TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de javelinklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenjavelinklasse
Objectnummer1998-318
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de javelinklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen (die door een zaling geleid worden). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en door een gat in het voordek en is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen. Deze zijn gestoken in gatenrails op de gangboorden. In dezelfde rails zijn ook de korvijnagels gestoken waarop de fokkeschoten zijn belegd. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en door een gat in het voordek. De grootzeilval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De giek is van metaal. De voorkant van de giek is met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee houten blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en door ringen op de kielbalk en ligt opgeschoten in de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt via een ring in de voorwand van de kuip naar achter en is daar belegd op een korvijnagel in de dwarsbank in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (cirkel met pijl naar rechtsboven) en het zeilnummer 35. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel die loodrecht op het water staat. De romp is van voren ronder dan van achter, waar de boot schuin oploopt. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Achter de mast de kuip. De voorwand van de kuip is gebogen en is aan de bovenkant voorzien van een opstaande rand (soort waterlijst). Voor de dwarsbank in de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Aan weerszijden daarvan liggen vallen en schoten opgeschoten. Het gedeelte van de kuip achter de mast wordt alleen gevult met de ringen van de grootschoot. Er is geen achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout (metaalkleurig) en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is zwart (boven en onder water). Het voordek en de kuip zijn wit. De metalen delen (roer, midzwaard en rondhouten) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de javelinklasse: lengte 5.37 m, breedte 1.69 m, zeiloppervlak grootzeil 10.9 m², fok 4.8 m², spinnaker 17.5 m². De romp is van polyester en de rondhouten van aluminium. De Javelin is in 1965 ontworpen in Groot-Brittannië door Peter Milne. Het prototype was er in 1965, vervolgens werd het stil. Pas in 1968 verscheen een eerste versie op het water. In Nederland sloeg de klasse niet erg aan. In 1976 werd de klasse door het KNWV toegelaten. De javelin is een snelle wedstrijboot. De rompvorm maakt dat het schip snel planeert. De romp is door de dubbele bodem goed stijf. Het type is ontworpen als wedstrijdboot: snelle romp, trapeze, spinnaker, trimmogelijkheden. De javelin met zeilnummer 35 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Alleen bij de Sneekweek van 1981 waren er wedstrijden voor de Javelin. Er waren toen 12 deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 38-39
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een olympiajol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast, die staat in een klos aan het achtereind van het voordek. De mast wordt gehouden door nylon stagen: een voorstag en twee zijstagen. De stagen zijn niet vastgezet op beslag maar verdwijnen door gaten in het voordek en de gangboorden. Voor het buigen van de mast is een stag over een uithouder geplaatst aan de voorkant van de mast. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is met twee ringen verbonden aan de mast. Aan de mast hangt een tweeschijfs blok. De grootschoot loopt door dit blok en door twee ringen op de kuipvloer. De zwaardval van het midzwaard loopt door een blok aan de bovenkant van het midzwaard en twee ringen in het voorschip en ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse aanduiding (letter O) en het zeilnummer 46. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Langs de rand van de kuip een opstaande rand. In de kuip is in het midden de zwaardkast van het midzwaard geplaatst. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Aan de onderkant van het roer een draaibaar, metalen roerblad. Dat wordt bediend met een touw dat loopt over de rug van het roer en dat is vastgezet op de dwarsbalk in het helmhout. Het helmhout is A-vormig: twee stokken met daartussen een dwarsbalk. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn gelakt, evenals de mast en de blokken. Het roer is bruin. De metalen delen (midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de olympiajollen: lengte 5.00 meter, breedte 1.66 meter, zeiloppervlakte 10.5 m². De olympiajol werd ontworpen voor de Olympische Spelen van 1936. De Duitse zeilbond schreef een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een eenmans-wedstrijdboot. De inzendingen werden vervolgens gebouwd en getest. er werd toen gekozen voor het ontwerp van H. Stauch uit Berlijn. Zijn ontwerp bestond uit een karveel gebouwde middenzwaardboot. De boot werd breed gehouden om de invloed van het lichaamsgewicht van de zeiler - een factor van beland voor het rechtop houden van de boot - niet te groot te doen zijn. De jol is voorzien van een gestaagd toren-cattuig. Twee jaar na de Olympische Spelen in Berlijn werd in 1938 de olympiajol door de I.Y.R.A. erkend als internationale klasse. Door concurrentie van de Finnjol (sinds 1952) verloor de olympiajol aan populariteit. Het leidde er toe dat de Olympiajol in 1970 haar internationale erkenning weer verloor. De klasseorganisatie had nu weer het heft in handen en besloot tot modernisatie: rompen van polyester, metalen rondhouten. Sinds 1990 groeit de klasse weer gestaag. Het zeilteken is een O, gevolgd door een landenletter (Nederland: H) en een volgnummer. De olympiajol werd populair in Duitsland, Nederland en Zwitserland. De olympiajol met zeilnummer 46 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1937-1948. De scheepsnaam bleef Fram. Eigenaars: 1937-1941 Corrie van Gool uit Hommerts, 1942 M. van Dijk uit Hommerts, 1945-1948 P. Vlaskamp uit Sneek. Wedstrijden voor de olympiajollen waren er in de Sneekweken van 1937-1963, 1967, 1968, 1975, 1985-1987 en 1989-1998. Het aantal deelnemers was gemiddeld per jaar 15. Maar het aantal wisselde sterk. Rond 1939 was het een populaire klasse. Na 1955 nam het aantal deelnemers af, zelfs zodanig dat er soms geen wedstrijden meer werden gehouden voor deze klasse. Vanaf 1990 zit de klasse weer in de lift. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 52-53
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 40-41
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 19-20
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de efsixklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenefsixklasse
Objectnummer1998-326
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de efsixklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door het voordek. De mast wordt gehouden door een voorstag en door twee metalen zijstagen (waarvan de langste wordt geleid door een zaling). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een fok. De fok wordt gehesen door de fokkeval die loopt door een blok in de mast en die is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet aan het beslag op het voordek waaraan ook de voorstag is bevestigd. Aan de schoothoek van de fok een blok waardoor de fokkeschoten lopen. Met het vaste eind zijn de fokkeschoten vastgemaakt aan een ring op het gangboord. De halende einden van de kkeschoten lopen door het blok aan de fok en door schootogen in gatenrails op de gangboorden. De fokkeschoten zijn belegd op nagels die zijn gestoken in de gatenrails op de gangboorden. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de mast en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een houten blok op de kuipvloer. In het grootzeil de klasse-aanduiding (liggende lijn met schuine dwarsstreep) en het zeilnummer 2004. Op de top van de mast een rode windvaan. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De twee metalen blokken aan de giek zijn wel voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe, schuine voorsteven. Rechte spiegel, die schuin naar voren op de spiegel staat. De boot is uitgerust met een balastkiel, die aan een geleider omhoog kan worden getrokken. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals is bevestigd. Daarachter een handfreep. Het voordek is bol. De kuip is ruim. In het voorste deel van de kuip is de bovenkant van de balastkiel te zien. Deze kiel kan langs een schuine geleider (onder het voordek) omhoog gehaald worden (de takelage en de lier daarvoor zijn niet aanwezig). Achter de kuip een achterdek. Daarop twee handgrepen. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roe is van metaal en hangt scharnierend in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is groen (boven en onder water) met een zwarte bies langs de dekrand. De dekken, gangboorden en de kuip zijn wit. De kiel en het bovenste deel van het roer zijn bruin. De metalen delen (roerblad en rondhouten) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de efsix: lengte 6.00 m, breedte 2.00 m, zeiloppervlak grootzeil 12 m², fok 6.8 m², spinnaker 22.3 m². De romp wordt van polyester gemaakt en de rondhouten van aluminium. De efsixklasse is in 1975 ontworpen door E.G. van de Stadt. Het is een strikte eenheidsklasse (eenheidsbeslag, één zeilmaker). Opvallend is het verhoogde voordek. De kuip is ruim, mede door het ontbreken van een midzwaard. De efsix is uitgerust met een balastkiel van 150 kilo, die met een liertje omhoog kan worden gehaald (voor vervoer bijvoorbeeld). Bij wedstrijden is een trapeze toegestaan. Jarenlang kwam de klasse niet verder dan de status van toegelaten klasse. In 1991 kreeg de klasse een nieuwe impuls doordat een nieuwe werf het schip ging maken en er verbeteringen werden aangebracht. In 1995 is de efsix erkend als nationale klasse. De efsix met zeilnummer 2004 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1993, 1995 en 1996. Eigenaar was W. Brandsma te Grijpskerk. Wedstrijd voor de efsixklasse waren er bij de Sneekweken van 1975-1981, 1991-1993 en 1995-1998. Het aantal deelnemers was gemiddeld per jaar 13. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 18-19
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de sternklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordensternklasse
Objectnummer1998-305
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de sternklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast (metaal). De mast is gestaagd met een voorstag en twee zijstagen (metaaldraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een stagfok en een grootzeil (torentuig). De fokkeval loopt door een blok aan de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de boorden naar achter en zijn niet belegd. Het voorlijk van de fok is niet bevestigd aan de voorstag. Het grootzeil heeft de vorm van een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een sleuf in de mast en het onderlijk is op dezelfde wijze bevestigd aan de giek. De grootzeilval loopt door een gat in de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De halstalie loopt door een blok aan de giek naar een ring aan de voet van de mast en is daarop ook belegd. De grootschoot loopt door twee blokken aan de giek en een overloop op de spiegel. De grootschoot is belegd op een metalen blok op de bodem van de boot. In het zeil het zeilnummer 167. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Op de top van de mast een metalen pin met daaraan een rode windvaan. De romp. Rondspantromp met enigszins wegvallende boeg. Scherpe voorsteven. Licht gebogen spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Bol voordek met gebogen waterlijst voor de mast. Steekmast met daaraan enkele klampen voor de vallen. Achter de mast de kast van het midzwaard. Het midzwaard wordt met midzwaardvallen omphoog getrokken. Deze vallen lopen door ogen die onder het voordek zijn bevestigd en worden belegd op de achterkant van de zwaardkast. In het achterschip twee vaste luchtkasten. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een houten helmstok, dat onder de overloop van het grootzeil door loopt. In de spiegel twee rode vlakken: zelflozers. Kleuren: De romp is wit, zowel onder water als boven water. Oop de binnenkant van de boot is wit. De metalen mast en giek zijn ongeverfd. Het roer is bruin, het onderste roerblad is ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe sternklasse en de flying junior zijn beide in de jaren vijftig ontstaan. Er is altijd enige rivaliteit geweest tussen aanhangers van beide klassen. Het Watersportverbond benaderde in 1955 E.G. van de Stadt voor het ontwerp van de stern. Het was de bedoeling de leemte tussen de jeugdklasse en de vijheidsklasse op te vullen. Volgens de klassevoorschriften kon de stern zowel van gevormd plakthout als van polyester gebouwd worden. Er zijn in het begin een tiental houten schepen gebouwd, maar de meeste zijn toch van polyester. Vanaf het begin is de stern uitgerust met spinnaker en trapeze. Opvallend aan de tuigage is het grote grootzeil. Junior Club opgericht om Afmetingen: lengte 4.25 m., breedte 1.55 m., diepgang 0.95 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 11.2 m2. De stern met zeilnummer zeilnummer 167 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek voor van 1959 tot 1968. Deelnemers waren verschillende leden van de familie Niermeijer uit Sneek. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 36-37.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998) pp. 80-81.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de klasse tempo scow.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordentempo scow
Objectnummer1998-317
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een tempo scow. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast staat in een balk op de kuipvloer. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen. Aan de zijkanten van de mast is bovendien een diamantverstaging aangebracht: stagen die lopen door zalingen en die niet zijn vastgezet aan de romp maar terug lopen naar de mast. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan top van de mast en die is belegd op een metalen klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waaraan ook de voorstag is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. Aan de voorkant is de giek met een beugel aan de mast bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loopt door een metalen blok en een ring aan de giek en door een houten blok op een overloop in de kuip. De grootschoot ligt opgeschoten in de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt via twee ringen in de voorwand van de kuip en is vastgezet in het achterschip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter T) en het zeilnummer 575. Op de top van de mast een witte windvaan. De twee houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Het metalen schootblok heeft wel een lopende schijf. De romp. In dwarsdoorsnede een V-vorm. De romp heeft een geringe hoogte en is zeer plat. Van boven gezien is de voorsteven rond. De spiegel is plat en staat loodrecht op het water. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Over het voordek loopt een balk die aan de achterkant overgaat in een V-vormige waterlijst. Op de balk het beslag van voorstag en fokkehals en een bolder. De mast staat in de voorkant van de kuip. Achter de mast de zwaardkast van het midzwaard. Over de voorkant en de achterkant van de zwaardkast lopen dwarsplank. Op de achterste dwarsplank is de overloop van de grootschoot bevestigd. De achterwand van de kuip is rond van vorm. Achter de kuip een achterdek. De gangboorden (of zijdekken) zijn breed. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en is scharnierend opgehangen aan het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is oranje (ook onder water). De dekken en gangboorden zijn ook oranje. De balken op voor- en achterdek en de waterlijst zijn wit. Ook de kuip is wi. Het bovenste deel van het roer is bruin. De metalen delen (rondhouten, midzwaard, roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de tempo scow: lengte 4.72 m, breedte 1.52 m., zeiloppervlakte grootzeil 8.5 m², zeiloppervlakte fok 3 m², zeiloppervlak genua 3.9 m², zeiloppervlak spinnaker 13 m². De romp was oorspronkelijk van hechthout en later alleen nog van polyester. De rondhouten waren vroeger van hout en later van aluminium. De tempo scow (ook wel scow tempo) is in 1964 ontworpen in Zuid Afrika door Jack Köper. Scow betekent platte boot. De boot heeft een hydrodynamisch vorm, die het best tot zijn recht komt als de boot schuin wordt gezeild. De brede gangboorden voorkomen dat er veel water in de kuip komt. Het ontwerp is gericht op zelfbouw met hechthout. Tegenwoordige worden de tempo scow's van polyester gemaakt, maar nog steeds niet op jachtwerven maar door middel van mallen die gehuurd worden van de klasse-organisatie. In 1964 werd in Nederland de eerste tempo scow gebouwd en het ontwerp sloeg meteen aan. In hetzelfde jaar werd meteen een klasseorganisatie opgericht. In 1970 werd het een nationale klasse. De tempo scow met zeilnummer 575 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de tempo scow waren er bij de Sneekweken van 1968 (14 deelnemers) en 1969 (12 deelnemers). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 66-67
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de ynglingsklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenynglings
Objectnummer1998-320
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de ynglingklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast staat op de bodem van het schip en is gestoken door de vaste buiskap. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag, vier zijstagen (twee aan elke kant, waarvan de langste door een zaling wordt geleid) en een achterstag. De achterstag is voorzien van een houten blok en is met een touw te trimmen aan een ring op het achterdek. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast, door een gat in de buiskap en is belegd op een ring aan bakboordzijde van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door in gatenrails verplaatsbare schootogen op de gangboorden en zijn belegd op korvijnagels in de zijwanden van de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast, door een gat in de buiskap en is belegd op een ring aan stuurboordzijde van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een metalen blok op een overloop op het achterdek. De grootschoot ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter Y) en het zeilnummer 176. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout of metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant (lichte S-vorm). Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel (van boven gezien), die schuin naar voren op het water staat. De boot is uitgerust met een vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd en een handgreep. De achterkant van het voordek is opbollend: een vaste buiskap. De mast is door de buiskap gestoken. De kuip is open. Aan de achterkant van de kuip een dwarsbank. Het achterdek is tamelijk groot. De roerspil steekt door het achterdek. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is rood. De kiel en het roerblad zijn bruin. De dekken en gangboorden zijn wit. De kuip is grijs. De achterbank, de helmstok en de houten blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Yngling: lengte 6.35 m, breedte 1.73 m, zeiloppervlak grootzeil 8.9 m², fok 5.1 m², spinnaker 22 m² De Yngling is in 1967 ontworpen door de noor Jan Linge. Het is de kleinere uitvoering van de Soling (ook een ontwerp van Jan Linge). In de jaren zeventig (van de twintigste eeuw) maakte de klasse in Europa en ook in Nederland een tontstuimige groei door. In 1998 waren er in Nederland circa 300 Ynglings. Sinds 1972 zijn er wereldkampioenschappen in deze klasse. In 1979 werd de Yngling een internationale klasse. De Yngling is onzienkbaar, stabiel en degelijk gebouwd. De bemanning bestaat bij de meeste wedstrijden uit drie personen. De Yngling met zeilnummer 176 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1979-1998. De scheepsnaam was Dictator. In 1979 was de boot van H. Veldhuis te Oudega (W) die in 1981 weer meedeed (woonplaats Bilthoven. In 1988 werd de boot bestuurd door D. Veldhuis uit Bilthoven. In 1922 deed D. Nauta te Uitwellingerga mee in de Yngling 176 en in de periode 1996-1998 was F. van 't Oever te Nijmegen de eigenaar. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 96-97
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Simoun-485-klasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordensimoun-485-klasse
Objectnummer1998-321
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Simoun-485-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast staat op de bodem van het schip en wordt gehouden door twee metalen zijstagen (geleid door zalingen) en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen (gestoken in gatenrails op de gangboorden) en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de metalen giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee houten blokken aan de giek en door een ring op een overloop, en is belegd op een nagel die in deze overloop is gestoken. De val van het midzwaard loopt via twee ogen in de voorkant van de kuip naar achteren en is belegd op de overloop van de grootschoot. In het grootzeil de klasse aanduiding (letter S met pijl en de lengte aanduiding 4.85) en het zeilnummer H33. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Licht gebogen, zelflozende spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Het voordek loopt naar achteren omhoog en fungeert zo als buiskap. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Achter het voordek de kuip. De voorwand van de kuip is gebogen. De mast staat los van deze voorwand. Achter de mast een sleuf in de kuipvloer, waardoor het midzwaard omhoog steekt. Voor het midzwaard is geen zwaardkast. De vloer in het voorste deel van de kuip is geheel hoger dan de vloer in het achterste deel van de kuip. Achter de midzwaardgleuf de overloop van de grootschoot. Het is een stang die dwarsscheeps geplaatst is tussen de boorden. In het achterste (lage) deel van de kuip een langsscheepse balk. In de spiegel twee zelflozers. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een houten helmstok, die aan de voorkant is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is blauw (ook het onderwaterschip). Het voordek is blauw. De gangboorden en de kuip zijn wit. Het roer is bruin en metaalkleurig. De metalen delen (rondhouten, midwaard, roerblad en overloop) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Simoun-485-klasse: lengte 4.85 m, breedte 1.77 m., zeiloopervlak grootzeil 9.8 m², fok 4.3 m², spinnaker 17 m². De romp is van polyester en de rondhouten zijn van metaal. De Simoun-485 is in 1968 ontworpen door de fransman S.A. Gouteron. In de jaren 70 zijn er duizenden van gebouwd, maar daarna zakte de markt in en ging de werf failliet. Twee mallen kwamen terecht in Nederland en Zwitserland. Daar is de klasse nog steeds actief. Het is een echter wedstrijdboot: trapeze, spinnaker, planerende romp, afgeronde boorden, uitgebreide trimmogelijkheden. De Simoun-485 is in Nederland nooit in spectaculaire aantallen op het water verschenen. De Simoun-485 met zeilnummer 33 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de Simoun-485-klasse waren er bij de Sneekweken van 1977-1933 en in 1991. Gemiddeld verschenen er 11 deelnemers aan de start. In Sneek waren het Theo Wams en B. Onstwedder die in deze klasse voeren. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 68-69
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de soloklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordensoloklasse
Objectnummer1998-307
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de soloklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is gestoken in een gleuf in de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een grootzeil (torentuig). Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast, door een ring aan de voet van de mast en is belegd op de nagelbank in het midden van de kuip. De giek is van hout. De giek is met en ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee metalen blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en is belegd op de nagelbank in het midden van de kuip. In het achterlijk van het zeil zijn zeillatten gestoken die doorlopen tot het voorlijk. De zwaardval van het midwaard loopt door twee ringen in de voorwand van de kuip en is vastgezet op de midscheepse nagelbank. In het grootzeil de klasseaanduiding (gehoekte S-vorm) en het zeilnummer 507. De blokken zijn van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. In de top van de mast een zwarte windvaan. De romp. Dubbele knikspant. Stompe voorsteven. Rechte spiegel die schuin naar voren hellend op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven de ring van de voorstag. Voor de mast loopt over het voordek een V-vormige waterlijst. Achter de mast de kuip. In het midden van de kuip een lage zwaardkast voor het midzwaard. Daarboven een dwarsbalk, waarin drie korvijnagels zijn gestoken. De zeilval, de zwaardval en de grootschoot zijn hier op belegd. In het achterste deel van de zwartkast twee zelflozers. De boot heeft geen achterdek. In de spiegel twee gaten (lozers) en een sleuf waardoor de helmstok de boot in steekt. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is groen: boven water, onder water, dek en gangboorden. De kuip is wit, evenals de waterlijst. De bovenkant van het roer is bruin. De onderkant van het roer is metaalkleurig. Ook de andere metalen delen (midzwaard en helmstok) zijn ongeverfd. De rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de soloklasse: lengte 3.78 m, breedte 1.50 m, zeiloppervlak grootzeil 8.4 m². De romp is van hechthout (later soms van polyester). De rondhouten zijn metaal. De Solo is in 1957 ontworpen door de engelsman Jack Holt. In opdracht van het blad Yachting World ontwierp hij de solo. De romp heeft een dubbele knikspant. In de zijden zijn vast luchtkasten gebouwd. In zijn soort past de solo tussen de olympiajol en de finnjol. De knikspantconstructie maakt de solo echter veel goedkoper dan de andere twee. In 1962 werden de eerste solo's tot wedstrijden toegelaten. In 1965 werd de klasse erkend door het KNWV. De meeste solo's varen in Noord- en Zuid-Holland. Soms organiseert de klasseorganisatie ook wedstrijden in andere gebieden. De solo met zeilnummer 507 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1988. Eigenaar was H. Gorter uit Wormerveer. Wedstrijden voor de soloklasse waren er in 1964-1968 en in 1988. Het aantal deelnemers schommelde rond de 15. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 36-37
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.). pp. 58-59
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de B.M. klasse.
