevestigd. Aan de achterkant van de psiegel hangt het roer (twee roerhaken). Het roer is van hout. Het roerblad loopt naar onderen toe in een druppelvorm door naar achteren. Het hlemhout is door de bovenkant van het roer gestoken. Kleuren: De romp is aan de buitenkant gelakt. Het onderwaterschip is wit. De binnenkant van de boot, de banken, de mast en de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: stander en twee roeispanen.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
De twaalf-voets-jol (ook wel Dinghy genaamd) werd door de K.V.N.W.V. in 1914 als internationale klasse ingesteld, maar pas in 1919 vond de feitelijke erkenning plaats. De ontwerper was de Engelsman George Cockshott. hij beoogde met zijn ontwerp een eenheidsbijboot voor grotere jachten te maken. In Nederland, België, Duitsland en Italië maakte de klasse opgang, maar na de Tweede Wereldoorlog werd er met twaalf-voets-jollen nog slechts in Nederland gezeild. In 1964 verloor het type de internationale status. Inmiddels is het tij gekeerd. Oude boten zijn gerestaureerd en er wordt weer volop mee gevaren., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 21-22
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 34-35
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 100-101
BeschrijvingScheepsmodel van het houten potschip Yn 't Potskip'. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het potschip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven. De voorstag is niet getakeld maar vastgeknoopt. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want (zijstag) dat aan een oog in het boeisel is vastgezet. Het postschip heeft geen zeilen. Achter de mast hangt een giek in de kraanlijn, die is vastgezet op de nagelbank. De giek draait in een gat in deze nagelbank. De giek is niet lang. Het achtereind steekt niet buiten de achterkant van de roef. Dat zou problemen geven bij het hanteren van de grootschoot. Deze schoot ontbreekt. Wel is er een schootblok aan de onderkant van de giek bevestigd. De gaffel ontbreekt. Ook de bevestigingspunten voor de grootschoot en de fokkeschoot ontbreken. De tuigage is incompleet en defect. De witten touwen zijn niet origineel. Alleen de bruine zwaardloper is van het origineel gebruikte garen. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Tegen de binnenkanten van de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. In het voordek zijn twee luiken. Het voorste is los en is aan de binnenkant beschilderd met de Friese vlag. Het tweede luik in het voordek is de uitwip die wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken om het ondereind van de mast door te laten. Op het boeisel van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst met daarop de naam van het schip: 'Yn 't Postkip'. Aan de voet van de mast de mastkoker met daaraan klampen en achter de mastkoker een nagelbank. Ter hoogte van de mast zijn de zwaarden opgehangen. De zwaarden voorzien van verdikte koppen en ingekerfde lijnen suggereren de beplanking. Van het zwaard aan bakboord ontbreekt de zwaardloper (een schildpadblok een een blok aan de buitenkant van het achterschip zijn er wel). Het zwaard aan stuurboord heeft wel een zwaardloper. Deze loopt via een schildpadblok naar een blok aan de buitenzijde van het schip. Dar blok wordt met een wit touw getakel aan één van de achterbolders. Achter de mast het ruim annex verkoopruimte. Wanneer de luiken worden verwijderd is het ruim te zien. In het midden twee bakken met daarin miniaturen van te verkopen goederen: stapels borden, thee- en koffiepotten. inmaakpotten, Keulse potten en kannen. voorraadpotten. testen, doofpotten, et cetera. Waar geen bakken in het ruim zijn gemaakt, zijn in de wanden ramen (twee aan elke zijde) aangebracht. Daarachter prijkt ook koopwaar: vazen, kannen en zilverbollen. Achter het ruim de roef. In de zijwanden daarvan ramen (één aan elke kant). In de achterwand de toegang met dubbele deurtjes en een schuifluik (met ingesneden traliewerk) in het dak. Achter de roef het achterdek. Aan het boeisel zijn daar twee bolders bevestigd. Achter het achterdek het verhoogde achterschip (een soort paviljoen) waaronder de slaapverblijven. Die zijn toegankelijk door een luik aan stuurboordzijde. Ook dit luik is voorzien van gesneden traliewerk. In de achtersteven zijn aan weerszijden van het roer twee vensters gemaakt. De onderkanten van deze ramen zijn met snijwerk versierd. Op de boeisels van het achterschip en op de boeisels langs de gangboorden zijn metalen relingen geplaatst. Aan de achtersteven hangt het roer (twee roerhaken). De helmstok ervan heeft een metalen handgreep (tonnetje) en een roerklik die met snijwerk is versierd (hoorn des overvloeds). Kleuren: De romp is geheel gelakt, ook het onderwaterschip en het berghout. De dekken, de luiken, het ruim en de roef zijn gelakt. Restanten van schilderwerk zijn te zien op de schuifluiken (roef en achterschip), op de roerklik en op de achtervensters. De rondhouten zijn gelakt. De top van de mast is wit. Accessoires: miniaturen van potten en pannen, losse vleugel, losse mik, watervat.
AchtergrondinformatieDe vervaardiger van het model is Durk Lourens van der Werff (Drachten 1908-1997). Hij is een zoon van Haike Pieters van der Werff, die een scheepswerf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten. Durk van der Werff houdt de herinnering aan de Drachtster scheepsbouw levend door zijn schilderwerk (in naïeve trant). Ook dit model past in deze naïeve werktrant: met name de weergave van de potten en pannen zijn daar een voorbeeld van. Het model werd gebouwd in de winter van 1944-1945. Het hout dat hij er voor gebruikte was eikenhout van afgedankte stoelen. Zijn vader Haike van der Werff gaf Durk adviezen bij de bouw.
Een potschip is een tjalkachtig schip dat werd gebruikt voor het verkopen van potten en pannen. Ze waren meestal klein van formaat, zodat ze veel dorpen konden bereiken. Mensen konden aan boord kopen, maar de potschippers laadden hun koopwaar ook wel over op kruiwagens om zo langs de deuren te gaan.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Lieuwe Westra, 'Familie van der Werff: dynastie van Friese scheepsbouwers' in: Spiegel der Zeilvaart, mei 1997, pp. 28-34.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 29
BeschrijvingScheepsmodel van een G.W.S. schouw. Op spanten gebouwd: zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:7½. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries loefbyter) op de voorsteven. De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee enkelschijfs blokken op de botteloef en die is belegd op een metalen klamp op het voorschip. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door vier boegstagen (ook stangen, aan elke kant twee). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok een een sprietzeil. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorschag. De hals van de fok is met een ketting bevestigd aan de botteloef. Het fokkeschoot is met een geknoopt leer aan de schoothoek van de fok bevestigd. De fokkeschoten lopen via schootogen aan de binnenkanten van de boeisels naar achter en zijn daar belegd op houten klampen. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De bovenpunt van het achterlijk is gehaakt in de vorkvorm aan de bovenkant van de spriet. Deze vork is geborgd met een bout. Aan de onderkant is de spriet gehangen in een lus aan de mast. De hals van het grootzeil is met een enkele halstalie vastgezet aan de voet van de mast. De onderkant van het achterlijk is met een lus vastgezet op een oogbout in de giek. De grootschoot loopt over een dubbelschijfs blok aan de giek en een enkelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op de kielbalk. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. In het zeil is aan twee kanten het zeilnummer ingenaaid: '31'. De val van het grootzeil loopt over een schijf in de top van de mast. De grootzeilval en de fokkeval zijn beide belegd op enkeltenige klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. De blokken zijn voorzien van lopende schijven van koper.
De romp: De schouw heeft een platte, schuine voorsteven, die is voorzien van een scheg. Het achterschip is plat. Het vlak is plat en in de lengterichting gebogen.
Het mode van voor naar achter: In het voorschip een kleine voorplecht. Daarop de klamp waarop de voorstag is belegd. De boeisels zijn van hout. Ze zijn versierd met een ingezaagde accoladevorm aan de voorkant en over de gehele lengte met ingekerfde biezen. Op de bodem van de schouw buikdenningen. De mast staat in de messelbank en wordt geborgd door een metalen beugel. De messelbakn rust op twee hoekijzers aan de boorden. De bovenkant van de bank wordt gehouden door klossen. De zwaarden hangen aan de boorden. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van metaalplaat. De boutgaten zijn versierd met metalen stervormen. Langs de onderkant van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar voren, gaan via een blok bovenop het boeisel naar binnen en zijn daar met knopen gehaakt achter een sleufklamp. In het achterschip het hakkeblok van de grootschoot. Voor de achterbank is een verhoogde flonder gemaakt. Van de achterbank is een gedeelte als luik afneembaar. Aan de schuine achtersteven is met twee roerhaken het roer opgehangen. De kop van het roer is bedekt met koperbeslag. Het afneembare helmhout is geborgd met een pen.
Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is zwart. De boeisels zijn zwart met een groene bies in het midden en een rode bies langs de onderkant. Ook het berghout (eigenlijk de overgang van twee gangen) is rood. De binnenkanten van de boeisels zijn lichtblauw. De binnenkanten van de boorden zijn wit, evenals de buikdenningen. De banken en de flonder voor de achterbank zijn gelakt. De zwaarden zijn gelakt, de zwaardkoppen zijn zwart met een witte sierster. Het roer is geheel gelakt (op het onderwatergedeelte na, dat zwart is). De veren van de roerhaken van het roer zijn zwart. Accessoires: uitzetter met houten gaffelklauw en vaste stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
De zeilschouw met zeilnummer 31 (De Reidmosk) is in 1948 op de werf De Polle van de firma Wester te Grou gebouwd. Voor de werf was het de laatste boot die werd geklonken. Van 1948 tot 1958 was de schouw eigendom van A. Roelinga te Grou. Daarna werd Jan de Boer te Akkrum de eigenaar. Het won met de schouw talloze prijzen en werd er dertien maal kampioen mee.
De schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling. De Kleine Schouw is 4.75 meter lang, geheel open en voert meestal een spriettuig (spriet en giek) en een stagfok op een botteloef. De Middenschouw is 5.50 meter lang en heeft een bezaantuig. De Grote Schouw is 6 meter lang en voert eveneens een bezaantuig. Soms is de grote schouw uitgerust met een kajuit. De GWS-schouw heeft een stalen onderbouw en een houten boeisel. Het voert een spriettuig. De lengte is 5 meter (gangbare handelsmaat voor staal). De afkorting GWS verwijst naar de Grouwster Watersport Vereniging die de bouw van dit type in de vroege jaren dertig entameerde en ook wedstrijden voor deze schouwen organiseerde., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1996, p. 19-20
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de valkenklasse.
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordenvalkenklasse
ObjectnummerK-037
Periode van1947
Periode tot1948
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de valkenklasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½. Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een mast die is geplaatst in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag op het voordek en door twee zijstagen die met druppelvormige houders zijn vastgezet op de gangboorden. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een fok en een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk en voorzien van enkelvoudige stiksels die banen suggereren. De hals van de fok is met een haak vastgezet aan de voorstag. Het voorlijk van de fok loopt parallel aan de voorstag, maar is daaraan niet bevestigd. De fokkeval loopt over een blok aan de top van de mast naar beneden en is belegd op de metalen nagelbank. De fokkeschoot loopt aan beide kanten door een schootoog en een geleide blok op het gangboord, door een gat in de kuiprand. Aan bakboord loopt de fokkeschoot dan weer terug over de kuiprand en is daar op een metalen klamp op het gangboord belegd. De fokkeschoot hangt aan bakboord los in de kuip. Het grootzeil is voorzien van kromme gaffel die boven de mast uitsteekt: cattuig. Het voorlijk van het grootzeil is met glijleuvers bevestig aan een rail aan de achterkant van de mast. Het bovenlijk van het zeil is in een gleuf aan de onderkant van de gaffel geregen. De gaffel wordt gehesen met klauwval en een nokkeval, die beide zijn belegd op de nagelbank. De gaffel heeft geen klauw maar een een scharnierbare grote glijleuver. In het achterlijk van het zeil zijn drie zeillatten gemaakt. Het onderlijk van het grootzeil is in een gleuf in de bovenkant van de giek geregen. Aan het achtereind van de mast een beugel waaraan een kraanlijn bevestigd kan worden. De kraanlijn ontbreekt echter. De grootschoot is met het vaste einde vastgezet op een oog in de kielbalk (in de kuip). Het halende eind is dubbel getakeld over een dubbelschijfs blok aan de giek en een enkelschijfs blok op de kielbalk. Het halende einde van de grootschoot is belegd op een metalen klamp op de kielbalk. Het blok aan de giek hangt aan een giekring, die met een stang aan het uiteinde van de giek is verbonden. In het zeilis aan beide kanten het zeilteken (vogel) en het zeilnummer (1) geplakt. In de onderhoek van het achterlijk een merkteken in de vorm van een rood pompeblêd (zeilmakerij Frisia te Grou). Op de top van de mast een witte windvaan aan een metalen pin. De blokken aan de mast zijn van metaal en de blokken van de grootschoot zijn van hout. Beide soorten blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een platte, schuine spiegel. De bodem is geknikt (knikspant) en is voorzien van een aangehangen kiel. Het roer hangt aan de spiegel. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag, waarop aan de bovenkant twee touwgeleiders zijn gemaakt. Van de voorsteven tot de spiegel is op de hoek van dek en romp een stootrand gemaakt. Over voordek, gangboord en achterdek loopt van voor naar achter een waterlijst, die op het laagste punt is voorzien van loosgaten. Van de voorsteven tot de punt van de kuip loopt over het voordek een metaalstrip met daarop de bevestiging van de voorstag en een metalen klamp. In de gangboorden aan weerszijden de bevestiging van de zijstag en voor de fokkeschoot een schootoog, een metalen klamp en een geleideblok. De kuiprand steekt boven het dek uit. De kuip is van boven gezien granaatvormig: van voren puntig en van achteren plat. De kuip rand begint al voor de mast. Het voordek loopt echter door tot achter de mast en wordt daar afgesloten met een waterlijst. In de kuip zijn onder het voor- en achterdek en onder de gangboorden kasten gemaakt. De kast onder het achterdek en de voorste twee zijkasten wordt afgesloten met luiken. In de kuip een dwarsbank in het midden en tegen de achterkant een achterbank. De bodem is bedekt met een buikdenning. In het midden kunnen twee luiken verwijderd worden om te kunnen hozen op het laagste punt. Tegen de achterrand van de kuip een metalen beugel. Op de buitenkant van de romp, net onder de stootrand, ter hoogte van de grootschoot is de naam van het jacht geschilderd: 'VALK'. Op het achterdek twee metalen klampen. Het roer hangt aan de spiegel. Het rechte helmhout steeks over het achterdek heen. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip en de stander zijn groen. De stootrand en de waterlijst zijn gelakt. De dekrand ertussen is wit. De dekken, de gangboorden, de kuip, de mast, de rondhouten en het roer zijn gelakt. Accessoires: stander met bodemplaat en twee uitzetters.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Afmetingen van de valkenklasse: lengte 6.50 m., breedte 2 m., zeiloppervlak (met genuafok) 18.6 m².
