TitelScheepsmodel van het startschip Roekoepolle van de K.W.S. te Sneek.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenstartschepen
Objectnummer1999-113
Periode van1998
Periode tot1999
BeschrijvingScheepsmodel van het startschip Roekoepolle van Sneek. Stapelmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft een aantal masten voor lijnen, waaraan seinvlaggen kunnen worden opgehangen. De romp. Scherpe steven, die loodrecht op de waterspiegel staat. Rond, geveegd achterschip. Plat vlak, zonder kiel. Het model van voor naar achter. Het voordek is verhoogd. In dat dek twee scharnierende luiken van metaal. Achter het verhoogde voordek de voorste stutpaal met bijbehorende lier (wordt in de bodem gedrukt om het schip vast te leggen). Ter hoogt van de stutpaal zijn aan weerszijden twee paren bolders. Achter de stutpaal een ruim met luik. Daarop liermast met takel (om boeien overboord te zetten en terug te halen). Achter de takel de opbouw. Deze bestaat uit twee verdiepingen. Beneden de salon. In de voorwand van de salon twee kleine ramen en in de zijwanden van de salon aan weerszijden drie grote ramen en een schuifdeur. Achter de salon een keuken (twee ramen aan elke kant). Boven de salon is de stuurhut en het centrum voor de westrijdleiding. In de voorwand en de zijwanden zijn steeds drie ramen. In de achterwand tweeramen en een deur. De stuurhut is ingericht: stuurinrichting en kompas, kaartenbak en kaartentafel. De stuurhut is bereikbaar met een trap vanuit de salon en door de deur in de achterwand. Het dek op de salon is omgeven door een reling. Aan de achterkant van dit tussendek is een trap naar beneden, naar het achterdek. Aan de voorkant van het dek een trap naar het bovendek op de stuurhut. Ook het bovendek is geheel omgeven door een relig. Aan de reling en op de mast zijn tal van signaalapparaten geplaatst: twee luchthoorns, twee luidsprekers, een electronisch cijferbord. de boordlichten en de vlaggenlijnen. Deze lopen naar de achterste mast op het tussendek. Tussen de horizontale lijnen en de reling waren vertikale vlaggelijnen gespannen (niet op het model) waaraan de seinvlaggen werden gehesen. Aan de achterreling van het tussendek het naambord: 'Roekoepolle / Sneek nl'. Langs het dek op het motorhuis (achter de keuken) zijn ook relings gemaakt. Aan de zijrelingen twee naamborden: 'Roekoepolle / K.W.S. L25 B4.25'. Op het achterdek de achterste stutpaal met bijbehorende lier. Voorts op het achterdek een aantal schoorstenen en ventilatiepijpen. Aan weerszijden van het achterdek twee paren bolders. Kleuren: De romp is zwart. De stootrand is wit. Het boeisel langs het voordek is rood en blauw (wit aan de binnenkant). Het boeisel langs het achterschip is blauw (wit aan de binnenkant). Alle dekken zijn grijs. De salon is geel met een blauwe rand beneden en de stuurhut is geel met een blauwe rand boven. De relingen langs tussendek, bovendek en het dek op het motorhuis zijn zwart. De liermast en de vlaggenmasten zijn zwart. De stutpalen zijn in roestkleur geverfd. De bolders en lieren zijn zwart. Accessoires: tijdelijke standerblokken.
AchtergrondinformatieHet startschip Roekoepolle werd in 1976 gekocht door de K.Z.V.S. Het was een oliebunkerschip uit de Zaanstreek, dat was afgedankt. Het lag afgemeerd in Den Oever. Het bunkerschip werd tot startschip verbouwd op de scheepswerf van Jentje de Jong (te Sneek) naar tekeningen van Piet Amsterdam.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kano, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjacht, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1999, p. 22-23
TitelScheepsmodel van het houten skûtsje De Drie Gebroeders uit Sneek.
VervaardigerRypkema, Gerrit
Trefwoordenskûtsjes, Sneek, Rypkema, Gerrit
Objectnummer1978-275
Periode van1970
Periode tot1978
BeschrijvingScheepsmodel van het houten skûtsje De Drie Gebroeders. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het skûtsje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op een metalen botteloef (in het fries loefbyter) op de voorsteven. De voorstag is aan de onderkant getakeld met een strijktalie die door twee blokken loopt en is belegd op een houten klamp op het voorboeisel. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want (zijstag) die met een puttingijzer aan het boord is bevestigd. De botteloef is aan de achterkant met een vorkverbinding bevestigd op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting vastgezet aan de top van de botteloef. In de top van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt door twee dubbelschijfs blokken, waarvan de onderste een hakkeblok is. Dit hakkeblok is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. In de fok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met kralen) bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is vastgezet met een halstalie. De halstalie loopt over drie blokken (een dubbelschijfs blok aan de hals en twee enkelschijfs blokken aan weerszijden van de giek) en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is vastgezet op een giek. De giek rust aan de voorkant met een scharnierende lummel in de lummelpot van de nagelbank. Aan de achterkant hangt de mast in een kraanlijn. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een twee rijen reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op klampen aan de mastkoker en op de nagelbank. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een houten scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is rond (midscheeps vlak).
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Over het kluisbord aan stuurboord hangt een metalen stokanker. Het ankertouw ligt opgerold op het voordek. Tegen de binnenkanten van de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. Op het voordek is een luikhoofd met scharnierend deksel en een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op het boeisel van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst met daarop de naam van het schip: 'H. RIJPKEMA.DE.DRIE.GEBROEDERS.23 TON.SNEEK'. Voor de mast de houten overloop van de fokkeschoot. Achter de mast zijn twee blokken van de halstalie vastgezet op het dek. Daarachter het luikhoofd van het ruik. Dat wordt met tweemaal veertien (genummerde) luiken bedekt. Aan bakboord zijn twee luiken verwijderd zodat het binnenste van het ruim zichtbaar is. Het is te bereiken met een trap. Op de luiken een loopplank en een houder met drie zetboeisels. Langs de gehele lengte van het ruim en de roef zijn op de boeisels zetboeisels geplaatst. In de gangboorden liggen twee vaarbomen en een pikhaak. De zwaarden zijn van hout. Ze hangen met bouten aan het boeisel. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en aan de bovenkant voorzien van metaalbeslag. Ook langs de randen van het zwaard is metaalbeslag aangebracht. Rond het boutgat een veriseringin de vorm van een ster. De zwaardloper gaat via een houten schildpadblok, langs de buitenkant van het boeisel naar achteren, is daar getakeld met een zwaardtalie die loopt door twee vioolblokken en die is belegd op een houten klamp op buitenkant van het achterboeisel. De zwaardlopers zijn achter de klamp opgeschoten aan een haak, eveneens aan de buitenkant van het boeisel. Achter het ruim de roef. De voor- en zijwanden van de roef zijn blind: geen lichtranden. Het dak loopt enigszins gebogen (als op een boeier). In de achterwand is aan bakboord een lichtrand gemaakt en aan stuurboord een schuifluik, dat toegang verschaft tot de roef. Boven dit schuifluik is ook in het dak een schuifluik (lichtkap met tralies) gemaakt. Op het dak van de roef voorts een tweede lichtkap met tralies, een schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat er een gestreken mast in kan rusten. Voorts op het dak van de roef een losse mik, een stokdweil en een putsemmer. Over het boeisel aan bakboord hangt een houten wasbak. Op het achterdek zijn voetlijsten aangebracht, waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip (onder het berghout) twee lichtranden gemaakt. Zij voorzien het achteronder (alkoof) van licht. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. Het roer heeft een houten helmhout dat aan de voorkant is voorzien van een koperen helmhouttonnetje (handgreep). Op het helmhout een roerklik die is versierd met snijwerk (bladertak). Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is zwart. De dekken, het luikhoofd en de luiken, de roef, de zwaarden en de rondhouten zijn gelakt. Het meeste metaalbeslag is ongeverfd. Slechts enkele details zijn geverfd. De top van de mast is zwart en het metaalbeslag in de top van de mast is wit. De wasbak over het boeisel is groen met rood aan de binnenkant. De loopplank is wit en zwart. De kop van de schoorsteen is zwart. De randen van de ramen van het achteronder zijn wit. Accessoires: anker, loopplank, houder met zetboeisels, twee vaarbomen, een pikhaak, een stokdweil, een putsemmer, een mik en een wasbak. Het model staat op een vaste stander.
AchtergrondinformatieGerrit Rypkema. Geboren te Heeg op 31 maart 1911 en overleden te Sneek op 27 april 1978. Zoon van Homme Rypkema (1877-1921) en Hiltje Harmens van der Sluis. Zij voeren op de Drie Gebroeders, een tjalk van 23 ton. Gerrit werd eerst schippersknecht. Rond 1926 was hij knecht bij Sjoerd van der Meer (Sjoerd Meppel), op de beurtdienst van beurtdienst van Sneek op Meppel. In 1934 werd hij schipper op de motorboot van een aardappelgrossier. Rond 1937 werd hij vrachtrijder bij een fouragehandel. Van 1948 tot 1976 was hij kapitein op sleepboten van baggerbedrijf Dikkerboom en Sybrandy.
Gerrit Rypkema maakte bij de bouw gebruik van de tekeningen van De Gudsekop, die werd gebouwd door Auke van der Zee te Joure. De bouw van het model werd in 1979 voltooid door Gerrit Visser te IJlst. Zeil en fok zijn in 1984 gemaakt door conciërge Pieter Alkema.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1978, p. 11
BeschrijvingModel van de tjotter Dieuwke. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een mast die is geplaats in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag, die is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een klamp aan de binnenkant van het voorboeisel. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een fok een een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk en zijn voorzien van dubbele stiksels die banen moeten suggereren. Het voorlijk van de fok is met metalen ringen aan de top door een blok aan de top van de mast en door een blok aan de top van de fok naar beneden en is daar belegd op een klamp aan de mastkoker. De fokkeschoten lopen via schootogen aan de binnenkant van het boeisel. De fokkeschoot wordt aan stuurboord belegd op een korvijnagel in een van de achterste spanten. De fokkeschoot aan stuurboord hangt los in het achterschip. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het bovenlijk van het grootzeil is aan de gaffel vastgenaaid. De gaffel wordt gehesen met een nokkeval en een klauwval die zijn belegd op een klamp aan de mastkoker en op de nagelbank. Het onderlijk van het zeil is alleen aan de achterkant aan de giek bevestigd (met een haak). Daar is ook de kraanlijn vastgemaakt die loopt naar een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. De hals van het onderlijk is met een touw (geen blokken, dus geen halstalie) vastgezet op de nagelbank. De grootschoot is met het vaste einde bevestigd aan een hondvot van het dubbelschijfs blok dat aan de giek hangt. Vervolgens is de schoot dubbel getakeld door het blok aan de giek en een dubbelschijfd hakkeblok op de kielbalk. De schoot is belegd op de lip van het hakkeblok. Op de top van de mast een scheerhout met daaraan een vleugel van onbestemde (verschoten) kleur. Op het roer aan een gebogen vlaggenstok een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De bodem is licht gepiekt. Het model van voor naar achter: De metalen botteloef (in het fries loefbyter) op de voorsteven is voorzien van een opsteker. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). Op de bovenkant van de botteloef vier ringen. De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. De kluisborden zijn versierd met koperen sterren. De bovenkanten van het voorboeisel en de bedelbalk zijn bedekt met koperbeslag. De bedelbalk is aan de achterkant versierd met snijwerk: een bloemkorf met bloemtakken. In het voorschip is een dek gemaakt. Net voor de mast een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. In de bovenkant van het boeisel zijn aan weerszijden scepters gestoken. Aan bakboord rust daarin een pikhaak. De bovenste huidgangen zijn voorzien van metaalbeslag. Bij de zwaarden is dat vervangen door een houten verdikking, zodat de zwaarden niet beschadigen. De zwaarden zijn aan de onderkant voorzien van metaalbeslag. De zwaardkoppen zijn bedekt met koperplaat. De gaten waar de zwaardbouten doorsteken zijn versierd met koperen sterren. De zwaardlopers zijn met het vaste einde door middel van een knoop aan de zwaarden bevestigd. Daarna gaan de zwaardlopers door een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en zijn dan belegd op de korvijnagel in één van de achterste spanten. Het achterschip is open: de bovenkanten van de spanten zijn zichtbaar. LAngs de zijwanden zijn banken gemaakt en achterin is een achterbank met twee deksels. Op de bodem buikdenningen. Voor de achterbank is de buikdenning wat verhoogd. Achter de achterbank het achterhuis. Op de voorwand van het achterhuis een lancetvormig naambord met daarin uitgesneden de letters 'MP' (opliggende letters). Erboven de hennebalk waarin eveneens een uitsgesneden opschrift: '19 DIEUWKE 07'. Over de hennebalk en over het boeisel daarvoor is koperbeslag aangebracht. Aan de achtersteven hangt met drie koperen roerhaken het roer. Het roer heeft de vorm van een boeierroer: rank en hoog met dikke kop, waarop een roerleeuw is geplaatst. Op de achterkant van het roer staat in een koperen houder een kromme vlaggemast met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit met op de waterlijne een groen bies. De boeisels zijn zwart met langs de onderkant een witte bies. Op het zwart zijn geschilderde versieringen aangebracht: een witte bies over de volle lengte, een groen bies midscheeps en voluten op de gillings (de midscheepse verhogingen van de boeisels). De berentanden zijn zwart met een witte bies. De kluisborden zijn wit met een blauwe rand. De botteloef is zilverkleurig, evenals de metalen waterstag en het boegwant. De bedelbalk is meerkleurig beschilderd: wit/blauwe ondergrond van glinsterverf (verf met gemalen glas), een gele bloemkorf, groene takken en rode bloemen. De koppen van de spanten zijn rood, de binnenkanten van de boeisels zijn blauw. Het voordek is gelakt. De buikdenningen in het achterschip is grijs. De banken zijn gelakt. Het naambord en de hennebalk zijn blauw en de gesneden letters daarop zijn geel. De kop van de achtersteven is rood en de bovenkant zwart. De kop van het roer is zwart met een witte bies en de roerleeuw daarboven is verguld. De helmstok is grijs. Accessoires: kruisvormige stander, pikhaak.