VervaardigerOoms, G.
TrefwoordenB.M. klasse
Objectnummer1998-287
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de B.M. klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker in de voorkant van de kuip en is gestaagd met twee zijstagen en één voorstag (metaaldraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast en die is belegd op een ring aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Het grootzeil is op het model niet uitgerust met een zeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een metalen giekgaffel tegen de mast bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangt een giekring, die met een lijn naar voren en naar achteren gehaald kan worden. De grootschoot loopt door een blok aan de giekring en door een blok op de overloop op het achterdek. De grootschoot is belegd op een ring in de kuip. In het zeil het nummer 5. De vallen van het midzwaard zijn vastgezet aan ringen in de mastvoet. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Op het voordek een bolder. Voor de mast een V-vormige waterlijst, die in een granaatvorm doorloopt naar de achterkant van de kuip. Aan de mastvoet zijn ringen gemaakt waaraan vallen zijn belegd. Achter de mast de open kuip. In de kuip zijn langs de gangboorden zitbanken gemaakt. Op het achterdek de overloop van de grootschoot en twee bolders. Het roer hangt aan de spiegel en is voorzien van een houten helmstok. Kleuren: De romp is blauw-groen en het onderwaterschip is zwart. De dekken en gangboorden zijn cremekleurig met gelakte stootranden. Het houtwerk in de kuip is gelakt. Ook de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de klasse: lengte 4.75 meter, breedte 1.50 meter, zeiloppervlak 11.80 m². De B.M. (Bergumermeer) werd ontworpen door Hendrik Bulthuis (Burgum 1892-1948), kapper te Burgum. Hij ontwikkelde in 1928 een bouwmethode die de democratisering van de zeilsport in Nederland inluidde. De B.M.jachten, die volgens deze methode zijn ontworpen, konden door amateurs op goedkope wijze worden gemaakt. De jachten werden gebouwd met smallen latten, die eenvoudig gebogen konden worden. Al in de 19de eeuw werd in de V.S. de lattenbouw toegepast. Het nieuwe van het ontwerp van Bulthuis was dat hij de latten rond de mallen boog en de mallen liet zitten. Anderen verwijderden de mallen en plaatsten dan spanten. Ook nieuw was dat hij de latten met de ruwe zaagkanten met een grote hoeveelheid nagels aan elkaar spijkerde: het maakt de boot waterdicht en zorgde voor een goede stijdheid. In de jaren dertig maakte de klasse een grote vlucht. Er werden veel van gebouwd. eerst erkende de NNWB het model als klasse, in 1931 gevolgd door het KNWV. Na de Tweede Wereldoorlog nam de belangstelling voor de klasse af. In 1961 hief het KNWV de klasse op. Alleen in het noorden werden nog wedstrijd voor de B.M.klasse gehouden. De door Bulthuis ontworpen zestien-kwadraat-klasse zou echter populair blijven. De B.M. met zeilnummer 5 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in de jaren 1940-1942. Eigenaar was toen H. Miedema uit Stiens (scheepsnaam Puck). Daarvoor kwam de zeilboot wel voor in de naamlijsten van andere zeilwedstrijden: 1929 B. van Dam te Burgum (scheesnaam Henk), 1931 O. Bijlsma te Earnewâld (scheepsnaam Swealtsje), 1931 Chr. van der Zee te Sneek (scheepsnaam Pirate), 1933-1934 K.F. Bergsma te Tersoal (scheepsnaam Sylnocht), 1939 T. Lameris te Grou (scheepsnaam Puck). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 60.
- J.K. Kuipers, 'Hendrik Bulthuis' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1992, pp. 34-36.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een twaalf-voets-jol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast. De mast is gestaagd met twee zijstagen (metaaldraad). Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een zogenaamd 'basterd' loggertuig. Het grootzeil is met lussen vastgemaakt aan een lange rechte gaffel. De piekeval van de gaffel loopt door een schijf in de top van de mast, via een oog aan de voet van de mast en is belegd in het achterschip. De piekeval is dusdanig strak aangetrokken dat het midden van de gaffel de mast bijna raakt. Het onderste deel van de gaffel hangt los van de mast en wordt naar achteren gehouden door een lijn die is vastgezet op het achtereind van de giek. De giek heeft aan de voorkant een gaffelklauw. Het onderlijk van het grootzeil is met lussen vastgezet aan de giek. De grootschoot is vastgezet op het achtereind van de giek, loopt via een overloop op de spiegel terug naar de giek (door twee ringen) en is belegd in het achterschip. In het zeil het zeilnummer 154. Op de top van de mast een metalen pen met daaraan een witte windvaan. Het model heeft geen blokken. De romp. Rondspant. Overnaads gebouwd (aan het model niet te zien). Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Direct achter de voorsteven een blok waarin de mast is gestoken. Achter de mast een dwarsbank. Daarachter de kast van het midzwaard. Het midzwaard wordt met zwaardvallen opgetrokken, die lopen via ogen in het voorschip en zijn belegd op de tweede dwarsbank (achter de zwaardkast). Achter de tweede dwarsbank een zij- en achterbank (met luchtkussens). In het midden van het achterschip een ring waarop de piekeval en de grootschoot zijn belegd. Op de spiegel een metalen overloop voor de grootschoot. Het roer hangt in twee ringen aan de spiegel. Het helmhout is van hout. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip (ook het onderwaterdeel van het roer) is groen. Van binnen is de boot gelakt. Ook de rondhouten zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe twaalf-voets-jol (ook wel Dinghy genaamd) werd door de K.V.N.W.V. in 1914 als internationale klasse ingesteld, maar pas in 1919 vond de feitelijke erkenning plaats. De ontwerper was de Engelsman George Cockshott. Hij beoogde met zijn ontwerp een eenheidsbijboot voor grotere jachten te maken. In Nederland, België, Duitsland en Italië maakte de klasse opgang, maar na de Tweede Wereldoorlog werd er met twaalf-voets-jollen nog slechts in Nederland gezeild. In 1964 verloor het type de internationale status. Inmiddels is het tij gekeerd. Oude boten zijn gerestaureerd en er wordt weer volop mee gevaren. Afmetingen: lengte 3.66 m., breedte 1.40 m., diepgang 0.92 m., zeiloppervlak (grootzeil) 9.3 m2. De twaalf-voets-jol met zeilnummer 154 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek onafgebroken voor van 1922 tot 1952. Als eigenaar werd genoemd K. of C. Edel uit Sneek (m.u.v. de jaren 1930 en 1931 toen de St. H. Stam als eigenaar werd aangemerkt). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 34-35
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 100-101 - Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een lark. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast, die is geplaatst in een mastkoker op het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: twee zijstagen en een voorstag (die door een uithouder aan de voorkant van de mast wordt geleid). Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een gaffelzeil. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. Het zeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). De vallen zijn belegd op ringen aan de voet van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. Aan de voorkant van de giek een omhoogwijzende zwanehals die is gestoken in een ring aan de mast. De giek blijft op zijn plaats door het zeil goed omhoog te trekken. De grootschoot loopt door twee houten blokken aan de giek en een houten blok op de overloop (op het achterdek). De grootschoot is vastgezet op een haak op de bodem van de kuip. In het achterlijk van het grootzeil zijn tien zeillatten gestoken die doorlopen tot aan het voorlijk: een zogenaamde katterug of vleermuiszeil. In het zeil de klasse-aanduiding (letter L) en het zeilnummer 8. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De romp. De voorsteven van de lark is rond. De voorsteven staat niet verticaal op de kielbalk maar horizontaal: van boven gezien een T-vorm. Het vlak is plat en loopt naar voren toe omhoog. In doorsnede heeft de larkt een knikspantmodel. Het model is voorzien van een vaste kiel met aangehangen roer. De spiegel is plat en verticaal. Het model is (op de kuip na) geheel bedekt. Het model van voor naar achter. Aan de voorkant van het voordek een ring waaraan de voorstag is bevestigd. Voor de kuip is op het voordek de mastkoker geplaatst. De kuip is granaatvormig. Onder de gangboorden zijn kastjes gemaakt. In het midden van de kuip de haak waaraan de grootschoot is bevestigd. De roerspil steekt door het achterdek. Het roer hangt aan de kiel. De helmstok is van hout. Op het achterdek de overloop van de grootschoot. Kleuren: De boorden zijn rood. Het vlak is zwart. De dekken en gangboorden zijn wit. De wanden van de kuip zijn gelakt en de bodem van de kuip is grijs. De rondhouten en blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe lark hoorde tot een beperkte klasse met een aantal regels betreffende de afmetingen: lengte ten hoogste 4 meter, zeiloppervlakte ten hoogste 11 m². De eerste lark voer waarschijnlijk te Loosdrecht. Jachtwerf Beekhuis aldaar bouwde larken, maar was niet de ontwerper ervan. Het ontwerp is waarschijnlijk rond 1905 in Amerika gemaakt. A. van Gool uit Hommerts was de eerste die de lark in Friesland introduceerde. In 1927 deden er voor het eerst larken mee aan de Sneekweek. Het werd een populaire klasse van de NNWB. Het was een bepekte klasse: lengte ten hoogste 4 meter, cattuig van ten hoogste 11 m², etc. Na de Tweede Wereldoorlog is de klasse nooit meer zo populair geweest als daarvoor. Een lark is een boot waarbij de kielbalk niet overgaat in een verticale voorsteven, maar in een horizontale. Van boven gezien vormen de kielbalk en de voorsteven een T-vorm. Een lark is behoudens de kuipopening geheel bedekt. Het cattuig van de lark kenmerkt zich door een kleine mast met een hoge giek. Aanvankelijk waren de zeilen voorzien van een recht achterlijk. Romke de Vries uit Leeuwarden ontwierp voor de Lark 51 van G. de Boer een zeil met kattenrug en met 7 tot 11 doorlopende zeillatten (vleermuistuig).
De lark met zeilnummer 8 heeft vele eigenaars gekend. In de naamlijsten van de Hardzeildagen en Sneekweken komt de zeilboot voor het eerst voor in 1927. Eigenaar was P. Boomsma te Sneek. In 1929 was de eigenaar U. Zijlstra te Uitwellingerga (scheepsnaam Sjors), in 1932 en 1933 was de eigenaar H. Kampman uit Sneek (scheepsnaam Lytse Griene), in 1942 was K.A. Kingma uit Dokkum de eigenaar (scheepsnaam Granaat), in 1946 P.E. van der Wenden te Enschede (scheepsnaam In the Mood) en in 1951 W. Wibbelink te Deventer (scheepsnaam Nereus).
Voor de lark werden vele jaren achtereen wedstrijden georganiseerd tijdens de Hardzeildagen en Sneekweken. Van 1927 tot 1965 waren er (met uitzondering van de oorlogsjaren 1942-1945) elk jaar wedstrijden voor de lark., Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De Lark' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 43-48.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 32
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordentweeëntwintig-kwadraat-klasse
Objectnummer1998-292
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker. De mast wordt gehouden door stagen van metaaldraad: een voorstag en aan elke kant twee zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de top van de mast en die is belegd op de mastkoker. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen los in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast. De gaffel van het grootzeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een ring bevestigd aan de mastbeugel. De halstalie is vastgezet op een ring aan de mastvoet. Aan de giek hangen twee giekringen die met een touw te verschuiven zijn. Aan de giekringen hangen twee blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken, door een blok aan het achtereind van de giek en door een blok op de overloop (op het achterdek). De grootschoot is vastgezet op een ring op de bodem van de kuip. In het zeil de klasseaanduiding (open driehoek met gebogen basis) en eronder het zeilnummer 7. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die achterover hangend op het water staat. Vaste kiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op het voordek een gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter een bolder. Voor de mast een V-vormige waterlijst die doorloopt langs de randen van de kuip. Achter de V-vorm (nog op het voordek) de mastkoker. Aan de voet van de mast een angelbank. Daarachter begint de kuip. Aan de zijwanden en aan de achterwand van de kuip zijn zitplanken bevestigd. Achter de kuip het achterdek. De roerspil steekt door het achterdek. De gebogen helmstok is van hout. Achter het roer een korte overloop voor de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken en gangboorden zijn lichtblauw. Het houtwerk in de kuip is gelakt. Ook de rondhouten en blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de tweeëntwintig-kwadraat-klasse: lengte 7 meter, breedte 1.90 meter, zeiloppervlakte grootzeil 17.6 m², fok 6.8 m², genua 9.7 m², spinnaker 20.9 m². De romp en de rondhouten worden van hout gemaakt.
In 1935 was de N.N.W.B. van oordeel dat er ruimte was voor een nieuwe klasse van halfgedekte kieljachten, die in grootte zouden liggen tussen de zestien-kwadraat-klasse en de dertig-kwadraat-klasse. De bond schreef daarom een prijsvraag uit. Die werd gewonnen door ir. Sj. Veeman. Het werd de tweeëtwintig-kwadraat-klasse, die nog datzelfd jaar (1935) door de N.N.W.B. werd ingesteld. Het naar het ontwerp gebouwde jacht werd getoond op de nijverheidstentoonstelling HAWATSO te Sneek. Het jacht wer uitgevoerd in latten, zodat ook amateurs het konden bouwen. Maar omdat de mallen vervangen dienden te wodren door spanten was het niet echt geschikt voor amateurbouw. De spantvorm is geschikt voor de Friese wateren: U-vormig met sterke kimbocht, wat veel stabiliteit geeft, zodat de ballast gering kan blijven. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er veel schepen in deze klasse gebouw (P. Olij te Sneek bouwde er zo'n 15). Na de oorlog was er echter nog maar weinig animo voor de klasse. Commissaris der Koningin Van Linthorst Homan was enthousiast 22 m²-zeiler en blies de klasse in 1957 nieuw leven in. Er kwamen enkele moderniseringen: een zwaardere kiel en daardoor de mogelijkheid meer zeil te voeren (van 22 m² naar 26.8 m²) en toestemming voor het voeren van een spinnaker. Aan het einde van de jaren zeventig was er wederom weinig belangstelling. In 1980 waren er bij de Sneekweek zelfs geen wedstrijden voor de 22m². In 1983 is de klasseorganisatie opgericht die wedstrijden ging organiseren. Zo kwam er wederom nieuw leven voor de klasse en ook de erkenning als nationale klasse door het KNWV. Dat had zolang geduurd omdat de 22m² veel concurrentie ondervond van de pampus en de 30m².
De tweeëntwintig-kwadraat met zeilnummer 7 (naam: Hoants) komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in de jaren 1936-1940, 1942 en 1947 als eigendom van E.W. de Jong te Akkrum en in de jaren 1983 en 1984 als eigendoom van A. Pietersma te Heerenveen. Wedstrijden voor de tweeëntwintig kwadraat waren er bij de Sneekweken van 1935 tot heden (1998) met uitzondering van he tjaar 1980. Er waren gemiddeld 12 deelnemers per jaar.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 104-105
- H. Boersma 'De Geschiedenis van de 22m² klasse in een notedop' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 73-74.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 86.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingTjotter of Boeierke genaamd Jannetje. Schaal 1:1.
Rondhouten en tuigage: De tjotter had een mast waaraan een stagfok een een gaffelgrootzeil werden gevoerd. De rondhouten en de zeilen ontbreken.
De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. Opvallend is dat de tjotter een berghout heeft (normaal fungeerd de bovenste huidgang als stootrand). De romp is opgebouwd uit een kielgang (geen kielbalk!) en zes huidgangen. De boot is gepiekt. Vlaktilling van 6 graden.
Het schip van voor naar achter: De voorsteven is bekleed met metaalplaat. Op de bovenkant daarvan zijn twee metalen ogen gemaakt. Daaraan werden de voorstag en de voorpunt van de fok bevestigd. De Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Deze zijn met snijwerk versierd. De kluisborden zijn versierd met bladertakken rond een cirkelvorm (dicht kluisgat). De berentanden zijn versierd met kraalranden en bladertakken aan de voor- en zijkanten en halve maanvormen aan de bovenkant. De bovenkant van het boeisel (potdeksel) is aan de voorkant bekleed met koperplaat. Het boeisel is in de gillings aan de voorkant versierd met snijwerk: twee voluten met bladertakken. Tussen de boeisels is in het voorschip een bedelbalk gemaakt. Deze is aan de bovenkant bekleed met koperplaat. Aan de achterkant is de bedelbalk voorzien van snijwerk: in de hoeken waaiervormen en in het midden bladertakken met twee kwasten een krulvorm. Aan binnenkant van het schip zijn de spanten te zien. De messelbank heeft in het midden een mastkoker met metalen borgplaat. Op de uiteinden van de messelbank zijn klossen met gaten gemaakt. Het zijn de schootogen voor de fokkeschoten. De boeisels zijn aan de buitenkant versierd met ingesneden biezen en een kraalrand aan de onderkant. Aan de binnenkant zijn de boeisels in het achterschip gedubbeld. De zwaarden zijn met bouten en vleugelmoeren aan deze gedubbelde boeisels bevestigd. De koppen van de zwaarden zijn verdikt met halve maanvormige zwaardkoppen. De bovenkant van de zwaardkoppen zijn bekleed met koperplaat. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. Het boutgat is voorzien van een ruitvormige metalen plaat. De zwaardlopers gaan door een gat in het boeisel naar binnen en zijn belegd op korvijnagels in de spanten van het achterschip. De bodem van het schip is bekleed met buikdenningen. Voor de achterbank is de buikdenning verhoogd. Het midden van het achterbank is als luik verwijderbaar. De voorwand van het achterhuis is voorzien van een schuifluik. Daarboven is een hennebalk aangebracht. De bovenkant van de hennebalk is bekleed met koperplaat. De hennebalk is aan de voorkant voorzien van snijwerk: waaiervormige ornamenten, S-vormige bladkrullen en in het midden de scheepsnaam met opliggende letters: 'JANNETJE'. De boeisels zijn aan de achterkant voorzien van snijwerk: een voluut met bladertak. De boeisels zijn op de plaatsen van het snijwerk bedekt met koperplaat. Het roer is met twee roerhaken opgehangen aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt. Aan de voorkant daarvan steekt een stalen helmstok naar voren met daarop een houten handgreep. Op de kop van het roer een roerleeuw (apart beschreven onder inv.nr. J-109). Over de rug van het roer koperplaat met daaraan een koperen vlaggenstokhouder. Daarin is een gebogen vlaggenstok met rood-wit-blauwe vlag gestoken. De kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is zwart. De boeisels zijn aan de onderkant gelakt. De bovenste delen van de boeisels zijn standgroen met een groene invulling van de ingesneden biezen en een witte kraalrand aan de onderkant. Het snijwerk van de boeisels (voluten met bladeren) zijn wit. De berentanden en kluisborden zijn wit met verguld snijwerk. De zwaaren zijn gelakt, evenals het roer. De binnenkanten van de boorden zijn gelakt. De koppen van de spanten zijn rood. De binnenkanten van de boeisels zijn in het achterschip lichtgroen. De buikdenningen zijn wit met een grijze marmering. De bedelbalk is wit met rode biezen en verguld snijwerk. Ook de hennebalk is wit met rode biezen en verguld snijwerk. De roerleeuw is verguld en het kussen is groen en wit.
Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieDe Jannetje werd in 1921 gebouwd in opdracht van J.J. Enthoven te Voorburg. In het werfboek van Auke van der Zee (deel XVI) staat: 'Een Boeijertje gemaakt voor den Heer Joh-a Enthoven. Voorburg in 1921'. De prijs (incl. koper) bedroeg f. 1000,=. In 1921 was de heer Enthoven met zijn boeier Cataharina,die hij datzelfde jaar had gekocht van de eerste eingeaar (Jhr. A.J. van Sminia te Aldtsjerk) op de Jouster werf voor herstelwerkzaamheden (werfboek XIV). Kennelijk had hij behoefte aan een volgbootje. Over de levensloop van het scheepje is zo goed als niets bekend. Enthoven verkocht de boeier Catharina (na 1925) maar van een volgbootje (Jannetje) is geen sprake. Na duistere omzwervingen kwam de Jannetje begin jaren vijfti, na grondige restauratie door Tjeerd van der Meuen op de oude Jouster werf in het bezit van het Museum. Eeltje Romkema, kleinzoon van de bouwer, herkende het schip als de Jannetje, althans dat schreef H. Halbertsma (de toenmalige conservator van het Fries Scheepvaart Museum) aan C.J.W. van Waning (toenmalig voorzitter van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten).