De valkenklasse is in 1938 ontworpen door E.G. van de Stadt in opdracht van deurenfabriek Bruynzeel. Dat het jacht werd gemaakt van hechthout baarde destijds veel opzien. Het ontwerp was gericht op seriefabrikage. De productie begon in 1939. Na de Tweede Wereldoorlog stopte de productie bij Bruynzeel. Anderen namen het over. On 1940 verschenen de eerste 100 valken op het water en datzelfde jaar werd de klasse door het KNWV als nationale klasse erkend. In 1967 werd de valkenklasseorganisatie opgericht. Er worden ook veel valken gebouwd van polyester. Deze worden veel gebruikt bij zeilscholen en verhuurbedrijven. In poly-valken mag echter niet gezeild worden bij wedstrijden. Het valkjacht met zeilnummer 1 komt in de naamlijsten van deelnemers aan Friese zeilwedstrijden niet voor., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 90-91
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de flitsklasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordenflitsklasse
Objectnummer1989-037
Periode van1989
Periode tot1989
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Flitsklasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½. Rondhouten en tuigage: Het model heeft een mast die met hoekijzer-houders is vastgezet op een kam op de kielbalk. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag, waaraan aan de voorkant een touw is gemaakt, dat door een blok op het voordek loopt en is belegd op een houten klamp daarachter. Aan de bovenkant is de voorstag met een metalen vormvorm vastgezet aan de mast. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een zijstag, die met een harpsluiting is vastgezet aan een puttingijzer in het gangboord. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk en voorzien van zomen die dubbel gestikt zijn, zodat het lijkt alsof de zeilen uit banen gemaakt zijn. Door de plooien is het mogelijk bolling in de zeilen te maken. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een harpsluiting vastgezet op een T-ijzer met gaten op het voordek. De fokkeval loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een metalen klamp aan de voet van de mast. De fokkeschoten lopen door schuingeplaatste schootogen (een blok met drie gaten) op de gangboorden. Daarna lopen de fokkeschoten over de kuiprand. De fokkeschoot aan stuurboord is belegd op een houten klamp tegen de onderkant van de kuiprand. De fokkeschoot aan bakboord ligt los in de kuip. Het grootzeil heeft geen gaffel: torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf aan de achterkant van de mast. In de top van het zeil een driehoekig tophout, waaraan de val is bevestigd. Deze val loopt door over een schijf in de top van de mast naar beneden en is belegd op een metalen klamp aan de voet van de mast. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillatten gemaakt. Het onderlijk van het zeil is geregen in een gleuf aan de bovenkant van de giek. Aan de voorkant van de giek is een oog gemaakt. Door twee ogen in de mast en het oog aan de giek is een metalen pen gestoken. Het is de scharnierbare verbinding van de giek aan de mast, die teven in hoogte verstelbaar is met een halstalie die zonder takelage is belegd op een houten klamp aan de voorkant van de mast. De grootschoot is met het vaste einde vastgemaakt aan het hondsvot van het blok dat aan de giek hangt. De schoot loopt van daar naar het blok op dat is vastgezet op de zwaardkast in het midden van de kuip. Vervolgens loopt de schoot door het blok aan de giek en is beneden met een knoop belegd op het blok aan de zwaardkast. In het zeil is een rij reeftouwen gemaakt. Aan twee kanten is het zeilteken (ruitvorm) en het zeilnummer (1045) geplakt. Op de top van de mast een rode windvaan (verklikker) die is bevestigd op een metalen pin. De blokken zijn van metaal en voorzien van lopende schijven. Alleen de blokken van de grootschoot zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en een rechte, schuine voorsteven. Het achterschip heeft een platte, verticale spiegel. De bodem is plat en maakt een hoek met de huid: knikspant. Het model van voor naar achter: Op het voordek een T-ijzer waaraan de voorstag en de hals van de fok zijn bevestigd. Daarachter de klamp waarop het touw van de voorstag is belegd. Voor de mast een V-vormige, schuinstaande waterlijst. De kuip begint net voor de mast en is rechthoekig van vorm (de lange zijden zijn licht gebogen). Rond de kuipe een kuiprand, die net boven het dek uitsteekt. De kuip is open: onder de gangboorden zijn de spanten te zien. Op de bodem van de kuip buikdenningen. In het midden de zwaardkast van het midzwaard. Bij de zwaardkast zijn luiken uit de buikdenning te verwijderen, zodat op het laagste punt gehoosd kan worden. Het midzwaard is van metaal en heeft de vorm van een kwartcirkel. Het is in hoogte verstelbaar met een zwaardloper die aan twee kanten over een blok naar voren wordt geleid en daarna terugloopt naar achter. Daar worden de beide einden met knopen in het touw achter een gleuf in de achterwand van de zwaardkast vastgezet. Het roer hangt aan de spiegel (verbonding door midden van een stang door twee paar ogen aan spiegel en roer). Het metalen roerblad is net als het midzwaard in hoogte verstelbaar. Daartoe loopt een metaaldraad van het roerblad over een schijf in het achtereind van het hlemhout naar voren, is daar bevestigd aan een touw dat met knopen in een metalen houder kan worden vastgezet. Kleuren: De romp is wit (inclusief het onderwaterschip). Op de huid van het schip is net onder de dekrand een blauwe bies geschilderd. Het dek en de gangboorden zijn gelakt, evenals het houtwerk in de kuip, de mast, de giek, het helmhout en de bovenkant van het roer. Accessoires: stander en uitzetter met zwanehals en steker.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model is gebouwd naar de oorspronkelijke tekeningen van G. Kroes, met uitzondering van de spiegel en het roer. Ook de tuigage is gemaakt naar latere tekeningen.
De flitsklasse was de eerste klasse die de N.N.W.B., na haar gedwongen (in 1940 door de bezetter) en later vrijwillig bestendigde toetreding tot de K.N.W.V., instelde. Bij de toetreding had de N.N.W.B. zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden eigen klasses in te stellen. Op de grotere wateren in het noorden voldeed de jeugdboot van het K.N.W.V. minder goed. De N.N.W.B. wilde een stijvere en bovendien goedkopere jeugdklasse. De door de N.N.W.B. ingestelde alternatieve jeugdklasse was de flits: een knikspantboot, die minder snel was maar ook minder gevoelig dan de pluis. Ontwerper was G. Kroes uit Kampen. Het model was geschikt voor amateurbouw. De N.N.W.B. leverde zowel tekeningen als complete bouwpaketten. Veel amateurs bouwde een flits, zoals een groep leerlingen van de Rijks H.B.S. te Sneek en een groep jeugdleden van de K.Z.V.S. (1960). Ook werd de klasse populair door de in 1972 opgerichte Flitsclub te Sneek (gesteund door de K.W.S. en de Gemeente Sneek). Het model werd zo populair dat het in de tachtiger jaren (van de twintigste eeuw) door het K.N.W.V. werd toegelaten tot nationale wedstrijden. Het model stond zelfs op de voorkeurslijst van het K.N.W.V., maar is daar later van verdrongen door de Cadet.
Het flits-jacht met zeilnummer 1048 komt in de naamlijsten van deelnemers aan Friese zeilwedstrijden regelmatig voor. Van 1979 tot 1984 worden als eigenaars genoemd Gerhard en Willem-Nico Potma uit Sneek (naam: De Potten). In 1986 is Bas van Tricht uit Veenwouden de eigenaar (naam: Risk). Van 1988 tot 1991 wordt als eigenaar genoemd Loes de Bruin uit Sneek (naam: Knabbel en Babbel)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 64-65
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 20
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhondertwintig-klasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenvierhondertwintig-klasse
Objectnummer1998-311
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhonderdtwintig-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een steekmast die is gestoken in de kielbalk en in een metalen houder aan de V-vorm van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen een een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast, door een ring aan de voet van de mast en is belegd op de overloop in de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast, door een ring aan de voet van de mast en is belegd op een overloop in de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een ring aan de overloop in het midden van de kuip. De vallen van het midzwaard lopen in een W-vorm (door ringen aan de voet van de mast en vastgezet op de overloop in de kuip). In het grootzeil de klasse aanduiding (420) en het nummer zeilnummer H19871. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen (van boven gezien) spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. De zeeg is enigszins negatief. Het voordek is bol. het voordek is klein en de kuip is groot. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. De achterkant van het voordek is V-vormig en is afgesloten met een waterlijst, voor de mast. Voor in de kuip de metalen houder voor de mast. Achter de mast de kwast van het midzwaard. Boven de achterkant van de midzwaardkast loopt een stang dwars door de kuip: de overloop van de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. Het helmhout is van metaal en voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (boven en onder water). Het voordek heeft dezelfde kleur. De kuip is wit. Het roer en het midzwaard zijn metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de vierhonderd-twintigklasse: lengte 4.20 meter, breedte 1.71 meter, zeiloppervlakte 10.25 m² (grootzeil en fok), uit te breiden met een spinnaker van 9 m². De vierhonderdtwintig-klasse heeft een romp van polyester en rondhouten van aluminium. Het is één van de meest verkochte moderne wedstrijdboten. De 420 is in 1960 ontworpen door de fransman Christian Maury. In 1973 kreeg het de internationale wedstrijdstatus. Voor veel wedstrijdzeilers is de 420 de overgang naar de iets grotere (eveneens Franse) vierhonderdzeventig-klasse. Vooral bij vrouwen is de vierhonderdtwintig populair. Hoewel het in Nederland geen grote klasse is, plaatst het KNWV het type wel in de voorkeurslijn, als overgangsboot tussen de Cadet (die ook in de voorkeurslijn is geplaatst) en de Olympische vierhonderdzeventig-klasse. De vierhonderdtwinting met zeilnummer 19871 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 108-109
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelH. en U. Hoogeveen - Scheepsmodel van het Fries jacht Neptunus.