AchtergrondinformatieDe letters 'MP' op het naambord op het achterhuis van het model zijn de initialen van Mintje Pot uit Bakhuizen. Hij was een bekend figuur in de zeilwereld en een groot kenner van schepen. Het model is genoemd naar zijn vrouw Dieuwke. Het model is door de schenker gebruikt geweest als speelscheepje. Bij verwerving was het danig gehavend. Het model is gerestaureerd door Marchienus de Jonge te Enkhuizen, die conciërge was geweest van het museum.
Tjotter is niet een benaming die al lang gangbaar is in Friesland. De Friese scheepsbouwers spraken niet van een tjotter maar van een 'boat'. Ze werden gebruikt als werkboten: visserij, vervoer van personen (overzet), kleinvee en kleine vrachten (kruideniers, bakkers, etc.). Deze boten waren nauwelijk gebonden aan maten. Men bouwde kleine boten, boten en grote boten. Pas in de loop van de twintigste eeuw raakte een nadere aanduiding in zwang: de kleinste boten behielden de naam 'boat', tjotters werden die schepen genoemd met een lengte tot circa 4.80 meter en de grotere boten, die ook anders gebouwd waren, werden Friese jachten genoemd. De tjotter toont gelijkenis met het Fries jacht en de boeier, maar is daar van te onderscheiden door de geringere afmetingen, de sterke zeeg, het ontbreken van een berghout, het brede roer met het over de klink gelegde houten helmhout. De tjotter is open en heeft soms een dek voor de mast. De tjotter voert een bezaantuig, de fok staat op een botteloef. Het slankere type wordt boatsje genoemd. Het meet 3.80 tot 5 meter lang bij een breedte van 1.35 tot 1.80 meter. Het heeft een plat vlak, waar de zijden onder een hoek tegenaan staan., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 2 januari 1964 en 2 april 1964.
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum - Correspondentie H. Halbertsma - A.M. Sustring, 14 oktober 1963.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1963, p. 13
TitelH. en U. Hoogeveen - scheepsmodel van de boeier Constanter.
VervaardigerHoogeveen, Harmen, Hoogeveen, Uilke
Trefwoordenboeiers
Objectnummer1997-131
Periode van1957
Periode tot1960
BeschrijvingScheepsmodel van de boeier Constanter. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door twee zijstagen, die zijn vastgezet aan puttingijzers op de boeisels, en door een voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorstag is getakeld door een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een klamp achter de kluisborden. De botteloef is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers verbonden aan de voorstag. De hals van de fok is met drie blokken getakeld en belegd op een klamp achter de kluisborden. In de top van de fok een metalen fokkegaffel voor de fokkeval. De fokkeschoot loopt door twee blokken: een dubbelschijfs blok aan de schoothoek en een enkelschijfs hakkeblok met hondsvot dat is vastgezet op een overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met kralen) bevestigd aan de mast. De halstalie is vastgezet op een oogbout in de voorwand van de kajuit (rechts van de giek), loopt door een dubbelschijfs blok aan de hals van het grootzeil en door twee blokken aan weerszijden van de giek, die zijn vastgezet aan de voorwand van de kajuit. De halstalie is belegd op een klamp aan de voorwand van de kajuit. De onderkant van het achterlijk is vastgezet op de achterkant van de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierend lummel in een oog op de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt door een drieschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok met hondsvot dat is vastgezet aan een oog op de kielbalk. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. In het grootzeil drie rijen reeftouwen. De vallen van de beide zeilen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en aan de nagelbank. Op de top van de mast een blauwe vleugel met Hollands hoekje. De vleugel is vastgemaakt aan metalen scheerhout. Op de rug van het roer een gebogen vlaggenstok met vergulde knop. Aan de vlaggenstok een Friese vlag. De blokken zijn hout en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond, met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is bekleed met een metalen strip. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. De kluisborden zijn aan de bovenkant geschulpt en voorzien van geschilderde versieringen: bladertakken en een ovaalvorm rond de kluisgaten. Deze kluisgaten zijn voorzien van koperen randen. De berentanden zijn ook met schilderwerk versierd: bladertakken en profielranden. Het slemphout (berghout tussen berentanden en voorsteven) heeft een ronde profielrand. Uit het kluisgat aan bakboord hangt een stokanker. De ankerketting loopt door het kluisgat naar het voordek, waar hij door een koperen buis naar het vooronder wordt geleid. Het vooronder is ingericht met banken en kasten. De boeisels zijn voorzien van gesneden biezen. De gillings op de boeisels zijn versierd met geschilderde voluten met bladertakken. In het voordek is een koperen buis voor de ankerketting aangebracht en een tweede koperen buis met deksel. In de bovenkanten van de boeisels van het voordek zijn twee koperen steekboeisels aangebracht (aan beide zijden één) en tegen de binnenkanten van de boeisels van het voordek zijn bolders geplaatst (aan beide zijden één). De koppen van de bolders zijn met koper beslagen. Voor de mast twee luiken (de uitwip) die verwijderd worden wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en aan de bovenkant voorzien van koperplaat. De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met koperen sterren. De randen van de zwaarden zijn verstevigd met metaalbeslag (scherp van vorm). De zwaardlopers gaan door een schildpadblok aan de buitenkant van het boeisel naar voren, lopen daar, via een tweede schildpadblok (op het potdeksel van het boeisel), naar binnen, naar een derde schildpadblok aan de binnenkant van het boeisel. De zwaardlopers zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door twee blokken (een enkelschijfs blok en een schildpadblok) en die zijn belegd op een metalen klamp in het achterschip. Achter de mast de nagelbank. Daarachter de halstalie en de kajuit. Het dak van de kajuit is langscheeps hol en dwarsscheeps bol van vorm. In de voorwand van de kajuit twee lancetvormige lichtramen met traliewerk van uitgezaagd koper. In de zijwanden zijn dezelfde soort ramen aangebracht (aan weerszijden één). In de achterwand van de kajuit twee deuren met ramen en koperen traliewerken. De binnenkant van de roef is ingericht met banken, kasten en een tafel. De achterwand is langs de dakrand versierd met snijwerk in de vorm van bladertakken. Daarboven zijn uithollingen, die dienst doen als mik (de gestreken rondhouten kunnen er in rusten). Aan de achtereinden van de gangboorden zijn waterlijsten. Op de boeisels zijn twee paar scepters geplaatst. Aan stuurboord ligt daarin een uitzetter (fokkeloet) en aan bakboord een vaarboom. De kuip is voorzien van buikdenningen. Langs de zijwanden en de achterwand van de kuip bevinden zich kistbanken. In de wanden van zijbanken zijn deurtjes (aan weerszijden twee). Aan de achterwand is een gesneden banderol bevestigd met daarop de naam van het schip: 'CONSTANTER'. In de achterwand van de kuip een geschulpt deurtje met daarop de tekst 'HUH / BALK'. De bovenrand van deze wand is afgesloten met een hennebalk die met snijwerk is versierd: een mand waaruit bladertakken ontspruiten en erboven een guirlande. De rug van de hennebalk is met koper bedekt. Daarop staat de overloop van de grootschoot. Tegen de boeisels van het achterschip zijn bolders geplaatst, waarvan de koppen met koper zijn bedekt. Het roer van de boeier hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt en wordt bekroond met een roerleeuw. Op de rug van het roer koperbeslag met een vlaggenstokhouder. Door de roerkop is een metalen helmstok gestoken. De helmstok is voorzien van een houten handvat. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. De berghouten zijn zwart en met witte biezen afgezet. Ook het boeisel is zwart met witte biezen en goudkleurige versieringen op de gillings (voluten). De kluisborden en berentanden zijn beschilderd in de kleuren rood, wit, blauw en goud. De koppen van de zwaarden zijn zwart. De rondhouten zijn gelakt en het metaalbeslag eraan is ongeverfd (beneden) of wit geschilderd (aan de top van de mast). Het snijwerk langs de rand van het dak van de kajuit is goudkleurig op een witte ondergrond. Het snijwerk aan de hennebalk is op dezelfde wijze beschilderd: goudkleurige bladertakken op witte ondergrond en een rood-wit-blauwe guirlande. De kop van het roer is zwart met witte biezen. De roerleeuw is goudkleurig en ligt op een zwart kussen. Accessoires: stander, uitzetter (fokkeloet), pikhaak, vaarboom, anker, loopplank en dekzwabber.
AchtergrondinformatieHarmen Uilkes Hoogeveen (1891-1970) begon op 20 okt. 1957 met de bouw van het model van de boeier Constanter. Het model is afgewerkt en van zeilen voorzien door zijn zoon Uilke Harmens Hoogeveen. In september 1960 kwam het model gereed. Harmen Hoogeveen. Geboren 10 febr. 1891 en overleden 10 juli 1970. Woonde in Vierhuis. Werkte van 1903-1908 op de scheepswerf van Jan Bos te Echtenerbrug. Van 1909 tot 1914 op de werf van Auke van der Zee te Joure. Werkte mee aan de bouw van de boeiers Olga en Almeri. In de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd geweest. Bij terugkomst in 1918 in dienst van machinefabriek H. Koelstra te Balk. waar Harmens broer Hans al werkzaam was. Toen ook van Vierhuis naar Balk verhuisd. In 1934 ging het slecht met het bedrijf van Koelstra, Het werk verkocht. De gebroeders Hans en Harmen Hoogeveen kochten het bedrijf. Harmen bleef actief in het bedrijf tot 1957. De tijd van de scheepsbouw bij Auke van der Zee had grote indruk gemaakt op Harmen Hoogeveen. Hij praatte er veel over en er was een wens ooit zelf nog eens een boeier te maken. Omdat daar geen ruimte voor was, werd dat een model van een boeier. Uilke Hoogeveen (1924-1997) is een zoon van Harmen Hoogeveen. Toen hij op zestienjarige leeftijd de MULO had voltooid, ging hij werken in het bedrijf van zijn vader. De boeier Constanter is gebouwd in 1876/1877 door Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. Opdrachtgever was Minnema Buma te Leeuwarden. Later is de opdracht overgenomen door W.A. Tromp te Woudsend. Prijs: f. 20000,=. Afmetingen: lengte 8.05 m., breedte 3.20 m., holte 1.10 m., zeiloppervlak 58 m²., literatuur:
- H.G. van Slooten, 'De Friese boeier Constanter 1877-1977' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, pp. 50-84.