Het bootje werd door de bouwer al een 'Boeijertje' genoemd. Daarmee wordt bedoeld een kleine tjotter (= boatsje), maar dan uitgerust met berghouten, berentanden, kluisborden en een smal roer met leeuwtje. Deze scheepjes waren meestal slechts ingericht om mee te roeien, bijvoorbeeld als bijboot bij een grote boeier. Soms kon er ook mee gezeild worden.
Opmeting van J. Vermeer: lengte over de stevens 4.00 meter, grootste breedte over de huid 1.55 meter, holte op het grootspant 0.57 meter. Bijzonderheden: geen kielbalk, gepiekt gebouwd, vlaktilling van 6 graden.
Het bootje heeft een in de doft ingebouwde mastkoker en zijzwaarden met scherpe sleepijzers. Dit wijst er op, dat het ooit een zeiltuigje heeft gehad. In 1990 en 1991 heeft Pier Piersma te Heeg twee tjotters naar de Jannetje gebouwd: respektievelijk de Catharina voor H. Kingma te Gouda en de Nautilos voor J.A. Nouwen te Warns.
De Jannetje werd op 1 maart 1993 officieel her-ingeschreven in het Stamboek Ronde en Platbodemjachten onder nr. 16. De brief en het certificaat zijn opgenomen in het archief van de Stichting Fries Scheepvaart Museum, ingekomen correspondentie, 1 maart 1993. Later bleek dat onder dat zelfde nummer al een zeepunter was ingeschreven. Er is aan de Jannetje vervolgens een ander nummer toegekend; in het Stamboek staat de Jannetje nu onder nummer 530. De roerleeuw hoort niet bij het schip, maar is er later op geplaatst.
De buikdenningen zijn in 1957 gemarmerd door Joh. de Vries uit Sneek voor f. 26,20., literatuur:
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum - Correspondentie A.M. Sustring - H. Halbertsma, 21 maart 1951.
- Archief Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, brief d.d. 4 sep. 1953.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1951, 1954 en 1955
- Catalogus Scheepssier in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1991, nrs. 20, 22, 29, 30
- H.G. van Slooten 'Eeltje Holtrop van der Zee en zijn familie' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, pp. 116-118.
- J. Vermeer, Tjotters en Boatsjes (Leeuwarden, 1997) pp. 1-6, 168-170, 298-299.
TitelScheepsmodel van de tjotter Vrouwe Anna Beatrijs.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordentjotters
Objectnummer1998-281
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van de tjotter Vrouwe Anna Beatrijs. Op spanten gebouwd. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage: De tjotter heeft één mast. De mast staat in een mastkoker (aan de messelbank). Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken en die is belegd op een nagel in het voorschip. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de fok hangt los van de voorstag. De fok wordt gehesen met eem fokkehals doe loopt door een blok aan de mast en die is belegd op een krovijnagel in de messelbank. De hals van de fok is met een haak vastgezet in een ring op de botteloef. De fokkeschoten lopen door schootogen op de messelbank en liggen opgeschoten in het achterschip. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel met een houten klauw. De gaffel wordt gehesen met een klauwval (aan de gaffelbek) en een piekeval (aan de top van de gaffel). De klauwval loot door een blok aan de gaffel en een blok aan de mast en is belegd op een korvijnagel in de messelbank. De piekeval loopt door een blok aan de mast en een blok op de ronding van de gaffel en is belegd op een korvjinagel in de messelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De halstalie is belegd op een korvijnagel in de messelbank. Het ondereind van het achterlijk is vastgehaakt aan de giek. De giek rust aan de voorkant met een zwanehals in een lummelpot aan de mast. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. De kraanlijn loopt door een blok aan de top van de mast en is belegd op een korvijnagel in de messelbank. De grootschoot loopt door twee dubbelschijfs blokken. Het bovenste daarvan hangt aan een beugel om de giek. Het onderste blok is vastgezet op de bodem van het schip. In het grootzeil het zeilnummer (11 met eronder een streep). Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven is de botteloef bevestigd. Op de boeisels zijn aan de voorkant gillings aangebracht. Er is geen stootrand op de bovenste huidgang (als een soort berghout). Tussen de boeisels is een bedelbalk. Deze is aan de bovenkant bedekt met koperplaat. De achterkant van de bedelbalk is met versierd met geschilderde bladertakken (goud op wit). Aan de binnenkant van het schip zijn de spanten te zien. Het hele schip is open. Op de bodem van het schip zijn buikdenningen aangebracht (voor en achter de mast). In het midden van de messelbank de mastkoker. In de messelbank zijn korvijnagels gestoken waaraan de vallen en de kraanlijn zijn belegd. Ter hoogte van de messelbank zijn de zwaarden opgehangen. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en bedekpt met koperplaat. De vallen van de zwaarden lopen door gaten in de boeisels naar binnen en zijn belegd op korvijnagels in de achterbank. Achter de messelbank zijn tegen de boorden kistbanken gemaakt. Tegen de achterwand is ook een kistbank. Daarboven de hennebalk die is versierd met (geschilderde) bladertakken (goud op wit). Het achterschip heeft een achterhuis. Het roer hangt aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met een (geschilderde) papegaai. Over de kop van het roer een koperen strip. Het helmhout valt over de kop van het roer. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip (ook van het roer) is zwart. De boeisels zijn groen met een witte bies. Ook aan de binnenkant zijn de boeisels groen. De binnenkanten van de boorden zijn gelakt. De koppen van de spanten zijn wit. De buikdenningen zijn grijs. De bedelbalk en de hennebalk zijn beschilderd in goud op wit. Het achterhuis is groen. Het roer is gelakt. De roerkop is beschilderd in wit, rood, goud en groen. Accessoires: tijdelijke stander
AchtergrondinformatieG. Ooms baseerde zich bij de bouw van het model op tekeningen van de tjotter Vrouwe Anna Beatrijs in het boek van T. Huitema (Ronde en Platbodemjachten). De tjotter Vrouwe Anna Beatrijs is gebouwd in 1907 door Lolke Lantinga te IJlst. Opdrachtgever: P. Kuipers te Workum. Prijs: f. 402,62. Afmetingen: lengte 4.90 meter, breedte 2.18 m., holte 0.99 m., zeiloppervlak 25.3 m². De tjotter was 4.80 meter lang. Zo'n tjotter werd een 'fjouwer-acht' genoemd. De breedte van het schip werd in de loop van de tijde enige malen gewijzigd van 2.10 meter (in 1856) naar 2.30 meter (in 1859) en 2.40 (in 1874). De lengte-breedte-verhouding was toen dus 1:2. Tjotter is niet een benaming die al lang gangbaar is in Friesland. De Friese scheepsbouwers spraken niet van een tjotter maar van een 'boat'. Ze werden gebruikt als werkboten: visserij, vervoer van personen (overzet), kleinvee en kleine vrachten (kruideniers, bakkers, etc.). Deze boten waren nauwelijk gebonden aan maten. Men bouwde kleine boten, boten en grote boten. Pas in de loop van de twintigste eeuw raakte een nadere aanduiding in zwang: de kleinste boten behielden de naam 'boat', tjotters werden die schepen genoemd met een lengte tot circa 4.80 meter en de grotere boten, die ook anders gebouwd waren, werden Friese jachten genoemd. De meest voorkomende maat tjotter is 4.80 meter lang en 2.40 meter breed. (ook de tjotter Albert en Nelly voldoet aan deze maten). De tjotter toont gelijkenis met het Fries jacht en de boeier, maar is daar van te onderscheiden door de geringere afmetingen, de sterke zeeg, het ontbreken van een berghout, het brede roer met het over de klink gelegde houten helmhout. De tjotter is open en heeft soms een dek voor de mast. De tjotter voert een bezaantuig, de fok staat op een botteloef. De tjotter Vrouwe Anna Beatrijs deed enkele malen mee aan de Sneekweek. In 1957 was mevr. C.J. van Alphen eigenaar en in 1974 J. van der Sijp te Wassenaar. Wedstrijden voor tjotters werden gehouden bij de Sneekweken van 1935-1946 en van 1956-1980 (m.u.v. 1961, 1965 en 1967). Het aantal deelnemers wisselde nogal, maar gemiddeld waren het er tien per wedstrijd. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- E.Q. Duyvis, 'De Fjouwerachten van Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973/1974, pp. 63-73.
- J. Vermeer, Tjotters en Boatsjes (Leeuwarden, 1997) - T. Huitema, Ronde en Stamboekjachten (Amsterdam, 1977) pp. 228-230.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de zestien-kwadraat-klasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenzestien-kwadraat-klasse
Objectnummer1998-289
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de zestien-kwadraat-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker en is gestaagd met twee zijstagen en één voorstag (nylondraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de top van de mast en die is belegd op een nagelbank. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel van het grootzeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan de bovenkant van de gaffel). Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een metalen giekgaffel tegen de mast bevestigd. De halstalie houdt de giek naar onderen en is belegd op de nagelbank. Aan het achtereind van de giek zijn twee giekringen gemaakt. Daaraan hangen de blokken van de grootschoot. De grootschoot loopt door deze twee blokken en door een blok op een overloop op het achterdek. De grootschoot is belegd op een blok in de kuip. In het zeil het nummer 111. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Voor de mast een V-vormige waterlijst, die in een granaatvorm doorloopt naar de achterkant van de kuip. Aan weerszijden van de mast een nagelbank met metalen korvijnagels. Achter de mast de open kuip. In de kuip een dwarsbank. Onder de gangboorden zijn open kastje gemaakt. Tegen de achterwand van de kuip een bank. De roerspil is door het achterdek gestoken. Het helmhoutis van metaal. Achter het roer de overloop van de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleuring. Ook de rondhouten en blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de zestien-kwadraat-klasse: lengte 6 meter, breedte 1.92 meter, zeiloppervlakte 16 m². De zestien-kwadraat-klasse is in 1931 ontworpen door Hendrik Bulthuis (Burgum 1892-1948), kapper te Burgum. Hij ontwikkelde in 1928 een bouwmethode die de democratisering van de zeilsport in Nederland inluidde. De B.M.-jachten, die volgens deze methode is ontworpen, konden door amatuers op goedkope wijze gemaakt worden. De jachten werden gebouwd uit smalle latten, die eenvoudig gebogen konden worden. Al in de 19de eeuw werd in de V.S. de lattenbouw toegepast. Het nieuwe van Bulthuis was dat hij de latten rond de mallen boog en de mallen liet zitten. Anderen verwijderden de mallen en plaatsten dan spanten. Ook nieuw was dat hij de latten met de ruwe zaagkanten met een grote hoeveelheid nagels aan elkaar spijkerde: het maakte de boot waterdicht en zorgde voor een goede stijfheid. In de jaren 30 maakte de klasse een grote vlucht. Bulthuis wilde echter ook een grotere boot met dezelfde methode maken: het werd een jacht van 6 meter lengte en met een zeiloppervlakte van 16 m². Na enige veranderingen door de Technische Commissie van de NNWB werd het type in 1931 als klasse erkend en in 1939 ook door het KNWV. Rond 1930 werden er zeer veel van gebouwd. Van de zestien-kwadraat-klasse zijn ruim 4500 wedstrijdjachten en 5000 toerjachten gebouwd. In de loop van de tijd is er het een en ander aan het ontwerp gesleuteld. Het leidde tot een nadere onderverdeling: de toerklasse was de vrije klasse tot 1939, de puntklasse voldeed aan de voorschriften van 1939 en de streepklasse voldeed aan de voorschriften van 1948. De zestien-kwadraat met zeilnummer 111 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Volgens een lijst van de NNWB uit 1934 was de nr. 111 toen eigendom van J. Dijkstra uit Drachten en heette toen Jokla. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 102-103
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 60.
- J.K. Kuipers, 'Hendrik Bulthuis' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1992, pp. 34-36.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse.
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordentweeëntwintig-kwadraat-klasse
ObjectnummerK-039
Periode van1947
Periode tot1948
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de tweeëntwintig-kwadraat-klasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½. Rondhouten en tuigage. Het jacht heeft een mast die is geplaatst in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag die is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken en die is belegd op een houten klamp op het voordek. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een vaste zijstag en een bakstag. De vaste zijstag is met een wantspanner aan een puttingijzer vastgemaakt. De bakstag is bevestigd op een langsscheepse glijrail op het gangboord en wordt belegd op een houten klamp op het achterdek. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een fok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk. Enkelvoudige stiksels suggereren de banen in het zeil. Het voorlijk van de fok loopt parallel aan de voorstag, maar is daaraan niet bevestigd. De fokkeval loopt via een blok aan de top van de mast naar beneden is daar belegd op de nagelbank. De hals van de fok is met een haak vastgezet op een metalen houder op het voordek. Aan het achterlijk van de fok zijn twee stropblokken (jufferblokken) met één oog bevestigd. De fokkeschoot is met een harpsluiting vastgezet op een oogbout in het gangboord, loopt dan door het stropblok, vervolgens naar een metalen schootoog op het gangboord en is aan stuurboordzijde belegd op een houten klamp aan de buitenkant van de kuiprand. De fokkeschoot aan bakboord is op dezelfde wijze getakeld, maar is niet belegd op een klamp. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel dei uitsteekt boven de top van de mast: een cattuig. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een klauwval en een nokkeval. Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. In het achterlijk drie zeillatten gemaakt. De kraanlijn ontbreekt, hoewel daarvoor op het achtereind van de giek wel een houder voor is gemaakt. Het onderlijk van het zeil is in een gleuf in de bovenkant van de giek geschoven. De grootschoot is met het vaste eind bevestigd aan een harpsluiting aan het achtereinde van de giek. Daarna loopt de grootschoot naar blok dat is vastgezet op een overloop op het achterdek. Vervolgens loopt de schoot weer omhoog naar twee blokken die zijn vastgezet op giekringen, om tenslotte te worden belegd op een bolder op de kielbalk in de kuip. De giekringen zijn los om de giek bevestigd en zijn met elkaar verbonden met een metalen stand die doorloopt tot het achtereinde van de giek. De voorkant van de giek is met een scharnierende lummel in een oog aan de mast bevestigd. Aan de giek is de halsstalie geknoopt, die is belegd op de nagelbank. In het grootzeil is aan twee kanten het zeilteken (een open driehoek) en het zeilnummer (2) genaaid. Op de top van de mast een witte windvaan aan een metalen pin. De blokken zijn van hout en voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een overhangende, platte spiegel die enigszins schuin staat. De bodem is rond (U-vorm) en voorzien van een aangehangen kiel. Het roerblad is aan de kiel opgehangen. De huid is opgebouwd uit latten. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven metaalbeslag. Van voor naar achter loopt over de hoek van romp en dek een waterlijst en een stootrand. Op het voordek een metalen geleider, een blokhouder, een houten klamp en een bolder. Op de gangboorden de puttingijzers van de vaste zijstagen, de oogbout en het geleide-oog van de fokkeschoot en de rail van de bakstag. De kuiprand begint op het voordek, voor de mast. De kuip is van boven gezien granaatvormig: van voren puntig en van achteren plat. Voor de mast loopt het voordek onder de kuiprand door. Achter de mast wordt het voordek afgesloten door een waterlijst. Aan de voet van de mast de nagelbank. In de kuip zijn onder het voordek en onder het achterdek afsluitbare kasten gemaakt. Onder de gangboorden zijn open kasten. In het midden van de kuip een dwarsbank. De achterbank ontbreekt. De bodem is belegd met buikdenningen. Op de buitenkant van de romp is ter hoogte van de grootschootbolder de naam van het schip geschilderd: 'MARIA-MACHTELD'. Op het achterdek twee houten klampen voor de bakstagen en het enigszins kromme helmhout van het roer. Achter het helmhout de metalen overloop voor de grootschoot. Vlak voor de spiegel op het achterdek nog twee metalen geleiders. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. De dekken (voor- en achterdek en gangboorden) zijn wit. De kuiprand en het houtwerk aan de binnenkant van de kuip zijn gelakt. Ook de mast, de giek, de gaffel en het helmhout zijn gelakt. De stander is groen. Accessoires: Stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. In 1935 was de N.N.W.B. van oordeel dat er ruimte was voor een nieuwe klasse van halfgedekte kieljachten, die in grootte zouden liggen tussen de zestien-kwadraat-klasse en de dertig-kwadraat-klasse. De bond schreef daarom een prijsvraag uit. Die werd gewonnen door ir. Sj. Veeman. Het werd de tweeëtwintig-kwadraat-klasse, die nog datzelfd jaar (1935) door de N.N.W.B. werd ingesteld. Het naar het ontwerp gebouwde jacht werd getoond op de nijverheidstentoonstelling HAWATSO te Sneek. Het jacht wer uitgevoerd in latten, zodat ook amateurs het konden bouwen. Maar omdat de mallen vervangen dienden te wodren door spanten was het niet echt geschikt voor amateurbouw. De spantvorm is geschikt voor de Friese wateren: U-vormig met sterke kimbocht, wat veel stabiliteit geeft, zodat de ballast gering kan blijven. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er veel schepen in deze klasse gebouw (P. Olij te Sneek bouwde er zo'n 15). Na de oorlog was er echter nog maar weinig animo voor de klasse. Commissaris der Koningin Van Linthorst Homan was enthousiast 22 m²-zeiler en blies de klasse in 1957 nieuw leven in. Er kwamen enkele moderniseringen: een zwaardere kiel en daardoor de mogelijkheid meer zeil te voeren (van 22 m² naar 26.8 m²) en toestemming voor het voeren van een spinnaker. Aan het einde van de jaren zeventig was er wederom weinig belangstelling. In 1980 waren er bij de Sneekweek zelfs geen wedstrijden voor de 22m². In 1983 is de klasseorganisatie opgericht die wedstrijden ging organiseren. Zo kwam er wederom nieuw leven voor de klasse en ook de erkenning als nationale klasse door het KNWV. Dat had zolang geduurd omdat de 22m² veel concurrentie ondervond van de pampus en de 30m².
Het 22 m² jacht met zeilnummer 2 was in 1935 eigendom van P. Bos uit Heerenveen (naamloos). In 1936 is D. Gaastra uit Sneek de eigenaar (naam: Hammy). Van 1943 tot 1948 is S.T. Rijkmans uit Meppel de eigenaar (naam: Maria Mechteld, de naam die op het model voorkomt). In 1983 en 1991 wordt het jacht met zeilnummer 2 genoemd Margarethe en is het eigendom van J. van der Meulen uit Wergea., literatuur:
- H. Boersma 'De Geschiedenis van de 22m² klasse in een notedop' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 73-74.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 86.
- Leeuwarder Courant 30 mei 1949
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de dertig-kwadraat-klasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordendertig-kwadraat-klasse
Objectnummer1998-294
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de dertig-kwadraat-klasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is bevestigd in een mastkoker. De mast wordt gehouden door stagen van nylondraad: twee zijstagen aan elke kant en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de top van de mast en die is belegd op de mastkoker. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel van het grootzeil wordt gehesen met een klauwval (aan de bek van de gaffel) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). Beide vallen zijn belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De giek is met een ring bevestigd aan de mastbeugel. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee giekringen die met een touw te verschuiven zijn. Aan de giekringen hangen twee blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken, door een blok aan het achtereind van de giek en door een blok op de overloop (op het achterdek). De grootschoot is vastgezet op een ring op de bodem van de kuip. In het zeil de klasseaanduiding (streep) en eronder het zeilnummer 1. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Vaste kiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op het voordek een gatenrail waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter een bolder. De mastkoker staat op het (en door) het voordek). Achter het voordek de granaatvormige kuip. Langs de wanden van de kuip open kastjes. Het vooronder is afgesloten met luiken. In de kuip twee dwarsscheepse banken. De roerspil steekt door het achterdek. De helmstok is van hout. Achter het roer de overloop van de grootschoot. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken en gangboorden zijn lichtgroen. Het houtwerk in de kuip is gelakt. Ook de rondhouten en blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de dertig-kwadraat-klasse: lengte 7.50 meter, breedte 2.14 meter, zeiloppervlakte grootzeil 22.6 m², fok 7.7. m². De romp en de rondhouten worden van hout gemaakt. De dertig-kwadraat-klasse is voortgekomen uit de beperkte zeven-meter-tien-klasse van de N.N.W.B. In deze klasse werd naar hartelust geëxpirimenteerd met de vorm van de romp, het roer, de kiel, het tuig, etc. In de dertiger jaren was men het kostbare uitproberen moe. Het bestuur van de N.N.W.B. besloot daarom in 1936 de klasse nieuw leven in de blazen door van de beperkte klasse een eenheidsklasse te maken. De boot van W. Geveke diende als voorbeeld voor ir. Sj. Veeman die de eenheidsklasse zou ontwerpen. Zo ontstond de dertig-kwadraat-klasse, die zeer strikt omschreven was. De lengte was voortaan 7.50 meter en het zeiloppervlak 30 vierkant meter. De door H. Bulthuis geïntroduceerde lattenbouw werd voortaan ook bij de dertig-kwadraat toegepast. De dertig-kwadraat komt alleen in het noorden voor en is nooit een grote klasse geworden (de regenboogklasse is groter). Tot 1980 was de dertig-kwadraat dan ook alleen erkend door de N.N.W.B. Veel schepen zijn er echter niet van gebouwd. Het was een nogal duur schip. In 1990 zijn de klassevoorschrijften aanmerkelijk gemoderniseerd. Zo mogen er sindsdien twee trapezes worden gebruikt.