VervaardigerHoogeveen, Harmen, Hoogeveen, Uilke
TrefwoordenFriese jachten
Objectnummer1997-132
Periode van1962
Periode tot1995
BeschrijvingScheepsmodel van het Fries jacht Neptunus. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: De boot heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank. De mast wordt gehouden door een voorstag die met een harpsluiting is vastgezet op de botteloef en via twee blokken aan de mast is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De botteloef (in het fries 'loefbyter') is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. Aan de schoothoek van de fok twee zusterblokken waardoor de fokkeschoot loopt. De schoten lopen aan beide kanten door een oog tegen het binnenboeisel en worden belegd op een korvijnagel in één van de spanten van het achterschip. De fok is voorzien van één rij reeftouwen. Het grootzeil heeft gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met rakkralen) aan de mast bevestigd. De halstalie loopt over een dubbelschijfs blok aan de zeilhals, door schijven die in de messelbank zijn bevestigd en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het achterlijk is vastgemaakt aan de achterkant van de giek. De voorkant van de giek rust met een lummel (scharnierbare pen) in de lummelpot aan de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in de kraanlijn. De grootschoot loopt door een drieschijfs blok aan de giek en een tweeschijfs hakkeblok dat is vastgezet op de bodem van het schip. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. In het grootzeil twee rijen reeftouwen. De vallen van de beide zeilen en de kraanlijn zijn belegd op klampen aan de wangen van de mastkoker en op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel met metalen scheerhout. Onder de vleugel de zeilvereningswimpel van de JWS te Joure (Jouster Water Sport) in de hoofdkleuren rood en blauw. Op het roer een Friese vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is over de gehele lengte sterk gepiekt. Het jacht is voorzien van een kielbalk. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. De kluisborden zijn versierd met snijwerk: bladertakken. De kluisgaten zijn voorzien van koperen doppen. De berentanden zijn versierd met geschilderde bladertakken en halve manen in de kop. Het boeisel is versierd met gesneden voluten met bladertakken: drie op het voorschip en drie op het achterschip. Over de gillings is koperbeslag aangebracht, zowel op het voorschip als op het achterschip. De boeisels zijn op de lange zijden versierd met drie gesneden biezen. Op de boeisels aan beide kanten twee koperen scepters waarin de pikhaak, de vaarboom en de uitzetter (fokkeloet) liggen. Achter de voorsteven de bedelbalk. Deze is aan de achterzijde versierd met gesneden versieringen in de vorm van bloem- en bladertakken De bovenkant van de bedelbalk is bedekt met koperplaat. In het voorschip is een dek, dat in zijn geheel scharnierend is (het kan opgeklapt worden). In het dek is een kleiner luik (de uitwip), dat kan worden verwijderd wanneer de mast wordt gestreken. In het voorschip zijn in twee spanten (aan beide zijden één) korvijnagels geplaatst. De mastkoker in de messelbank heeft een metalen bovenkant, waarin de mast scharniert. Achter de mast de nagelbank. Onder de messelbank is een wand met daarin drie panelen (luiken?). Midscheeps zijn de boeisels aan de binnenkant gedubbeld. Aan de gedubbelde boeisels hangen de zwaarden. De zwaarden hebben verdikte koppen. De bovenkanten van de zwaardkoppen zijn voorzien van koperplaat. Rond de boutgaten versieringen in de vorm van een ster. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag (scherp van vorm). De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel, naar voren, door een schildpadblok op het boeisel, terug naar achter, waar ze met één blok getakeld zijn en belegd op korvijnagels in de spanten. Het achterschip is open. De bodem is bedekt met buikdenningen. Langs de zijwanden en de achterwand bevinden zich kistbanken. De wanden van de zijbanken zijn voorzien van panelen. In de wand van de achterbank twee kleine luiken en een ruitvormig paneel. Over de voorwand van het achterhuis loopt de hennebalk. Deze is aan de voorzijde voorzien gesneden versieringen: bladertakken en zonnen. De bovenkant van de hennebalk is bedekt met koperplaat. Het deurtje van de achterwand is lancetvormig en bedekt met koper. Daarin is de naam van het schip aangebracht: 'NEPTUNUS / 1918 / JOURE'. Aan weerszijden van de achtersteven zijn op het berghout twee koperen naamborden aangebracht met daarin 'NEPTUNUS'. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt. De roerkop is bekroond met een roerleeuw. De metalen helmstok is door de kop van het roer gestoken. De helmstok is voorzien van een houten handvat. Op de rug van het roer koperbeslag. Daarop is de vlaggenstokhouder geplaatst met daarin een licht gekromde vlaggenstok met Friese vlag. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. Het berghout is zwart met een witte biezen. De boeisels zijn zwart met groene biezen en goudkleurige voluten op het voor- en achterschip. De kluisborden zijn zwart met goudkleurige bladertakken. De berentanden zijn wit met goudkleurige bladertakken en biezen. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen zijn zwart. De bedelbalk is wit met goudkleurige takken en rode en blauwe bloemen. Het voordek is gelakt. De binnenkanten van de boeisels zijn blauw en de spanten zijn wit (met rode knoppen). De banken en de buikdenningen in het achterschip zijn gelakt. De hennebalk is wit met versieringen in goudkleur. Het roer is gelakt. De roerleeuw is goudkleurig en ligt op een zwart kussen met witte biezen. De roerhaken zijn wit (boven) en rood (beneden). Accessoires: stander, vaarboom, uitzetter, mik en vier kurkzakken.
AchtergrondinformatieHarmen Hoogeveen (1891-1970) begon met de bouw van het Fries jacht Neptunus in 1962. Het casco was klaar in 1963. In 1992 begon zoon Uilke Hoogeveen te Sneek aan de afwerking van het model en het maken van rondhouten en tuigage. In oktober 1995 was het model gereed. De bouw van het model is gebaseerd op een tekening met veel fouten. Uilke Hoogeveen is daarom vele malen bij D.E. te Joure geweest om het model nader te bestuderen. Harmen Hoogeveen. Geboren 10 febr. 1891 en overleden 10 juli 1970. Woonde in Vierhuis. Werkte van 1903-1908 op de scheepswerf van Jan Bos te Echtenerbrug. Van 1909 tot 1914 op de werf van Auke van der Zee te Joure. Werkte mee aan de bouw van de boeiers Olga en Almeri. In de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd geweest. Bij terugkomst in 1918 in dienst van machinefabriek H. Koelstra te Balk. waar Harmens broer Hans al werkzaam was. Toen ook van Vierhuis naar Balk verhuisd. In 1934 ging het slecht met het bedrijf van Koelstra, Het werk verkocht. De gebroeders Hans en Harmen Hoogeveen kochten het bedrijf. Harmen bleef actief in het bedrijf tot 1957. De tijd van de scheepsbouw bij Auke van der Zee had grote indruk gemaakt op Harmen Hoogeveen. Hij praatte er veel over en er was een wens ooit zelf nog eens een boeier te maken. Omdat daar geen ruimte voor was, werd dat een model van een boeier. Uilke Hoogeveen (1924-1997) is een zoon van Harmen Hoogeveen. Toen hij op zestienjarige leeftijd de MULO had voltooid, ging hij werken in het bedrijf van zijn vader. Het Fries jacht Neptunus is gebouwd in 1918 door Auke van der Zee te Joure. Opdrachtgevers waren Melis en Eelke Haagsma te Sloten. Kostprijs: f. 4.800,=. Het was een luxe uitgevoerd jacht. Afmetingen: lengte 6.90 m, breedte 2.90 m., holte 1.29 m., zeiloppervlak 46 m². In 1955 kwam het jacht in bezit van Douwe Egberts te Joure, en dat bedrijf bleef de eigenaar ervan. bleef de eigenaar ervan., literatuur:
- dr.ir. J. Vermeer, Het Friese Jacht (Leeuwarden, 1992).
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 24-26 en 58-61
BeschrijvingScheepsmodel van het Fries jacht Neptunus. Op spanten gebouwd. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage: De boot heeft één mast. De mast staat in een mastkoker in de messelbank. De mast wordt gehouden door een voorstag die is getakeld met een strijktalie, die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een metalen klamp op het voordek. De botteloef (in het fries 'loefbyter') is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok hangt los van de voorstag. De hals van de fok is met een haak vastgezet op een ring van de botteloef. Aan de schoothoek van de fok een ring de fokkeschoten lopen. De vaste einden van de fokkeschoten zijn vastgezet in een klos op het voordek (ter hoogte van de mast). De halende einden van de fokkeschoten lopen door de ring aan de schoothoek naar het achterschip, vervolgens door schootogen aan de binnekanten van de boeisels en zijn daar opgeschoten. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. De klauwval loopt door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval loopt door een blok op de ronding van de gaffel en door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast (geen raktouwen). De halstalie loopt over een enkelschijfs blok aan de zeilhals, door ringen in de messelbank en is daar ook op belegd. De onderkant van het achterlijk is met een haak vastgezet in een touwlus aan de achterkant van de giek. De voorkant van de giek rust met een lummel (scharnierbare pen) in de lummelpot aan de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in de kraanlijn. Deze loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op de bodem van het schip. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. Op de top van de mast een rode vleugel met metalen scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond. Opvallend is dat de bodem over de gehele lengte gepiekt is. Het jacht heeft een kielbalk. Het model van voor naar achter: De voorsteven is met metaalplaat bedekt. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. Beide zijn met schilderwerk versierd: bladmotieven, halve manen. etc. Het boeisel is versierd met geschilderde voluten met bladertakken: drie op het voorschip en twee op het achterschip. De boeisels zijn op de lange zijden versierd met geschilderde biezen. Achter de voorsteven de bedelbalk. Deze is aan de achterzijde versierd met geschilderde voluten. Het schilderwerk is in relief uitgevoerd. In het voorschip is een dek gemaakt. Voor de mast een uitwip: een luik dat wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken. Onder het luik is het contragewicht van de mast te zien. In de messelbank de mastkoker met klampen op de wangen en aan de achterkant een nagelbank. De ruimte onder de messelbank is open. Midscheeps zijn de boeisels aan de binnenkant gedubbeld. Aan deze gedubbelde boeisels hangen de zwaarden. De zwaarden hebben verdikte koppen. Rond het boutgat versieringen in de vorm van een ster. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel naar achteren en zijn belegd op korvijnagels die door spanten zijn gestoken. Het achterschip is open. De bodem is bedekt met buikdenningen. Langs de zijwanden en de achterwand zijn kistbanken gemaakt. Over de voorwand van het achterhuis loopt de hennebalk. Deze is versierd met beschilderingen in reliëf: bladertakken. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt. Daarop een roerleeuw. Aan de voorkant van de roerkop is de metalen helmstok bevestigd. Deze heeft aan de voorkant een handgreep. Op de rug van het roer een vlaggenstokhouder met (metalen) vlaggenstok. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart (ook bij het roer). Het berghout is zwart met twee witte biezen. De boeisels zijn zwart met groene biezen en goudkleurige voluten op het voor- en achterschip. Op de bovenkant van de boeisels, de bedelbalk, de hennebalk en de zwaarden is bronskleur aangebracht: het suggereert een bedekking door koperplaat. Hetzelfde is gedaan met de rug van het roer: metaalkleur. De binnekant van het boeisel is blauw. De spantkoppen zijn wit met rood. De boeiselverdikkingen bij de zwaarden zijn groen met rood. Het voordek, de banken en de rondhouten zijn gelakt. De bovenkant van de mast is zwart en het beslag is daar wit. Het roer is gelakt. De roodleeuw is groen met gouden hoofd. Accessoires: reddingboei.