- H.G. van Slooten, 'Constanter Semper Constant' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, pp. 48-54.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 24-26 en 54-57
BeschrijvingScheepsmodel van een skûtsje. Messingplaat. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De botteloef is van metaal. Met een vorkvorm is de botteloef vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op de boeisels. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Ze zijn genaaid in geplooide banen, waardoor er enige bolling in kon worden worden gemaakt. De stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. In de bovenpunt van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt over twee blokken en is de onderste daarvan (een hakkeblok) belegd. Dit hakkeblok is met een ring vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fok heeft een enkele rij reeftouwen. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel. Het voorlijk van de fok is met rakbanden met kralen vastgezet aan de mast. De halstalie loopt over een blok aan de hals en twee blokken aan weerszijden van de giek en is belegd op de nagelbank. Het is grootzeil is aan de onderkant bevestigd aan een giek. De voorkant van de giek hangt met een scharnierende lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn (deels van touw, deels van metaaldraad) die aan de voet van de mast is getakeld met twee blokken. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De grootschoot loopt via een tweeschijfs blok aan de giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van het grootzeil en van de fok zijn belegd op de nagelbank en de klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een houten scheeprhout. De blokken zijn deels van metaal (kraanlijn, voorstag, zwaardlopers) en deels van pokhout. Ze zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond en heeft invallende boeisels. Het achterschip is rond en is niet gepiekt. De bodem is in het midden vlak. Het model van voor naar achter. Aan weerszijden van de voorsteven getande kluisborden (zonder kluisgat) en berentanden. Over de kluiborden hangen twee L-vormige katankers. Op het voordek ligt een metalen stokanker en twee opgerolde landvasten. Tegen de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. Voorts op het voordek het luikhoofd van het vooronder (met scharnierend luik) en een schuifluik dat wordt gebruikt wanneer de mast wordt gestreken het ondereind van de mast door te laten. Voor de mast de gebogen overloop van de fokkeschoot. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. In de voorste zetboeisels is de naam van het schip aangebracht: 'D. BLOM HINDELOOPEN VIER GEBROEDERS 32 TON'. De mastkoker is voorzien van houten klampen en een nagelbank waarop de vallen, de kraanlijn en de halstalie zijn belegd. Achter de mast het luikhoofd van het ruim. Dat wordt afgesloten met tweemaal dertien (genummerde) houten luiken. Op de luiken liggen los een loopplank, een pikhaan, een vaarboom en een stokdweil. Aan weerszijden van het ruim de gangboorden. De zwaarden hangen met een bout met splitpen aan de boeisels. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden en de randen zijn voorzien van metaalbeslag. Rond het boutgat een versiering in de vorm van een vijfpuntige ster. De metalen zwaardlopers lopen via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel, door een langgerekt gat in het boeisel daarachter, achter het zetboeisel langs en vastgezet op één van de twee metalen zwaardblokken. De zwaardlopers zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door de twee metalen zwaardblokken en die zijn belegd op een metalen klamp op het achterbloeisel en die zijn opgeschoten op een haak daarachter. Achter het ruim de roef. Op het dak van de roef een houten (afneembare) schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat de schoorsteen ook die kan doek als mik. Voorts op het dak van de roef twee lichtkappen met tralies. De achterste daarvan is tevens het schuifluik van de roefdeur. De voor- en achterwanden van de roef zijn blind (geen lichtranden). In de achterwand aan bakboord een ovale lichtrand met tralies. Aan stuurboord is in de achterwand van de roef een dubbele houten deur gemaakt. Boven de deur de schuivende lichtkap. Op het achterdek een plank met voetlijsten, waarop de roerganger zich schrap kon zetten. Tegen de boeisel van het achterschip zijn bolder gemaakt. Op het achterdek een metalen lutsemmer. Aan de achtersteven is met drie roerhaken het roer opgehangen. Op het roer een helmhout dat aan de voorkant is voorzien van een koperen helmhouttonnetje (als handgreep). Op het helmhout een roerklik die met snijwerk is versierd: hoorn des overvloeds met tak. De rug van het roer is voorzien van metaalbeslag. Kleuren: De romp van het schip is geschilderd in de kleur havannabruin. Het onderschip is zwart. Het achterschip is voorzien van een okerkleurig veld. Ook de voorsteven en de achtersteven zijn okerkleurig. De zetboeisels zijn gelakt. De binnenkanten van de boeisels zijn havannabruin. De dekken zijn zwart. Het luikhoofd van het vooronder is havannabruin, evenals de mastkoker. Ook het luikhoofd van het ruim en de wanden van de roef zijn bruin. Het dak van de roef is lichtgroen. De lichtkappen, de schoorsteen en de deuren van de roef zijn gelakt. Het zwaard is gelakt en het metaalbeslag van het zwaard is donkerbruin. De ster rond het boutgat is wil. Het helmhout is groen met op de achterkant een rood-witte zandlopervorm. De roerklik is meerkleurig beschilderd: groen, gele bies, blauwe achtergrond, geel-rode hoorn en groene tak. Het roer is gelakt. Accessoires: loopplank, pikhaak, vaarboom, stokdweil, putsemmer.
AchtergrondinformatieIege Blom werd in 1915 geboren als zoon van de visserman Dirk Blom, die ook vracht vervoerde met een skûtsje. Iege Blom was ook visserman tot hij in 1957 de helling van Douwe Wijbrands aan de Nieuwe Weide te Hindeloopen kocht. Op de werf werden veel oude schepen tot jacht verbouwd. Ook werden er tal van nieuwe jachten gebouwd in traditionele vorm. Vooral zijn Lemsteraken kregen grote bekendheid. De zeilen zijn gemaakt door conciërge Pieter Alkema.
Tot voorbeeld diende het schip van vader Durk Blom. Een 32 ton metende skutsje met de naam Vier Gebroeders, en wel zoals het in de 20-er jaren voer, namelijk zonder lieren en nog met kleine gaffel en opsteker van normale lengte. Het model is gemaakt uit messing en is geklonken. De romp is gebouwd op een houten mal, die wordt bewaard op de zolder van Fredehiem.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat).
Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1986-17-18.
TitelScheepsmodel van de reddingboot Insulinde van Oostmahorn.
VervaardigerWouters (Amsterdam)
Trefwoordenreddingboten, Oostmahorn
Objectnummer1998-022
Periode van1964
Periode tot1964
BeschrijvingScheepsmodel van de reddingboot Insulinde van Oostmahorn. Op spanten gebouwd. Schaal 1:40. Tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip loopt in ronde lijnen uit op een stompe punt. Opvallend is de bolle terugzwenking van de scheepswand boven het berghout (de plaats van de luchtkasten). De bodem is voorzien van twee paren stabilisatoren: midscheeps en aan weerszijden van de schroeven. Het schip is uitgerust met twee schroeven. Het model van voor naar achter: De voorsteven wordt beschermd door een halfronde stootband. In de voorsteven zijn twee kluisgaten gemaakt. Uit het kluisgat aan stuurboord hangt een anker. Het hangt aan een ketting dat is vastgezet op de ankerlier op het voordek. Op de punt van het voorboeisel is een kleine vlaggenstok geplaatst. OP de buitenkant van het voorboeisel 'INSULINDE'. Tussen voorsteven en ankerlier steken aan beide kanten twee bolders boven het boeisel uit. Achter de ankerlier een rond luikhoofd met klemscharnier. In het middendek zijn lichtranden gemaakt. Aan bakboordzijde twee luikhoofden met ronde deksels die voorzien van handwielen. Voorts op het middendek een springnet op vier standers (die elk worden gehouden door stagen op het berghout). Voor en achter het springnet twee lange schoorstenen met afsluiters. Onder het net vier naar beneden gedraaide luchtpijpen met afsluiters. Tussen het springnet en de opbouw de voormast, die wordt gehouden door twee stagen naar voren. In de top van de voormast een sprietantenne en een naar de achtermast lopende driedubbele draadantenne. Verder in de voormast een wit boordlicht en twee schijnwerpers. Van het metalen boeisel van het voorschip naar het boeisel op het achterschip loopt reling. Aan de buitenkant daarvan zijn touwlussen bevestigd. Voorts hangen aan de reling aan beide zijden touwhaspels en diverse bomen: een enkele pikhaak, een dubbele pikhaak, een peilstok en een drenkelinghaak. Midscheeps op de scheepswand boven het berghout 'K.N.Z.H.R.M.'. De opbouw is open. Rondom de opbouw zijn handrelingen gemaakt. In de voorwand vier lichtranden in de zijwanden van het motorhuis aan weerszijden twee lichtranden. Aan de voorwand een toeter en een bel. In de opbouw bediening: stuurrad, kompas en de motorhendels. Aan stuurboord een neergang, afgesloten door een rond deksel. Op de voorkant ene neerklapbaar raam en aan de zijkanten doeken. In de achterwand de toegang tot het motorhuis, afgesloten met een rond deksel met handwiel. Aan de achterwand hangt een reddinggordel met daarop KNZHRM. Tegen de achterwand is de achtermast bevestigd. De achtermast wordt gehouden door twee stagen naar voren en een stag naar achter. Boven in de achtermast een kleine gaffel. Op het achterdek een rond luikhoofd met klemscharnier, twee dubbele bolders en de bovenkant van de roerspil die boven het dek uitsteekt. Op de bovenkant van het achterboeisel een bolder. Op de buitenkant van het achterboeisel is de plaats van herkomst geschilderd: 'OOSTMAHORN'. Het model is met twee standers bevestigd op een plank. Op de plank is een vitrine gebouwd. Kleuren: De romp is blauw. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is zwart. De voor- en achterboeisels zijn aan de buitenkant wit met bruine bovenranden. De opschriften op de boeisels zijn zwart. De letters KNZHRM zijn wit. Het dek is mosgroen. De nakerlier, het luikhoofd op het voordek, de bolders en de luchtpijpen zijn bruin. De twee schoorstenen zijn zilverkleurig. De twee luikhoofden op het middendek zijn wit. De masten zijn ongeschilderd. De opbouw is wit met bruine randen. De binnenkant van de opbouw is bruin. De bolders en het luikhoofd op het achterdek zijn bruin. Accessoires: vier bomen, twee haspels.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd door Wouters te Amsterdam. Hij bood het in 1964 aan Klaas Toxopeus aan, toen hij 60 werd en uit dienst trad.
De eerste Nederlandse motorreddingboot was de Jhr. J.W.H. Rutgers van Rozenburg, in 1907 gebouwd op de Amsterdamse Werf 't Kromhout van D. Goedkoop. (afmetingen 11,50 x 2,80 x 0,75m). Deze boot werd op 13 februari 1908 in Scheveningen in dienst genomen (uit dienst in 1926. Na restauratie opnieuw in dienst gesteld in Lemmer op 20 april 1926, uit dienst in 1930.) Mees Toxopeus was schipper op de reddingboot C.A. den Tex op Rottumeroog. In oktober 1923 gebeurden een aantal ongelukken met reddingboten. De President van Heel verging op de Maasvlakte, de Brandaris verging in de Eierlandse Gronden en de roeireddingboot van Schiermonnikoog sloeg om. Mees Toxopeus schreef op 4 dec. 1921 de NZHRM een brief waarin hij zijn plannen ontvouwde voor een zelfrichtende reddingboot met een extra zware kiel, luchtkasten, een kiepbak (die zorgt voor het automatisch oprichten van de boot wanneer deze is omgeslagen) en de mogelijkheid de boot zowel bovendeks als onderdeks te besturen. Daartoe was het nodig goed afsluitbare kleppen, pijpen en schoorstenen te construeren. Scheepsbouwer Jan Niestern te Delfzijl zag wel wat in de plannen van Toxopeus. In Nederlands Indië werd onder voorzitterschap van vice-admiraal Umbgrove een comité gevormd dat gelden inzamelde om de plannen van Toxopeus en Niestern te kunnen realiseren. Dat lukte. Na adviezen van prof. E. Vossnack (adviseur van de NZHRM) werd in 1926 begonnen met de bouw. Op 21 december van dat jaar werd de boot te water gelaten. Na proeven werd de boot in de zomer van 1927 operationeel. Het kreeg als thuishaven Oostmahorn. Vanwege de Indische achtergrond kreeg de boot de naam Insulinde. Mees Toxopeus werd de schipper. Afmetingen: lengte 18.80 meter, breedte 4.05 meter en diepgang 1.30 meter. De boot had 21 waterdichte compartimenten, waaronder acht verblijven die door zeven dwarsscheepse schotten waren gescheiden. Er werden twee Kromhoutmotoren van elk 60 pk in geplaatst. Het schip voldeed aan de verwachtingen. Sinds 1927 zijn ook andere reddingboten naar het voorbeeld van de Insulinde gebouwd. De eerste redding was op 29 sept. 1927: de Duitse driemastschoener Sissie in het Friesche Zeegat. De volgende tocht was op 16 nov. 1928: de Zoutkamper visser ZK 77 Nooit Volmaakt. Een dag later redde men zes man van het Zweedse stoomschip Malmö. Een week later werden vijf man gered van het Zweedse stoomschip Hagfors op het Borkumrif. Vanwege deze drie reddingen kreeg de bemanning in 1928 de zilveren draagmedaille van de NZHRM en een zilveren medaille van de Zweedse regering. In totaal maakte de Insulinde 341 tochten (oefentochten niet meegerekend). Op 44 van deze tochten werden 332 mensen gered. De bemanning van de Insulinde werd in de loop der tijden onderscheiden met 57 medailles. De grootste onderscheiding werd verdiend met de redding van twaalf opvarenden van het Duitse Stoomschip Bramow op 18 sept. 1935, bij Borkum. In 1936 werd de Insulinde verbouwd: de cockpit achterin verdween. Er werd een tweede verblijf gemaakt. In 1950 werd er in Friesland actie gevoerd voor het inbouwen van nieuwe motoren. Met de opbrengst van f. 50.000,= werden twee 120 pk Gleniffer motoren gekocht en ingebouwd. Mees Toxopeus trad in 1950 af als schipper. Hij werd opgevolgd door zijn jongere broer Klaas Toxopeus. Tijdens het inbouwen van de motoren deed de reddingboot Twenthe tijdelijk dienst in Oostmahorn. Vanaf 1950 maakte Klaas Toxopeus met de vernieuwde Insulinde 170 tochten. Tot de verbeelding spreken de tocht naar het Spaanse schip Sac Baldona (7 nov. 1952), het Nederlandse schip Franca II (1 febr. 1953), Het Duitse Helena Russ (7 okt. 1954) en het Nederlandse schip Willem (17 okt. 1958). Op 1 augustus 1964 werd Siep Zeeman schipper. Klaas Toxopeus nam afscheid. Hij kreeg het roer van de reddingboot als herinnering (inv.nr. 1998-041). Ook de Insulinde ging met pensioen: op 16 okt. 1965 is de Insulinde vervangen door de Gebroeders Luden. De Insulinde is terechtgekomen in het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam.