De dertig-kwadraat met zeilnummer 1 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek veelvuldig voor, namelijk van 1937 tot 1980. Van 1937 tot 1951 werd er jaarllijks meegedaan in deze boot door dr. G.W. van der Meer te Leeuwarden. In 1952 deed de boot niet mee. Maar van 1953 tot 1980 deed W. van der Meer uit Leeuwarden weer jaarlijks mee aan de Sneekweek in deze zeilboot. De naam bleef van 1937 tot 1980 steeds Li. De dertig-kwadraat heeft van 1937 tot heden (1998) onafgebroken meegezeild in de Sneekweek. Het deelnemersveld was tamelijk constant: 12 in 1937, 15 in 1940, 15 in 1950, 10 in 1960, 8 in 1970, 10 in 1980, 11 in 1990 en 14 in 1998.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 106-107
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 88-89
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 15-16.
- J.K. Kuipers, 'De 30 m² klasse' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1984, pp. 61-66.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de sailhorseklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordensailhorseklasse
Objectnummer1998-323
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de sailhorseklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de vaste buiskap. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag, zes zijstagen (drie aan elke kant, waarvan één door een zaling wordt geleid). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een genua. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen (verplaatsbaar in gatenrails) en worden bediend met winches. Schootogen en winches zijn geplaatst op de gangboorden. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de metalen giek. De giek is aan de voorkant met een scharnier aan de mast bevestigd. De halstalie loopt door twee blokken en hangt opgeschoten aan de buiskap. Aan de giek twee metalen blokken. De grootschoot loopt door deze blokken en door ringen aan een gatenrail op de bodem van de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (kop van een zeepaard) en het zeilnummer 2109. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout of metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel die loodrecht op het water staat. Overhellende dekken en gangboorde. De boot is uitgerust met een vaste bulbkiel (die ophaalbaar is). Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. De achterkant van het voordek is opbollend: een vaste buiskap. De mast is door de buiskap gestoken. De kuip is open. In het voorste deel van de kuip een metalen blok (de bovenkant van de kiel). Onder de buiskap een open ruimte, die eindigt bij de kastjes onder het voordek. Onder de gangboorden zijn ook kastje gemaakt (door de modelbouwer gesuggereerd met schilderwerk). Aan de achterkant van de kuip een dwarsbank. Het achterdek is klein. Op de punt van het achterdek aan weerszijden een ring en een bolder. Het metalen roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is rood (boven en onder water). De dekken en gangboorden zijn rood met een zwarte beis over de stootrand. De binnenkant van de kuip is ook rood. De kiel is zwart. De metalen delen (rondhouten en roer) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Sailhorse: lengte 6.13 m, breedte 2.07 m, zeiloppervlak grootzeil 13.9 m², fok 7.2 m², genua 10.8 m², spinnaker 25 m². De romp is van polyester en de rondhouten van aluminium. De Sailhorse is in 1969 ontworpen door Tom Manders. Het ontwerp heette oorspronkelijk seahorse, maar dat bleek een beschermd merk van buitenboordmotoren te zijn. In 1973 is daarom de naam gewijzigd in sailhorse. Het is een boot die geschikt is als toerboot en als wedstrijdboot. De zware bulbkiel is ophaalbaar. Bij wedstrijden zijn genua, spinnaker en trapeze toegestaan. De boot vaart hoofdzakelijk in Nederland en Duitsland. In 1976 kreeg de klasse de status van beperkte eenheid. In 1994 werd de sailhorse een erkende klasse. De Sailhorse met zeilnummer 2109 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1982. Eigenaar was J. Kuling uit Oeffelt, die zijn boot Blue Bell had genoemd. Wedstrijden voor de sailhorseklasse waren er bij de Sneekweken van 1975 tot heden (1998). Gemiddeld verschenen er dan 20 deelnemers aan de start. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 62-63
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingFlessenscheepje met sleepboot ATLAS. Nederlandse vlag. Geplakt in een zee van stopverf. In de fles enkele losse onderdelen, die van het model zijn afgevallen: de voorsteven, twee pijpen, een antenne.
AchtergrondinformatieJacobi Schmidt woonde te IJmuiden. Hij werkte als stoker op schepen. Hij maakte tientallen flessenscheepjes met daarin schepen waarop hij heeft gewerkt., literatuur:
- Knipselmappen - flessenscheepjes.
BeschrijvingFlessenscheepje met driemastclipper. Nederlandse vlag. In landschap met zeven huisjes en een vuurtoren.
AchtergrondinformatieSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 septemeber 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
BeschrijvingModel van een sleephelling zoals gebruikt in Terherne. Het model is gebouwd op een plaat hechthout. Hierop een kaapstander, een langshelling met slede, twee hellingblokken, een teervat op een bok, een teeremmer, een ijzeren teervat. Delen van de grondplaat zijn voorzien van gelijmd zand. Verdere losse onderdelen: een dommekracht, een vaarboom, een pikhaak, twee roeiriemen, een lange bokkepoot, een schrabijzer, een houten hamer, een breeuwhamer, een houten breeuwijzer en zeven stukjes stophout.
AchtergrondinformatieIn 1999 schonk H. Hoekstra het bij de Terhernster werf behorende hellinghuis: inv.nr. 1999-019, literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, pp. 19-20
BeschrijvingScheepsmodel van een roeiboot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen. Romp: scherpe voorsteven, platte achtersteven, plat vlak. Het model van voor naar achter: Rechte stevenbalk. Daaraan een voorplecht met opstaande rand. In het voorschip een dwarsbank. In de bank een ring met landvast en houten spit. Buikdenningen in de vorm van open flonders. Op de boorden verstevigingen voor de roeidollen. In het achterschip een bank met luikje. Aan de achtersteven geen roer. Kleuren: Het vlak is zwart. De boorden zijn gelakt. De voorplecht, de banken en de verdikkingen op de boorden zijn groen. De buikdenningen en het luikje van de achterbank zijn gelakt. Accessoires: twee roeiriemen en een stander.
TitelScheepsmodel van een palingbuis (palinghaler).
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordenpalingbuizen, Jonge, Marchienus de
Objectnummer1979-050
Periode van1979
Periode tot1979
BeschrijvingScheepsmodel van de palingbuis Voorwaarts. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De palingbuis heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag. De voorstag is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef (in het fries 'loefbyter') en die is belegd op een klamp in het voorschip. De botteloef is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De botteloef is niet gestaagd. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzei. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. In de bovenpunt van de fok is voor de fokkeval een metalen fokkegaffel gemaakt. De fokkeschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de schoothoek van de fok en is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fok is voorzien van een enkele rij reeftouwen. Het grootzeil is voorzien een gebogen gaffel. De geffel wordt gehesen met één val die zowel door een blok op de klauw als door een blok op de piek van de gaffel loopt. HEt voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is met een dubbel touw vastgezet aan een oog aan de nagelbank. De onderkant van het achterlijk van het grootzeil is vastgehaakt aan de achterkant van de giek. De voorkant van de giek is met een zwanehals gehangen in een oog aan de voet van de mast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. Het grootzeil is voorzien van een dubbele rij reeftouwen. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op de bodem van het schip. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op klampen aan de wangen van de mastkoker en op de nagelbank achter de mast. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. Op de rug van het roer staat in een vlaggenstokhouder een gebogen vlaggenstok met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is eveneens rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en niet gepiekt. In de bodem zijn bunplaten gemaakt. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en berentanden. De kluisborden hebben geen kluisgaten maar zijn versierd met gesneden stervormen. Aan het boeisel is een klamp gemaakt waarop de voorstag is belegd. Op de voorboeisels is aan weerszijden een bolder gemaakt. Het voordek is verhoogd. In het voordek een metalen schoorsteen van het verblijf in het vooronder. Voor de mast een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Over dit luik loopt de overloop van de fokkeschoot. In de achterwand van het verblijf onder het voordek zijn aan stuurbord twee deuren gemaakt en aan bakboord een raam met schuifluik. De bovenkanten van de boeisels zijn voor en achter voorzien van een ingezaagde gilling waarin aan de zijkant snijwerk is aangebracht (voluut met bladertak). Van voor naar achter loopt over het boeisel een ingesneden bies. Het achterschip is open: de spanten zijn zichtbaar. De bodem is bedekt met buikdenningen. Net voor de achterwand van het verblijf onder het voordek is geen buikdenning, om de toegang door de deuren te vergemakkelijken. In het midden de trog van de bun, die aan de bovenkant wordt afgesloten met twee luiken. Midscheeps zijn de boeisels gedubbeld. De zwaarden hangen met bouten aan deze gedubbelde boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De zwaardkoppen hebben een opvallend puntige vorm. De boutgaten zijn bedekt met stervormige koperplaat. Langs de randen van de zwaarden metaal beslag. De zwaardlopers gaan via een soort schootoog op de buitenkant van het boeisel naar voren, lopen daar door een tweede houten oog op het boeisel. Vervolgens gaan de zwaardlopens naar achter, waar ze aan de binnenkant van het boeisel zijn getakeld door een kattekopblok en zijn belegd op een houten klamp op een spant in het achterschip. De achterbank heeft in het midden een luik. Tegen de boeisels zijn boven de achterbank twee bolders gemaakt. Achter de achterbak het achterhuis. In de voorwand daarvan een toogvormig deurtje. Langs de bovenrand van het achterhuis een hennebalk. Deze is versierd met snijwerk: aan de uiteinden waaiervormen en in het midden het opschrift 'VOORWAARTS'. De hennebalk is aan de bovenkant bedekt met koperplaat. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met een gesneden voorstelling van een snoek. De kop en de rug van het roer zijn voorzien van koperbeslag. Op de rug van het roer een vlaggenstokhouder met vlaggenstok. De kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. Langs de bovenrand van de boeisels een witte bies. De versierde boeisels daarboven zijn groen met een rode bies. Het snijwerk in de gillings is bronskleurig. De kluisborden zijn wit met een groen bovenrand en een bronskleurige ster. Het voordek en de achterwand daarvan zijn gelakt, evenals de binnenkanten van de boorden in het achterschip, de buikdenningen en de wanden van de buntrog. De luiken van de trog zijn groen. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen zijn groen met een rode onderrand. Het beslag langs de randen van de zwaarden is zwart. De hennebalk is blauw en het snijwerk erin is met goudkleur gevuld. HEt roer is gelkat. Het helmhout is groen en heeft een zwarte achterkant en een zwarte handgreep. De roerkop is meerkleurig beschilderd: witte ondergrond met zwarte beis eromheen en een naturalistisch geschilderde snoek. Accessoires: kruisvormige stander.
AchtergrondinformatieMet palingbuizen werd paling uit Friesland, Groningen en de Kop van Overijssel gehaald door de palinghandelaren uit Heeg, Gaastmeer en Workum. De paling werd in die plaatsen overgeladen in karen (lêgers), waarin ze levend werden gehouden. Vanuit de karen werd de paling overgeladen in de palingaken die de vis transporteerde naar Londen.
Palingbuizen waren smal om door de smalle vaarwegen te kunnen varen. Voorts waren ze snel zeilend. Verschillende palingbuizen zijn als plezierjachten met rijk snijwerk voorzien. De naam Voorwaarts en het snijwerk in de vorm van een snoek op de roerklik zijn ontleend aan een foto van de in 1882 voor de Firma W. en A. Visser te Heeg gebouwde buis.
Marchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Zeil en fok waren aanvankelijk te groot. In 1991 hersteld door Pieter Alkema.
BeschrijvingScheepsmodel van motorboot. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: op het voordek een schuin geplaatst vlaggenmast. De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip is recht en staat loodrecht op het water. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op het voordek twee klampen. Tegen de voorwand van de kajuit de vlaggenmast. In de zijwanden van de kajuit twee ronde ramen Op het dak van de kajuit een lichtkap (bekleed met transparant folie) en een handreling (alleen aan bakboord). De kajuit loopt aan de achterkant door in een tent met vast dak. In de voorwand van deze tent vaste ramen (transparant folie). Aan de achterkant rust het vaste dak op twee stangen. Op het achterdek twee klampen. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. Het roer is voorzien van een helmhout. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is groen. De dekken, de kajuit en het vaste deel van de tent zijn wit. De klampen, de handreling en de vlaggenmast zijn gelkat. Het roer is groen (onder water) en wit (boven water). Accessoires: een defecte tafel in de kajuit.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd door R. van der Veen (Bovenweg) te Koudum, die binnenvisser was op Galamadammen.
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijbuiterklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenvrijbuiters
Objectnummer1998-285
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijbuiterklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast, die relatief klein is. De mast staat in een mastkoker op het voordek. De mast wordt gehouden door stagen van nylon: twee zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelzeil en een fok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast, door een gat in het voordek en die onderdeks (niet zichtbaar) is belegd. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast. De rechte gaffel is groot. De gaffel wordt gehesen door een klauwval en een piekeval. De klauwval (aan de gaffelbek) loopt door een ring in de mast, door een gat in het voordek en is (niet zichtbaar) onderdeks belegd. De piekeval loopt door het beslag aan de top van de mast, door een gat in het voordek en is (niet zichtbaar) onderdeks belegd. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de mast bevestigd met een onhoogwijzende zwanehals. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee giekringen die met een touw naar voren of naar achteren geschoven kunnen worden. Aan de giekringen hangen twee blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en een blok op de overloop op het achterdek en ligt los in de kuip. In het achterlijk van het grootzeil vijf zeillatten die doorlopen tot het voorlijk. De zwaardval van het midzwaard loopt ongetakeld naar het vooronder. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter Z) en het zeilnummer 21. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspantspant. Opvallende is de ranke vorm. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel die licht achterover op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek een licht balk tussen voorsteven en mast. Op deze balk de gatenrail voor voorstag en fokkehals en een metalen klamp. De mastkoker staat op het voordek. Daarachter een V-vormige waterlijst boven de voorkant van de kuip. In de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Achter de kuip een lang en smal achterdek. De metalen helmstok (voorzien van joystick) steekt uit het achterdek. Het roerblad bevindt zich niet onder het helmhout, maar is aan de spiegel gehangen. Een constructie met stangen die uit de speigel steken en die zijn bevestigd aan het roer maken de verbinding tussen helmstok en roerblad. Het onderste deel van het roer is van metaal en is scharnierend opgehangen aan het bovenste deel. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken, de gangboorden, de kuip en de rondhouten zijn gelakt. Het roer is van boven bruin. De metalen delen (midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de vrijbuiterklasse zijn niet te geven. Het is geen eenheidsklasse maar een beperkte klasse met slechts enkele maten waar men zich aan de houden had. In 1918 besloot het K.N.W.V. een commissie te benoemen die studie moest maken van nieuw te vormen klassen. De commissie besloot dat er naast eenheidsklasse ook een vrije klasse met slechts enkele beperkingen (beperkte klasse) moest komen, om experimenteren te bevorderen. Bij de vrijbuiterklasse zijn de beperkingen niet talrijk: grootzeil en fok mogen samen niet groter zijn dan 15 m², de huis- en dekdikte mat niet kleiner zijn van 12 mm, de oppervlakte van de kuip mag maximaal 2 m² zijn, het mag geen catamaran zijn en een trapeze is niet toegestaan. De klasse kende slechts een geringe bloei, met name rond de 30er jaren. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er geen vrijbuiters meer gebouwd. De vrijbuiter met zeilnummer 211 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Uit de deelnemerslijsten van Z.V. Oostergoo blijkt dat het schip in 1928 en 1929 werd gevaren door R. Wester te Grou en in 1930 door Ir. J. Loeff te Oud Loosdrecht. Wedstrijden voor de vrijbuiter waren er bij de Sneekweken van 1935-1939 (gemiddeld 10 deelnemers). Na 1945 waren er geen wedstrijden meer voor vrijbuiters (met uitzondering van 1961 toen er nog drie deelnemers waren). Vrijbuiters deden toen mee in de gemengde klasse, bijvoorbeeld Th. Pasma uit Sneek (1946-1958). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De Vrijbuiter' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 49-54.
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 30-31
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de Regenboogklasse.
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordenregenboogklasse
ObjectnummerK-036
Periode van1947
Periode tot1948
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Regenboogklasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½. Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een mast die is is geplaatst in een mastkoker. De mast is voorzien van een zaling. De mast wordt gehouden door een voorstag die met een harpsluiting is vastgezet op het beslag van de steven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door twee zijstagen: een vaste en een bakstag. De vaste zijstag loopt via de zaling naar beneden en is daar met een wantspanner vastgezet op een puttingijzer. De bakstag loopt van de mast rechtstreeks naar beneden en is daar met een glijer vastgezet in een langsscheepse, metalen rail op het gangboord. Met een touw is de bakstag naar behoefte naar voren of naar achteren te trekken. Het touw is belegd op een metalen klamp op het gangboord. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een fok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één lap, maar voorzien van dubbel gestikte plooien, die banen moeten suggereren. Door gebruik te maken van plooien kon in de zeilen bolling gemaakt worden. De hals van de fok is vastgezet op het stevenbeslag. Het voorlijk van de fok loopt parallel met de voorstag maar is daar niet aan vastgemaakt. De fokkeval loopt via een blok aan de mast naar beneden en is daar belegd op de nagelbank. Aan de voorkant van de fok zijn twee staartblokken bevestigd. De fokkeschoten zijn aan weerszijden aan het vaste einde bevestigd aan een oogbout in het gangboord. De halende einden van de fokkeschoten lopen door het staatblok, door metalen schootogen op de gangboorden en over de kuipranden. De fokkeschoot aan bakboord is met het halende eind belegd op een houten klamp aan de binnenkant van de kuiprand. Die aan stuurboord hangt los over de kuiprand. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel die boven de top van de mast uitsteekt: cattuig. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. Het bovenlijk is met touwen vastgezet aan de gaffel. De gaffel wordt gehesen met een nokkeval en een piekeval die beide zijn belegd op de nagelbank. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillatten gemaakt. Tussen de top van de mast en het achtereinde van de giek lloopt de kraanlijn, die is belegd op de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil is met touwen vastgezet aan de giek. De grootschoot is met het vaste einde vastgezet aan het achtereind van de giek. Van daar loopt de schoot naar een blok, dat is vastgezet op een metalen overloop op het achterdek, vervolgens weer omhoog naar twee blokken die aan giekringen zijn gehangen, om daarna in de kuip te worden belegd op een bolder op de kielbalk. De giekring hangen los om de giek. Ze worden op hun plaats gehouden door lijnen die zijn gespannen tussen de beide uiteinden van de giek. In het grootzeil is aan beide kanten het zeilteken (boog) en het zeilnummer (40) geplakt. In de achterpunt van het grootzeil etiket in de vorm van een Waterpoort (het merk van zeilmakerij Gaastra te Sneek). Op de top van de mast een groene windvaan die draait aan een metalen pin. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven en scherp en heeft de vorm van een overhangende lepelboeg. Ook de achtersteven is overhangend en heeft een kleine, schuin geplaatste, enigszins bolle spiegel. De bodem is V-vormig en voorzien van een dubbel aangehangen kiel. Het roerblad is aan de kiel opgehangen. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven metaalbeslag waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd. Van de steven tot het achterschip loopt op de hoek van romp en dek een stootrand en op het dek een waterlijst met loosgaten. Van de steven tot de mast loopt over het voordek een lijst waarop een bolder is geplaatst. Op de gangboorden aan weersizijden een ongebruikt schootoog en voor de fokkeschoot een oogbout, een schootoog en een metalen klamp. Voorts op de gangboorden de puttingijzers van de vaste zijstagen en de rails van de bakstagen. De kuiprand begint achter de mast. Van boven gezien is de kuip granaatvormig: van voren puntig en van achteren plat. In de kuip zijn onder het voordek en het achterdek afsluitbare kasten gemaakt (het luik van de voorkast ontbreekt) en onder de gangboorden open kasten. In het midden van de kuip een dwarsbank en tegen de achterkant van de kuip een tweede bank. De bodem is bedekt met buikdenningen. Op de buitenkant van de romp is net onder de stootrand, net achter de bakstag de naam van het jacht geschilderd: 'PIETERKE'. Op het midden van het achterdek een langsscheepse lijst met daarop het gekromde helmhout van het roer en de overloop van de grootschoot. Aan weerszijden van de middenlijst twee houten klampen op het achterdek. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bruin met een witte bies op de waterlijn. De dekken en gangboorden zijn groen. Het houtwerk in de kuip, de mast, de rondhouten en het helmhout zijn gelakt. Accessoires: kruisvormige stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De zeilen zijn gemaakt door Pieter Alkema, werkzaam bij Zeilmakerij Gaastra te Sneek. In 1976 werd hij conciërge bij het Fries Scheepvaart Museum.
De regenboogklasse is ontworpen door G. de Vries Lentsch uit Nieuwendam en als nationale eenheidsklasse door het KNWV erkend in 1917. De boot heeft lange en volle overhangen en is derhalve geschikt voor meren en plassen, maar niet voor al te woelig water. Het heeft een steil gepiekt gaffeltuig. De naam regenboog is gekozen omdat het oorspronkelijk de bedoeling was elk schip een andere kleur te geven. Dat hield met niet vol: de meeste latere regenbogen zijn gelakt. De klasse was tot de Tweede Wereldoorlog populiar. Daarna verminderde de belangstelling. Na oprichting van de Regenboogclub en na de bouw van de nieuwe regenboog (nr. 94) in 1968 (de eerste na 40 jaar stilstand) leefde de klasse weer op. Sindsdien zijn er 40 nieuwe regenbogen gebouwd. Het schip bleef klassiek, maar voor de westrijdzeilers zijn er een aantal moderniseringen doorgevoerd: spinnaker, hangbroek (als trapeze) en zelflozers.