AchtergrondinformatieG. Ooms heeft zich bij de bouw van het model gebasserd op de tekeningen in het boek van T. Huitema (Ronde en Platbodemjachten). Huitema gebruikte als voorbeel het Fries jacht Neptunus. Het Fries jacht Neptunus is gebouwd in 1918 door Auke van der Zee te Joure. Opdrachtgevers waren Melis en Eelke Haagsma te Sloten. Kostprijs: f. 4.800,=. Het was een luxe uitgevoerd jacht. Afmetingen: lengte 6.90 m, breedte 2.90 m., holte 1.29 m., zeiloppervlak 46 m². In 1955 kwam het jacht in bezit van Douwe Egberts te Joure, en dat bedrijf bleef de eigenaar ervan. Een Fries jacht is een open rond zeilvaartuig, in grootte en vorm een tussenvorm tussen de boeier en de tjotter. Oorspronkelijk werd het gebruikt als vrachtscheepje. Tot in de 20ste eeuw werd het type door scheepsbouwers 'Boat' genoemd. Pas toen men enkele 'boaten' louter voor de pleziervaart ging bouwen kwam de benaming Fries jacht in zwang. Het schip heeft een los-vast voordek, waaronder vracht gestuwd kon worden. Het gedeelte achter de mast is open. Het Fries jacht onderscheidt zich van de tjotter door een smal roer met roerleeuw (als op een boeier), door zijn berghouten die met een kniestuk (slemphout) tegen de voorsteven sluiten en door de rondere vorm van de boorden en het vlak. Van de boeier verschilt het Friese jacht zich door het ontbreken van een kajuit en door de geringere holte. Friese jachten zijn veelal rijk versierd: bedelbalk, hennebalk, kluisborden, boeisels, etc. Het Fries jacht Neptunus heeft meerdere malen deelgenomen aan de Sneekweek. Eigenaar waren E.D. en J.H. de Jong te Joure (later Bilthoven). Ze deden mee in 1956-1960, 1962, 1973 en 1974. Wedstrijden voor Friese jachten waren er bij de Sneekweken van 1956-1979 m.u.v. de jaren 1961, 1965, 1966 en 1967. Het aantal deelnemers was niet groot: gemiddeld zeven. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. Vermeer, Het Friese Jacht (Leeuwarden, 1992) pp. 92-95
- T. Huitema, Ronde en Platbodemjachten (Amsterdam, 1977), pp. 225-227.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een houten Lemsteraak. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt uitgezet door een beugel op de voorsteven. Aan de achterkant is de kluiverboom in een lus aan de waterlijst gehaakt. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller, waarvan de val is belegd op een voorbolder. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder (korvijnagel in een spant) Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een bolder (korvijnagel in spant). Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met touwen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil twee rijen reefringen (de ringen van de onderste rij roesten). De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: romp voorschip, rond achterschip, ronde bodem, oplopende kop. In de bodem zijn bunplaten gemaakt. Het model van voor naar achter: Rechts naast de steven een snoes (rol voor het neerlaten van het anker, de rol ontbreekt echter). Op het voordek de braadspil, het luik voor het ankertouw, het luik van de kajuit en de overloop van de stagfok. Achter de mast de waterbalk waaraan de zwaarden zijn bevestigd. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn aan de onderkant voorzien van metaal beslag. De zwaardloper gaat via een houten oog op het boeisel naar binnen en is belegd op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. Aan het boeisel op het voordek aan weerszijden een bolder, waarop de kluiverschoot belegd wordt. In de wand van het voordek naar het achterschip een dubbele deur. Het achterschip heeft geen dek maar een buikdenning. In het achterschip een bun: een hoog deel (de trog) met een luik en aan weerszijden daarvan twee lage delen die uitmonden in de bunplaten in het onderwaterschip. Op het boeisel van het achterschip drie bolders (waarop ondermeer de fokkeschoot is belegd) en een klamp voor de zwaardloper. Het boeisel is ter hoogte van het zwaard verhoogd met een opzetboeisel. In het achterschip een achterbank, waarvan het zitgedeelte gecountourneerd van vorm is. Aan het verticale deel van de bank is een metalen overloop bevestigd, waar het hakkeblok van de grootschoot op vastgezet kan worden. Boven de achterbank het achterhuisje met deur en daarboven de stuurboog: een balk met gaten waarin het helmhout met korvijnagels kan worden vastgezet. Aan de einden van de stuurboog kniestukken met daarin een korvijnagel. Het roer heeft een holle roerklik, die naar voren uitsteek over de achtersteven. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is bronskleurig. Het beslag is zwart, de buikdenning is grijs. Het luik van de bun, de achterbank, het helmhout en de roerkop zijn zwart. Accessoires: Stander, fokuitzetter (boom), zwabber en een kornet. Het anker ontbreekt. Het kornet is trechtervormig. Aan de bovenkant van het net een korbalk met aan de einden de korijzers (verzwaarders) en het sleeptouw.
AchtergrondinformatieDe Lemsteraak komt, zoals de naam al aanduidt, uit Lemmer. De eerste Lemsteraak werd in 1876 gebouwd door Pier de Boer uit Lemmer. Het schip werd ontwikkeld uit de kleinere bot-aak. De Lemsteraak is een rond schip met kielbalk. De voorsteven is gebogen en vallend. De achtersteven is recht en licht vallend. De romp heeft een rond grootspant en is gladboordig. De kop is volrond. Het achterschip is iets slanker. Het boeisel valt sterk in. De romp heeft een matige zeeg. De tuigage bestond uit een steekmast met bezaantuig (grootzeil, stagfok en kluiverfok). De zwaarden zijn lang en smal. De lengte varieerde van 10.30 meter tot 14.50 meter. De eerste ijzeren Lemsteraak werd in 1898 gebouwd door Croles te IJlst. Aanvankelijk werd de Lemsteraak gebruikt als moederschip en als jager voor de haringvletten. Ook vervoerden Lemsteraken mosselzaad van de Zuiderzee naar Zeeland en mosselen van Zeeland naar België. In Zeeland werde mosselaken gebouwd naar voorbeeld van de Lemsteraak, die vanwege de snelheid 'jachten' of Bruinissser jachten werden genoemd. Beroemd waren de zeilwedstrijden voor Lemsteraken. Hierbij voerden ze soms in totaal zes zeilen en fokken. Zelfs op het Amsterdamse IJ werden zeilwedstrijden voor Lemsteraken georganiseerd. Een visser kon hier aan deelnemers- en prijzengeld soms meer verdienen dan met een dag vissen., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 12 okt. 1972.
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de clippersklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenclipperklasse
Objectnummer1998-324
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de clipperklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat op de bodem van het schip en wordt gehouden door twee zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen (waarvan er vier zijn) op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een houten tweeschijfs blok aan de giek en door een houten ring op een overloop, en is belegd op een oogbout op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard loopt via twee ogen in de voorkant van de kuip naar achteren en is belegd op de overloop van de grootschoot. In het grootzeil de klasse aanduiding (halve pijl) en het zeilnummer 50. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte, zelflozende spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. In de achterkant van het voordek is een sleuf gemaakt. Daaronder de ogen van de zwaardval. De mast staat in de open kuip. Het midzwaard achter de mast heeft geen kast, maar steekt zo uit de bodem. Achter de sleuf van het midzwaard een dwarse stang: de overloop van de grootschhot. De kuip heeft geen banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een metalen helmstok, die aan de voorkant is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (ook het onderwaterschip). Het voordek, de gangboorden en de kuip zijn wit. De bovenkant van het roer is bruin. De rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe clipper met zeilnummer 50 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1971, 1976 en 1986. In 1971 was de boot van St. de Jong te Vinkeveen (scheepsnaam Bell Rain). In 1976 heette de boot Bleuster en was van Wim van Dijk te Rosmalen. In 1986 was de boot van J. Huisman te Groningen (scheepsnaam Freek de verschrikkelijke). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de regenboogklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenregenboogklasse
Objectnummer1998-284
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de regenboogklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag op de voorsteven, door een diamantstag (door naar voren wijzende zaling en terug naar de mast), door twee zijstagen (waarvan de langst wordt geleid door een zaling). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen blok aan de mast en die is belegd op klamp aan de mastkoker. De fokkehals is vastgemaakt aan de gatenrail waar ook de voorstag aan bevestigd is. De fokkeschoten lopen door een duubelschijfs blok aan de schoothals. De vaste einden van de fokkeschoten zijn op ringen op de gangboorden vastgezet. De halende einden van de fokkeschoten lopen door het blok aan de fok, door de schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. De klauwval loopt door een blok op de gaffelbek, door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De piekeval loopt door een blok op het midden van de gaffel, door een blok aan de mast en belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is met een omhoogwijzende zwanehals aan de mast bevestigd. De halstalie is rond de giek gedraaid. Aan giek twee giekringen die met een touw naar voren of naar achteren verplaatst kunnen worden. Aan de giekringen hangen de blokken voor de grootschoot. De grootschoot loopt van het achtereind van de giek, door een een blok op de overloop op het achterdek, terug omhoog door de twee blokken aan de giekringen en langs een haak op de kuipvloer. De grootschoot is belegd op een klamp aan de binnenkant van het boeisel. In het grootzeil de klasse-aanduiding (regenboog) en het zeilnummer 1. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel, die zeer laag is. Sterke overhangen (zowel voor als achter). De boot is uitgerust met een vaste kiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven de gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter op het voordek een bolder en de mast. Achter de mast beding de kuip. De kuip is granaatvormig. Langs de randen van de kuip een opstaande rand (als waterlijst). LAngs de boorden zijn kastjes gemaakt. Langs de achterwand van de kuip een dwqrsbank. Achter de kuip een groot achterdek. Daarop eerst twee klampen en vervolgens het roer. De roerspil steekt door het achterdek. De gebogen helmstok is van hout. Op het achterste deel van het achterdek de overloop van de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken en de gangboorden zijn grijs. Het waterlijst en het houtwerk in de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe regenboogklasse is ontworpen door G. de Vries Lentsch uit Nieuwendam en als nationale eenheidsklasse door het KNWV erkend in 1917. De boot heeft lange en volle overhangen en is derhalve geschikt voor meren en plassen, maar niet voor al te woelig water. Het heeft een steil gepiekt gaffeltuig. De naam regenboog is gekozen omdat het oorspronkelijk de bedoeling was elk schip een andere kleur te geven. Dat hield met niet vol: de meeste latere regenbogen zijn gelakt. De klasse was tot de Tweede Wereldoorlog populiar. Daarna verminderde de belangstelling. Na oprichting van de Regenboogclub en na de bouw van de nieuwe regenboog (nr. 94) in 1968 (de eerste na 40 jaar stilstand) leefde de klasse weer op. Sindsdien zijn er 40 nieuwe regenbogen gebouwd. Het schip bleef klassiek, maar voor de westrijdzeilers zijn er een aantal moderniseringen doorgevoerd: spinnaker, hangbroek (als trapeze) en zelflozers. De regenboog met zeilnr. 1 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek veelvuldig voor. Van 1935-1957 deed de boot onafgebroken mee. Stuurman was K. Vrolijk uit Sneek. Van 1993-1995 was de regenboog 1 van Bouw van Wijk te Woubrugge. IN 1995 en 1996 deed Cees Nater in de nr. 1 mee aan de Sneekweek. Vanaf 1935 zijn er bij de Sneekweek wedstrijden gehouden voor de regenboog. Gemiddeld verschenen er 28 deelnemers aan de start. Legendarisch zijn de teamwedstrijden Friesland Holland op de Kaag en bij de Sneekweek. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 84-85.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 60-61
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een O.K. jol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten steekmast. De mast is door het voordek gestoken. De mast is niet gestaagd. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek heeft een vast verbinding met de mast: de giek steekt in een vertikale sleuf in de mast. Dat betekent dat de mast met de giek mee moet draaien. Aan de giek hangen twee houten blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en een blok op de overloop in de kuip. De val van het midzwaard loopt door een ring aan de voet van de mast, door twee ringen aan de achterkant van het voordek en is belegd op een dubbele bolder aan bakboord. In het grootzeil de klasse aanduiding (liggende granaat) en het zeilnummer 310. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een handgreep. Het voordek is relatief groot. De mast staat in het voorste deel van het voordek. Achter de mast zijn aan weerszijden op het voordek nog wtee handgrepen gemaakt. De kuip is relatief klein. Het midzwaard loopt gedeeltelijk door een sleuf in het voordek en gedeeltelijk door een zwaardkast in de kuip. Ter hoogte van de kuip zijn op de boorden twee bolder geplaatst. Dwars door de kuip loopt een dwarsstang: de overloop van de grootschoot. Daaronder de ring waaraan de grootschoot is vastgemaakt. Op het achterdek nog twee handgrepen. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De boorden en de spiegel zijn oranje. Het vlak is wit. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn gelakt. Ook de rondhouten en de blokken zijn gelakt. Het metalen roer is ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de O.K. jollen: lengte 4.00 meter, breedte 1.42 meter, zeiloppervlakte 8.54 m². De O.K. jol is in 1961 ontworpen door de Deen Knud Olsen. Het is een wedstrijdboot voor één persoon. Om de prijs laag te houden werd voor de knikspantvorm gekozen, die ook door amateurs gebouwd kan worden. De Finnjol bestond al, maar er bleek behoefte aan een eenvoudiger en vooral goedkopere soortgenoot. De eerste O.K. jollen waren van hout, later werden ze ook van polyester gemaakt of uit een combinatie (polyester romp en houten dekken). De boot heeft geen spanten maar dwarsschotten. De ruimte onder voordek en achterdek is waterdicht, zodat er een groot drijfvermogen ontstaat. De tuigvorm lijtk op die van de Europe of de Finnjol. In Nederland werd de O.K. jol in 1965 toegelaten en in 1967 erkend als nationale klasse. De O.K. jol met zeilnummer 310 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1967-1969. Het was de Ellert van L. Hamminga te Zuidlaren. Wedstrijden voor de O.K. jol waren er in de Sneekweken van 1964-1980. In 1964 waren er 25 deelnemers. Dat groeide al snel naar 63 deelnemers in 1969. Daarna verminderde de belangstelling: 49 deelnemers in 1972, 30 in 1976 en het eindigde met 13 in 1980. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 50-51
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de drakenklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordendrakenklasse
Objectnummer1998-288