Klaas Toxopeus was de broer van Mees Toxopeus. Hij is geboren te Delfzijl op 20 juli 1904 en overleden op 19 december 1981. Hij stamt uit een zeemansgeslacht: zijn vader voer op de zeetjalk De Hoop en zijn oudere broers voeren op zee. Klaas moest van zijn vader werken in een machinefabriek, maar toen dat niet beviel mocht hij met zijn vader mee op de tjalk. Ze voeren op de Duitse eilanden. Ook werkte hij bij een oom in Zoutkamp. Daar vernam hij van zijn broer Mees dat er een vacature was bij het reddingstation Rottum. Klaas werd zo in 1926 stuurman op de reddingboot Hilda van Rottum. Toen in 1929 het station Rottumeroog werd opgeheven, volgde zijn overplaatsing naar Oostmahorn, alwaar hij werd aangesteld als stuurman op de motorreddingboot Insulinde, waarop zijn broer Mees Toxopeus schipper was. In 1950 volgde zijn aanstelling tot schipper van deze reddingboot. In totaal hielp Klaas Toxopeus in 38 dienstjaren bij het reddingwezen 318 mensen redden. In 1951 begon hij zijn ervaringen op schrift te zetten. In 1952 verscheen 'Vliegende Storm' dat zes drukken beleefde. In 1956 volgde de uitgave van dit boek, aangevuld met twee andere verhalen, als omnibus, die sindsdien vijf herdrukken kreeg. In 1958 verscheen van zijn hand 'De Eilander'., literatuur:
- Klaas Toxopeus, Klaas Toxopeus Omnibus (Baarn, 1968)
- Alle Hens Gered [tentoonstelling Maritiem Museum Prins Hendrik, 1968] pp. 29-30, cat.nrs. 70-72
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 29-30 - Hans Vandersmissen e.a. Redders (IJmuiden, 1999), pp. 82-85
BeschrijvingScheepsmodel van het veerschip Jan Nieveen. Op spanten gebouwd. Schaal 1:50. Rondhouten en tuigage: Op het voorschip een liermast met steng. De mast wordt gehouden door twee voorstagen op de voorplecht. De liergiek is met een scharnierende lummel bevestigd in de mastvoet. De liergiek hangt aan een ketting aan de mast (onder een bepaalde hoek). De takel aan de giek loopt over een aantal metalen schijven en wordt bediend met een lier achter de mast. De romp: De voorsteven is puntig en verticaal (steilsteven). Het achterschip is rond en geveegd. De bodem van het schip is vlak. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een blauwe wimpel. Op het voordek een ankerlier voor het anker dat aan stuurboord uit het voorschip hangt. Achter de ankerlier een houten dek. Daarop een opbouw met schuifdeuren en patrijspoorten (toegang toe het vooronder). Over deze opbouw een overhuiving waarmaa alleen het buizenskelet is te zien. Ter hoogte van het dek zijn in de wand van het schip patrijspoorten gemaakt: aan beide kanten vijf. Daarboven is op het boeisel de scheepsnaam geschilderd: 'JAN NIEVEEN'. Op het middendek een pijp, de liermast en de lier. Daarachter de metalen luiken van het ruim. De opbouw bestaat uit twee verdiepingen. Beneden de salon: metalen wanden met deuren en ramen. Langs de buitenkant van de salon kistbanken. Het dak van de salon loopt opver de volle breedte van het schip (over de gangboorden) en steunt op stangen op de boorden. De verdieping op de salon heeft een houten dek. Het voorste deel heeft houten wanden met randen en heeft een gebogen dak van metaal. In de voorkant van dit gedeelte is de stuurhut. Daarachter is de ruimte open. Ook het achterste deel van de verdieping op de salon is open. Er is alleen een zonnetent. De schoorsteen van de stoommachine en twee gebogen pijpen steken door het metalen dak van de tweede verdiepen. De schoorsteen wordt gehouden door vier stagen. Voor de schoorsteen de stoomfluit. Aan de houten wanden van de stuurhet en het bovendek hangen een scheepsbel en vier reddinggordels. Op het bovendek zijn banken, een lichtkant, vier pijpen en een trapopgang. Op het achterste deel van het bovendek hangen twee reddingsloepen in davits. Onder dit deel van het bovendek is geen salon, maar een open achterdek met banken en een luik. Ter hoogte van de salon zijn in de wand van het schip 22 patrijspoorten (aan elke kant 11). Het schip heeft één schroef en daarachter het roerblad. Kleuren: De romp is zwart. Op de waterlijn een witte bies. Boven het bovenste berghout weer een witte bies. Het metalen middendek is zwart. De houten dekken zijn gelakt. De opbouw op het voordek en de salon zijn lichtgeel. De metalen daken van de vooropbouw en de bovensalon zijn grijs, evnals het achterste deel van het bovendek, waar de reddingboten hangen. De reddingboten en davits zijn wit. De luiken, de lier en de mastvoet op het middendek zijn zwart, evenals de schoorsteen. De pijpen zijn grijs. Accessoires: enkelvoudige houten stander.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd naar de tekeningen met inv.nr. 2000-021 t/m 2000-023.
Technische gegevens: Bouwjaar 1928. Bouwwerf: Prins te Arnhem. Ontwerp: Scheepsbouwkundig Bureau Cornelissen. Afmetingen: lengte 45.40 meter, breedte 6.40 meter, holte 2.75 meter. Hoewel de motor al met succes zijn intrede had gedaan, besloot de rederij tot het plaatsen van een stoommachine (van 17 atm.) in het schip.
Vanaf 1710 (Albert Haunus te Lemmer) werd er een geregeld veerdienst onderhouden tussen Amsterdam en Lemmer. Tot 1828 geschiedde dat met uitsluitend zeilschepen (Lemster beurtmannen). In 1828 kwam het eerste stoomschip op dit traject: het S.S. IJssel. Niet alleen goederen, maar ook vee en personen werden over de Zuiderzee vervoerd. In 1870 werd door Reint (1824-1904), Jan (1826-1910) en Geert (1828-1905) Nieveen uit Groningen de Groningen-Lemmer Stoomboot Maatschappij opgericht. In 1874 lieten ze de Groningen III bouwen voor het vervoer tussen Lemmer en Amsterdam. Later volgde nog de Groningen IV, de Lemmer en de Amsterdam. In 1928 werd het vlaggenschip van de rederij gebouwd: de Jan Nieveen. Met veel succes onderhield het schip de lijn Lemmer Amsterdam. In 1951 werd de stoommachine vervangen door een viercilinder Bronsmotor van 250 pk. In de jaren vijftig verminderde het aantal passagiers. De auto won terrein en het vervoer over land werd gemakkelijker en sneller. In 1959 werd het schip uit de vaart genomen. Het schip zou gesloopt worden te Amsterdam. W. Tieleman redde het schip van de sloop en verbouwde het schip tot rondvaartboot (kajuit in het ruim en een deksalon). Het schip werd wit geschilderd en hernoemd in IJsselhaven. Het schip werd gebruikt voor rondvaarten in Hellevoetsluit. In het 1961 werd het schip gekocht door de Verenigde Onafhankelijke Sleepdienst Rotterdam. In 1975 kocht J.S. van Gurp te Middelharnis het schip (nieuwe naam: Wolga) die rondvaarten mee deed in de Biesbosch. In 1977 werd het schip gerestaureerd op kosten van een aantal Lemsters en de Lemster V.V.V. Het schip keerde terug in Lemmer. In 1983 was het schip in eigendom van Piet Burgers te Lemmer., literatuur:
- Anne Wielinga en Johan Salverda De Lemmerboot, levenslijn tussen Amsterdam en Lemmer (Leeuwarden, 1983).
'- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1999, p. 22
TitelScheepsmodel van de reddingboot Carlot van Terschelling.
VervaardigerVolger, Pieter
Trefwoordenreddingboten, Terschelling
Objectnummer1999-787
Periode van1960
Periode tot1970
BeschrijvingScheepsmodel van de reddingboot Carlot van Terschelling. Waterlijnmodel. Blokmodel. Schaal 1:50. Tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip loopt in ronde lijnen uit op een stompe punt. Opvallend is de bolle terugzwenking van de scheepswand boven het berghout (de plaats van de luchtkasten). Het model van voor naar achter: Over het bergberghout van het schip een rubberen stootband. Op het ronde boeisel boven de stootband opschriften: 'CARLOT' (op het voorschip), 'K.N.Z.H.R.M.' (midscheeps) en 'TERSCHELLING' (op het achterschip). Op de massieve voorsteven twee bolders een een touwgeleider. Op het voorschip een lier en twee andere opbouwen met wielen. Voorts een vangnet aan vier gebogen standers, twee naar beneden buigende pijpen (met kappen) en aan stuurboord bij de reling nog eens drie gebogen pijpen. Over de gehele lengte van het schip is tussen voor- en achtersteven een dubbele touwreling gemaakt. De opbouw loopt naar achteren op. Aan de voorkant van de opbouw de lantaarnmast met in top een witte lantaarn. Achter de mast een rechte pijp en twee naar beneden gebogen pijpen met kappen. Achter de pijpen een opbouw met ramen en daarachter en -boven de stuurhut. Op de hogere deel van de opbouw een luidspreker, een sprietantenne, een radarantenne en twee boordlichten (rood en groen). Achter de stuurhut twee masten. Tussen deze masten en de lantaarnmast is een draadantenne gespannen. Tussen de twee achtermasten een naar beneden gebogen pijp met kap. Op het achterdek een lier en een losse antenne. Op de achtersteven een touwgeleider. Kleuren: De romp is blauw. De stootring is wit. Het voorschip en het achterschip (boven de stootring) zijn wit. De houten dekken zijn gelakt. De opbouw is wit. De lantaarnmast is gelakt en de antennemasten zijn wit. Accessoires: losse bolantenne en losse vlag.
TitelValspar wisselprijs in de vorm van een gestileerd dertig-kwadraat jacht.
VervaardigerVan Kempen en Gerritsen
Trefwoordendertig-kwadraat-klasse, Sneekweek
Objectnummer1999-797
Periode van1937
Periode tot1937
BeschrijvingZeilprijs in de vorm van een zilveren zeiljacht uit de dertig-kwadraat-klasse. Gestileerd: romp met draaiende mast met daaraan vast de zeilen. Op het grootzeil is gegraveerd 'VALSPAR WISSELPRIJS 1937'. Het zilveren jacht staat op een hardhouten plank. Op de plank vier zilveren plaatjes met inscriptie: de namen van de winnaars, het zeilnummer, de scheepsnaam en het jaar: 1937 - 15 - Corrie - A. v. Gool 1938 - 15 - Jo - H.J. Dijkstra 1939 - 3 - Sperwer - H. Geveke 1940 - 15 - Jo - H.J. Dijkstra 1941 - 16 - Agatha - J. Visser 1942 - 16 - Agatha - J. Visser 1945 - 1 - Li - W.B. v/d Meer 1946 - 1 - Li - W.B. v/d Meer 1947 - 16 - Sperwer - H. Geveke 1948 - 1 - Li - W.B. v/d Meer 1949 - 1 - Li - W.B. v/d Meer 1950 - 7 - Rietvink - H. Geveke 1951 - 7 - Rietvink - H. Geveke 1952 - 16 - Sperwer - W.H. Fahner 1953 - 7 - Rietvink - H. Geveke 1954 - G. v.d. Meer Leeuwarden 1955 - H. Geveke Hoogeveen 1956 - G.W. v/d Meer 1957 - S.J. Rijksman Wapenveld 1958 - G.W. v/d Meer 1959 - A. Vollema Grouw 1960 - Tj. Geveke Leeuwarden 1961 - G.W. v/d Meer 1962 - H. Geveke Kampen 1963 - Tj. Geveke Leeuwarden 1964 - H. Geveke Kampen 1965 - Tj. Geveke Leeuwarden 1966 - H. Geveke Kampen 1967 - G.W. v/d Meer Leeuwarden 1968 - H. Geveke Kampen 1969 - Tj. Geveke Leeuwarden 1970 - Tj. Geveke Leeuwarden 1971 - G.W. v/d Meer Leeuwarden 1972 - H. Geveke Kampen 1973 - J.J. Ykema Uddel 1974 - Tj. Geveke Leeuwarden tot 1998 niet verzeild 1999 - J. Schootstra Leeuwarden
AchtergrondinformatieDe beker is vervaardigd door Gerritsen en Van Kempen (1924-1961) te Zeist.
In het programma van de Sneekweek van 1937 is de prijs afgebeeld met daarbij de beschrijving: 'een zilveren 30 m2 jacht, uitgeloofd door de Valspar Lak- en Verffabrieken te Winschoten. Deze prijs moet 3 maal achtereen of vijfmaal in't geheel worden gewonnen in de 30 m2 klasse'.
De dertig-kwadraat-klasse is voortgekomen uit de beperkte zeven-meter-tien-klasse van de N.N.W.B. In deze klasse werd naar hartelust geëxperimenteerd met de vorm van de romp, het roer, de kiel, het tuig, etc. In de dertiger jaar was men het kostbare uitproberen moe. Het bestuur van de N.N.W.B. besloot daarom in 1936 de klasse nieuw leven in te blazen door van de beperkte klasse een eenheidsklasse te maken. De boot van W. Geveke diende als voorbeeld voor ir. Sj. Veeman die de eenheidsklasse zou ontwerpen. Zo ontstond de dertig-kwadraat-klasse, die zeer strikt omschreven was. De lengte was voortaan 7.50 meter en het zeilopperval 30 vierkante meter. De door H. Bulthuis geïntroduceerde lattenbouw werd voortaan ook bij de dertig-kwadraat toegepast. De dertig-kwadraat komt alleen in het noorden voor en is nooit een grote klasse geworden. De regenboogklasse is groter. Tot 1980 was de dertig-kwadraat dan ook alleen erkend door de N.N.W.B. Veel schepen zijn er echter niet van gebouwd. Het was een nogal duur schip. In 1990 zijn de klassevoorschriften aanmerkelijk gemoderniseerd. Zo mogen er sindsdien twee trapezes worden gebruikt.