Het regenboogjacht met zeilnummer 40 komt op de naamlijsten van deelnemers aan de Sneekweek twee maal voor: in 1928 en 1929. Eigenaar is dan Hans Nathan uit Amsterdam en de naam van het jacht is dan Braassemermeer. Het regenboogjacht met de naam Pieterke had zeilnr. 55. In 1933 is het jacht van G. de Vries Lentsch uit Amsterdam (deelnemer aan Sneekweek 1933). Van 1941 tot 1951 doet het jacht mee aan wedstrijden in Sneek en Grou. Eigenaar is dan J. Zwart uit Sneek., literatuur:
- Leeuwarder Courant 30 mei 1949
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998) pp. 60-61
TitelScheepsmodel van een kleine Friese zeilschouw (4.75 meter).
VervaardigerOoms, G.
TrefwoordenFriese schouwen, zeilschouwen
Objectnummer1998-282
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een kleine Friese zeilschouw (4.75 meter). Op spanten gebouwd. Schaal 1:30.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een messelbank. De bovenkant van de mast wordt gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries: 'loefbyter'). Deze voorstag wordt geleid door een blok op de botteloef en is belegd op een klamp op de voorplecht van de boot. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een sprietzeil. Het voorlijk van de stagfok hangt los van de voorstag. De fokkehals is aan de botteloef bevestigd met een touw, dat door een ring op de punt naar achteren loopt en daar is belegd op een klamp op de voorplecht. De fok worddt gehesen met de fokkeval die loopt door een blok aan de mast en die is belegd op een korvijnagel in de messelbank. De fokkeschoten lopen door metalen schootogen de messelbank en liggen los in het achterschip. Het voorlijk van het grootzeil hangt los van de mast. De hals van het grootzeil is vastgezet met een touw dat loopt door een metalen haak aan de voet van de mast. Het grootzeil wordt gehesen met een val die loopt door een gat in de top van de mast en die is belegd op een korvijnagel in de messelbank. De spriet hangt in een touwlus aan de mast. Het boveneind van de spriet is dunner en is gestoken door een lus in het achterlijk van het grootzeil. De onderkant van het achterlijk van het grootzeil is met een touw vastgemaakt aan de achterkant van de giek. Aan de voorkant hangt de giek met een zwanehals in een oog aan de mast. De grootschoot loopt door een enkelschijfs blok aan de giek en door een ring op de bodem van de boot. De vallen van de zijzwaarden lopen door gaten in de boeisels naar binnen en hangen opgeschoten aan de boeisel. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is plat en loopt schuin omhoog. Het achterschip heeft een rechte spiegel die schuin op het water staat. De bodem is vlak en loopt naar voren en achteren omhoog.
Het model van voor naar achter: De botteloef is aan de achterkant bevestigd op het metaalbeslag van de voorsteven. De boeisels zijn versierd met twee (geschilderde) biezen. De boot is open. Dat betekent dat in het voor- en achterschip de spanten zijn te zien. De bodem is bedekt met buikdenningen. De messelbank rust op twee spanten en wordt aan de bovenkant verstevigd met kniestukken. De zwaarden hangen met geborgde bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. In het achterschip een dwarsbalk waarop de grootschoot is vastgezet. Daarachter een opstap en een achterbank. Het roer hangt aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met (geschilderde) bladertakken. Het helmhout valt over de kop van het roer.
De kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. Het boeisel is groen met witte biezen. De botteloef is metaalkleurig. De koppen van de zwaarden zijn groen met witte versieringen aan de onderkant. De binnenkanten van de boorden zijn gelakt met een groene rand langs de boeisels. De buikdenningen zijn grijs. De messelbank, de achterbak en de opstap zijn rood-wit gemarmerd. De rondhouten zijn gelakt. Het roer is gelakt (onder water zwart). Op de rug van het roer goudkleur.
Accessoires: tijdelijke stander
AchtergrondinformatieDe afmetingen van de Kleine Friese zeilschouw: lengte 4.75 m., breedte 1.42 m.
De schouw is wijd verspreid in Nederland. Het bestaat in vele afmetingen en wordt voor vele doeleinden gebruikt: visserij, vrachtvervoer en pleziervaart. De Friese schouw is gladboordig en wordt gebruikt op de binnenwateren. Het vlak is over de gehele lengte gebogen en eindigt boven de waterlijn tegen de onderkant van een zeshoekige spiegel, die een min of meer sterke valling naar buiten heeft. Het vlak is vrij breed en het boord valt niet erg open. Het boeisel heeft slechts een kleine binnenwaartse valling. De Kleine Schouw is 4.75 meter lang, geheel open en voert meestal een spriettuig (spriet en giek) en een stagfok op een botteloef. De Middenschouw is 5.5.0 meter lang en heeft een bezaantuig. De Grote Schouw is 6 meter lang en voert eveneens een bezaantuig. Soms is de grote schouw uitgerust met een kajuit. De GWS-schouw heeft een stalen onderbouw en een houten boeisel. Het voert een spriettuig. De lengte is 5 meter (gangbare handelsmaat voor staal). De afkortig verwijst naar de Grouwster Watersprot Vereniging, die de bouw van dit type in de vroege jaren dertig entameerde en ook westrijden voor deze schouwen organiseerde.
De zeilschouw met zeilnummer 1 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor kleine 4.75 m. zeilschouwen waren er bij de Sneekweken van 1935-1960. Gemiddeld werden er 7 deelnemers per jaar ingeschreven. Opvallend is het grote aantal deelnemers uit Oppenhuizen. F. Atsma uit Oppenhuizen deed met zijn zeilschouw Meerkol onafgebroken mee aan de wedstrijden van de Sneekweek (1935-1960). Andere deelnemers uit Oppenhuizen die de schouwwedstrijden regelmatig bezochten waren: S. Dijkstra, J. Douma en U. de Jong. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van het aardappelscheepje Gudsekop.
VervaardigerBosma, Andries
Trefwoordenskûtsjes, tjalken
Objectnummer1999-001
Periode van1999
Periode tot1999
BeschrijvingScheepsmodel van het skûtsje of aardappelschip Gudsekop. Het model is gebouwd uit zinkplaat dat op spanten is geklonken. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter') en door een staand want van twee zijstagen. De zijstagen zijn met wantspanners bevestigd op puttingijzers op de boorden van het schip. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in vouwplooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een harpsluiting vastgezet op de botteloef. In de top van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt over twee tweeschijfsblokken. De onderste daarvan is een hakkeblok, dat is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. De fok is niet voorzien van reeftouwen. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Deze wordt gehesen met een klauwval en een piekeval. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met rakkralen) bevestigd aan de mast. De halstalie van het grootzeil loopt over een blok aan de hals van het zeil en over twee blokken aan weerszijden van de giek. De schoothals van het grootzeil is met een harpsluiting vastgezet aan de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De grootschoot loopt over een tweeschijfsblok aan het einde van giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van twee rijen reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn getakeld met blokken en zijn belegd op de nagelbank. er zijn geen lieren aan boord. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan metalen scheerhout. De blokken zijn deels van hout en voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Tegen het boeisel van het voorschip zijn twee bolders geplaatst. In het voordek een luikhoofd met scharnierend luik dat toegang verschaf tot het vooronder. Daarachter een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. Voor de mast de metalen overloop van de fokkeschoot. De mast staat in een metalen mastkoker. Aan de wangen van de mastkoker en aan de nagelbank aan de achterkant van de mastkoker zijn de zeilvallen, de kraanlijn en de voorstag belegd. Achter de nagelbank het ruim, dat wordt afgesloten door tweemaal tien houten luiken. Op de luiken liggen een loopplank, een vaarboom en een pikhaak. Over de gehele lengte van het ruim zijn op de boeisels houten zetboeisels geplaatst. De zwaarden hangen met bouten aan het boeisel. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van opgenageld metaalbeslag. Rond het boutgat een stervormige versiering. Langs de onderrand van de zwaarden metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok op het boeisel naar achteren. Daar zijn ze getakeld met zwaardtalies die lopen door twee enkelschijfs blokken op de buitenkant van het boeisel. De halende einden van de zwaardtalies zijn belegd op klampen op het achterboeisel en zijn opgeschoten in haken aan de buitenkant van het achterschip. Achter het ruim de roef. De voorwand en de zijwanden zijn blind (geen ramen). In de achterwand van de twee ruitvormige ramen en in het midden een dubbele metalen deur met schuifluik in het dak. Achter de roef in de bollestal een plank met voetlijsten waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Ook is er een achterbank. Tegen de boeisels van het achterschip zijn vaste bolders en steekbolders geplaatst. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is plat en ligt los over de roerkop. De ruig van het roer is voorzien van metaalplaat. Kleuren: De romp van het schip is havannabruin. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is donkerbruin. De bovenkant van het boeisel is donkerbruin en wit. De boeisels zijn aan de binnenkant donkerbruin. Het voordek, het achterdek en de gangboorden zijn zwart. De luiken in het voorschip zijn havannabruin, evenals de wanden van de roef. Het dak van de roef is lichtgroen met een donkerbruine buitenrand. Het luikhoofd van het ruim is bruin en de luiken zijn gelakt. De achterbank is grijs. De voetlijsten zijn gelakt. Het roer is gelakt. De roerkop is groen, evenals het helmhout. Het beslag op de rug van het roer is wit (boven) en zwart (onder). De zwaarden zijn gelakt. Het beslag op de zwaarden is zwart, de stervormige versiering is wit. De loopplank is grijs met wit. De zetboeisels en de rondhouten zijn gelakt. De top van de mast is zwart en het mastbeslag is wit. De kluisborden en berentanden zijn geel. Accessoires: pikhaak, vaarboom en een loopplank. Het model is vastgezet op een stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het skûtsje of aardappelschip Gudskop is in 1908 gebouwd door Auke van der Zee te Joure. Afmetingen: lengte 46¼ voet (=13,15 meter), breedte 10= voet (=3.02 meter), holte 3= voet (=1.07 meter). Het schip werd gebouwd in opdracht van aardappelhandelaar C. Walma te Joure. In 1919 werd het verkocht aan Aardappelhandelaar de firma Doevendans en Van der Veen te Sneek. In 1934 kocht de Zeeverkennersgroep Greate Pier te Sneek te schip. Sinds 1960 is het schip eigendom van de Stichting Kamp- en Reiswerk van de V.C.J.C.
Het model is gebouwd naar de tekeningen in het boek dat in 1974 over de Gudsekop is geschreven (zie literatuur) en naar tekeningen uit het Fries Scheepvaart Museum (inv.nrs. T-127, T-128 en T-129).
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Een scheepje gebouwd.... De Gudsekop (Utrecht, 1974).
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1999, p. 22
TitelScheepsmodel van een viskotter, naar tekeningen van W. Zwolsman te Zaandam.
VervaardigerBosma, Andries
Trefwoordenviskotters, kotters, vissersschepen
Objectnummer1988-001
Periode van1987
Periode tot1987
BeschrijvingScheepsmodel van de viskotter UK 300. Op spanten gebouwd: zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: De viskotter heeft twee masten, die weliswaar volledig getuigd zijn, maar niet voorzien zijn van zeilen. De voormast wordt gehouden door een staand want van twee hoffdlijnen. De voormast heeft een rechte gaffel en een giek. De schoot van het grootzeil loopt via twee blokken en is belegd op een klamp op de voorkant van de machinekamer. Aan de mast kunnen een grootzeil en een fok gevoerd worden. Aan de voormast zijn de boordlichten bevestigd. De achtermast wordt gehouden evenals de voormast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen. De achtermast is voorzien van een giek, waaraan een driehoekige bezaan gevoerd kan worden. De schoot van de bezaan loopt via twee blokken en wordt belegd op een klamp op het verhoogde achterdek. In de toppen van de masten geen vleugels. De blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: scherpe voorsteven, ronde achtersteven, bodem met kiel. Het model van voor naar achter Op de voorsteven het visserijnummer 'UK 300'. Op het metalen voordek een schoorsteen en een luikhoofd. Het dek erachter is van hout. Daarop twee luikhoofden en de voormast. Midscheeps staat de meervoudige lier, die werd gebruikt voor het binnenhalen van de netten. De lier wordt bediend met hendels en via een aandrijfas aangedreven door de scheepsmotor. Aan stuurboord staan twee beugels waarin een katrol hangt. De beugel zijn met ijzeren stangen verankerd aan het boeisel en aan de voormast (voor) of de machinekamer (achter). Deze beugels werden gebruikt voor het binnenhalen van de netten. In het boeisel zijn aan beide zijden drie afsluitbare spuigaten gemaakt. De opbouw bestaat uit een laag deel met aan beide zijden zes patrijspoorten. Op het voorste deel daarvan een luikenkap met vier luiken, een schoorsteen, een voorwaarts gerichte pijp en het blok van de grootschoot. Daarachter is de stuurhut, die gedeeltelijk van hout is. De stuurhut is ingericht met stuurwiel en hendel. Aan de voorwand van de stuurhut een toeter. Op het dak van de stuurhut de boordlichten, een zoek- of werklicht en een schoorsteen. Achter de stuurhut de machinekamer. In de zijwanden daarvan twee patrijspoorten en in de achterwand een stalen deur en een luikenkap. Aan de zijwanden van de machinekamer hangen een rood-witte reddinggordels met daarop 'HERMINA URK'. Achter de machinekamer staat op het achterdek de sleepbolder (beting). Het achterdek is verhoogd. Daar is de bezaanschoot belegd en is de afluiting van de roerspil te zien. Op het achterschip: HERMINA I URK'. Kleuren: De romp is grijs, het onderwaterschip is zwart. De binnenkant van de boeisels, de metalen dekdelen, de luiken en de opbouw zijn geschilderd in licht- en donkergrijs. De machinekamer is bruin. Het dak van de stuurhut is wit. Het houten dek, de houten opbouw van de stuurhut en de rondhouten zijn gelakt. Het scheepsbeslag is zwart. Accessoires: reddinggordel en stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
De straalbuis is een door Willem Zwolsman ontworpen manier van voortstuwing. Zwolsman was werkzaam bij 'Holland Launch' te Zaandam. Willem Zwolsman is geboren in Makkum en telg van het bekende Friese scheepsbouwersgeslacht.
De UK 300 is later verkocht en voer toen onder het visserijnummer Tholen 5. Dergelijke kotters leverden een grote bijdrage in de na-oorlogse bloei van Nederlandse Noordzee-visserij.
De viskotter is in Nederland het meest gebruikte motorschip voor de kustvisserij (trawlvisserij, boomkorvisserij en spanvisserij). Op kotters wordt het meest gevist op haring en platvis. In de loop de tijd wordt er steeds meer over het achterschip gevist. Men spreekt dan van een hekkotter. Afhankelijk van de grootte varen op een kotter 4 tot 7 man.
Een halfmodel van het schip maakt deel ook uit van de collectie (inv. nr. 1981-482). Hierop is het scheepsmodel gebaseerd.
BeschrijvingScheepsmodel van de postboot Schiermonnikoog. Zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft twee stalen masten. De voormast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door vier zijstagen (aan weerzijden twee) op het boeisel. De achtermast word gehouden door een voorstag, die aan de voormast is bevestigd, en door vier zijstagen (aan weerszijden twee) op het boeisel. Aan de voormast worden een fok en een grootzeil gevoerd, aan de achtermast alleen een grootzeil.
De fok is aan de voorkant met een ketting vast gezet op de voorsteven. De fokkeschoot aan de hals van de fok heeft een hakkeblok en is vast gezet op een klamp aan de voet van de voormast. De fokkval is eveneens op een klamp aan de voormast vast gezet. Het grootzeil is driehoekig van vorm. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. De grootzeilval is vast gezet aan een klamp aan de voet van de voormast. De halstalie van het grootzeil is ook vast gemaakt aan de voormast. De giek hangt aan de voorkant met een lummel in een oog aan de voormast. Aan de achterkant hangt de giek in een kraanlijn. De schoot van dit zeil is getakeld met een tweeschijfsblok aan de giek een een tweeschijfs hakkeblok op een overloop (voor de stuurhut) en is belegd op het hakkeblok. De giek fungeert tevens als takel. Het takeltouw loopt door blokken aan de giek en wordt bediend met een lier aan de voet van de voormast. Boven in de voormast hangen een lantaarn (rondschijnend wit licht) en een naamwimpel: blauw met witte letters SCHIERMONNIKOOG. Het zeil van de achtermast is driehoekig van vorm. Het voorlijk ervan is met rakkralen bevestigd aan de mast. De zeilval is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De halstalie is ook vastgezet op de mast. De giek hangt aan de voorkant met een lummel in een oog aan de achterast. Aan de achterkant hangt de giek in een kraanlijn. De schoot van het achterzeil is getakeld met een tweeschijfsblok aan de giek een een tweeschijfs hakkeblok dat met een oog is vastgezet op het achterdek. In de top van de achtermast een blauwe wimpel met daarop in witte letters: POST. De houten en metalen blokken van het model zijn voorzien van lopende schijven.
De romp: scherpe. vertikale voorsteven (steilsteven), rond en geveegd achterschip, vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: In de voorsteven twee kluisgaten waaruit ankers hangen. Daarboven is de naam van het schip geschilderd: Schiermonnikoog. Op de bovenkant van de voorsteven een prins (rood-wit-blauwe vlag) en de bevestiging van voorstag en fok. Van de verhoogde voorsteven tot het verlaagde achterdek een metalen reling. De dekken zijn van hout. Op het voordek (voor de voormast) de ankerlier, het metalen luikhoofd van het vooronder, twee dubbele bolders en twee schijnlichten. Achter de voormast de takellier, een bovenlicht waarop een bank is gemaakt, de houten toegang tot de kajuit (met scharnierende deuren en schijvend bovenluik), twee luchthappers en een dwarsscheeps geplaatst bovenlicht. Op de reling de boordlichten (rood en groen) die draaibaar (naar buiten of naar binnen) op de relingen zijn gezet. Achter de giek van de voormast de houten stuurhut. In de voor- en zachterzijde van de stuurhut drie ramen. In de zijwanden aan weerszijden een raam en een schuifdeur. In de stuurhut een abnk en een vertikaal stuurrad. Aan bakboord bij de stuurhut een metalen koekoek (kwartrond van vorm) met scharnierende deuren en schuivend bovenluik. Achter de stuurhut een metalen luikhoofd. Achter de achtermast een schijnlicht met daar boven op een bank en de achterste passagiersingang (hout met scharnierende deuren en schuivend bovenluik). aanweerszijden daarvan trappen naar het lager gelegen achterdek. Op het achterdek een metalen luik. In de boeisels van het achterdek zijn scharnierende delen gemaakt. Bij het ronde achterschip is het dek weer iets hoger. Daar steekt de roerspil uit het dek. Op het achterschip een vlaggenmast met rood-wit-blauwe vlag. Op de buitenkant van het achterboeisel de naam van de thuishaven: Oostmahorn. Aan de achterkant van het schip zijn het roerblad en twee scheepsschroeven te zien. In het boeisel zijn 22 patrijspoorten (11 aan elke kant) gemaakt. Midscheeps zijn twee zwaarden opgehangen. Het zijn langwerpige zeezwarden met verdikte kop en aan de onderkant metalen verstevigingen. De zwaarden zijn opgehangen aan vaste bouten en worden bediend met zwaardvallen (ketting en touw, belegd op klampen op het dek. De berghouten (stootrand) lopen van voor tot achter, en lopen ook over de zwaarden (als een beschermende rand).
Kleuren: De romp is zwart met witte biezen en wit berghout. De dekken, de stuurhut en de twee passagiersingangen zijn blank gelakt. Het dak van de stuurhut is wit. De schijnlichten zijn ook gelakt met witte tralies. De drie metalen luiken van de ruimen zijn grijs met zwarte scharnieren. De relingen en de masten zijn wit. De koekoek naast de stuurhut is bruin
Accessoires: geen
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.Tot in de 20ste eeuw werd de veerdienst tussen Friesland en Schiermonnikoog onderhouden door zeilende beurtschepen. In 1850 was dat bij voorbeeld het jacht Aafke van de gebroeders Dubblinga en in 1870 was het de tjalk Auktje van Ambrosius Dubblinga en Anne Visser. Zij onderhielden tot 1905 de veerdienst op Schiermonnikoog. Rijkswaterstaat besteedde de veerdienst in 1905 openbaar aan. De Amsterdamsche Motordienst verwierf de veerdienst en zette het motorschip Libelle in. Het bleek al snel dat dit schip niet voldeed. De veerdienst werd overgenoemn door F. de Jong van Ameland (die ook de veerdienst van Ameland onderhield). Hij liet bij scheepswerf Croles te IJlst een dubbelschroefs motorschip bouwen. Het kreeg de naam Schiermonnikoog. In 1914 werd het schip vervangen door een schip met dezelfde naam. Naar dit schip is het model gebouwd.