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de drakenklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen steekmast. De mast wordt gehouden door metalen stagen. Aan de voorkant van de mast is een voorstag en een diamantstag (door een zaling terug naar de mast geleid). Aan de achterkant zijn er een achterstag op het achterdek en twee achterstagen op de boorden. Aan de zijkanten van de mast zijn er twee stagen, die beide door zalingen geleid worden in een diamantverstaging. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door de voorzaling en door een gat in het voordek. De fokkeval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De hals van de fok is vastgezet op de ring op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden terug naar voren en worden bediend met winches bij de buiskap. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De val van het grootzeil loopt door een ring aan de top van de mast en door een gat in het voordek. De grootzeilval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een metalen giek. De giek is met een lummel gehangen in een lummelpot aan de mast. Aan de giek hangt een dubbelschijfs blok van kunststof. De grootschoot loopt door dit blok en door een houten blok op de kuipvloer en ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasseaanduiding (letter D) en eronder het zeilnummer H44. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en van kunststof en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant met S-vorm. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel, die schuin achterover op het water staat. Het achterschip is overhangend. Het schip is uitgerust met een vast balastkiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op het voordek een bolder en het belsag waaraan de voorstag en de fokkehals aan zijn vastgezet. De mast is gestoken door het voordek. Daarachter een vaste buiskap. De kuip heeft opstaande randen. Langs de zijwanden zijn banken. Achter de kuip een groot achterdek. De spil van het roer steekt door het achterdek. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, de gangboorden en het dak van de buiskap zijn crêmekleurig. De opstaande kuipranden en het houtwerk aan de binnenkant van de kuip is gelakt, evenals de helmstok. De metalen delen (rondhouten en beslag) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de drakenklasse: lengte 8.90 meter, breedte 1.96 meter, zeiloppervlakte grootzeil 15.9 m², fok 10.7 m², spinnaker 35 m². De romp en de rondhouten werden oorspronkelijk van (goedkoop) grenen gemaakt. Later is men overgestapt op polyester voor de romp en aluminium voor de rondhouten. De draak is in 1929 op verzoek van de Zweedse Zeilclub ontworpen door de Noor Johan Anker. Het was een schip dat geschikt moest zijn voor wedstrijden en toertochten, geschikt voor binnenwater en op zee, en geschikt voor betaalbare bouw. Het ontwerp sloeg aan in Scandinavië en later ook in Europa en Amerika. Van 1948-1972 was het een olympische klasse. De Scandinavische zeilbonden bleven aanvankelijk toezien op de betaalbaarheid van de klasse: geen tropisch hout en alleen een genua als hulpzeil. In 1964 moest men toch bezwijken onder de druk van hen die vroegen om verdere moderniseringen. Sindsdien is de draak is een echt wedstrijdschip (sompleet met spinnaker). De belangstelling is altijd gebleven. De draak met zeilnummer 44 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de drakenklasse waren er bij de Sneekweken van 1936-1940 en van 1945-1949. Gemiddeld verschenen er dan 7 deelnemers aan de start. Museumvoorzitter A.M. Sustring deed in 1948 mee in de draak met zeilnummer 28 (Greate Pier). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 16-17
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 72-73
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de spankerklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenspankerklasse
Objectnummer1998-315
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de spankerklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een blok op de bodem van het schip en wordt gesteund door een inkeping in de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: één voorstag en twee zijstagen die door naar achter gerichte zalingen worden geleid. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen houder aan de mast en is belegd op korvijnagel aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten zijn vastgezet op korvijnagels die in gatenrails in het gangboord zijn gestoken. De fokkeschoten liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een korvijnagel aan de voet van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met ringen aan de mast bevestigd. De halstalie is vastgemaakt aan een ring aan de voet van de mast. De grootschoot loop door beslag (geen blok) aan de giek en door een gatenrail op de bodem van de kuip, waaraan de schoot ook is vastgezet. De zwaardval van het midzwaard loopt aan weerszijden van de mast naar voren en is onder het dek vastgezet. In het grootzeil de klasse-aanduiding (gekantelde cirkel met aan de onderkant een onderbreking) en het zeilnummer 75. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die licht schuin (naar achter) op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Op de achterkant van het voordek een V-vormige waterlijst. Achter de mast kuip. Voor in de kuip de kast van het midzwaard. Daarachter de gatenrail van de grootschoot. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, gangboorden en de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten en het roer. De metalen delen (midzwaard, roerblad en beslag) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de spankerklasse: lengte 5.75 m, breedte 1.90 m., zeiloppervlakte grootzeil 9.6 m², zeiloppervlakte fok 4.2 m², zeiloppervlakte genua 6.3 m². De spanker is in 1961 op verzoek van het KNWV ontworpen door E.G. van de Stadt. Er was behoeft aan een klasse tussen de schakel en de valk (of pampus). Het moest een wedstrijd- en een toerschip zijn. Door de knikspant en het gebruik van hechthout is het schip ook geschikt voor amateurbouw. In wedstrijden wordt de boot gevaren met spinnaker en wordt gebruik gemaakt van een trapeze. De kuip is ruim: er kunnen vier mensen in liggen. Spankeren betekent hardlopen en in de zeezeilerij wordt het woord spanker gebruikt voor spinnaker. Dat verklaart ook het zeilteken: spinnaker van boven gezien. De spanker met zeilnummer 75 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Westrijden voor de spanker zijn tijdens de Sneekweken georganiseerd van 1963 tot heden (1998). De deelname was tamelijk groot en constant: 11 in 1963, 18 in 1965, 42 in 1970, 49 in 1975, 28 in 1980, 31 in 1985, 31 in 1990, 18 in 1995, 26 in 1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 56-57
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 74-75
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een laser 2. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is bevestigd in het voordek en is gestaagd (diamantverstaging) met twee metalen zijstagen en één voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (grootzeil (torentuig)) en een fok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een lus aan de mast en die is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op de ring op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee gatenrails (aan weerszijden van de mast) en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een sleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is vastgelijmd aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de metalen giek . De giek is met een ring om de mast bevestigd. Aan de giek is geen halstalie gemaakt (hoort wel zo). De grootschoot loopt door twee ringen aan de giek en een ring over een overloop (van touw dat in lengte verstelbaar is) op het achterschip. De grootschoot is niet belegd. Het midzwaard is een steekzwaard dat aan een touwlus wordt opgetrokken en vastgezet. In het zeil het nummer 150000. Geen windvaan. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een ring waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Aan bakboord is in het voordek een gat gemaakt dat dient voor het opbergen van de spinnaker. Aan weerszijden van de mast twee gatenrails waardoor de fokkeschoten lopen. In de voorwand van de kuip een ring waaraan enkele vallen zijn vastgezet. Op het achterdek de overloop die is vastgezet in twee ringen. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Aan de helmstok is een metalen joystick gemaakt. Kleuren: De romp is wit. De dekken en de cockpit zijn eveneens wit. De rondhouten zijn van metaal en ongeverfd. Het midzwaard en het roer zijn metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe laser 2 is ontworpen door Frank Bethwaite in 1979. Het is een vergroting van de laser die in 1969 is ontworpen. Het is een tweemansboot. De romp is iets groter, maar heeft dezelfde vorm en de tuigage is uitgebreid met een fok en een spinnaker. De kuip is klein en het water kan via een zelflozer worden afgevoerd. Door het geringe vrijboord komt er snel water over. Ook deze laser is een strikte eenheidsklasse. De boten worden identiek door de fabriek afgeleverd. In Nederland heeft de laser 2 lang niet zoveel aanhangers als de laser. In zijn soort (vaurien, stern en flying junior) delft de laser 2 het onderspit. Afmetingen: lengte 4.42 m., breedte 1.42 m., diepgang 1.00 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 11.52 m2.
Het zeilnummer 150000 is een fictief nummer. Op dit moment (2010) ligt het hoogst uitgegeven nummer rond de 10800., Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 44-45
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de optimistenklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenoptimistenklasse
Objectnummer1998-298
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de optimistenklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Deze is niet gestaagd maar vastgezet in een messelbank in het voorschip. Aan de mast wordt alleen een grootzeil gevoerd. De bovenkant van het grootzeil wordt gehouden door een rondhout dat qua vorm en functie het midden houdt tussen een gaffel en een spriet: het rondhout heeft geen gaffelbek en is met een lus aan de mast bevestigd, echter niet bij de hals van het zeil (zoals bij een spriet) maar halverwege de mast. Het zeil is met touw aan de mast geknoopt. De giek is voorzien van een gaffel bek. Het zeil is met losse broek aan de giek bevestigd. Aan de onderkant van de giek een soort overloop, waaraan de grootschoot is bevestig. Deze loopt door twee opgen in de bodem van de boot. In het zeil het zeilnummer Q H1235. Op de top van de mast geen vleugel. De romp: Platte bodem. Enkelgangs boorden. Rechte voorsteven (schuin naar voren hellend) en rechte spiegel (loodrecht op het vlak). Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. In het voorschip een messelbank, waarin de mast is gestoken. Het gedeelte achter de mast is door een dwarsplank gescheiden in twee compartimenten. In het voorste compartiment twee drijfkussens en de zwaardkast, waarin de uitneembare kiel gestoken wordt. In het achterste compartiment de grootschoot en een dwars tegen de spiegel geplaatste drijfkussen. Het roer hangt aan de spiegel. De scharnierbare helmstok op het roer is van metaal. Kleuren: De romp is wit, evenals het onderwaterschip. Aan de binnenkant is de boot eveneens wit. Het dwarsschot is bruin. Het midzwaard en het roerblad zijn ook bruin. De mast en de helmstok zijn metaalkleurig. De giek en de gaffel/spriet zijn gelakt. De drijfkussens zijn blauw. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe optimist bestaat al sinds 1948. Toen werd namelijk in Florida van een 'zeepkist op wielen met een zeiltje' een bootje ontworpen. Het initiatief hiervoor kwam van de serviceclub Soroptimist International (vandaar het zeilteken OI). In 1954 zag een Deense architect het Amerikaanse bootje en introduceerde het model in Scandinavië. In 1965 werd de Internationale Optimist Dinghy Association opgericht. In 1973 volgde de internationale status van de IYRU. In 1992 stonden er internationaal 150.000 optimisten geregistreerd. De optimist is een klein handzaam bootje voor jeugdzeilers van 6-15 jaar en is zeer geschikt voor beginnende zeilers. Het spriettuig zorgt voor een laag zeilpunt, waardoor de boot gemakkelijk overeind te houden is. De rompvorm geeft veel stabiliteit. Door de eenvoudige rompvorm (knikspant) is het tamelijk eenvoudig zelf te bouwen van hechthout. Afmetingen: lengte 2.30 m., breedte 1.15 m., diepgang midzwaard 0.80 m., zeiloppervlak 3,5 m2. Het zeilnummer 1235 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek voor in 1985. Eigenaar was R. Woortman te Groningen. De boot had de naam Opti-Miss. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar (Eemdijk, 1998), pp. 54-55
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijheidsklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenvrijheidsklasse
Objectnummer1998-296
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijheidsklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker en is gestaagd met twee metalen zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de top van de mast en die is belegd op een nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel van het grootzeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een ring aan de mastbeugel bevestigd. De halstalie die de giek naar beneden houdt is belegd op de nagelbank. De grootschoot loopt door een tweeschijfs blok aan de giek en is belegd op het daarvoor bestemde beslag op de bodem van de kuip. In het zeil het de klasseaanduiding (letter V) en het zeilnummer 1414. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Licht gepiekte rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die schuin naar achter op het water staat. Vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag van de fokkehals en een bolder. Voor de mast een V-vormige waterlijst. Aan de voet van de mast een nagelbank met korvijnagels die boven en onder het voordek uitsteken. De kuip is open. In de kuip geen banken. Achter de kuip het achterdek. Hoer roer hangt aan de spiegel. Het roer is voorzien van een houten helmstok. Kleuren: De romp is blauw-groen. Het onderwaterschip is wit. De dekken, gangboorden en de kuip zijn gelakt. De rondhouten en blokken zijn gelakt, evenals het roer. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de vrijheid: lengte 5.40 meter, breedte 1.65 meter, zeiloppervlakte grootzeil 9.7 m², fok 3.9 m², genua 5.9 m², spinnaker 9.8 m². In 1942 schreef het K.N.W.V. een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een zeilboot met 12 vierkante meter zeil, als opvolger van de B.M. klasse maar die niet dezelfde eigenschappen mocht hebben als de 12 m² sharpie. De prijsvraag zou kunnen leiden tot een nieuwe klasse. Het moest een stabiel kieljacht worden, dat vooral de jeugd zou aanspreken, dat snel moest zijn maar ook geschikt voor het maken van tochten, dat een lage bouwprijs zou moeten hebben en daarom door amatuers gemaakt moest kunnen worden. Er kwmane 55 inzendingen binnen: Workum, Viking, Vlinderjacht, Zomerweelde, Zomerwind, Oostergoo, etc. Siep van der Meer won de eerste prijs met de Zomerweelde. Er waren dire derde prijzen voor L. Moerman (maasjol), Chr. van der Zee (Kilpalipude een soort vergrote olympiajol) en Romke de Vries. Toch was het K.N.W.V. niet tevreden met de winnaar en maakte van de Zomerweelde geen eenheidsklasse (waar overigens wel werden meerdere van gebouwd zijn). De technische commissie van het K.N.W.V. moest zelf een nieuwe klasse ontwerpen met als basis de inzendingen van de prijsvraag. Het nieuwe ontwerp was smaller dan de Zomerweelde en er waren nog een paar verschillen. De romp kon zowel met gangen als met latten (amateurbouw) gemaakt worden. Ook in tuigage kon men kiezen tussen een torentuig of een gaffeltuig (de meeste werden uitgevoerd met een gaffeltuig). In december 1945 werd het schip gepresenteerd: de vrijheid. Het ontwerp sloeg goed aan. Al in 1947 waren er 100 gebouwd. Ook voor het buitenland werden er schepen gebouwd, met name ook in Indonesië. Ook kwam er een vergrote vrijheid op de markt (jachtwerf A. de Jong te Joure en jachtwerf Moedt te Sneek). In de loop van de jaren zijn er verbeteringen aangebracht in de klasse: trapeze, verplaatsbare mast, geprofileerd houten roer. De vrijheidsklasse-organisatie heeft bijna 300 leden. De vrijheid met zeilnummer 1414 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1967-1998. Het schip is gebouwd door R. Alberda te Sneek. Die bleef er in varen tot 1968. De scheepsnaam bleef Astarte. In de periode 1969-1977 was J.F. Westers (eerste Terherne, later Sneek) de eigenaar. In 1978-1988 was D. Zwart (Sneek) eigenaar en van 1989-1998 was het S.P. de Jong te Rozenburg. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 15
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 74
- J.K. Kuipers 'De Vrijheidsklasse' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 67-72.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 94-95