De dertig-kwadraat heeft van 1937 tot heden (1999) onafgebroken meegezeild in de Sneekweek. Het deelnemersveld was tamelijk constant: 12 in 1937, 15 in 1940, 15 in 1950, 10 in 1960, 8 in 1970, 10 in 1980, 11 in 1990 en 14 in 1998., literatuur:
- J.K. Kuipers, 'De 30 m2 klasse' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1984, pp. 61-66.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.), p. 88
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 106-107
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de hornetklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenhornetklasse
Objectnummer1998-302
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de hornetklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een metalen ring aan de mast en is beleg op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de zijwanden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mast. De giek is van metaal. De voorkant van de giek is aan de mast bevestigd door middel van een ring rond de mast. De grootschoot loopt via een blok op de spiegel en een blok aan de achterkant van de giek en is belegd op een ring op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard loopt van twee ringen aan het voordek naar achteren en is vastgemaakt aan het dwarsschot in het midden van de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (vogel) en het zeilnummer H55. Op de top van de mast een witte windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Knikspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Aan weerszijden op het voordek twee handgrepen. Aan de voorkant van de kuip twee ringen voor de zwaardval. Het midzwaard heeft geen kast maar beweegt in een sleuf die is gesitueerd tussen het afgesloten voordek en het dwarsschot in het midden van de kuip. In het achterste deel van de kuip de ring voor de grootschoot en op de zijwanden twee handgrepen. Het roer hang aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is geheel wit: boven en onder water, voordek en kuip. De metalen delen (mast, giek, roerblad en midzwaard) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de hornetklasse: lengte 4.87 m, breedte 1.39 m, zeiloppervlak grootzeil 8.6 m², genua 4.7 m², spinnaker 13 m². De romp is van hechthout (in Engeland soms van polyester). De rondhouten zijn van hout of metaal. De Hornet is in 1951 ontworpen door de engelsman Jack Holt. De interesse voor de klasse kwam in Nederland langzaam op gang. Van 1963-1968 was het een toegelaten klasse, zonder nationale kampioenschappen. In 1968 kwam werd het een antionale klasse. Bijzonder was dat er voor de fokkenist geen trapeze was aangebracht maar een glijplank dwars op de boot. Dat bleek echter niet praktisch te zijn, vandaar dat rond 1983 de trapeze is toegelaten. Toe is ook het zeiloppervlak vergroot (fok vervangen door genua). De dekindeling is vrij: dubbele bodem, luchtkasten, geen voordek. Ook in 1997 zijn veranderingen doorgevoer: spinnaker vervangen door een gennaker en tweede trapese voor de stuurman. De hornet met zeilnummer 55 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Alleen bij de Sneekweek van 1983 waren er wedstrijden voor de Hornet. Er waren toen 9 deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 36-37
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de flying juniorklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenflying juniorklasse
Objectnummer1998-306
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de flying juniorklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast (metaal). De mast is gestaagd met een voorstag en twee zijstagen (metaaldraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een stagfok en een grootzeil (torentuig). De fokkeval loopt door een blok aan de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de boorden naar achter en zijn niet belegd. Het voorlijk van de fok is niet bevestigd aan de voorstag. Het grootzeil heeft de vorm van een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een sleuf in de mast en het onderlijk is op dezelfde wijze bevestigd aan de giek. De grootzeilval loopt door een gat in de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. Er is geen halstalie. De grootschoot loopt door een blok aan de giek en is belegd op een metalen blok op de bodem van de boot. In het zeil het zeilnummer H1390. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Op de top van de mast een metalen pin met daaraan een zwarte windvaan. De romp. Rondspantromp. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Bol voordek met V-vormige waterlijst voor de mast. Steekmast met daaraan enkele klampen voor de vallen. Achter de mast de kast van het midzwaard. Het midzwaard wordt met midzwaardvallen omphoog getrokken. Deze vallen lopen door ogen die onder het voordek zijn bevestigd en worden belegd op de achterkant van de zwaardkast. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een metalen joystick. In de spiegel twee zelflozers. Kleuren: De romp is wit, zowel onder water als boven water. Oop de binnenkant van de boot is wit. De metalen mast en giek zijn ongeverfd. Het roer is bruin, het onderste roerblad is ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de flying junior: lengte 4.03 m, breedte 1.50 m., zeiloppervalk grootzeil 5.9 m², fok 3.4 m², spinnaker 7.5 m². De flying junior is in 1956 ontworpen door U. van Essen. Hij ontwierp een boot die zou voldoen aan de behoefte aan een tweemans-midzwaardboot waarmee opgroeiende jeugd en volwassenen zouden kunnen wedstrijdenzeilen en toerzeilen. Slechts factoren van snelheid zouden stringent moeten worden gereglementeerd, doch het overige zou vrij moeten worden gelaten. De eerste levensjaren van de flying junior verliepen moeizaam. Het Watersportverbond liet de boot niet toe als nieuwe klasse: de boot zou te duur zijn en de klassevoorschriften waren niet streng genoeg. Het Watersportverbond richtte zich op de sternklasse. In 1956 werd de flying junior club opgericht die zelf wedstrijden organiseerde. Omdat het type populair was werd de flying junior in 1961 toch toegelaten door het Watersportverbond. mits de klassevoorschirften werden aangescherpt. In 1969 werd de klasse ook internationaal erkend. In de loop der jaren is de klasse aangepast: spinnaker (1963), grotere spinnake en trapeze (1985). Afmetingen: lengte 4.03 m., breedte 1.50 m., diepgang 0.85 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 9.3 m2. De flying junior zeilnummer 1390 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek voor van 1978 tot 1980. Als eigenaar werd genoemd H. van der Kevie uit IJlst (scheepsnaam Waggel). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 36-37.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 30-31
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de randmeerklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenrandmeerklasse
Objectnummer1998-309
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de randmeerklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door het voordek en staat op de kielbalk. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen (die door een zaling geleid worden). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen. Deze zijn gestoken in gatenrails op de gangboorden. De fokkeschoten zijn belegd op korvijnagel die voor de schootogen in de gangboorden zijn gestoken. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mast. De giek is van metaal. In de voorkant van de giek een gat die door de mastbeugel is gestoken. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee houten blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken, door een metalen blok op de bodem van de kuip en is belegd op een gatenrail op de bodem van de kuip. De val van het midzwaard is van metaal. Deze steekt uit de bodem van de kuip (het midzwaard valt in de holte van de kiel en heeft dus geen zwaardkast nodig), loopt door een ring in het vooronder en is belegd op een bolder in het midden van de kuip (bakboord). In het grootzeil de klasse-aanduiding (streep boven en streep onder het zeilnummer) en het zeilnummer 443. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant met S-vorm. Scherpe voorsteven. Gebogen (van boven gezien) spiegel, die schuin achterover op het water staat. De boot is uitgerust met een kielmidzwaard (holle kiel met daarin een midzwaard). Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. In het midden van het voordek een bolder. Achter de mast de kuip. Deze is zeer ruim, ook al omdat er geen zwaardkast is. In het achterste deel van de kuip een verhoging met deksel. Op de boorden van het achterschip aan weerszijden twee bolders. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De gebogen helmstok is van hout. Kleuren: De romp is blauw. Het onderwaterschip is wit. De dekken zijn wit met blauwe biezen (kuiprand, rand op het voordek. De kuip is wit. De bovenkant van het roer en de helmstok zijn gelakt. De metalen delen (rondhouten, roerblad, midzwaard) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de randmeerklasse: lengte 6.50 m, breedte 2.15 m, zeiloppervlak grootzeil 11.4 m², fok 5.6 m², genua 7.7 m², spinnaker 19.5 m². De romp is van polyester en de rondhouten van aluminium.
De Randmeer is in 1958 op verzoek van het KNWV ontworpen door E.G. van de Stadt. Het schip moest geschikt zijn voor grotere wateren, zowel voor zeilwedstrijden als voor toertochten. Het werd een strikte eenheidsklasse: alle schepen komen uit één mal en zijn uitgerust met identiek tuigage. De rompt heeft een S-spantvorm met kiel-midzwaard. Voor wedstrijden is de randmeer uitgerust met trapeze en spinnaker. Oorspronkelijk werd de randmeer gebouwd door E.G. van de Stadt, vanaf 1969 echter alleen nog bij een scheepswerf in Heeg. In de loop der tijden zijn aanpassingen aangebracht: metalen vallen, spinnaker toegestaan en sind 1996 een midzwaard. In 1992 werd een scheiding aangebracht: de classic (de oude uitvoering), de touring (toerboot, waar geen meetbrieven voor worden uitgegeven) en de advance (hogere kuipvloer, zelflozers) speciaal voor wedstrijden.
De randmeer met zeilnummer 443 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in de jaren 1982-1991. Naam van de boot: Barebiter. Eigenaar was steeds H. Bakker te Sneek. Wedstrijden voor de randmeerklasse zijn er geweest bij de Sneekweek vanaf 1970. Het aantal deelnemers groeide snel. In het eerste jaar waren het er 7. Een topjaar was 1997 met 38 deelnemers. Gemiddeld verschijnen er bij de randmeerwestrijden 27 deelnemers aan de start.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 58-59
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 70-71
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelZilveren skûtsje. Zeilprijs van het SKS-skûtsjesilen.
VervaardigerRepko
TrefwoordenTerherne, skûtsjesilen S.K.S.
Objectnummer2001-005
Periode van1963
Periode tot1963
BeschrijvingZilveren model van een skûtsje. Geplaatst in een glazen kastje. Op de grondplaat zijn vijf zilveren plaatjes met inscriptie bevestigd. Twee plaatjes aan de binnenkant van het glas: één met het merk "Repko Sneek" en één met de naam van de prijs "Lucas Bols Trofee / Wisselprijs skûtsjesilen". Op de buitenkant van de grondplaat drie plaatjes met de namen van de winnaars van de prijs: "Winnaar 1963 Heerenveen", "Winnaar 1964 Heerenveen" en "Winnaar 1965 Heerenveen".
AchtergrondinformatieDe zeilprijs is afkomstig uit de prijzencollectie van skûtsjeschipper Siep van Terwisga. Hij was schipper van het skûtsje van Heerenveen van 1962 tot 1967. In 1962 werd hij derde, in 1963, 1964 en 1965 eerste, in 1966 vierde en in 1967 tweede.
TitelScheepsmodel van de binnenklipper Anna Cornelia.
VervaardigerBosma, Andries
Trefwoordenklippers
Objectnummer1988-260
Periode van1988
Periode tot1988
BeschrijvingScheepsmodel van de binnenklipper Anna Cornelia. Zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft één mast en een boegspriet. De boegspriet is met een bout in een vaste houder geplaast en vastgezet met een metalen beugel daar overheen. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het lopende en staande want is met puttingijzers vastgezet op het boeisel. Aan stuurboord is in het staande want een lantaarn gehangen (rondschijnend wit licht). De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een boomfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveler. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder op het voordek. De boomfok is voorzien van een giek (de boom) die draait in de bok van de mast. Het voorlijk van de boomfok is met metalen ringen bevestigd aan het voorlijk. De fokkeschoot bestaat uit een metalen veer die is bevestigd op een blok, dat is vastgemaakt aan de overloop op het tussendek. In de boomfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel met hanekam en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot loopt via katrollen op de roef en op het achterdek naar de lier op het achterschip. De vallen van de zeilen worden met een lier aan de voet van de mast bediend. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollandse hoekje. Op het achterschip een rechte vlaggenmast met daarin een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van metaal en zijn voorzien van lopende schijven.
De romp: scherpe voorsteven (klippersteven), rond geveegd achterschip, vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: Op het boeisel van het voorschip is een geschilderde versiering aangebracht (krullen, oorspronkelijk een hoorn des overvloeds voorstellende). Daaronder de kluisgaten. Uit het kluisgat aan stuurboord hangt een anker. Het andere anker ligt op het voordek. Dat kan worden uitgezet met een davit die aan bakboord is geplaatst op het voordek. Achter de ankerdavit een ankerlier, die tevens gebruikt kan worden voor de bok, waarmee de mast gestreken wordt. Voorts op het voordek een metalen schuifkap met dubbele deuren die toegang verschaffen tot het vooronder.