Van het schip is niet bekend waar het gebouwd werd, maar het bestek en de tekeningen (in 1913 gemaakt door Rijkswaterstaat). is wel bewaard gebleven. Het schip was 22 meter langer, had een grootste breedte van 4.25 meter en de holte was 0,70 meter (ongeladen). Het schip was uitgerust met twee Kormhout motoren van elk 20 PK. Het schip had hulpzeilvermogen en was daartoe uitgerust met twee stalen masten voor vier zeilen (op het model is de breefok weggelaten). Een opvallende bijzonderheid was dat het berghout ter plaatse van de zwaarden als een beschermende rand om de zwaarden was aangebracht.
Nadat het schip uit de vaart werd gehaald, voer het als meetvaartuig voor Rijkswaterstaat onder de naam Andries Vierling. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw was het schip in gebruik als pleziervaartschip. In 2001 lag het schip in Leeuwarden, tegenover theater De Harmonie.
In de veerboot bevonden zich een voor- en een achterkajuit voor passagiers, een laadruim voor, midden (tevens postkamer) en achter. De passagiers konden de kajuiten bereiken via houten trappen met "verschuifbare zoldering en draaibare deuren" (aldus het bestek). De schijnlichten boven de machinekamer hadden zo'n omvang dat er machine-onderdelen door naar beneden gelaten konden worden. Vanuit het houten stuurhuis midden op het schip kon door middel van een vertikaal stuurwiel een stelsel van kettingen en stangen het roer worden bediend.
Het model is gebouwd naar tekeningen en bestek, afkomstig van de werf De Piip van de gebroeders Roorda te Drachten. Het schip is daar echter niet gebouwd. Het komt in de werfboeken niet voor. Tekeningen en werfarchief behoren tot de collectie van het Fries Scheepvaart Museum. Bosma maakte op basis van de genoemde tekeningen een eigen lijnenplan voor het model. Deze tekeningen heeft inv.nr. 2001-414.
BeschrijvingScheepsmodel van een visaak. Op spanten gebouwd. Zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage. Het model heeft één mast. De mast steekt door het dak van de roef. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries: 'loefbyter'). De voorstag loopt door een blok op de botteloef naar achter en is belegd op een metalen klamp op het voordek. De botteloef is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven, maar is verder niet gestaagd door waterstagen of boegstagen. Het model is uitgevoerd met gestreken zeilen: een stagfok en een gaffelgrootzeil die schuil gaan onder huiken. De fok is opgedoek op de botteloef en bedekt met een kegelvormige huik van bruine katoen. De fokkeval loopt door een blok aan de top van de fok en een blok aan de top van de mast, loopt onder de huik van het grootzeil door en is belegd op een klamp op de achterwand van de roef. Het grootzeil is opgedoekt op de giek en overdekt met een huik van bruine katoen. Aan de voorkant rust de giek met een zwanehals in een oog aan de mast. Aan de achterkant hangt de giek in een kraanlijn. De kraanlijn is met een kattekopblok getakeld en belegd op een klamp aan de achterwand van de mast. De klauwval en piekeval van de gaffel lopen van de huik via blokken aan de top van de mast weer naar beneden en zijn daar belegd op klampen op de achterwand van de roef. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en een enkelschijfs hakblok op het dek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond. De bodem is rond en niet gepiekt. In de bodem zijn gaten gemaakt voor de bun.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een metalen ring voor een landvast. De botteloef heeft twee ogen (voor voorstag en hals van de fok). Op het voordek een klamp waarop de voorstag is belegd. Het voordek en de gangboorden langs de roef zijn slam. Ze zijn even hoog als de bovenkant van de boeisels. De roef heeft een lage voorwand. In de zijwanden zijn ramen met schuifluiken gemaakt. In de achterwand zijn aan stuurboord dubbele deuren gemaakt en aan bakboord scharnierend raam. Rond de voet van de mast zijn aan de achterwand klampen gemaakt voor het beleggen van vallen en de kraanlijn. Op het dak van de roef twee lichtkappen met traliewerken en een schoorsteen met kubusvormige kop met metalen jalouzie-sleuven. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn bedekt met metalen platen. De boutgaten zijn versierd met stervormen. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via schildpadblokken op de buitenkant van het boeisel naar binnen en zijn daar belegd op metalen klampen in het achterschip. In het achterschip de trog van de bun met daarop twee luiken. Langs de boorden banken. De voorste banken zijn dicht (kisten) en de achterste banken zijn open. De buikdenningen in het achterschip liggen op drie nivo's. In de voorwand van het achterhuis zijn twee houten deuren gamaakt. Aan het berghout zijn op het achterschip, aan weerszijden van de achtersteven twee ringen gemaakt. Het roer hang met drie roerhaken aan de achtersteven. Het roer heeft een hoge kop. De roerkop en de rug van het roer zijn met metaalbeslag bedekt. Het helmhout valt los over de roerkop.
Kleuren: De romp is hanvannabruin. Het onderwaterschip, het berghoud en de bovenkanten van de boeisels zijn zwart. De botteloef is wit. De zwaarden zijn gelakt. De platen op de zwaardkoppen zijn havannabruin en het beslag langs de randen van de zwaarden is zwart. Het voordek, de gangboorden en het dek van het achterhuis zijn wit met zwarte biezen. De voorwand en de zijwanden van de roef zijn lichtgroen. De schuifluiken met bruine rails en rode ruitversieringen. Het dak van de roef is wit. De lichtkappen en de schoorsteen zijn gelakt. De tralie van de kappen zijn wit. De achterwand van de roef is havannabruin. De opbouw van de bun, de binnenkanten van de boorden in het achterschip en de voorwand van het achterhuis zijn bruin. De bunluiken, de zijbanken en de buikdenningen zijn grijs (de buikdenningen in twee tinten grijs). Het roer is gelakt. Het onderwaterdeel van het roer is zwart, de bovenste twee veren zijn wit en het metaalbeslag op de kop en de rug van het roer zijn zwart. Het helmhout is gelakt.
Accessoires: een stander, een vaarboom en een pikhaak.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is vervaardigd naar originele tekeningen van J.O. van der Werff te Buitenstvallaat (Drachten). opdrachtgever tot de bouw en latere eigenaar was J. Stuiver te Gorredijk. De zoon van de toenmalige opdrachtgever, J. Stuiver, heeft bij de bouw van het model aanwijzingen gegeven.
Visaken waren in het begin van onze eeuw een bekende verschijning in het Friese waterland. De doorgaans fraai gevormde scheepjes hadden voor de mast een tentvormige kajuit met een vlak dak. Hierin woorde de visser met zijn gezin. De strijkbare mast draaide door deze kajuit. Achter de mast had het schip een bun voor het bewaren van gevangen vis. Meestal hadden de visaken een min of meer vaste ligplaats bij een dichtzet. Dit is een dwars over een vaart gespannen visnet. Wanneer een schip moest passeren werd dit net, dat aan een kabel was gespannen, vanaf de wal neergelaten en na het passeren van het schip weer opgetrokken. Dit beketende dat zo'n dichtzet dag en nacht bewaakt moest worden. Doorgaans deed de visser dit vanuit de visaak., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 18-19
BeschrijvingScheepsmodel van een Terhornster praam. Op spanten gebouwd: gangen van zink, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: De praam heeft één mast. De mast staat in de messelbank. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De botteloef is geplaatst op de voorsteven en met een vorkvorm vastgezet op het voorboeisel. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: stagfok en gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. De fokkeschoten lopen via metalen schootogen op de messelbank naar achter en zijn daar belegd op klampen tegen de boorden. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. Deze wordt gehesen met één val, die loopt door blokken op de piek en op de klauw van de gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktrouwen met kralen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is met een dubbel (ongetakeld) touw vastgezet op de nagelbank. De onderkant van het achterlijk is vastgezet aan de giek. De giek hangt aan de achterkant in een kraanlijn en aan de voorkant hangt de giek met een zwanehals in een oog aan de nagelbank. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een enkelschijfs hakkeblok dat is vastgehaakt aan een oog op de bodem van de praam. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een dubbele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en op de nagelbank. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond, evenals het achterschip. De bodem is rond. De romp heeft geen terugvallende boeisels boven het berghout. Het model van voor naar achter: Tegen het voorboeisel is een metalen plaat gemaakt. Tegen de achterrand daarvan is een lange beugel met ring gemaakt. In het voorschip is een houten dek gemaakt, op het nivo van de messelbank. In het midden van het dek vier luiken. De mast staat in de messelbank. Aan de voet van de mast een nagelbank. Onder de bank een staand dwarsschot dat maakt dat de ruimte onder het voordek is afgesloten. Boven de bank zijn op de boorden twee beugels gemaakt. Daardoor is een houten zetboeisel geschoven. De loopt over bijna de gehele lengte van de praam. Aan de voor- en achterkant zijn de zetboeisels versierd met ingezaagde gillings. De zwaarden hangen aan de boorden. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van metalen platen. De randen van de zwaarden zijn verstevigd met metaalbeslag. De zwaardlopers gaan via schildpadblokken op de boorden naar achter en zijn daar belegd op metalen klampen op de bovenkant van de boorden. Het gedeelte van de praam achter de messelbank is open. De spanten zijn zichtbaar. De bodem is bedekt met houten buikdenningen. Aan de spanten zijn aan weerszijden vier ringen gemaakt. Daaraan kon vee worden vastgebonden. Net achter de messelbank zijn tegen de binnenkanten van de boorden beugels gemaakt waarin houten hekwerken geplaatst zijn. Dit zijn de hooihekken die er voorzorgen dat hoog opgeladen bergen hooi niet overboord vallen. In het achterschip liggen twee korte en één lange loopplank en een vaarboom. De achterbank is een plank die rust in de spaten. De buikdenning voor de achterbank is verhoogd. Het achterhuis heeft een houten voorwand met daarin een deurtje dat wordt afgesloten met twee houten wartels. Op het dek van het achterhuis is een metalen kam gemaakt. Daarin kan het helmhout worden vastgezet, daartoe aan de onderkant is voorzien van een metalen T-profiel. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. De kop en de rug van het roer zijn voorzien van metaalbeslag. Het helmhout valt over de kop van het roer. Kleuren: De romp is zwart. Het voor- en achterschip zijn boven de waterlijn grijs geschilderd. De bovenkanten van de boorden, het dek van het achterhuis en de binnenkanten van de boorden zijn zwart. De zwaarden zijn gelakt. De kopplaten van de zwaarden en het metaalbeslag langs de randen zijn grijs. De zetboeisels, de hooihekken, het voordek, de buikdenningen, de achterbank en het roer zijn gelakt, evenals de rondhouten. De messelbank is zwart. De voorwand van het achterhuis is grijs. De loopplanken zijn zwart met een witte rand. Het metaalbeslag op het roer is grijs. Accessoires: een vaste stander, twee hooihekken, een vaarboom, een lange loopplank en twee korte loopplanken.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen. Het model is vervaardigd naar opemetingstekeningen van J.K. Kuipers (Museum). Hij mat de gerestaureerde praam van Ids Willemsma te Hallum. Sjerp de Vries uit Terherne, eveneens in het bezit van een Terhornster praam, gaf daarbij adviezen. De zeilen zijn gemaakt door de vrouw van Andries Bosma. De praam is een vooral in het noorden van het land voorkomend scheepstype. Er zijn vele soorten pramen. Het is een gestrekt plat binnenschip met vlakke bodem. In de negentiende eeuw werd de term praam vooral gebruikt voor binnenschepen uit Drenthe en Overijssel: een vlakke bodem met schuine zijden, een breed boeisel en weinig zeeg. Doorgaans ontbrak een roef. Ze vervoerden hout, turf en granen. Ze werden soms gezeild, maar meestal geboomd. Later werd er een buitenboordmotor aan gehangen of werden ze geduwd of gesleept door kleine duw- of sleepboten. De Terhernster praam ontstond rond de eeuwwisseling, toen de houtbouw plaats maakte voor ijzerbouw. Het is een ronde praam, te vergelijken met de onderbouw van een skûtsje, maar dan rechter en met minder zeeg. Voor- en achtersteven zijn rond. De praam werd gezeild of geboomd. Het gebruik was voornamelijk agrarisch: vee, machines en hooi. De Terhernster pramen hadden goede zeilcapaciteiten., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 14 april 1992.
BeschrijvingScheepsmodel van de zeetjalk Spes. Op spanten gebouwd (zinkplaat op koperen spanten). Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom hangt aan de voorkant in een kraanlijn aan de mast en wordt gehouden door een waterstag en een boegwant van twee hoofdtouwen. Onder de kluiverboom een paard (looptouw met knopen). Bij de steven rust de kluiverboom in een ring en aan de achterkant is de boom vastgezet in een metalen kluiverboomstoel op het voordek. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen met daartussen weeflijnen (touwladders) en door een lopend want (bakstag). In het want is aan stuurboord een lantaarn gehangen (rondschijnend wit licht). De zeilen zijn van witte katoen: een buitenkluiver, een binnenkluiver, een stagfok, een grootzeil en een topzeil. De buitenkluiver is aan de voorkant vastgezet op een ring op de punt van de kluiverboom. Het voorlijk van de buitenkluiver is met metalen ringen bevestigd aan de kraanlijn van de kluiverboom. De schoot van de buitenkluiver is belegd op een van de bolders in het voorschip. De hals van de binnenkluiver is bevestigd op een ring op de helft van de kluiverboom. Het voorlijk van de binnenkluiver is met metalen ringen bevestigd aan de eerste voorstag. De schoot van de binnenkluiver is belegd op een van de bolders op het voordek. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de tweede voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op de overloop op het voordek. In de stagfok zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel (met hanekam) en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een korte overloop op het achterdek. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. Het top zeil is driehoekig van vorm. Het is gespannen tussen de nok van de gaffel en de top van de mast. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. Op het helmhout een Nederlandse vlag. De houten blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, plat vlak. Het schip van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Twee ankers hangen over de kluisborden en zijn met touwen aan de berentanden bevestigd. Achter de voorsteven een braadspil, het luik tot het vooronder en het luikhoofd van het voorruim, dat wordt afgedekt met houten dekplanken. Daarachter de overloop van de stagfok, de mast en de nagelbank. De mast kan gestreken worden met behulp van een bok. De poten van de bok draaien op de uiteinden van de overloop. Aan de punt van de bok is een groot blok gemaakt. De zwaarden zijn met metaal verstevigd: platen op de kop, beslag langs de onderrand en overdwars vier metaalstrippen. De boutgaten zijn versierd met sterren. De zwaardloper (ketting) gaat via een schildpadblok naar de zwaardtalie (touw door twee blokken) aan de buitenkant van het boeisel, die aan binnenboord is belegd op een bolder op het achterschip. Achter de mast het ruim dat wordt afgedekt door 32 houten luiken. De roef heeft in de voorwand twee patrijspoorten, in de zijwanden twee ramen met schuifluiken en in de achterwand een raam met scharnierbare luiken en een dubbele deur. Op het dak van de roef twee handrelingen, een lichtkap en een schoorsteen. Op het achterdek de voetlijsten voor de roergangen en de lichtkap van het benedendekse achteronder. Het roer is versierd met een open roerklik (versier met een gegolfde tongvorm en drie tonnetjes). Het helmhout is voorzien van een koperen helmhouttonnetje en een met spiraal- en tulpvormen versierde vlaggenstokhouder. In deze houder een rechte vlaggenstok met rood-wit-blauwe vlag. Het roer kan worden opgehesen met een roertakel. Bovendien is het roerblad voorzien van kettingen (roertalies) die zijn vastgezet op de buitenkant van het achterboeisel. Op het achterschip twee naamborden met daarop: '19 SPES' en SPES 03'. Kleuren: Het onderwaterschip is zwart, de rest van de romp is wit met een zwart zwart berghout en een zwarte boeiselkop. Het dek is grijs. De wanden van de roef zijn wit met rode versiering op de raamluiken. Het dak van de roef is groen. De achterzijde van de roef en de rand van de ruimen zijn havannabruin. Het houtwerk is gelakt op geteerd. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar een tekening van Murk Brandsma uit Franeker (inv.nr. 1983-348). Het was een lestekening die Brandsma maakte bij tekenleraar Ritskes uit Harlingen. De tekening is gedateerd 5 nov. 1903. Rond 1900 schakelde veel scheepswerven over van houtbouw op staalbouw. Vader Rients Brandsma hield zich bij de houtbouw, maar zoon Murk Brandsma volgde tekenlessen om de staalbouw onder de knie te krijgen. De ontworpen tjalk was 102 ton groot, 77 voet lang (21,79 m) 16¼ voet breed (4,61 m) en 6½ voet hol (1,83 m). Het model is gebouwd uit zinkplaat op koperen spanten. De huidplaten zijn geklopt en met klinknagels bevestigd op de spanten. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Het model is een voorbeeld van het laatstgenoemde type., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1993, pp. 17-18.
TitelScheepsmodel van het skûtsje 'De Twee Gebroeders' uit Drachten.
VervaardigerBosma, Andries
Trefwoordenskûtsjes, tjalken, skûtsjesilen
Objectnummer1995-171
Periode van1995
Periode tot1995
BeschrijvingScheepsmodel van het skûtsje 'De Twee Gebroeders' uit Drachten. Het model is gebouwd uit zinkplaat dat op spanten is geklonken. Schaal 1:20. Rondhouten en tuigage: Het skûtsje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de metalen botteloef (in het fries 'loefbyter') en door een staand want van twee zijstagen. De zijstagen zijn met wantspanners bevestigd op puttingijzers op de boorden van het schip. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in vouwplooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. In de top van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt over twee tweeschijfsblokken. De onderste daarvan is een hakkeblok, dat is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. De fok is voorzien van een enkele rij reeftouwen. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Deze wordt gehesen met een kaluwval en een piekeval. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met rakkralen) bevestigd aan de mast. De halstalie van het grootzeil loopt over een blok aan de hals van het zeil en over twee blokken aan weerszijden van de giek. De onderkant van het zeil is vastgezet aan een giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierbare lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. In het achterlijk van het zeil drie zeillatten. De grootschoot loopt over een tweeschijfsblok aan het einde van giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van twee rijen reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn worden bediend met twee lieren aan weerszijden van de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan metalen scheerhout. De blokken zijn deels van metaal (voorstag, fokkeval, kraanlijn en een piekeval) en deels van hout. De blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Het boeisel van het voorschip is voorzien van een L-vormig profiel, waarin twee steekbolders en vier vaste bolders (twee aan elke kant). In het voordek een luikhoofd met scharnierend luik dat toegang verschaf tot het vooronder. Daarachter een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. Op de voorste zetboeisels staat de naat van het schip: 'TWEE GEBROEDERS DRACHTEN Tj. V.D. VEEN 40 TON'. Voor de mast de metalen overloop van de fokkeschoot. De mast staat in een metalen mastkoker. Aan weerszijden daarvan de lieren voor de vallen en de kraanlijn. Achter de mast zijn op het dek de blokken van de halstalie vastgezet. Daarachter het luikhoofd van het ruim, dat wordt afgesloten door tweemaal twaalf houten luiken. Op de luiken liggen een loopplank, een vaarboom en een pikhaak. Over de gehele lengte van het ruim zijn op de boeisels houten zetboeisels geplaatst. Ter hoogte van de roef worden deze voortgezet als metalen relingen. De zwaarden hangen met bouten aan het boeisel. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden zijn voorzien van opgenageld metaalbeslag. Rond het boutgat een stervormige versiering. Langs de onderrand van de zwaarden metaalbelsag. De zwaardlopers gaan via een schildpadblok, langs de buitenkant van het boeisel, door een gat in het boeisel naar de ankerlieren op het achterdek. Achter het ruim de roef. De voorwand daarvan is blind (geen ramen). In de zijwanden van de roef aan weerszijden twee ramen met schuifluiken. In de achterwand van de roef aan bakboord een ovale lichtrand met tralies en aan stuurboord dubbele houten deuren. Op het dak van de roer een afneembare schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat de schoorsteen ook als mik kan worden gebruikt. Langs de randen van het roefdak handrelingen. In het dak zijn twee lichtkappen met tralies gemaakt. De achterste daarvan fungeert tevens als schuifkap boven de deuren. Achter de roef een plank met voetlijsten waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Tegen de boeisels van het achterschip zijn bolders geplaatst. Daarachter staan de zwaardliere opgesteld. Onder de helmstok de lichtkap van het achteronder (alkoof), die net als die van de roef is bedekt met traliewerk. Op de bovenkant van het achterboeisel twee steekbolders. Op de buitenkant van het boeisel, aan weerszijden van de achtersteven twee houten naamborden met daarop 'DE TWEE' en 'GEBROEDERS'. Daaronder twee lichtranden van het achteronder (alkoof). Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is aan de voorkant voorzien van een koperen helmhouttonnetje (handgreep) Op het helmhout een roerklik die met snijwerk is versierd: hoorn des overvloeds met bladertak. Over de rug van het roer metaalbeslag. Kleuren: De romp van het schip is havannabruin. Het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. Op het achterschip een donkerbruin veld. De boeisels zijn aan de bovenkant zwart en aan de binnenkant grijs. De botteloef en de waterstagen zijn wit. Het dek is grijs. Het luik van ht vooronder, de luiken voor de mast en het luikhoofd van het ruim zijn havannabruin. De luiken van het ruim zijn gelakt. De mastkoker is bruin, evenals de lieren die ernaast staan. De mast en de andere rondhouten zijn gelakt. De voor- en achterwanden van de roef zijn havannabruin. De zijwanden van de roef zijn wit. Het dak van de roef is lichtgroen met rondom een zwarte rand. De koppen van de zwaarden zijn zwart met witte nagelkoppen en sierster. De kluisborden, berentanden, zetboeisels, naamborden, lichtkappen, schoorsteen, roer, helmhout, zwaarden, deuren, voetlijsten en rondhouten zijn gelakt. De masttop is zwart en de hanepoten zijn wit. De roerklik is meerkleurig beschilderd. Accessoires: pikhaak, vaarboom en een loopplank. Het model is vastgezet op een stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar het Drachtster skûtsje De Twee Gebroeders. Dat heeft verschillende redenen. Het schip doet, samen met het S.W.H.-skûtsje, het langst mee aan het skûtsjesilen van de S.K.S. Al is 1926 komt het voor op de deelnemerslijsten van een wedstrijd te Grou en het heeft vanaf 1952 onafgebroken meegezeild bij de S.K.S. Een andere reden is dat het schip werd gebouwd op scheepswerf De Piip van de gebroeders Roorda te Drachten. Uit het archief van de werf (aanwezig in het museum) is nog na te gaan hoe het schip werd gebouwd: er is nog een tekening en een spantenlijst van. De tekening heeft inv.nr. 1991-376. In het archief van de werd komt het schip voor onder de inv.nrs. 3 en 58. In het werfboek van De Piip heeft het schip nr. 64.