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een laser. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is niet gestaagd. Het is een steekmast die wordt gestoken in een buis op het voorschip. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil in de vorm van een grootzeil (torentuig). Het voorlijk is om de mast geregen. Het onderlijk is los aan de giek bevestigd (alleen aan de achterkant vastgezet). De giek is van metaal en scharniert aan de mastkoker. Aan de giek een halstalie die is vastgezet aan de voet van de mastkoker. De grootschoot loopt door twee ringen aan de giek en een blok over een overloop (van touw dat in lengte verstelbaar is) op het achterschip. Het midzwaard wordt bediend met een midswaardval die loopt via een blok op de voorsteven en is vastgemaakt aan de mastkoker. In het zeil het nummer H1414. Geen windvaan. Het blok is niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Direct achter de voorsteven een metalen blok met schijf waardoor de midzwaardval loopt. Daarachter de mastkoker (buis). Achter de mast een kleine cockpit met daarin de zwaardkast. Op het achterdek twee ringen waaraan de overloop is vastgemaakt. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Aan de helmstok is een metalen joystick gemaakt. Kleuren: De romp is groen. De dekken en de cockpit zijn wit. De rondhouten zijn van metaal en ongeverfd. Het midzwaard is gelakt. Het roer is bruin en metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe laser is ontworpen door Bruce Kirby in 1969. In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw verspreidde de klasse zich over de wereld in een ongekend tempo. De laser is een simpele, uitgekiende eenmansboot en blinkt uit door zijn eenvoud: een minimum aan onderdelen, allemaal zorgvuldig ontworpen voor hun specifieke taak. Het is een zeer strikte eenheidsklasse. Je mag niets veranderen, maar door de zeer eenvoudige uitvoering is er ook eigenlijk niets dat je kunt veranderen. De lichte romp (57 kg) kan op het dak van een auto worden vervoerd. De mast is deelbaar. Afmetingen: lengte 4.23 m., breedte 1.37 m., diepgang 0.70 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 7.06 m2. De laser met zeilnummer 1414 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek niet voor. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 42-43
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Tasarklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordentasarklasse
Objectnummer1998-327
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Tasarklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een fok. De fok is met een touwlus aan de mast bevestigd en heeft geen fokkeval. De hals van de fok is vastgezet op een oog op de voorsteven. De fokkeschoten lopen door twee gatenrails op de achterkant van het voordek en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. De halstalie loopt van de giek, schuin naar voren en is vastgemaakt aan een ring in de voorwand van de kuip. De grootschoot loop door houten blok aan de giek en door een ring op de bodem van de kuip. Het midzwaard is niet voorzien van een zwaardval. In het grootzeil de klasse-aanduiding (twee open cirkels in elkaar) en het zeilnummer 335. Op de top van de mast geen windvaan. Er is één houten blok op het model en dat is niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die vrijwel loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals is bevestigd. In de achterkant van het voordek is de mast gestoken. Aan weerzijden van de mast (in een V-vorm) de gatenrails voor de fokkeschoten. De kuip is door een dwarsbalk in tweeën gedeeld. In het voorste deel de zwaardkast van het midzwaard. In het achterste deel de ring van de grootschoot. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (boven en onder water). De dekken, gangboorden en de kuip zijn wit. Het midzwaard is bruin. De metalen delen (rondhouten en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Tasarklasse: lengte 4.52 m., zeiloppervlak grootzeil 8.36 m², fok 3.07 m². De romp wordt van polyester gemaakt en de rondhouten van aluminium. De klasse is in 1976 ontworpen door Frank Betwaite en Ian Bruce uit de Verenigde Staten. Daar is het type ook populair. Licentiebouwers zijn gevestigd in de Verenigde Staten, Australië en Engeland. In de Nederland is het nooit een nationale klasse geworden. De Tasar met zeilnummer 335 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Alleen bij de Sneekweek van 1978 waren er wedstrijden voor de tasarklasse. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Internetsite www.tasar.org
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vauriënklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenvauriënklasse
Objectnummer1998-303
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de vauriënklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast. De mast is gestaagd met een voorstag en twee zijstagen (nylondraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een stagfok en een grootzeil (torentuig). De top van de stagfok is vastgemaakt aan een oog in de mast (niet met vallen). De hals van de stagfok is vastgezeg op een oog in het voorschip (waar ook de voorstag aan vastgezet is). Het voorlijk van de fok is niet bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoten lopen door schootogen op de boorden naar binnen en zijn belegd op een dwarsscheepse nagelbank. Het grootzeil heeft de vorm van een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is in een sleuf in de mast geregen. Het onderlijk is op dezefde manier bevestigd aan de giek. De giek is met scharnierend beslag aan de mast bevestigd. De halstalie loopt van de giek naar een klamp aan de voet van de mast. De grootschoot is vastgemaakt aan het achtereind van de giek, loopt door twee ogen op de spiegel en is niet belegd. In het grootzeil het zeilnummer H21271. Het doek van het grootzeil is door vocht verkleurd. Op de top van de mast een metalen pin met daaraan een witte windvaan. Het model is niet voorzien van blokken. De romp. De bodem is vlak. Het jacht heeft geen kiel, maar een midzwaard. De voorsteven is scherp en licht hellend. De spiegel is recht en staat loodrecht op het water. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Over het voorschip een dek met voor de mast een V-vormige waterlijst. De mast staat in een messelbank. Tussen de waterlijst en en messelbank een driehoekige open ruimte. Achter de mast de zwaardkast van het steekzwaard. Het steekzwaard heeft een metalen hengsel. Achter de mast een dwarsscheeps bank met daarin nagels, waarop de schoten worden belegd. Langs de boorden twee lage banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is gelakt, zowel onder water als boven water. Ook de binnenkant van het jacht is gelakt, evenals de mast en de giek. Alleen de bovenkant van het roer is bruin geverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieJean Jaques Herbulot uit Frankrijk is de ontwerper van de vauriën (frans voor deugniet). Het doel was een boot te maken die door beginnende zeilers veilig gebruikt kon worden en die tevens geschikt was om als tweemans-eenheids wedstrijdboot te dienen voor beginners. Herbulot maakte het ontwerp in 1951 en al in 1952 werden er 200 van gebouwd. In 1953 werd in Frankrijk de vauriën-klasseorganisatie opgericht (Asvauriën). De organisatie staat amateurbouw niet toe en verleent alleen bepaalde werven de toestemming tot het bouwen van de boot. De regels daarbij zijn zeer precies vastgelegd, opdat de vaurien een zo zuiver mogelijke eenheidsboot is en blijft. Ook in Nederland is de vauriën een succes. Het type werd door de IYRU toegelaten als internationele klasse. In 1961 is in Nederland de Vaurien Klasseorganisatie opgericht. Afmetingen: lengte 4.08 m., breedte 1.47 m., diepgang midzwaard 0.96 m., zeiloppervalk (grootzeil en fok) 8.8 m2. Het zeilnummer H 21271 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek niet voor. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 36-37.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een finnjol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten steekmast. De mast is door het voordek gestoken. De mast is niet gestaagd. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek heeft een vast verbinding met de mast: de giek steekt in een vertikale sleuf in de mast. Dat betekent dat de mast met de giek mee moet draaien. Aan de giek hangen twee metalen ringen. De grootschoot loopt door deze twee raingen en een ring op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard loopt door twee ringen in de voorwand van de kuip en is belegd op een klamp aan de achterkant van de zwaardkast. In het grootzeil de klasse aanduiding (twee golven) en het zeilnummer 224. Op de top van de mast geen windvaan. Op het model zijn geen blokken. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Bol voordek. De mast staat in het voorste deel van het voordek. Achter de mast een V-vormige waterlijst. De voorkant van de kuip is bol van vorm. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Achter de zwaardkast de ring van de grootschoot. De achterwand van de kuip is ook bol. In de kuip zijn geen banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok van het roer is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken, boorden en de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. De metalen delen (midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de finnjollen: lengte 4.50 meter, breedte 1.51 meter, zeiloppervlakte 10 m². De Finnjol is in 1952 ontworpen door de Zweed Rickart Sarby. Voor de Olypische Spelen in 1952 in Finland schreef de Fnise zeilbond een prijsvraag uit. Het ontwerp van kapper en amateur-ontwerper Sarby werd niet bekroond, maar bij proefwedstrijden bleken de zeileigenschappen zo opmerkelijk dat de Finnjol toch voor de Spelen werd aangewezen. De finnjol bleef een internationale klasse. Finnjollen werden oorspronkelijk van hout gemaakt, later ook van polyester (of een combinatie van beide). De mast was van hout, later van aluminium of koolstofvezel. De finnjol kan goed getrimd worden maar het vergt wel de nodige ervaring om het goed te doen. Internationaal is de klasse populair, ook in Nederland. Roy Heiner behaalde in de Finnjol olympisch brons in 1996 (Atlanta). De Finnjol jol met zeilnummer 224 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de Finnjol waren er in de Sneekweken van 1956-1998 (met uitzondering van 1958 en de periode 1988-1993). Het aantal deelnemers is wisselend: 3 in 1956, 17 in 1960, 42 in 1965, 33 in 1970, 22 in 1975, 16 in 1980, 9 in 1985, 8 in 1995 en 16 in 1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 22-23
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 38-39
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de schakelklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenschakelklasse
Objectnummer1998-314
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de schakelklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat op de bodem van het schip, wordt gesteund in een inkeping in de achterkant van het voordek en wordt gehouden door twee metalen zijstagen en een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door een gatenrail op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met ringen aan de mast bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een houten tweeschijfs blok aan de giek en door een gatenrail op de bodem van de kuip, waarop de schoot ook is vastgezet. De val van het midzwaard loopt via twee ogen in de voorkant van de kuip naar achteren en is belegd op een oogbout bij de achterkant (bakboord) van de zwaardkast. In het grootzeil de klasse-aanduiding (gekantelde 8-vorm) en het zeilnummer 849. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Op de achterkant van het voordek een V-vormige waterlijst. De kuip is groot: er is geen achterdek. Achter de mast de kast van het midzwaard. Daarachter de gatenrail van de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is van hout en is aan de voorkant voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is wit (ook het onderwaterschip). Het voordek, de gangboorden en de kuip zijn eveneens wit. De bovenkant van het roer is bruin. De rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de schakel: lengte 4.71 m., breedte 1.70 m., zeiloppervlak grootzeil 7.7 m², fok 4.2 m². De schakel is in 1961 door G.J.M. Luyten en D.J. Koopmans ontworpen op intiatief van het KNWV. Er was behoefte aan een nieuwe midzwaard-klasse die tussen de jeugdklassen en de grotere wedstrijdklassen zoals de Vrijheid in zou zitten. Het ontwerp moest geschikt zijn voor toer- en wedstrijdzeilers. Er volgden een aantal testwedstrijden. Het schakelontwerp won. Binnen twee jaar werden er al 250 schakels gebouwd. Sindsdien is dat aantal alleen maar gegroeid. De schakel dankt zijn populariteit niet in de laatste plaats aan de actieve schakelorganisatie. In Friesland is de boot populair bij zeilers die uit de Flits zijn gegroeid. De schakel heeft een V-vormige bodem, is gemaakt van watervast multiplex. De trimmogelijkheden zijn eenvoudig maar goed. Een spinnaker is niet toegestaan. Wel is er een trapeze. Door het ontbreken van een achterdek kunnen twee volwassenen in de kuip slapen. Grote veranderingen in het ontwerp zijn er niet geweest. De grootste wijziging was in 1994 toen de vorm van het roer is veranderd. De schakel met zeilnummer 849 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1969-1972. De scheepsnaam bleef toen onveranderd Knuppel. In de periode 1967-1969 was de boot van mej. F. van der Feer te Sneek en in de periode 1970-1972 was de boot eigendom van J. de Bruin te Sneek. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 54-55
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 64-65
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhonderdzeventig-klasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenvierhonderdzeventig-klasse
Objectnummer1998-316
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de vierhonderdzeventig-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een steekmast die is gestoken in de kielbalk en in een ronde houder aan de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen (die door een zaling aan de mast zijn geleid) en door een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. De schootogen zijn gestoken in een gatenrail (ze kunnen daarin naar believen naar voren of naar achteren geplaatst worden). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. De halstalie is belegd aan de voet van de mast. De grootschoot loop door twee houten blokken aan de giek en door een ring aan de overloop in het midden van de kuip. De vallen van het midzwaard lopen in een W-vorm (door ringen aan de voet van de mast en vastgezet op de overloop in de kuip). In het grootzeil de klasse aanduiding (470) en het nummer zeilnummer H790. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. De romp is in hoge mate gestroomlijnd. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Het voordek wordt aan de achterkant afgesloten met een gebogen waterlijst. Daarachter de houder waarin de mast is gestoken. In het voorste deel van de kuip is de zwaardkast van het midzwaard. Boven de achterkant van de zwaardkast loopt een stang dwars door de kuip: de overloop van de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. Het helmhout steekt door een sleuf in de spiegel. Aan de voorkant van het helmhout een joystick. Kleuren: De romp is blauw (boven en onder water). Het voordek en de kuip zijn wit. Het roer en het midzwaard zijn metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de vierhonderd-zeventigklasse: lengte 4.70 meter, breedte 1.68 meter, zeiloppervlakte 13.62 m² (grootzeil en fok), uit te breiden met een spinnaker van 13 m². De vierhonderdzeventig-klasse heeft een romp van polyester en rondhouten van aluminium. Het ontwerp is in 1963 gemaakt door de fransman André cornu. De boot wordt gezien als opvolger van de vierhonderdtwintig-klasse. Zoals ook bij andere Franse klassen (vaurien bijvoorbeeld) zijn de klassevoorschriften zeer streng: er wordt gelet op een hoge mate van eenheid. In 1976 werd de vierhonderdzeventig een olympische klasse. In Nederland worden wel wedstrijden georganiseerd voor deze klasse, maar het aantal deelnemers daaraan nam na 1995 af. Internationaal waren er wel grote Nederlandse successen: de gebroeders Kouwenhoven werden er in 1994 en 1996 wereldkampioen mee. De zeileigenschappen van de klasse zijn aantrekkelijk. Bij windkracht 3-4 planeert de boot al en de boot beschikt over uitgebreide trimmogelijkheden. De vierhonderdtwinting met zeilnummer 790 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1988. Eigenaar was B. Kouwenhoven te Oppenhuizen. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 110-111
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de jeugdklasse (pluis).