Voor de mast een ruim dat wordt afgesloten door twee maal vijf luiken. Boven het ruim de bok waarop de stag van de fok is vastgezet en die gebruikt wordt bij het strijken van de mast. Naast de mast twee lieren voor de vallen van de zeilen. De zwaarden zijn voorzien van een verdikte kop, metaalbeslag langs de randen en een beschermplaat aan de onderkant. De zwaardloper (ketting en metaaldraad) gaat via een schildpadblok naar binnen en is vastgezet op een ankerlier op het achterschip. Het ruim achter de mast wordt afgesloten door twee maal twaalf luiken. Achter dit ruim de roef. Voor de vensters in de roef schuifluiken. De roef heeft twee ingangen. Op het dak van de roef een lichtkap, twee schoorstenen, de boordlichten (rood en groen) en de opbolling van de ronde roefdeuren. Op het achterdek twee zwaardlieren. In het midden van het achterschip den overkapping van het stuurwerk (voorzien van stuurrad) en een combinatielier (gebruikt voor het vierarmig hekanker en de grootschoot). Op de achterkant van deze overkapping een heklicht. Op het boeisel ter hoogte van de roef de houten naamborden met daarop: "Anna Cornelia Sneek".
Kleuren: de romp van het schip is zwart met een gele bies op het berghout. Ook het dik is zwart. De luikhoofden zijn bruin (havanna). De roefwanden, de dekpllat van de voorlier en de koppen van de bolders zijn wit. Het dak van de roef is groen met een rode bies.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen., Het model is gebouwd naar aanwijzingen van marten Sybranda, de schipper van de klipper Anna Cornelia., De klipper is een binnenschip, een ijzeren of stalen zeilvaartuig, waarvan de naam is ontleend aan het snelzeilend zeegaand koopvaardijschip: de clipper. De eerste ijzeren binnenvaartschepen hadden dezelfde vorm als hun houten voorgangers. De ijzerbouw maakte echter ook andere vormen mogelijk. Er werd bijvoorbeeld meer gelet op stroomlijn. Dat bevorderde de snelheid en dat was belangrijk in de concurrentie met stoom- en motorschepen. De voorsteven van de klipper is gebogen in een S-vorm. In de metaalbouw was het mogelijk overgangen van hol naar bol te maken, zelfs op korte afstand van elkaar. het achterschip is geveegd en heeft een overhangend hek. Er zijn wel regionale verschillen in de vorm van de klipper. In het zuiden wilden men klippers met snelheid (scherpe steven) en in het noorden lette men meer op laadvermogen (volle kop). Ook kenmerkend voor de noordelijke klipper is het schuine hek. Klippers waren uitgerust met moderne hulpmiddelen: een stuurrad in plaats van een helmhout en lieren voor zwaardlopers en vallen in plaats van takelage met blokken. De klipper was een populair binnenvaartschip: in 1940 voeren er 1471 van in Nederland., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1988, pp. 21-22
TitelSpeelscheepje van het type grutte folle, gebruikt door Lieuwe Hofstra te Grou.
Vervaardigeronbekend
TrefwoordenHofstra, Lieuwe
Objectnummer2001-296
Periode van1900
Periode tot1950
BeschrijvingSpeelscheepje. Type Grutte folle.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast en een dubbele boegspriet. De mast is de romp gestoken. De mast is niet gestaagd. De ijzeren boegspriet bestaat uit twee gedeelten die in elkaar schuiven. Ook de boegspriet is niet gestaagd. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de fok is met een lijn vastgezet op de voorkant van de boespriet. De hals van de fok vastgezet op een ring van de overloop voor de mast. Aan de fok zijn geen schoten gemaakt. De top van de fok is met een haak vastgezet aan een ring in de top van de mast (er is geen fokkeval). Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het zeil is aan de gaffel vastgenaaid. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De voorkant van de giek hangt met een zwanehals in een oog aan de mast. De halstalie is vastgezet aan een ander oog in de mast. De achterkant van de giek hangt met een touw aan het zeil. Er is geen kraanlijn. De grootschoot is bevestigd aan ogen in de giet en in het dek. De beide vallen aan de gaffel lopen door een ring in de top van de mast en zijn vastgezet aan een ring in de voet van de mast. De tuigage heeft geen blokken. Er is geen vleugel.
De romp heeft de vorm van een sloep. De voorsteven is gebogen en naar onderen gepiekt. De romp is bol en versmalt zich naar achteren. De spiegel is plat en is zo zeer gepiekt dat het bijna een driehoeksvorm is. De bodem is voorzien van een aangehangen kiel. Het speelscheepje heeft geen roer.
Het model van voor naar achter. Het model is gladdeks. De boegspriet is vastgezet op het voordek. Op het voordek een metalen klamp. Vlak voor de mast de metalen overloop van de fokkeschoot. Op het achterdek is alleen het oog van de grootschoot te zien.
Kleuren: De romp is wit en is voorzien van een zwarte en een rode bies. Het dek is wit met zwarte buitenrand en zwarte, langsscheepse lijnen die dekplanken moeten suggereren. De rondhouten zijn gelakt. De stander is wit.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is gebruikt door Lieuwe Hofstra te Grou., De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelScheepsmodel van kruidnagel. Zeemanssouvenir van de Molukken.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenprauwen, Molukken
Objectnummer2001-388
Periode van1875
Periode tot1925
BeschrijvingScheepsmodel van een Indische prauw, gemaakt van kruidnagel. Rank, langwerpig schip met hoge voor- en achtersteven. In het midden een open kajuit. Het schip wordt door acht mannen geboomd. Het model staat op een houten stander.
AchtergrondinformatieHet scheepsmodel is afkomstig van de Molukken. Waarschijnlijk is het model een voorstelling van een Rambaya of Pentjalang. Dit is een aan de prauw (perahu) verwant kielvaartuig uit de Molukken, zonder vlerken, met hoog oplopende steven en vaak met prachtig snijwerk versierd.
De kruidnagel (kretek) is op de Molukken eeuwenlang verbouwd. De teelt van kruidnagel en muskaatnoot werd verplicht gesteld door de VOC. Met tegenzin verbouwden de Molukkers deze gewassen. Nog steeds zijn er op de Molukken grote kruidnagelplantages. Op de wereldmarkt kan de Molukse kruidnagel echter niet concurreren met die uit Afrika. De Molukse kruidnagel wordt niet gebruikt voor culinaire doeleinden, maar voor de kruidnagelsigaretten (kreteks).
Kennelijk werden van kruidnagel ook souvenirs van gemaakt die aan zeelieden werden verkocht of via de zending hun weg vonden naar Nederland.
BeschrijvingSpeelscheepje. Op spanten gebouwd, overnaads. Schaal niet bekend. Groot onderwaterschip met een met lood verzwaarde kiel. De voorsteven is vertikaal. De achtersteven is overhangend. In het midden is het schip zeer buikig.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft een boegspriet en één mast. De boegspriet rust op de voorsteven en is aan de achterkant met een pint een in een houder op het voordek gestoken. De mast wordt in een houder op het dek gestoken. De mast bestaat uit twee gedeelten: een mast en een grote steng. Op de overgang en van mast en steng de dwarse zalingen voor de verstaging. De mast is voorzien van een giek en een rechte gaffel. Voorts nog twee lsose rondhouten. Mast en rondhouten zijn voorsien van metalen beslag (banden en ogen). De rondhouten zijn niet gestaagd. er zijn geen zeilen. Alleen van de grootschoot is het hakkeblok op de achterste overloop gewaard.
Het model van voor naad achter: Op de buitenkant van de voorsteven twee ogen. Op het dek, net achter de voorsteven de houder van de boegspriet en een braadspil voor het ankertouw. Op de boeisel van het voordek metalen klampen en ogen voor de verstaging. In het midden van het dek een metalen dop waar de mast in wordt gestoken en de overloop van de fok (die loopt van boeisel tot boeisel). Achter de overloop de luikenkap. Deze heeft een parabolisch gebogen lijn. De luikenkap kan weggenomen worden om in het ruim te kijken. Daar is te zien dat aan de binnenkant van het model beton bevestigd is. Achter de luikenkap de korte overloop voor de grootschoot. Over het boeisel van het achterschip is een metalen reling aangebracht. Het achterdek versmalt naar achteren. In het smalle gedeelte is een gat gemaakt voor de roerspil. Het roer is er nog wel, maar kan niet meer opgehangen worden. Op de achterplecht een metalen plaatje met daarop "J. Jansen". De stander ontbreekt.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. Op het dek zijn enkele delen rood. De rondhouten zijn ongeverfd.
Accessoires: noodstander en twee losse rondhouten
AchtergrondinformatieHet model is vervaardigd door Jelle Jansen uit Dokkum. Hij is geboren in 1884 of 1885 en overleden op bijna 100-jarige leeftijd. Hij had een slijperij aan de Lange Oosterstraat aldaar. Hij stopte pas met werken in 1964 toen hij 79 jaar was. Jelle Jansen was al vanaf zijn 12de jaar scharen- en messenslijper. Hij volgde zijn vader op in dat beroep. Zijn vader was ambulant slijper op een schip met Dokkum als domicilie. Jelle Jansen had een slijperij op een kar. Vanaf 1924 had hij een vaste werkplaats aan de Lange Oosterstraat. Naast de slijperij onderhield Jansen ook een busdienst op Leeuwarden, hij verkocht en verhuurde auto's en fietsen. In dat vak zijn zijn kinderen en kleinkinderen doorgegaan: een fietsenzaak. Een van de kleinkinderen vond op de zolder van de fietsenzaak dit speelscheepje.
De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Het model van de balieman zal waarschijnlijk niet voor wedstrijden zijn gebruikt.
TitelInstructiemodel van een zeiljacht: schoten en vallen.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenzeilscholen, Sneek
Objectnummer2001-612
Periode van1965
Periode tot1985
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht. Blokmodel.
De romp is - van boven gezien - granaatvormig en is voorzien van een vaste kiel.
Rondhouten en tuigage: het model heeft een mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door twee zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een stagfok een een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn van witte dacron. De schoten en vallen lopen door blokken met lopende schijven.
Het model van voor naar achter: De voorsteven is verstevigd met een metalen strip. Op het voordek twee metalen touwgeleiders en een houten bolder. Voor de mast een V-voirmige waterlijst. De mast rust in een mastkoker met scharnierconstructie. Aan de mastkoker een nagelbank met korvijnagels en klampen. Achter de mastkoker de kuip. In de kuip de houten bolder waarop de grootschoot is vastgezet. Op de gangboorden de houten schootogen van de fokkeschoten. Op het achterdek het helmhout van het roer, twee klampen, de overloop van de grootschoot en een metalen touwgeleider.
Kleuren: de romp is wit, het onderwaterschip is rood. De dekken en de rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: schaarmik en stander.
AchtergrondinformatieHet scheepsmodel werd gebruikt als instructiemodel op de Eerste Friese Zeilschool te Sneek. Met het model kon worden geoefend in de behandeling van de tuigage: hijsen en strijken van zeilen en het schotenwerk. Het model is volledig uit afvalmateriaal gemaakt. De zeilen werden vervaardigd door Maaike Bouma.
TitelInstructiemodel van een zeiljacht: verstaging.
VervaardigerBoon, Dick
Trefwoordenzeilscholen, Sneek
Objectnummer2001-613
Periode van1965
Periode tot1985
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht. Blokmodel.
De romp is - van boven gezien - granaatvormig en is voorzien van een middenzwaard.
Rondhouten en tuigage: het model heeft één mast. De mast heeft een voorstag op een boom (sprenkel), waarmeer de mast gestreken kan worden. Aan weerszijden zijn er twee zijstagen (wanten). De ene zijstag (diamantverstaging) loopt van de masttop, via een V-spreider (zaling) naar een ring op tweederde van de mast, en vandaar naar beneden. De andere zijstag loop van de basis van de V-spreider (zaling) naar beneden. Aan de achterkant een achterstag (hekstag) die aan de onderkant in een spruit wordt gesplitst en is vastgezet op de achtersteven. Het model heeft geen zeilen en geen vallen. De giek is aan de voorkant met een lummel aan de mast gehangen en rust aan de achterkant in een metalen mik, die in het achterdek is gestoken. Bovendien is aan het achtereind van de giek een kraanlijn bevestigd.
Het model van voor naar achter: op het voordek een oog voor de strijkinrichting van de mast en een houten bolder. De mast rust in een mastkoken met aan de onderkant daarvan een nagelbank met korvijnagels. Achter de mast de kuip met daarin de zwaardkast van het middenzwaard. Op het achterdek de metalen mik en de bevestiging van de achterstag.
Kleuren: de romp is geheel wit. De rondhouten zijn gelakt en het midzwaard is rood.
Accessoires: mik.
AchtergrondinformatieHet scheepsmodel werd gebruikt als instructiemodel op de Eerste Friese Zeilschool te Sneek. Met het model kon de verstaging van een zeiljacht worden getoond.
TitelInstructiemodel van een zeiljacht: vier strijkinrichtingen.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenzeilscholen, Sneek
Objectnummer2001-614
Periode van1965
Periode tot1985
BeschrijvingGestileerd scheepsmodel van het voorschip van een zeilschip. Open constructie zonder scheepswanden, zodat ook onder het voordek alles zichtbaar blijft. Op het model kunnen drie opzetstukken geplaatst worden, ieder met een andere soort van maststrijkmethode. De basis toont een steekmastin een messelbank. Een opzetstuk heeft een mast met contragewicht. Een ander opzetstuk heeft een mast met bokkepoten en een boktalie. Het laatste opzetstuk heeft een mast met sprenkel (enkele boom) en een strijktalie.