Naar de genoemde tekening zijn meerdere schepen gebouwd. De Twee Gebroeders is het oudste uit de serie. Het schip werd in 1912 gebouwd voor Tj. van der Veen uit Drachten. Daarna volgden schepen voor G. Knol, G. van der Schuit (in 1995: Sneker Pan), B. Setsema te Grou (1914) en F. van Deinum (voorheen het Leeuwarder skûtsje en in 1992 als Lytse Sipke deelnemer aan de I.F.K.S.).
Gemeten naar de tekening zou het schip circa 59½ voet lang moeten zijn. Volgens een opmerking in het schrift met de spantenlijsten was de lengte 60 voet. Op dezelfde tekening staat een opmerking: 'Het schip voor Van der Veen 5 voet langer'. Dat werd dus 64½ voet. En de meetbrief van 1932 vermeldt een gemeten lengte van ruim 65 voet. Gerekend in meters betekent dat 18,48 meter. Het werkelijke schip is 17,84 meter (63 voet) lang. Van deze maat is de modelbouwer uitgegaan. In 1994 is het schip met 1½ meter verlengd en is de mast naar achteren verplaatst. De kleuren zijn aan de hand van oude foto's en op basis van herinneringen van de oud-schipper Hattum Hoekstra aangebracht.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1995, p. 25-26
TitelScheepsmodel van het Lemsteraakjacht De Groene Draeck.
VervaardigerBosma, Andries, Atema, Pieter
TrefwoordenLemsteraken, aken, vissersschepen
Objectnummer1998-173
Periode van1998
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van het Lemsteraakjacht De Groene Draeck. Op spanten gebouwd: zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De mast staat in een mastkoker op het dak van de kajuit. De mast wordt aan de bovenkant gehouden door een staand want van twee zijstagen, door een lopend want (bakstag) en door een voorstag. De bakstagen (van metaal, ketting en touw) zijn getakeld met een vioolblok een enkelschijfs blok. De voorstag is bevestigd op de voorsteven. De voorstag kan worden strakgezet met een wantspanner. Wanneer de mast wordt gestreken loopt de voorstag door twee metalen blokken naar de lier op het voordek, die ook als ankerlier fungeert. Bij het strijken wordt gebruik gemaakt van twee losse bokkepoten, die in de lummelpotten aan de lierkasten worden bevestigd. De kluiverboom is met een ring aan de voorsteven vastgezet en rust aan de achterkant in een metalen kluiverboomstoel op het voordek. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door een kraanlijn aan de mast, een waterstag op de scheg en aan weerszijden door een boegwant op de buitenkant. De kraanlijn loopt door een blok op de punt van de kluiverboom, door een blok aan de top van de mast en is vervolgens getakeld door een vioolblok en een enkelschijfsblok en is belegd op een klam op de lierkast aan de voet van de mast (stuurboord). De waterstag van de kluiverboom loopt via twee blokken aan de voorkant van de kluiverboom naar achteren en is belegd op een klamp op het achtereind van de kluiverboom. De boegwanten lopen via twee blokken aan het boeisel en lopen door een gat in het boeisel naar binnen waar ze op een klamp aan de binnenkant van het boeisel zijn belegd. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. De kluiver wordt gehesen aan de kluiverval die loopt door een blok aan de top van de mast en die wordt bediend door de lier aan de voet van de mast (stuurboord). De hals van de kluiver is met een ketting vastgezet aan de traveller op de kluiverboom. De traveller wordt met een touw naar voren getrokken. Het touw van de traveller is aan één kant vastgezet op een klamp op het achtereind van de kluiverboom. Het andere eind loopt door een schijf in de top van de kluiverboom en is belegd op dezelfde klamp aan het achtereind van de kluiverboom. De schoten van de kluiver zijn met een D-sluiting aan de schoothals van de kluiver bevestigd. Ze zijn niet getakeld en ze zijn belegd op de bolders op het voordek. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers vastgezet aan de voorstag. De fokkeval loopt door een blok aan de top van de mast en wordt bediend met de lier aan de voet van de mast (stuurboord). De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de voorsteven. Aan de fokkehals een tweeschijfsblok voor de fokkeschoot. De fokkeschoot loopt door dit blok en door een tweeschijfs hakkeblok op de overloop voor de mast. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. In de stagfok zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gaffel wordt gehesen met een klauwval (aan de gaffelbek) en een piekeval (aan het midden van de gaffel). Beide vallen lopen door blokken aan de top van de mast en worden bediend met een lier aan de voet van de mast (bakboord). De hals van het grootzeil wordt met een halstalie naar beneden gehouden. De halstalie loopt door een dubbelschijfs blok aan de hals van het zeil en door twee blokken aan de nagelbank. De halstalie is belegd op de nagelbank. De giek is met een scharnierende lummel bevestigd aan de lummelpot in de nagelbank. Het onderlijk van het grootzeil hangt los van de giek (losse broek). De achterkant van de giek hangt in de kraanlijn. De kraanlijn loopt door een blok aan de top van de mast naar beneden, is getakeld met een vioolblok en een enkelschijfs blok en is belegd op een klamp aan de lierkast aan de voet van de mast (bakboord). De achterkant van het grootzeil is bevestigd op een rail met geleider op de bovenkant van de giek. Deze rail is met een uithalertouw te verplaatsen. De uithaler loopt door een schijf aan de zijkant van de giek naar voren, is daar getakeld door een vioolblok en een schildpadblok en is belegd op een houten klamp aan de zijkant van de giek. In het grootzeil zijn drie rijen reeftouwen. Voor het reven zijn in het achterlijk drie metalen ringen ingenaaid. Het achterlijk wordt bij het reven naar beneden gehaald door een smeerreep, die loopt over een schijf aan de zijkant van de giek (een blok met drie schijven, voor elke reefstand één schijf). Vervolgens is de smeerreep touw getakeld met een vioolblok en een schildpadblok en is belegd op een klamp aan de zijkant van de giek. Aan de giek hangt aan een drieschijfs blok. Door dit blok en door een dubbelschijfs hakkeblok loopt de grootschoot. Het hakkeblok is bevestigd op de overloopt op het achterschip. De grootschoot is belegd op het hakkeblok en ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasseaanduiding (letters VA) en het zeilnummer 18. De blokken van het model zijn van hout of van metaal. Ze zijn voorzien van lopende schijven. Op de top van de mast een tuigje, bestaande uit een vergulde mastwortel (twaalf ringen) en een scheerbout met daaraan een blauwe vleugel. Op de rug van het roer een gebogen vlaggenstok met daaraan een rood-wit-blauwe vlag.
De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden, slemphouten en berentanden. De kluisborden zijn versierd met snijwerk in de vorm van sterren rondom het met koper beklede kluisgat. Op de slemphouten (onder de kluisborden) zijn twee koperen biezen aangebracht. De berentanden zijn versierd met houtsnijwerk (waterplanten) en koperen strips over de voorste ribben. Door het kluisgat aan bakboord hangt een stokanker aan een ketting. Het ketting wordt bediend door de (werkende) ankerlier op het voordek. Aan de ankerlier de houder van de koperen scheepsbel. Een los ploegschaaranker ligt bij de kluiverboomstoel. Achter het kluisbord aan stuurboord staat de stoel van de kluiverboom op het voordek. Op de boeisels van het voordek zijn aan weerszijden twee bolders (met koper bekleed) geplaatst en twee oogbouten. Achter de ankerlier een houten opbouw. In het midden daarvan dubbele deuren en een scharnieren luik: de toegang tot het bemanningsverblijf in het vooronder. Aan weerszijden van deze toegang twee kasten voor de butagastanks. Deze zijn voorzien van scharnierende bovenluiken en ventilatieroosters in de wanden. Ter hoogte van de opbouw staan op het voordek twee zwaardlieren. Het voordek en de gangboorden zijn van hout (met breeuwnaden). De kajuit begint al voor de mast. Het dak van de kajuit is langscheeps hol en dwarsscheeps bol van vorm. De voor- en zijwanden van de kajuit zijn van metaal. Ze zijn voorzien van ovale lichtranden: twee in de voorwand, zes in elke zijwand. Het dak van de kajuit is net als het voordek van hout (gebreeuwd). Voor de mast is in het kajuitdak aan stuurboordzijde (boven de kombuis) een dubbele lichtkap met koperen tralies. Voorts in het dak twee koperen draaideksels en een schoorsteenkap (ontluchting van het toilet en de douche). Voor de mast loopt over de volle breedte van de kajuit de overloop van de fok. Aan de voorkant van de mast is een mastschild met een gesneden voorstelling van het oorlogsschip De Groene Draeck van Piet Heyn. Achter de mast zijn bij de mast twee lichtkappen met koperen tralies: aan stuurboord boven de twee persoons gastenhut een enkele kap en aan bakboord boven de vierpersoons dameshut een dubbele kap. Daarachter (aan bakboord) een schoorsteenkap. In het achterste deel van de kajuit is een vierde, dubbele lichtkap met koperen tralies (boven de salon). Op de boeisels langs de gangboorden zijn aan beide zijden scepters geplaatst (voor open en achter gesloten). Daarin liggen de diverse hulpstokken en rondhouten: pikhaak, vaarboom, fokkeloeten en bokkepoten). Aan het staande want zijn de houten bakken van de boordlichten gehangen. Aan stuurboord is in het staande want nog een vlaggenlijn vastgemaakt. Net achter het staande want zijn de zwaarden aan het boeisel bevestigd. De zwaardbouten kunnen over een buis naar voren en naar achteren geschoven kunnen worden. De verbinding is bovendien scharnierend (voor gebruik op zee). De zwaarden zijn smal van vorm: zeezwaarden. De zwaardbouten zijn afgedekt met stervormige doppen. De koppen van de zwaarden zijn in hun geheel bedekt met koperplaat. Langs de onder- en zijranden van de zwaarden metaalbeslag (scherp van vorm). De zwaardvallen lopen via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel, door een sleuf in het boeisel naar binnen en gaan daar langs twee metalen schijven en door een buis (van de zwaardophanging) naar de zwaardlieren op het voordek. De gangboorden worden aan de achterkant afgesloten door driehoekige waterlijsten, die deel uitmaken van de achterwand van de kajuit. De achterwand is rijk versierd met houtsnijwerk: draken, vissen en andere zeedieren. In de achterwand twee glas-in-lood-ramen en een deur, a-symetrisch geplaatst (deur aan stuurboord). Boven de deur een schuifluik dat de toegang tot de kajuit ruimer maakt. Langs de bovenkant van de achterwand een koperen bedekking. Achter de kajuit de stuurkuip (bollestal). De vloer daarvan bestaat uit houten roosters. Langs de boorden paneelbetimmeringen en lattenbanken. Tussen de banken en de kajuit zijn aan weerszijden luiken. Boven deze luiken ventilatieroosters (aanzuiging van lucht voor de motorkamer onder de stuurkuip). In de achterwand van de kuip zijn twee deurtjes. Het stuurwiel, de motorbediening en het instrumentenpaneel zijn bevestigd aan de achterwand. Langs de bovenrand van de achterwand een hennebalk met houtsnijwerk: zeedieren. Op de boeisels van het achterschip zijn aan weerszijden twee bolders (met koperen bedekking) geplaatst. Achter de kuip het achterschip met een kort achterdek (gebreeuwd hout). Op het achterdek de overloop van de grootschoot en de kabels van het roer. Het helmhout wordt bewogen door stalen kabels die door buizen onder het achterdek verdwijnen. Daar zijn ze bevestigd aan de as van het stuurwiel. Voorts in het achterdek nog twee schoorsteendeksels en een draaideksel (brandstoftank). Op de buitenkant van de achterboeisels is de naam van het jacht geschilderd (in goud op groen): 'DE GROENE DRAECK'. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt en versierd met een uit hout gesneden draak met vleugels. De rug van het roer is bedekt met koperplaat. Daarop zijn twee vlaggenstokhouders bevestigd. Het de achtersteven is de schroef van de scheepsmotor.
Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is rood-bruin met een groene bies langs de waterlijn. De berghouten zijn in twee kleuern groen geschilderd. De boeisels zijn aan de buitenkant wit. De bovenkant van de boeisels zijn van gelakt hout. De binnenkanten van de boeisels zijn grijs. De zwaarden zijn gelakt. De metalen zwaardranden zijn wit, evenals de zwaardboutbedekkingen. Het voordek, de gangboorden en het kajuitdak zijn ongelakt. Op het voordek is de langsscheepse hartlijn gelakt. Ook de dekrand langs de kajuit is gelakt evenals de dakrand. De kluisborden, slemphouten en berentanden zijn gelakt. De kluiverboomstoel, de ankerlier, de zwaardlieren en de lieren aan de voet van de mast zijn wit. De houten opbouw op het voordek en de lichtkappen op de kajuit zijn gelakt. De voor- en zijwanden van de kajuit zijn wit. De rondhouten (mast, kluiverboom, giek en gaffel) zijn gelakt. De top van de mast is zwart. Het beslag is wit. De achterwand van de kajuit is gelakt, evenals de banken en luiken langs de wanden van de bollestal. De vloer van de bollestag en het achterdek zijn ongelakt. Het roer en het snijwerk daarop zijn gelakt. Het onderwatergedeelte van het roer is rood-bruin met een groene bies op de waterlijn.
Accessoires: stander, stokanker, ploegschaaranker, vaarboom, pikhaak, fokkeloeten en uitzetters.
AchtergrondinformatieDe OKS betaalde de modelbouwer A. Bosma f. 15.000,= voor het model en de houtsnijder Pieter Atema f. 1.000,-, Andries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen. De Groene Draeck is een Lemsteraakjacht. De romp is die van de Lemsteraak. De tuigage en de opbouw zijn echter als die van een jacht (boeier). Op 31 jan. 1956 werd prinses Beatrix 18 jaar. Zij had al een zeiljacht (een valk) en het was bekend dat ze veel plezier beleefde aan de zeilsport. Een nationaal geschenk zou derhalve gezocht moeten worden in de sfeer van de watersport. Er werd een Comité Varend Nederland opgericht met daarin vertegenwoordigers van de zeevaart, kustvaart, rijnvaart, sleepvaart, binnenvaart, marine, reddingwezen en watersport. Voorzitter was Ernst Crone. Het comité bood de prinses op haar verjaardag middels een oorkonde het plan aan. In samenspraak met de prinses werd gekozen voor een Lemsteraakjacht. Scheepsbouwer Ary de Boer uit Lemmer maakte de tekeningen van de romp en het jacht werd gebouwd op scheepswerf G. de Vries Lentsch te Amsterdam. De prinses noemde het jacht naar het oorlogsschip uit 1623 dat onder commando stond van Piet Heyn. Het jacht liep op 4 juni 1957 van stapel. Op 15 juni 1957 vond de overdrachtplaats te Muiden. De Lemsteraak komt, zoals de naam al aanduidt, uit Lemmer. De eerste Lemsteraak werd in 1876 gebouwd door Pier de Boer uit Lemmer. Het schip werd ontwikkeld uit de kleinere bot-aak. De Lemsteraak is een rond schip met kielbalk. De voorsteven is gebogen en vallend. De achtersteven is recht en licht vallend. De romp heeft een rond grootspant en is gladboordig. De kop is volrond. Het achterschip is iets slanker. Het boeisel valt sterk in. De romp heeft een matige zeeg. De tuigage bestond uit een steekmast met bezaantuig (grootzeil, stagfok en kluiverfok). De zwaarden zijn lang en smal. De lengte varieerde van 10.30 meter tot 14.50 meter. De eerste ijzeren Lemsteraak werd in 1898 gebouwd door Croles te IJlst. Aanvankelijk werd de Lemsteraak gebruikt als moederschip en als jager voor de haringvletten. Ook vervoerden Lemsteraken mosselzaad van de Zuiderzee naar Zeeland en mosselen van Zeeland naar België. In Zeeland werden mosselaken gebouwd naar voorbeeld van de Lemsteraak, die vanwege de snelheid 'jachten' of Bruinissser jachten werden genoemd. Beroemd waren de zeilwedstrijden voor Lemsteraken. Hierbij voerden ze soms in totaal zes zeilen en fokken. Zelfs op het Amsterdamse IJ werden zeilwedstrijden voor Lemsteraken georganiseerd. Een visser kon hier aan deelnemers- en prijzengeld soms meer verdienen dan met een dag vissen., literatuur:
- J. Loeff (e.a.) Prinsessjacht De Groene Draeck (Schiedam, 1957)
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 24-26 en 70-74
BeschrijvingScheepsmodel van een houten visaak. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De aak heeft één mast. De mast is geplaatst in een mastkoker achter de roef. De mast is gestaagd door een voorstag op de botteloef, die in de voorsteven is gestoken. Bij de botteloef is de voorstag getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een stagfok. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting bevestigd aan de botteloef. In de top van de fok een metalen fokkegaffel. Daaraan is een blok bevestigd waardoor de fokkeval loopt. De fokkeval is vastgezet op de nagelbank aan de voet van de mast. De fokkeschoten liggen los in het achterschip. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De gafeel wordt gehesen met één val die bij de gaffel door twee blokken loopt. De hals van het grootzeil is vastgezet met het onderste raktouw, dat daar tevens dient als halstalie. De schoothals van het grootzeil is vastgehaakt in de achterkant van de giek. De giek hangt aan de achterkant in een kraanlijn en is aan de voorkant met een zwanehals aan de mast bevestigd. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en een enkelschijfs hakkeblok op de bodem van het schip. De blokken zijn voorzien van lopende, metalen schijven. In de top van de mast een rode (verkleurde) vleugel aan een scheerhout. De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond, enigszins uitlopend op een punt. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: De botteloef is in de voorsteven gestoken. De voorsteven is bekleed met metaalbeslag. Voor de mast is een schuine roef (ook wel tent genaamd). In het dak van de roef een lichtkap (afgedekt met transparant folie). In de zijwanden en de achterwand zijn ramen gemaakt: transparant folie met opgeschilderde gordijnen. Aan stuurboord is in de achterwand van de roef een deur. Achter de roef de mast, die staat in een mastkoker in de messelbank Daarachter het open achterschip. Centraal in het achterschip de bunkist met deksel. De zwaarden hangen aan bouten met moeren aan de boorden van het schip. De zwaarden zijn voorzien van verdikte koppen. De zwaardvallen lopen door gaten in de boeisels en zijn belegd op klampen. Het achterhuis is afgesloten. Het roer hangt met twee roerhaken aan de achtersteven. Het roer heeft een helmstok die over de kop van het roer is geschoven. De kop van het roer is groot: aan de voorkant valt de roerkop ook over de achtersteven. Kleuren: De romp is aan de buitenkant gelakt. Het achterschip is aan de binnenkant wit geverfd, met uitzondering van het achterhuis (dat is gelakt). Het voordek en de roef zijn gelakt, evenals de zwaarden en de rondhouten. De botteloef, het mast, giek- en roerbeslag, de roerkop, de zwaardkoppen en de lichtkap zijn wit geverfd. Accessoires: een mik
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd door R. van der Veen (Bovenweg) te Koudum, die binnenvisser was op Galamadammen. Visaken werden eerst in hout uitgevoerd, later in ijzer. De kajuit of tent was eerst een scharnierend voordek, dat dienst deed als schuilplaats. Later kreeg de tent het karakter van een kajuit. Visaken waren in het begin van onze eeuw een bekende verschijning in het Friese waterland. De doorgaans fraai gevormde scheepjes hadden voor de mast een tentvormige kajuit met een vlak dak. Hierin woorde de visser met zijn gezin. De strijkbare mast draaide door deze kajuit. Achter de mast had het schip een bun voor het bewaren van gevangen vis. vis. Meestal hadden de visaken een min of meer vaste ligplaats bij een dichtzet. Dit is een dwars over een vaart gespannen visnet. Wanneer een schip moest passeren werd dit net, dat aan een kabel was gespannen, vanaf de wal neergelaten en na het passeren van het schip weer opgetrokken. Dit beketende dat zo'n dichtzet dag en nacht bewaakt moest worden. Doorgaans deed de visser dit vanuit de visaak., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, p. 23
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 19
BeschrijvingScheepsmodel van een houten tjalk. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De mast wordt gehouden door twee voorstagen op de voorsteven en op de kluiverboom. De voorstag op de voorsteven is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken en die is belegd op de braadspil op het voordek. De mast kan gestreken worden aan deze voorstag. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van een scharende bok, waarvan de twee poten aan de achterkant zijn gehaakt in de overloop van de fok. De bok zorgt bij het strijken van de mast voor een hefboomwerking. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend wand (bakstag). De wanten zijn aan de boorden vastgezet met puttingijzers. De kluiverboom rust aan de achterkant in een beugel op het voordek en in een beugel op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van aan weerszijden één hoofdtouw. Aan bovenkant hangt de kluiverboom in een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de kluiver is met metalen leuvers bevestigd aan de voorste voorstag. De hals van de kluiver wordt uitgezet met een traveller over de kluiverboom. De beide schoten van de kluiver zijn belegd op een bolder op het voorschip. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is vastgehaakt aan de voorsteven. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet op de metalen overloop het het voordek. Het grootzeil is voorzien van een sterk gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met kralen bevestigd aan de mast. De halstalie loopt over een blok aan de hals van het grootzeil en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het achterlijk zij vastgehaakt aan de giek. Aan de voorkant is de giek met een scharnierbare lummel gehangen in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van het giek hangt in een kraanlijn. Opvallend is de neerhaler van de gaffel, die loopt van de top van de gaffel naar de voorkant van de giek. De grootschoot loopt over twee blokken: een blok aan de giek een een hakkeblok op het achterdek. De grootschoot is op dit hakkeblok belegd. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. Op het helmhout een gebogen vlaggenmast met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van pokhout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond met in een punt uitlopende boeisels. De bodem is rond en midscheeps vlak. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Aan beide berentanden hangen metalen stokankers. Het ankerketting van het anker aan stuurboord loopt door het kluisgat en is vastgezet op de braadspil op het voordek. Tegen de boeisels van het voorschip zijn twee bolders gemaakt. Op het voordek de braadspil, de beugel van de scepter en het scharnieren luik van het vooronder. Daarachter een luikhoofd met vier luiken. Tussen de mast en dit luikhoofd loopt de metalen overloop van de fokkeschoot. Over het gehele voordek lopen de twee poten van de bok. Op de boeisels van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst met daarop geschilderd: 'HOOP OP ZEGEN' (het zetboeisel aan bakboord is afgebroken). Tegen de wangen van de mastkoker zijn klampen bevestigd. Achter de mast een nagelbank. De zwaarden hangen scharnierend met ogen in haken aan de buitenkant van het boeisel. De zwaardkoppen zijn verdik en bedekt met koperplaat. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbelsag. De zwaardlopers gaan via schildpadblokken op de buitenkant van het schip naar achter. Daar zijn de lopers getakeld met zwaardtalies (op de buitenkant van het schip) die lopen door twee blokken en die zijn belegd op een houten klap op het achterboeisel. Achter de zwaarden zijn op de boeisels zetboeisels geplaatst. De boeisels zijn midscheeps aan weerszijden voorzien van drie loosgaten. De berghouten zijn voor en achter voorzien van een metalen stootrand. Het luikhoofd van het ruim is bedekt met tweemaal vijf genummerde luiken (één ontbreekt). Achter het ruim de roef. De voorwand van de roef heeft twee ovale ramen. De zijwanden zijn voorzien van twee ramen (met geschilderde gordijnen). Op beide zijwanden is geschilderd: 'D.vd.HEIDE / LEEUWARDEN'. In de achterwand aan stuurboord een dubbele deur en aan bakboord een ovale lichtrand. In het dak van de roef is aan bakboord een metalen schoorsteen met kap gemaakt. Achter de roef een plank met voetlijsten waarachter de roerganger zich schrap kon zetten. Aan weerszijden is tegen de boeisels van het achterschip een bolder geplaats. Op het achterschip een vierkant lichtkap met zijramen die licht schept in het achteronder (alkoof). Op de buitenkant van het boeisel van het achterschip twee metalen naamborden met daarin ingepunt: 'HOOP OP' en 'ZEGEN'. Onder het berghout zijn aan weerszijden van de achtersteven ramen gemaakt voor het achteronder. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Het helmhout is voorzien van een koperen handgreep (soort korvijnagel). Op het helmhout een vlaggenstok en een holle roerklik zonder versiering. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. De zwaarden en boeisels zijn gelakt. De dekken, luikhoofden, luiken en de roef zijn gelakt, evenals de rondhouten. Het metaalbeslag op de rondhouten, de puttingijzers, de veren op het roer en de metalen randen op de berghouten zijn metaalkleurig geverfd. De wangen van de roerklik zijn blauw met een witte bies. Opvallende zijn de rode rakkralen aan de mast. Accesoires: vaarboom en pikhaak.