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenjeugdklasse
Objectnummer1998-299
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de jeugdklasse (pluis). Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker op de overgang avn voordek en kuip. De mast wordt gehouden door metalen stagen: wtee zijstagen en één voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt over metaalbeslag aan de mast, door een gat in het voordek naar achteren en is vastgezet op een nagel bij de zwaardkast (stuurboord). De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door gatenrails op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een metalen ring aan de giek en is belegd op een gatenrail op de bodem van de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt via ringen aan de mastvoet naar achter en is vastgezet op een korvijnagel naast de zwaardkast (bakboord). Op de top van de mast geen windvaan. In het grootzeil het zeilnummer 107. Het model heeft geen blokken. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die schuin achterover hellend op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Over het voordek loopt een V-vormige waterlijst. Achter de mast de kuip. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Daarachter de gatenrail van de grootschoot. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is wit (boven en onder water). De dekken en gangboorden zijn wit. Het houtwerk in de kuip is gelakt, evenals de waterlijst en de rondhouten. De bovenkant van het roer is bruin. De metalen delen (roerblad en midzwaard) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de jeugdklasse (pluis): lengte 3.80 meter, breedte 1.42 meter, zeiloppervlakte 7.2 m² (grootzeil en fok). De romp en de rondhouten zijn van hout. De jeugdklasse (vaak pluis genoemd) is in 1949 ontworpen door A.N. van den Brink. Tot de Tweede Wereldoorlog was de twaalf-voets-jol de enige boot voor het jeugdzeilen. Daar wilde het KNWV verandering in brengen en schreef een wedstrijd uit die werd gewonnen door Van den Brink. De boot was meteen populair en bleef dat tot midden jaren zestig. Men stapte toen vaak over op modernere boten. Door aanpassingen en moderniseringen (hoger zeil, spinnaker, zelflozers) in 1993 groeit de belangstelling nu weer. De jeugdklasse werd tegelijk met de cadet geïntroduceerd. De cadet verloor toen. Maar inmiddels zijn de rollen omgedraaid. De cadet behoort nu (1998) tot de voorkeurslijn van het KNWV. De meeste jeugdklasseboten varen in het westen van Nederland (Kaag, Braassemermeer). De klasse heeft geen zeilteken. De jeugdklasse met zeilnummer 107 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in een aantal jaren. In 1954-1956 was de boot van J. of N. Wierda te Haren (naam: Kalong). In 1964 voer A.B. Loomeijer uit Paterswolde met de jeugdklasse 107 (naam: Fitis). Zeilwedstrijden voor de jeugdklasse waren er bij de Sneekweken van 1951-1969 en in 1985, 1986, 1988 en 1989. Het aantal deelnemers schommelde dan rond de tien. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 40-41
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Europeklasse.
VervaardigerOoms, G.
TrefwoordenEurope
Objectnummer1998-319
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Europeklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. Het is een ongestaagde steekmast. Aan de mast wordt één zeilgevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de giek. De giek heeft een vaste verbinding met de mast: hij is gestoken door een gat in de mast. De grootschoot loopt door twee metalen blokken aan de giek en door een houten blok op een boogvormig overloop in de kuip. Aan het midzwaard zijn geen vallen gemaakt. In het grootzeil de klasse-aanduiding (cirkel en daarin de letter E) en het zeilnummer 483. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een houten midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek staat de mast. Het voordek loopt door tot achter de mast. De kuip is open. In het voorste deel van de kuip de kast van het midzwaard. Over de achterkant van de zwaardkast een gebogen overloop. Langs de randen van de kuip de drijfkasten. In de kuip zijn geen banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het roer is van metaal en is aan de onderkant voorzien van een beweegbaar roerblad. De helmstok van het roer is van metaal. Kleuren: De romp is rood. Het voordek en de kuip zijn wit. De rondhouten en het midzwaard zijn gelakt. Het roer is metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Europeklasse: lengte 3.35 meter, breedte 1.38 meter, zeiloppervlakte 7 m². Aanvankelijk was de klasse bekend als Europe Moth. De Europe is dan ook voortgekomen uit de internationale Mothklasse, een beperkte eenheidsklasse uit Amerika, waarvoor alleen de lengte (11 voet) en zeiloppervlak (7 m²) was voorgeschreven. De Moth dateert al van 1935 en was geliefd in België. De Belg Aloïs Roland ontwierp in 1965 een Europese versie, die een grotere eenheid heeft. Vanaf 1966 werden er onderlinge internationale wedstrijden in de Europe gehouden. In 1972 werd de klasse erkend door het KNWV. Een jaar eerder al was besloten het woord Moth weg te laten uit de klasseaanduiding, om verwarring met de Amerikaanse Moth te voorkomen. De Europe heeft een romp van plakhout of van polyester. De rondhouten zijn van hout (later van aluminium of koolstof). Het is een gevoelig zeiler. Er zijn goede trimmogelijkheden. Opvallend is de vaste verbinding van giek en mast. De mast draait met de giek mee. Voor veel zeilers is de Europe de opvolger van de optimist. Op zijn beurt levert de Europe vaak zeilers af in de laser of Finnjol. In 1988 werd de Europe olympische klasse voor vrouwen. In 1996 won de Nederlandse Margriet Matthijse het zilver bij de Olympische Spelen te Atlanta in de Europe. De Europe met nr. 483 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1989, 1992-1995. In 1989 was R. Poulie te Bussum de eigenaar. In 1992 en 1993 was het M.C. Poulie te Bussum. In 1994 en 1995 was H.A.T. Kooistra uit Leeuwarden de eigenaar. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 20-21
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de gemengde klasse: een zomerweelde.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenzomerweelde
Objectnummer1998-297
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de gemengde klasse: een zomerweelde. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een uitsparing van het achterdek en is aan de achterkant vastgezet met een beugel. De mast wordt gehouden door metalen stagen: twee zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast en is belegd op de nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een piekeval (die loopt door het beslag aan de top van de mast) en een klauwval (die loopt door een houten blok aan de mast. De beide grootzeilvallen worden belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een omhoogwijzende zwanehals aan de mast bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee giekringen met daartussen een stang. De grootschoot loopt via gaten in de stang van de giekringen en door een bolok op de bodem van de kuip. Er is ook nog een losse set giekringen met een houten verbinding. In het zeil geen klasse-aanduiding. De plaats van het opgespelde zeilnummer gaf aan welke tot dat de deelnemer aan de gemengde klasse deelnam (bijvoorbeeld 50 cm boven de giek in het voorlijk). Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel die schuin achterover op het water staat. De boot is uitgerust met een vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Voor de mast loopt over het voordek een V-vormige waterlijst. Achter de mast en granaatvormige kuip, die langs de boorden wordt afgesloten met een opstaande rand (lage waterlijst). In de kuip twee dwarsbanken. Achter de kuip het achterdek. De roerspil van steekt door het achterdek. De helmstok is van metaal. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip (inclusief kiel en roerblad) is bronskleurig. De achterplecht is gelakt, evenals de stootrand van het dek. De dekken en gangboorden zijn crêmekleurig. De waterlijst en het houtwerk in de kuip is gelakt, evenals de rondhouten. Accessoires: extra giekringenset (met houten verbinding) en tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe gemengde klasse is, zoals de naam al suggereert, geen eenheidsklasse en ook geen beperkte klasse. Het was meer een voorgifteklasse, waarbij schepen van allerlei soort mee mochten doen. De uitslag van de wedstrijd werd dan gecorrigeerd door een TCF (tijd-correctie-factor). Bij de Sneekweek waren er wedstrijden voor de gemengde klasse van 1946-1967. Vaak staat in de deelnemerslijsten aangegeven dat deze wedstrijden alleen open stonden voor leden van de SZC. In de jaren 1953-1959 werd er onderscheid gemaakt tussen kajuitzeilboten en open boten. Deelnemers waren mensen met schepen die niet binnen een eenheidsklasse vielen (een afwijkend type, een bastaard) en die toch mee wilden doen aan de wedstrijden. Per keer werd een zeilnummer toegekend, dat in het zeil werd gespeld. Na 1967 zijn deze wedstrijden niet meer gehouden. De bouwer heeft voor de gemengde klasse gekozen voor een zomerweeldejacht. De zomerweelde is de voorloper van de vrijheidsklasse. In 1942 schreef het K.N.W.V. een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een zeilboot met 12 m² zeil. De prijsvraag zou kunnen leiden tot een nieuwe klasse. Het moest een stabiel zeiljacht worden, dat vooral de jeugd zou aanspreken, dat snel moets zijn maar ook gschikt voor het maken van toertochten, dat een lage bouwprijs zou moeten hebben en derhalve door amateurs gebouwd moest kunnen worden. Er kwamen 55 inzendingen binnen: Workum, Viking, Vlinderjacht, Zomerweelde, Zomerwind, Oostergoo, etc. Siep van der Meer won de eerste prijs met de Zomerweelde. Er waren drie derde prijzen voor L. Moerman (maasjol), Chr. van der Zee (Kilpalipude, een soort olympiajol) en Romke de Vries. Het verbond maakte van de Zomerweelde geen eenheidsklasse. Wel werden er meerdere van gebouwd. De technische commissie van het K.N.W.V. moest zelf een nieuwe klasse ontwerpen met als basis de inzendingen van de prijsvraag. In december 1945 werd het ontwerp gepresenteerd: de Vrijheid. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 67-68
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 22
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Jan van Gentklasse.
VervaardigerOoms, G.