AchtergrondinformatieHet model en de opzetstukken werden gebruikt als instructiemodel op de Eerste Friese Zeilschool te Sneek. Verschillende methoden van het strijken van de mast konden er mee gedemonstreerd worden. Het model is gemaakt door de medewerkers van de zeilschool.
BeschrijvingScheepsmodel van een Fries maatkastje met de naam Hoop en Vertrouwen. Zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20. ermonnikoog. Zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft één mast. De mast staat in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag op de bok, door een staand want van vier hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande want is met puttingijzers vastgezet op de scheepsromp. De bakstagen zijn aan de onderkant voorzien van een metalen blok. Een lijn door dat blok loopt naar achteren en wordt bediend met de ankerlier. De mast kan worden gestreken met behulp van een bok. Dit zijn twee rondhouten die in een V-vorm over het voorruim liggen. Deze bokkepoten scharnieren aan de achterkant en worden aan de voorkant naar beneden gehouden met een lijn. Deze lijn loopt door een metalen blok naar voren en wordt bediend door de ankerlier op het voorschip.
De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de kluiver is vastgezet op de ankerdavit op het voorschip. De kluiverval loopt door een houten blok aan de mast, is aan de onderkant getakel door een kattekopblok en word belegd op een klamp aan de onderkant van de mast. De schoten van de kluiver zijn vastgezet op de bolders van het voolschip. De stagfok is met de voorpunt vastgezet op de punt van de bok. Het voorlijk van de fok is met metalen leuvers vastgezet op de voorstag. De fokkeval loopt door een metalen blok in de top van de mast naar een lier aan de voet van de mast (bakboordzijde). De fokkeschoot loopt van een metalen veer aan de fokkehals door een blok op de overloop op het tussendek, naar boven. Daar loopt de fokkeschoot door een metalen blok weer naar beneden, naar een lier aan de voet van de mast (bakboordzijde). Zowel de val als de schoot van de fok worden dus bediend met een lier. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. Aan de bovenkant heeft de gaffel een gatenrail waarin met meerdere woelingen de top van het achterlijk van het grootzeil is vastgemaakt. Aan de voorktan heeft de gaffel een brede metalen, en aan de binnenkant met leer beklede gaffelbek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen met rakkralen aan de mast bevestigd. De hals van de fok wordt naar beneden gehouden door een halstalie die loopt door drie houten blokken (twee op de lummelbank en een aan de hals van het zeil)l. De giek van het grootzeil hangt aan de voorkant met een (scharnierende) lummel in een grote lummelbank aan de voet van de mast. Aan de achterkant hangt de giek in de kraanlijn, die loopt door een metalen blok in de top van de mast en die wordt bediend met een lier aan de voet van de mast (stuurboordzijde). De klauwval en de piekeval van de gaffel worden met dezelfde lier bediend. Het grootzeil is voorzien van twee rijen reeftouwen. In het achterlijk van het grootzeil twee reefringen die bij het reven met de smeerreep (aan stuurboordzijde van de giek) naar beneden getrokken kunnen worden. Aan bakboordzijde van de giek loopt de grootschoot. Aan het achtereinde van giek loopt de grootschoot (een tussenstuk van ketting) door een metalen katrol en vervolgens door een aantal dubbele en enkele katrollen op de achterwand van de roef en het achterdek naar de ankerlier op het achterschip. Met deze lier wordt de grootschoot bediend.
Aan de mast is aan bakboordzijde nog een uithouder voor een lantaarn (rondschijnend wit licht) gemaakt. In de top van de mast een blauwe vleugel. Alle blokken zijn voorzien van lopende schijven.
De romp: scherpe voorsteven (klippersteven), rond geveegd achterschip, vlakke bodem.
Het model van voor naar achter. In het voorschip twee kluisgaten. Uit het kluisgat aan stuurboordzijde hangt een twee-armig anker. De ankerketting daarvan loopt door het andere kluisgat naar binnen en wordt bediend met de ankerlier op het voorschip. Op de voorsteven een davit met daaraan een stokanker. Ook de ankerketting daarvan loopt naar de ankerlier op het voorschip. De davit wordt vooruitgehouden door twee lijnen die zijn vastgezet op kleine bolders op eht boeisel van het voordek. Op het voordek de ankerlier en aan stuurboordzijde de metalen schuifkap met dubbele deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. Daarachter het voorruim: een luikenkap met houten luiken Daarboven de bokepoten voor het strijken van de mast. Aan de voorkant van het voorruim is een uitsparing gemaakt voor de takeling van de bokkepoten. Op het tussendek (tussen voor- en achterruim) de mastkoker en twee lieren. Net achter de puttingijzers van het staande want de zwaarden. Deze zijn opgehangen in scharnierende zwaardbouten. De zwaarden zijn voorzien van metalen zwaardkoppen (voorzien van een sierster bij de zwaardbouten) en van metalen beschermplaten aan de onderkant. De zwaardlopers gaan via metalen blokken aan de buitenkant van het schip en op de gangboorden naar achter en worden bediend met zwaardlieren op het achterschip. Het achterruim is bedekt met houten luiken. Daar op liggen in twee houders een loopplank, een pikhaak en een vaarboom. Achter het voorruim de roef. Op het dak van de roef twee lichtkappen, twee schoorstenen en aan weerszijden twee handrelingen. In de zijwanden van de roef drie vensters die met schuifluiken kunnen worden afgesloten. In de achterwand van de roef een dubbele deur moet toog. Voorts tegen de achterwand een scheepsbel en een kist (voor reddings- en blusmateriaal). Ter hoogte van de roef zijn in de boeisel houten zetboeisels geplaats met daarop de naam van het schip: "Hoop en Vertrouwen Sneek 250 ton". Op het boeisel van het achterdek twee paren bolders en een metalen reling. Op het achterdek twee zwaardlieren en een stuurkast met stuurwiel waarin tevens de lieren van de grootschoot en van het hekanker zijn verwerkt. Het hekanker is vierarmig (dreganker) en hangt uit een ankergat aan de onderkant van het achterschip.|
Kleuren: de romp van het schip is zwart met op het voor- en achterschip een witte bies boven de berghouten. De bovenkanten van de verbrede boeisel op voor-en achterschip zijn havannabruin. De dekken en gangboorden zijn grijs. De luikhoofden en de wanden van de rof zijn havannabruin. Het dak van de roef is lichtgroen. De zijwanden van de roef zijn bij de ramen wit (met bruine accenten). De ankerlier op het voorschip heeft een witte dekplaat. De andere lieren zijn bruin met accenten in zwart en wit (de lierwielen). De rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: vaste stander, loopplank, pikhaak en vaarboom.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar tekeningen en beschrijvingen in het boek "De Ideaal, de geschiedenis van een binnenschip" van Gep Frederiks. Het schip is in 1926 gebouwd op de scheepswerf Jaap Hendriks te Doodewaard in opdracht van Willem Frederik Penraad. Het schip stond geregistreerd in Maurik, Amsterdam en Wageningen. Afmetingen: lengte 31.50 meter, breedte 6.11 meter. Een Friese maatkast is niet een typisch Fries schip. Ook buiten Friesland werd dit schip veel gebouwd.
Een Fries maatkastje is 31.50 meter lang en circa 6.20 meter breed en de tonnemaat bedraagt circa 250 ton. De lengtemaat wordt bepaald door de grootte van de sluis van Stavoren, die 32 meter lang was. De breedte van de schepen was door de bouwer of opdrachtgever zelf te bepalen, maar werd beperkt door een brug in het Oude Hoendiep van de vaarweg naar Groningen. Deze brug, tussen Enumatil en de Poffert, liet een breedte door van 6.20 meter. Bredere schepen moesten op weg naar Groningen via Dokkumer Nieuwe Zijlen en Zoutkamp., literatuur:
- Gep Frederiks, De Ideaal, de geschiedenis van een binnenschip (Amsterdam, 1980).
- L. Kamminga 'Het friese maatkastje' in Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, pp. 47-49.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 16
- M. Sybranda 'Maatschepen' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, pp. 51-56
TitelScheepsmodel van een skûtsje, gemaakt van koper.
VervaardigerTjerkstra, Anne
Trefwoordenskûtsjes
Objectnummer2002-041
Periode van1978
Periode tot1978
BeschrijvingScheepsmodel van een skûtsje, vervaardigd van geel koper (messing) en rood koper. Ook de zeilen zijn van koper.
De romp is rond van vorm.
Rondhouten en tuigage. Het schip heeft één mast. Daaraan een staffok en een grootzeil. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. De zeilen zijn van messing. De vallen en lijnen zijn van metaaldraad. Niet overal zijn blokken gebruikt. De blokken in de top van de mast zijn van kunststof (goudkleurig geverfd). In de top van de mast een metalen vleugel.
Het schip van voor naar achter. Op de voorsteven de opsteker die door een waterstag wordt gehouden. Op het voordek een luik naar het vooronder en het luik voor het contragewicht van de mast. Voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Achter de mast de luikenkast, afgedekt met luiken van rood koper. De zwaarden zijn voorzien van verdikt koppen en een ster op het gat van de zwaardbout. De roef heeft in de zijwanden patrijspoorten (één aan elke kant) en vensters die zijn voorzien van schuifborden (twee aan elke kant). In de achterkant van de roef de ingang. De deur daarvan ontbreekt. Wel is er een schuifkap. Op het dak een Y-vormige schoorsteenmik en een lichtkap. Op het boeisel is ter hoogte van de roef een reling gemaakt. Aan het achterschip het roer.
Accessoires: het model staat op twee brede houten blokken.
AchtergrondinformatieAnne Tjerkstra bezocht de ambachtsschool. Werkte bij de Marine en werd onderhoudsmonteur van Lankhorst Touwfabrieken in Sneek. In 1975 kwam hi in dienst van de Provincie Fryslân: hij werd schipper van het Statenjacht Friso. Daarnaast is Anne Tjerkstra bekend als skûtsjeschipper: eerst van het Jouster skûtsje en sinds 2001 van het skûtsje De Jonge Jan van Langweer.
TitelScheepsmodel van de Oostindiëvaarder Batavia.
VervaardigerVos, Willem, onbekend
TrefwoordenOostindiëvaarders, koopvaardijschepen
Objectnummer2002-043
Periode van2000
Periode tot2000
BeschrijvingScheepsmodel van de Oostindiëvaarder Batavia. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend (1:75)
De romp: Het voorschip is rond en is voorzien van een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is plat en loopt naar boven breed uit om vervolgens weer te versmallen. De bodem is rond en is voorzien van een kielbalk.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft een boegspriet en drie masten. De boegspriet hangt in drie voorstagen aan de fokkemast. In het galjoen is de boegspriet vastgezet met een woeling (touwlussen). Aan de achterkant steekt de boegspriet door de het galjoen en is vastgezet op de voorsteven. Onder boegspriet hangt een ra. Op de voorkant van de boegspriet een blindesteng die met een want van drie hoofdtouwen wordt gehouden op het kraaiennest op de voorkant van de boegspriet. Aan de blindesteng hangt een ra. De fokkemast staat op het voordek en bestaat uit dire delen: de mast, de marssteng en de bramsteng. Alle drie mastdelen zijn met wanten vastgezet op rusten (op de romp) en op de onderliggende kraaiennesten. Bovendien worden de twee stengen gehouden door een lopend want van twee bakstagen. Aan de fokkemast drie ra's. De grote mast bestaat uit drie delen: de mast, de marssteng en de bramsteng. Alledrie delen worden aan de voorkant gehouden door een voorstag op de fokkemast. Aan de zijkanten wordt de grote mast en de stengen daarboven gehouden door staande wanten (vastgezet op rusten aan de romp en op de onderliggende kraaiennesten) en de stengen bovendien door een lopend want van twee bakstagen. Aan de grote mast hangen drie ra's. De bezaanmast op het achterschip bestaat uit twee delen: de mast en de steng. De bezaanmast wordt gehouden door twee voorstagen (een aan de voet van de grote mast en een mest deelstagen op het staande want van de grote mast), door staande wanten (die zijn vast gezet op rusten aan de romp en op het onder de steng liggende kraaiennest) en door een lopend want van twee bakstagen. Aan de bezaanmast hangen een ra en een bezaansroede (giek van het latijnzeil). Alle masten en de blindesteng zijn voorzien van een vlaggenmast. De verstaging is van donker touwwerk.
De zeilen zijn van witte katoen. Onder de boegspriet wordt een blinde gevoerd en aan de blindesteng op de voorkant van de boegsrpiet een bovenblinde. Aan de fokkemast (van beneden naar boven) een fok zonder bonnet, een voormarszeil en een voorbramzeil. Aan de grote mast (van beneden naar boven) een grootzeil, een grootmarszeil en een grootbramzeil. Aan de bezaanmast (van beneden naar boven een latijnzeil en een kruiszeil. Alle razeilen zijn bijgezet en hangen in de gij: de schoten aan de onderlijken zijn omhoog getrokken. De vallen en de schoten zijn van licht touwwerk. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
Vlaggen: op het achterschip een vlag met drie maal rood-wit-blauw, op de bezaanmast een oranje vleugel, op de grote mast een rood-wit-blauwe wimpel met zwaluwstaart, op de fokkemast een gele vlag en op de blindesteng een rood-wit-blauwe prinsvlag.
Het model van voor naar achter.