AchtergrondinformatieDoeke van der Heide was schipper. Hij hield in 1917/'18 op met de vrachtvaart. Een tijd lang heeft hij daarna met zijn gezin aan de kade gelegen van de Westersingel ter hoogte van de Molenstraat in Leeuwarden. Hij werkte toen voor een brandstoffenhandle in de Molenstraat. Het gezin is vóór 1919 aan de wal gaan wonen in de molenstraat en Doeke heeft zijn schip verkocht. De tjalk waarnaar dit model gemaakt is, voer van Leeuwarden op Sneek. In 1951 bouwde hij in twee maanden dit model. Hij deed dat zonder tekening, geheel op het gevoel. Het wordt beschreven in een artikel in het Sneeker Nieuwsblad van 17 aug. 1951: "Alles wat bij een echte tjalk kan bewegen, draaien en alles wat daar los of vast zit, zit ook los en vast, kan bewegen en draaien op dit miniatuurscheepje. Breinaalden, kogelhulzen, dobbertjes en alle mogelijke andere voorwerpen hebben hem tot materiaal voor de tjalk gediend. Het anker is van tin en gegoten in een aardappel, waarin eerst het model was uitgesneden". De zeilen voor het model zijn gemaakt door Gosselina Jansen-Van der Heide, dochter van de vervaardiger. In juli 1957 is het scheepje in bruikleen gegeven aan het Fries Scheepvaart Museum.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Leeuwarder Courant 17 aug. 1951
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de pampusklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenpampusklasse
Objectnummer1998-291
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de pampusklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag, een achterstag en een diamantverstaging. Een diamantverstaging houdt in dat naast de gewone stagen er ook extra stagen aan de zijkanten en voorkant mast zijn gemaakt die worden geleid door zalingen en die niet zijn vastgemaakt aan de romp maar teruglopen naar de mast. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen houder aan de mast en is belegd op korvijnagel aan de voet van de mast. Van de hals van de fok loopt een touw door het beslag van de voorstag naar achteren, dat is vastgezet op een metalen klamp op het voordek. De fokkeschoten lopen door schootogen en zijn belegd op klampen aan de boorden van de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een korvijnagel aan de voet van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. Aan de voorkant is de giek met een ring aan de mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek een touw waaraan het schootblok hangt. De grootschoot loopt door dit blok en door een ring op de kuipvloer, waaraan de schoot ook is belegd. In het grootzeil de klasse-aanduiding (dichte driehoek) en het zeilnummer 382. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel, die schuin naar achteren op het water staat. Het achterschip is overhangend. De boot is uitgerust met een vaste kiel met aangehangen roer. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven een ring. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd en een metalen klamp. Voor de mast loopt over het voordek de waterlijst, die overgaat in de opstaande rand langs de zijwanden van de kuip. Aan de voet van de mast een nagelbank. Achter de mast de kuip. In de kuip geen voorwand: de ruimte onder het voordek is open. In de kuip twee dwarsbanken. Achter de kuip een groot achterdek. De roerspil steekt door het achterdek. De gebogen helmstok is van hout en metaal. Op het achterdek twee koperen bevestigingspunten voor eventuele overloop voor de grootschoot. Achter het roer is op het achterdek nog een metalen klamp gezet. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken en de gangboorden zijn grijs. Het waterlijst en het houtwerk in de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de pampusklasse: lengte 6.67 m, breedte 1.69 m., zeiloppervlakte grootzeil 14.5 m², zeiloppervlakte genua 6.06 m². De romp en de rondhouten zijn van hout.
De pampus is in 1934 ontworpen door W. de Vries Lentsch. Het KNWV schreef een prijsvraag uit voor een 16 m² schip dat de overgang van twaalf-kwadraat-sharpie naar de regenboog zou vormen. Het ontwerp moest de scheldejol, de vrijbuiter en de terubklasse vervangen (deze klassen hadden hun nationale status verloren). Tussen 1934 en 1940 werden er 140 pampusjachten gebouwd. Na 1945 nam dat aantal af, omdat andere klasse populair werden. De romp lijkt veel op die van de regenboog (ook een ontwerp van De Vries Lentsch). De mast is relatief hoog. De pampus werd uitgerust met een achterstag om de lastige bakstagen (die in die tijd gebruikelijk waren op schepen met vergelijkbare hoge masten) te vervangen. Toen na de oorlog de grens van de pleziervaartuigenbelasting (die was gesteld op 16 m² zeiloppervlak) werd afgeschaft, kon de fok worden vervangen door een genua. In 1950 werd de diamantverstaging ingevoerd. Ook later zijn er nieuwe zeilplannen gemaakt. Dankzij deze moderniseringen is de pampus nog steeds een levendige klasse.
De pampus met zeilnummer 382 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1984-1997. Van 1984-1987 was de boot (met de naam Dol-Fijn) van A. de Jong te Joure. Van 1988-1997 was de boot eigendom van Tjeerd van der Zee te Sneek. Westrijden voor de pampus zijn geweest bij de Sneekweken van 1940 tot heden (1998). Het aantal deelnemers was gemiddeld 24. Daar zit een stijgende lijn in: 13 in 1940, 16 in 1950, 26 in 1970, 25 in 1980, 32 in 1990, 52 in 1995 en 57 in 1998.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 80-81
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 56-57
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de valkenklasse
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenvalkenklasse
Objectnummer1998-295
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de valkenklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast is staat in een metalen mastkoker en wordt gehouden door metalen stagen (twee zijstagen en één voorstag). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door het metaalbeslag aan de top van de mast, loopt door een gat in het voordek en is onder het voordek belegd op een stang die dwarsscheeps door de mast is gestoken. De hals van de fok is vastgezet op de het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden, naar voren en zijn daar vastgezet op korvijnagels. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gluef in de mast. De licht gebogen gaffel heeft geen gaffelbek maar een metalen rail geleider die in de mastgleuf glijdt. De gaffe lwordt gehesen met de klauwval en de nokkeval. Beide vallen lopen door het metaalbeslag aan de top van de mast en door gaten in het voordek. Ze zijn belegd op de door de mast gestoken stang. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in een houten giek. De bevestiging van de giek aan de mast is niet zichtbaar. De halstalie houdt de giek naar onderen en is belegd op een klamp aan de mastkoker. Aan het achtereind van de giek een giekring met stang. Aan de giekring hangt een tweeschijfs blok. Daardoor loopt de grootschoot die is vastgezet op metaalbeslag op de bodem van de kuip. In het zeil de klasseaanduiding (vogel) en het zeilnummer 15. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die bijna loodrecht op het water staat. Vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op het voordek een ring waaraan de voorstag en de fokkehals zijn vastgezet. Daarachter een bolder. Voor de mast een V-vormige waterlijst. Achter de mast de kuip. In de kuip de opgeschoten vallen en schoten. AChter de kuip het achterdek. Aan weerszijden zijn daarop twee bolders geplaatst. Het roer hangt aan de spiegel. De helmstok is van hout en is voorzien van een metalen joystick. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is bronskleurig. De deken, gangboorden en de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten en de helmstok. De bovenkant van het roer is buirn. De onderkant van het roer is metaalkleurig. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de valkenklasse: lengte 6.5 m, breedte 2 m, zeiloppervlakte grootzeil 12 m², fok 4 m², genua 6.6 m², spinnaker 14.5 m². De romp is van hechthout, de rondhouten zijn van hout. De valkenklasse is in 1938 ontworpen door E.G. van de Stadt in opdracht van deurenfabriek Bruynzeel. Dat het jacht van hechthout werd gemaakt baarde destijds veel opzien. Het ontwerp was gericht op seriefabrikage. De productie begon in 1939. Na de Tweede Wereldoorlog stopte de productie bij Bruynzeel. Anderen namen het over. On 1940 verschenen de eerste 100 valken op het water en datzelfde jaar werd de klasse door het KNWV als nationale klasse erkend. In 1967 werd de valkenklasseorganisatie opgericht. Er worden ook veel valken gebouwd van polyester. Deze worden veel gebruikt bij zeilscholen en verhuurbedrijven. In poly-valken mag echter niet gezeild worden bij wedstrijden. De valk met zeilnummer 15 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek veelvuldig voor. Van 1940-1955 was de familie Mulder te Langweer eigenaar (scheepsnaam Rirette). Leden van deze familie deden elk jaar weer mee aan de Sneekweek is de valkenklasse. In 1958 is de boot eigendom van W. Kornelis te Steenwijk (naam: Csardas). Van 1968-1974 is J. de Boer uit Hurdegaryp de eingaar (naam: Csardas). In 1976 is K.J. Boersma uit Sneek de eigenaar, in 1978 is het R. Alberda (ook uit Sneek) en in 1979 was het H. Nauta uit Almelo. De naam bleef Csardas, totdat in 1980 J. Abma te Sneek eigenaar werd. Hij noemde de boot Regatta. Hij deed mee aan de Sneekweken van 1980-1986, 1988 en 1991. De valk was één van de polulaire klasse op de Sneekweek. Vanaf 1940 waren er jaarlijks wedstrijden voor de valk. Er waren ook altijd veel deelnemers. Van 1940-1998 zijn er in totaal 2596 Sneekweek-deelnemers in een valk geweest. In 1940 waren dat er 11, 16 in 1945, 33 in 1950, 41 in 1955, 39 in 1960, 48 in 1965, 65 in 1970, 62 in 1975, 43 in 1980, 68 in 1985, 48 in 1990, 45 in 1995 en 41 in 1998. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 90-91
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de flitsklasse
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenflitsklasse
Objectnummer1998-308
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de flitsklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat op de bodem van het schip en wordt gehouden door twee zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt over een schijf in de metalen houder van de voorstag en is belegd op een klamp aan de zijkant van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een schijf in de top van de mast en is belegd aan een klamp aan de zijkant van de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een beugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een metalen blok aan de giek en is belegd op een oog op de kielbalk. Het midzwaard is niet voorzien van vallen. In het grootzeil de klasse aanduiding (ruitvorm) en het zeilnummer 236. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd en een bolderklamp. Voor de mast loopt over het voordek een V-vormige waterlijst. De mast staat in de open kuip. Achter de mast de kast van het midzwaard en de oogbout van de grootschoot. De kuip heeft geen banken. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een houten helmstok. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is blauw. Het voordek, de gangboorden en de kuip zzijn gelakt. Langs de randen van het dek en de gangboorden een blauwe bies. De rondhouten en het roer zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de flitsklasse: lengte 3.60 meter, breedte 1.40 meter, zeiloppervlakte 7.3 m² (grootzeil en fok).
De flitsklasse is gemaakt van hout. Het was de eerste klasse die de N.N.W.B., na haar gedwongen (in 1940 door de bezetter) en later vrijwillig bestendigde toetreding tot de K.N.W.V., instelde. Bij de toetreding had de N.N.W.B. zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden eigen klasses in te stellen. Op de grotere wateren in het noorden voldeed de jeugdboot van het K.N.W.V. minder goed. De N.N.W.B. wilde een stijvere en bovendien goedkopere jeugdklasse. De door de N.N.W.B. ingestelde alternatieve jeugdklasse was de flits: een knikspantboot, die minder snel was, maar ook minder gevoelig dan de pluis. Het model is in 1958 ontworpen door G. Kroes uit Kampen. Het model was geschikt voor amateurbouw. De N.N.W.B. leverde zowel tekeningen als complete bouwpaketten. Veel amateurs bouwden een flits, zoals een groep leerlingen van de Rijks H.B.S. te Sneek en een groep jeugdleden van de K.Z.V.S. (1960). Het model werd ook populair door de in 1972 opgerichte Flitsclub te Sneek (gesteund door de K.W.S. en de Gemeente Sneek). Het model werd zo populair dat het in de tachtiger jaren (van de twintigste eeuw) door het K.N.W.V. werd toegelaten tot nationale wedstrijden. Het model stond zelfs op de voorkeurslijst van het K.N.W.V. maar is daarvan verdrongen door de Cadet.
De flits met zeilnummer 236 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1973, 1974, 1975, 1976, 1980, 1981 en 1982. Ook aan andere zeilwedstrijden deed de boot regelmatig mee. De naam van de boot bleef door de jaren heen onveranderd: Dolfijn. Eigenaars: 1963 A.R. Hendriksen uit Steenwijk, 1973-1976 Sipke Schuurmans uit Grou, 1979-1982 Pier Thomas Meintema uit Jirnsum, 1984 Tj. Snoek uit Akkrum.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 26-27
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 64-65
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 20
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de topklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordentopklasse
Objectnummer1998-312
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de topklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een metalen mastkoker. De mastkoker is verplaatsbaar in een gatenrail. De mast wordt gehouden door metalen stagen: twee zijstagen en een voorstag. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een gaffelzeil en een genuafok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een blok aan de mast en is belegd op klamp aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De gaffel heeft geen gaffelbek maar een geleider, die door de gleuf in de mast loopt. De gaffel wordt gehesen met een piekeval (de klauwval ontbreekt). De piekeval is belegd op een klamp aan de mastvoet. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een scharnier aan de mast bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door een blok aan de giek en door ringen in de bodem van de kuip. De grootschoot ligt opgeschoten in de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt door een blok aan de bovenkant van het midzwaard en door een gatenrail aan de mast en ligt opgeschoten aan de voet van de mast. In het grootzeil de klasse-aanduiding (pegelvorm) en het zeilnummer 211. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven, die van boven gezien breed uitwaaiert. Gebogen (van boven gezien) spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. De achterkant van het voordek wordt begrensd door een V-vormig waterlijst. Tussen de waterlijst en de mast is enige ruimte: de mast is naar voren te plaatsen in de gatenrails. Achter de mast de zwardkast van het midzwaard. In de kuip zijn geen banken. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is wit (boven en onder water). De dekken, de gangboorden, de kuip, het roer en de rondhouten zijn gelakt. De metalen delen (midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
Achtergrondinformatieliteratuur: - Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 108-109 - Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27Afmetingen van de topklasse: lengte 5.95 m, breedte 1.98 m., zeiloppervlakte grootzeil 10 m², zeiloppervlakte genuafok 5.50 m², zeiloppervlakte spinnaker 12 m². De romp en de rondhouten worden gemaakt van hout. De topklasse is in 1960 ontworpen door L. Stelwagen. Aam het eind van de jaren vijftig was de NNWB van mening dat er behoefte was aan een nieuwe eenvoudige, betaalbare eenheidsklasse met midzwaard. Het ontwerp TOP (tot ons plezier) werd in 1960 door de NNWB erkend als eenheidsklasse. Het KNWV deed dat niet. Het verbond koos voor de spanker. Pas in 1980 erkende ook het KNWV de top als eenheidsklasse. De topklasse is in vergelijking met de spanker meer een familieboot, die ook geschikt is als toerboot: ruime kuip met slaapplaats voor vier personen, de uitwaaierende voorsteven maakt het een droge boot (weinig buiswater) en de de mast is gemakkelijk strijkbaar. In de beginjaren was de topklasse vooral in Friesland populair. In 1962 voeren er al honderd gemeten schepen. Later was de boot vooral te vinden op het Schildmeer en op het Veluwemeer. Bij het wedstrijdzeilen is het na 1975 stil geworden rond deze klasse. De top met zeilnummer 211 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in de jaren 1964-1971. De boot was eigendom van de familie Van der Zwaag te Joure. Stuurlieden waren: Tj. van der Zwaag, P. van der Zwaag en A. van der Zwaag. De naam van het schip was Top of Flop. Westrijden voor de topklasse zijn tijdens de Sneekweken georganiseerd van 1961-1973. De deelnam was met name in de beginjaren groot: 15 in 1961, 25 in 1962, 30 in 1963. Later nam dat geleidelijk af tot 10 in 1973. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 68-69
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 86-87
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelOnvoltooid model van een tjotter: romp in stapelbouw.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordentjotters
Objectnummer1999-121
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingOnvoltooid scheepsmodel van een tjotter. Blokmodel in stapelbouw (verticaal gestakel). Op de ramp lijnen en cijfers.
AchtergrondinformatieDe romp is gemaakt door Gerrit Ooms, die modellen maakte van alle schepen die aan de Sneekweek hebben meegedaan. Dit onvoltooide blokmodel ging vooraf aan de bouw van de tjotter met inv.nr. 1998-281. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kano, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht. Vervolgens in een kajuitzeiljacht. En van 1957 tot 1962 in het regenboogjacht Griffioen (zeilnummer 70). In dat jacht deed Ooms meerdere malen aan wedstrijden mee. Op latere leeftijd voer hij in een motorkruiser.