TrefwoordenJan van Gentklasse
Objectnummer1998-329
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Jan van Gentklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen (geleid door zalingen). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. Aan de schoothoek van de fok is een blok gemaakt waardoor de fokkeschoten lopen. Deze worden geleid door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee houten blokken (één aan de giek en één op de bodem van de kuip) en ligt opgschoten in de kuip. Het midzwaard is niet voorzien van een zwaardval. In het grootzeil de klasse-aanduiding (vogel) en het zeilnummer 12. Op de top van de mast een zwarte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel (van boven gezien), die vrijwel loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. In de achterkant van het voordek is de mast gestoken. De kuip is niet voorzien van banken. In het voorste deel van de kuip steekt de handgreep van het midzwaard uit de bodem (geen zwaardkast). Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is oranje (boven en onder water). De dekken, gangboorden en de wanden van de kuip zijn wit. De bodem van de kuip is gelakt. De metalen delen (rondhouten en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Jan van Gent: lengte 5.25 m., breedte 1.79 m., zeiloppervlak grootzeil 9.5 m², zeiloppervlak genua 7.3 m², zeiloppervlak spinnaker 17.7 m². De romp is van polyester en het dek van mahonie multiplex. Het ontwerp is in 1988 gemaakt door J. Woort te Den Helder. Verkooppunt voor de Jan van Gent is het Studiecentrum Jachtbouw en Begeleiding te Den Helder. De Jan van Gent met zeilnummer 12 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in de jaren 1995-1998. Eigenaar is M.C. Woort uit Den Helder (1995-1997) en later te Hoorn (1998). Wedstrijden voor de Jan van Gentklasse waren er tijdens de Sneekweken van 1995-1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Waterkampioen septmeber 1989
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de cadetklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordencadetten
Objectnummer1998-300
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de cadetklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen (geen voorstag). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fook hangt met een touw lus aan de mast (geen fokkeval). De hals van de fok is vastgezet op een oog op de voorsteven. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. er is geen grootzeilval. De giek is van metaal. De voorkant van de giek is met een ring aan de mastbeugel bevestigd. De grootschoot loopt via een ring aan het achtereind van de giek en twee ringen op de spiegel, en ligt opgeschoten in de kuip. Het midzwaard is niet voorzien van een zwaardval. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter C) en het zeilnummer 7571. Op de top van de mast een witte windvaan. Het model is niet voorzien van blokken. Het grootzeil is in de schoothoek vuil. De romp. Knikspant. Stompe voorsteven. Rechte spiegel die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals is bevestigd. Aan weerszijden op het voordek twee handgrepen. Voor de mast een V-vormige waterlijst op het voordek. Achter de mast in de kuip de zwaardklast van het midzwaard. De handgreep van het midzwaard steekt boven de zwardkast uit. Aan weerszijden van het achterdek twee handgrpen. Op de spiegel twee ringen voor de grootschoot. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is rood (boven en onder water). De dekken, gangboorden en kuip zijn wit. Het roer is bruin. De metalen delen (rondhouten, midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de cadetklasse: lengte 3.22 m, breedte 1.27 m, zeiloppervlak grootzeil 3.9 m², fok 1.26 m², spinnaker 4.25 m². De romp is van hechthout (later ook van polyester). De rondhouten zijn van hout of metaal. De Cadet is in 1949 ontworpen door de engelsman Jack Holt. Kenmerkend voor zijn ontwerpen is de knikspant rompvorm met de stompe voorsteven. . Tegelijk met de invoering van de Cadet in 1949 werd de Nederlandse Jeugdklasse door het KNWV erkend. De Cadet kreeg daardoor in Nederland weinig kans. Buiten Nederland drong de Cadet wel goed door. In 1958 kreeg de klasse de internationale status. Toen in Nederland de interesse voor de jeugdklasse afnam, kwam vanaf 1970 de Cadet opzetten. In 1973 werd de Cadet Klasse Organisatie opgericht. Het is een goede tweemans jeugdboot, eenvoudig ingericht maar met voldoende trimmogelijkheden. Het KNWV heeft de Cadet opgenomen in de voorkeurslijn. Vanuit de Cadet wordt meestal overgestapt op de Vaurien of de vierhonderdtwintigklasse. De cadet met zeilnummer 7571 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Alleen bij de Sneekweek van 1996 waren er wedstrijden voor de cadet. Er waren toen 7 deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 10-11
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de flying dutchmanklasse.
VervaardigerOoms, G.
TrefwoordenFlying Dutchmanklasse
Objectnummer1998-301
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de flying dutchmanklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een steekmast die is gestoken in de kielbalk . De mast wordt gehouden door twee metalen zijstagen (geleid door zalingen) en een metalen voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen blok aan de mast en die is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en zijn belegd op korvijnagels op een dwarsstang in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek heeft een scharnierende verbinding met de mast. De halstalie loopt van de giek schuin naar voren en is vastgezet op een ring aan de mastvoet. Aan de giek hangt een houten blok. De grootschoot loopt door dit blok en door beslag op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard loopt door twee ringen in het voorschip, naar achteren en is belegd op de dwarsstang in de kuip. In het grootzeil de klasse aanduiding (letter FD) en het zeilnummer H 16. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek een handgreep en het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Voor de mast een V-vormige waterlijst die tevens de voorkant van de kuip begrenst. Achter de waterlijst de mast. Daarachter de lange zwaardkast van het midzwaard. Boven de achterkant van de zwaardkast is een dwarsstang geplaatst in de kui. Daarin twee korvijnagels (voor het vastzetten van schoten en vallen). Achter de kuip het achterdek. Aan weerszijden zijn op het achterdek twee handgrepen geplaatst. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken en gangboorden zijn wit. Het houtwerk van de kuip is gelakt, evenals de helmstok. Het roer is bruin. De metalen delen (roerblad, roerkop, midzwaard en rondhouten) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de flying dutchmanklasse: lengte 6.06 meter, breedte 1.78 meter, zeiloppervlakte grootzeil 10.2 m², genua 8.4 m² en spinnaker 21 m². De romp is van polyester en de rondhouten van aluminium. De flying dutchman is in 1951 door Conrad Gülcher en Uus van Essen ontworpen. De IYRU stelde in 1949 de Tornadoklasse in als nieuwe tweemans midzwaardboot. De Tornado viel echter tegen. Zeiler Gülcher en verbondsmeter Van Essen maakten daarom een ander ontwerp: de Flying Dutchman. Dat erkende ook de IYRU: het werd een eenheidsklasse. Ook bij de Olympische spelen deed de klasse van 1960 tot 1992 mee (is toen vervangen door de 49'er). Het is een uitgesproken wedstrijdschip dat snel is en gauw planeert. De trim is niet eenvoudig. De ontwikkelingen in de zeilsport werden op de voet gevolgd: plakhout werd polyester, stagfok werd genua (1953), er werd een trapeze toegestaan. De flying dutchman met zeilnummer 16 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek een keer voor: in 1953 was de boot van J. Helder te Paterswolde (naam: Favonius). Wedstrijden voor de flying dutchman waren in 1953 en 1954, 1957-1960, 1962-1967. Het aantal deelnemers varieerde van 3 (1953) tot 17 (1963). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 28-29
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 44-45
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de twaalf-kwadraat-klasse (sharpie)
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordentwaalf-kwadraat-klasse
Objectnummer1998-290
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de twaalf-kwadraat-klasse (sharpie). Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is staat in een mastkoker en wordt gehouden door metalen stagen (twee zijstagen en één voorstag). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een ring aan de mast en is belegd op de nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op de het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door houten schootogen op de gangboorden en zijn belegd op nagels die in de kuipwanden zijn gestoken. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgemaakt aan de mast. De rechts gaffel is nogal hoog. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een piekeval, die lopen door blokken aan de mast. Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een oog aan de mast bevestigd. Aan de giek hangt een giekring met een metalen stang naar achteren. Aan de giekring hangt een blok. De grootschoot loopt door het blok aan de giek, door een blok in de kuip en is ligt opgeschoten in de kuip. De val van het midzwaard loopt door een blok op het zwaard en door twee ringen aan de mastvoet. De zwaardval is belegd op een korvijnagel die in de midscheepse dwarsbank is gestoken. In het grootzeil de klasseaanduiding (12 met streep) en het zeilnummer H100. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Zeer ranke vorm. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die bijna loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek een ring waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Voor de mast een V-vormige waterlijst. Achter de mast de kuip. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. In het midden van de kuip een dwarse bank. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het is omhoog te halen met een touw dat op de helmstok is vastgezet. Het roer heeft een dubbele, gebogen helmstok met tussenbalk (A-vorm). Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen (inclusief midzwaard en roerblad). De dekken, de gangboorden, de kuip en de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de twaalf-kwadraat-klasse: lengte 5.99 m, breedte 1.43 m, zeiloppervlakte grootzeil 8.97 m², genuafok 3.20 m². De romp en de rondhouten zijn van hout. De twaalf-kwadraat-klasse (ook wel sharpie genoemd) is in 1931 ontworpen door H. Kröger. Hij won een door het Deutscher Segler Verband uitgeschreven ontwerpwedstrijd. Meteen werd de twaalf-kwadraat in Nederland ingevoerd. In 1933 werd de klasse internationaal erkend door de IYRU. In 1970 verloor de twaalf-kwadraat deze status weer. De twaalf-kwadraat is hoog gepiekt. De naam is misleidend. Door nieuwe klassevoorschriften is een genuafok toegestaan, waardoor het zeiloppervlak boven de 12 m² uitkwam. Een trapeze mag niet gebruikt worden, maar door het relatief grote zeiloppervlak is het wel noodzakelijk dat aan hangbanden buitenboord gehangen wordt. De twaalf-kwadraat met zeilnummer 100 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1935. Eigenaar was D. van der Werf te Sneek (scheepsnaam Rampy). Voor de klasse werden wedstrijden gehouden bij de Sneekweken van 1935-1961 (behalve in 1946) en in 1975. Het aantal deelnemers was niet groot: het schommelde rond de 5 met uitschieters in 1937 (2 deelnemers) en in 1975 (17 deelnemers). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 99-99
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 42-43
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p.
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de splashklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordensplashklasse
Objectnummer1998-330
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de splashklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. Het is een ongestaagde steekmast. Aan de mast wordt één zeilgevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de mast, door ringen op het voordek en in de kuip en is belegd op de ringen in de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de giek. De giek is bevestigd aan de mast door middel van een ring om de mast. De hals van het grootzeil wordt neergehaald met een halstalie die loopt door een ring op het voordek en een ring in de kuip. Ook de giek kan neergehaald worden. Deze neerhaler is vastgemaakt aan de voet van de mast. De grootschoot loopt door twee blokken aan de giek en door een blok op touw overloop op het achterdek. De grootschoot is belegd op een ring in de kuip. De touwoverloop is gespannen tussen twee ogen op de zijkanten van het achterdek en is strak te zetten met een touw op een korvijnagel in de achterwand van de kuip. Aan het midzwaard geen zwaardval. In het grootzeil de klasse-aanduiding (eend met spattend water) en het zeilnummer 737. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant met in dwarsdoorsnede een lichte V-vorm. Scherpe voorsteven. Rechte, lage spiegel, die loodrecht op het water staat. Brede boorden. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek staat de steekmast. Aan de voet van de mast twee ringen (halstalie en grootzeilval). De kuip is aan de voorkant voorzien van een V-vormige waterlijst. Het voorste deel van de kuip is verhoogd: stuurkast en beslag voor halstalie en zeilval. Achter de kuip het achterdek met touwoverloop. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en hangt scharnierend in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is oranje. Het voordek, het achterdek, de gangboorden en de kuip zijn wit. De bovenkant van het roer en de midzwaard zijn bruin. De metalen rondhouten en het metalen roerblad zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de splash: lengte 3.55 meter, breedte 1.30 meter, zeiloppervlakte 5.5 m². In de categorie eenmansboten bestond in Nederland geen overgangsklasse voor kinderen die uit de optimist zijn gegroeid, maar die nog te onervaren waren voor de europe of de laser. Scheepsbouwer Roel Wester vroeg scheepsontwerper Ja. de Ridder in 1987 daarvoor een ontwerp te maken. Het werd de splash: een snelle en gemakkelijke boot. De splash is goed te trimmen. De splesh is een strikte eenheidsklasse voor jongeren tot 18 jaar. De klasse was zeer populair. In de tien jaar die volgden op het ontwerp zijn er meer dan duizend exemplaren van gebouwd. De klasse groeide tot een van de grootste in 1998. De splash wordt ook gevaren in Australië, Nieuw-Zeeland en Amerika. De splash met zeilnummer 737 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1995 en 1996. Jos Hiemstra uit Sneek zeilde toen in de boot. Vanaf het begin van de klasse in 1987 waren er bij de Sneekweken wedstrijden voor de splash. Het aantal deelnemers groeide explosief: 7 in 1987, 12 in 1988, 23 in 1989, 38 in 1990, 69 in 1991, 98 in 1992, 117 in 1993, 96 in 1994, 100 in 1995, 126 in 1996, 135 in 1997 en 129 in 1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-330)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 76-77
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27