Het galjoen is gebogen V-vormig en is voorzien van een roosterdek met reling. Op de reling en op een balk tussen de relingen korvijnagels. De onderkant van het galjoen is verzierd met snijwerk, aan de voorkant uitlopend in een galjoensleeuw. Aan het einde van het galjoen steken de kraanbalken schuin naar voren uit het voorschip. Daaraan hangen de ankers. De dwarsscheepse kraanbalken zijn niet voorzien van ankers. Op het verhoogde voordek een nagelbank, bolders, ringen en rooster en een kaapstander. Rondom het voordek een reling. In de schuine wand tussen het voordek en het lagere middendek twee toogvormige deuren. Op het midden dek twee roosters en een sloep. De grote mast staat op de overgang van middendek naar halfdek. Aan de voet van de grote mast een nagelbank. Tussen middendek en halfdek twee trappen. In het halfdek vier roosters. Aan de voorkant en aan de zijkanten van het halfdek relingen.
en gemaakt, waaruit de lopen van de kanonnen steken. Ook in de verschansing van het halfdek zijn geschutspoorten gemaakt, voor vier kanonnen die op dat dek staan opgesteld. Dat maakt het totaal aantal kanonnen van dit schip 48. In het middendek is een luikhoofd gemaakt dat wordt afgesloten met twee luiken. Achter de grote mast een nagelbank. Het halfdek is verhoogd. De voorkant ervan loopt met een boog rond de grote mast en is afgesloten met een reling. In het halfdek is een rooster gemaakt (om de kruitdampen van de kanonnen op de verdieping eronder te kunnen lozen). Achter op het halfdek de bezaanmast en daarachter het dubbele stuurrad met daarboven een boogvormige dwarsbalk. Achter het halfdek de campagne. In de voorwand van de campagne is een deur gemaakt. Aan de achterkant van het campagnedek een vlaggemast (zonder vlag). Achter het halfdek nog drie verhoogde dekken: het verdek, de stuurplecht met de kolderstok van het roer en de campagne. In de voorwanden daarvan deuren die toegang verschaffen tot de bemanningsverblijven. De romp van het schip is voorzien van rusten voor de staande wanten daaronder aan elke zijde twaalf geschutspoorten waar evenzovele kanonslopen uit steken. Tegen het achterschip hangt de galerij, het toilet van het schip.
De spiegel is versierd met beeldenranden , engelen en het wapen van Amsterdam. Daaronder drie toogvormige ramen met daartussen chariatiden. Onder de ramen de wulf. Net als de galerij is de wulf voorzien van gesneden consoles. Onder de wulf het roer en aan weerszijden daarvan twee naar achter gereciht kanons. Aan de bovenkant van de spiegel een lantaarn.
Kleuren: De roemp is gelakt. Boven de rusten zijn de boeisels en berghouten rood en groen met accenten (relingen, beelden, consoles etc. in geel. De wulf is wit. Het snijwerk van de spiegel is beschilderd in de kleuren rood, wit, zwart, oker, en rood. De dekken zijn gelakt. De wanden tussen de verschillende dekken zijn groen en de deuren zijn rood. De relingen zijn oker met standers in rood. De galjoensleeuw is rood met geel. De rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: een vaste stander. Op de stander twee metalen plaatjes met opschrift: "Batavia 1628" en "Oude Rijkswerf Willemsoord Den Helder 7 dec. 2000).
AchtergrondinformatieWillem Vos bouwde aanvankelijk schepen in Broek oin Waterland. In 1976 begon hij in Sint Jacobiparochie, waar hij toen woonde, met de bouw van een Zuidwal-botter. Dat gebeurde in het weiland achter zijn huis. In 1982 bouwde hij een model van een smakschip voor het museu. In 1986 maakte hij een model van een fluitschip. In het jaar ervoor was Vos al begonnen met de bouw van de reconstructie van de Oostindiëvaarder Batavia in Lelystad. Het was een werkgelegenheidsporject voor werkloze jongeren. Uitgangspunt was een zo authentiek mogelijke reconstructie, met gebruikmaking van oorspronkelijke materialen en volgens een ambachtelijk bouwproces. Voor de reconstructie van de Batavia is gebruik gemaakt van tal van historische bronnen, zoals archiefstukken, 17de-eeuwse bouwbeschrijvingen, prenten, schilderijen enzovoort. Ook scheepswrakken, zoals dat van de Vasa in Stockholm en de Batavia in het West-Australian Maritime Museum in Fremantle, Australië, waren van groot belang. In 1995 was de Batavia klaar. Het schip is toen te water gelaten en door Koningin Beatrix officieel "Batavia" gedoopt. Het schip is eigendom van en in beheer bij de Bataviawerf in Lelystad.
De huidige Batavia is genoemd naar een historische voorganger, die in 1628 in Amsterdam werd gebouwd voor de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Al op zijn eerste reis, onder het commando van opperkoopman Francisco Pelsaert, is de Batavia op een rif voor de Australische westkust vergaan. Dit rif maakt deel uit van de eilandengroep 'Houtman Abrolhos'. Het eiland waar de Batavia verging heet tegenwoordig 'Beacon Island'. De wrakplaats van de Batavia is gelegen aan de zuidzijde van Beacon Island op 28° 30' ZB en 113° 47' OL.
Van de 341 opvarenden verdronken er al direct 40 in de branding. De overigen slaagden erin zich op een nabijgelegen eilandje in veiligheid te brengen. Omdat op het eilandje voedsel noch water aanwezig was, besloot commandeur Pelsaert om samen met enige officieren hulp te gaan halen in de stad Batavia op Java (het tegenwoordige Jakarta). Hij vertrok met de grote sloep.Tijdens zijn afwezigheid ontstond er muiterij onder leiding van onderkoopman Jeronimus Corneliszoon. Deze Jeronimus zag zichzelf als de stichter van een nieuw koninkrijkje, waar echter geen plaats zou zijn voor alle schipbreukelingen. Meer dan 100 mensen werden door hem en zijn handlangers omgebracht. Een groepje soldaten onder leiding van Wiebe Hayes verzette zich en wist zich terug te trekken op een nabijgelegen eiland. Bij zijn terugkeer slaagde Pelsaert erin, gesteund door de groep van Hayes, de muiters te overmeesteren en te berechten. De meesten werden opgehangen, terwijl anderen zweepslagen kregen of werden gekielhaald. Twee mensen werden op het vasteland van Australië aan wal gezet, waarna niemand ooit meer iets van hen vernam. De stranding en de moordpartijen zijn in de 17de eeuw bekend geworden als De Ongeluckige Voyagie van ´t schip Batavia. Dit verhaal is op schrift gesteld en verspreid, waardoor de herinnering aan het schip altijd levend is gebleven.
In de jaren ´70 van deze eeuw is het wrak van de Batavia ontdekt en geborgen. Dit wrak, alsmede vele wrakvondsten, bevindt zich nu in de West-Australian Maritime Museum te Fremantle, Australië. Andere delen bevinden zich in een ander museum, te weten het Geraldton Region Museum. Beide musea zijn in een verwoede strijd gewikkeld om de nalatenschap van de Batavia.
TitelTouwhaspel met flessenstop: onderdelen van een Haspel in een fles.
VervaardigerBoer, Egbert Wigger de
Objectnummer2002-088
Periode van1800
Periode tot1825
BeschrijvingTouwhaspel met rood garen, dat aan één eind op een spoel is gedraaid. Losse flessenstop met spie. Onderdelen van een Haspel in een fles.
AchtergrondinformatieDe haspel en de stop zijn onderdelen van een defect geraakte haspel in een fles. Het is vergelijkbaar met een flessenscheepje: de haspel hing in de fles aan de flessenstop, die met een spie geborgd was. De fles is kapot (niet bewaard). De schenker heeft getracht er een fles om heen te maken door de bodem ervan af te snijden, maar deze flesjes waren te klein.
De hapsel in de fles is gemaakt door Egbert Wiggers de Boer (geboren 29 nov. 1767 Zwartsluis) die getrouwd was met Jacoba Stom (geboren Nijkerk 27 dec. 1777). Het mes van Egbert Wiggers is er nog. De schenker heeft het in eigendom. Mes en fles zijn vererfd in de familie:
- Egbert Wiggers de Boer en Jacoba Storm
- zoon Wicher Egbert de Boer (geboren 6 juli 1800 te Bunschoten, overleden 1898 Nijehaske) en Hendrikje van Boon (geboren Aldeboarn), Wicher de Boer was turfhandelaar op Amsterdam.
- zoon Egbert Wicher de Boer (Nijehaske 14 febr. 1926 - 19 mei 1903) en Trijntje Fledderus (geboren Lemmer). Egbert de Boer was net als zijn vader turfhandelaar op Amsterdam
- zoon Douwe de Boer (Nijehaske 30 maart 1868, Hommerts 24 juli 1954) en Klaaske Siebinga (Haskerdijk 29 april 1869, Joure 1 mei 1960). Douwe de Boer was boer te Delfstrahuizen.
- zoon Jacob de Boer (Delfstrahuizen 4 maart 1899 - Bolsward 8 mei 1972) en Tjitkse Lemster (Scharnegoutum 20 aug. 1899 - Hommerts 22 mei 1954).
- zoon Egbert Wicher de Boer (geboren 22 sep. 1933) en Anneke Förch (geboren 17 mei 1953). Deze Egbert is de schenker.
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de pampusklasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordenpampusklasse
Objectnummer2002-435
Periode van1990
Periode tot1995
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de pampusklasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft een mast die is geplaatst in een mastkoker. De mast is voorzien van een zaling. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag, die is vatgezet op een oog op het voordek. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door twee vaste zijstagen. Het ene paar loopt van de masttop, via de zaling terug naar de mast, waar ze via een ring en een wantspanner zijn vastgezet. Het andere paar loopt van het zalingmanchet op de mast naar beneden en is onder het gangboord vastgezet. Aan de achterkant wordt de mast gehouden door een achterstag die vlak voor de spiegel en onder het achterdek is vastgezet.
Het model is voorzien van zeilen van witte dacron: een stagfok en een grootzeil. Enkelvoudige stiksels in het doek suggereren de banen. Het voorlijk van de fok is los van de voorstag. De hals van de fok is bevestigd op dezelfde ring als waar de voorstag op is vastgezet. De fokkeval (staaldraad) loopt door een blok aan de mast (ter hoogte van de zaling) naar beneden. De onderkant van de fokkeval is met lus vastgezet op een hanekam op de voorkant van de mast. De fokkeschoten lopen door twee metalen blokken (een op een gatenrail op de buitenkant van het gangboord en een op vast blok op de kuiprand. De fokkeschoot aan bakboord is belegd op een houten klamp aan de binnenkant van de kuiprand. De fokkeschoot aan schuurboord hangt los over de kuiprand. Het grootzeil heeft geen gaffel: torentuig. De topval loopt door een schijf in de top van de mast naar beneden en is met een lus vastgezet op een hanekam op de mast. Het voorlijk van het grootzeil is met zeven glijleuvers bevestigd op een metalen rail aan de achterkant van de mast. In het achterlijk van het grootzeil zijn drie zeillatten gemaakt. Er is geen kraanlijn. Het onderlijk van het grootzeil is door een gleuf in de bovenkant van de giek geregen. Aan de giek hangen twee blokken voor de grootschoot. Op een stander in de kuip ook twee metalen blokken voor de grootschoot, alsmede een schootklem. In het grootzeil is aan twee kanten het zeilteken (dichte driehoek) en zeilnummer (171) geplakt. Op de top van de mast een rode windvaan op een metalen pin. De blokken zijn van metaalhout en voorzien van lopende schijven. De stagen en vallen zijn van staaldraad, de schoten van polypropyleen-touw.
De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een overhangende lepelboeg. Ook het achterschip is overhangend en voorzien van een kleine, schuin geplaatste, platte spiegel. De bodem is rond (U-vormig) en heeft een aangehangen kiel. Het roerblad is opgehangen aan de kiel.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een metaalstrip die op het voordek eindigt in een hoekbeslag met handgreep. Van de voorsteven tot de spiegel is op de hoek van dek en romp een stootrand. Op het voordek het beslag daarop en waardoor de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd. De boven het dek uitstekende kuiprand begint op het voordek, voor de mast. Het dek loopt door tot achter de mast en wordt daar afgesloten door een lage waterlijst. In de kuip buikdenningnen met in het midden een hoosluik.Onder de gangboorden open kasten. Ook de ruimte onder het voordek is open. Daar zijn de lijnen waarmee de verstaging wordt getrimd. Onder het achterdek een afgesloten kast. Op de gangboorden de blokken van de fokkeschoot. Op het achterdek het enigszins kromme helmhout van het roer.
Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is lichtgroen met een witte bies. Onder de stootrand is ook een witte bies. Het dek is wit met gelakte banen langs de buitenkant en over het midden van het schip. De kuiprand is gelakt, evanals het houtwerk aan de binnenkant van de kuip. De rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers.
In 1933 schreef het KNWV een prijsvraag uit waarin werd gevraagd een zeiljacht met een zeiloppervlak van 16 vierkante meter te ontwerpen. Het verbond wilde een klasse tussen de twaalf-kwadraat-klassen en de regenbootklasse en vertrouwde niet op het succes van de zestien-kwadraat, die al door de NNWB als klasse was erkend. W. de Vries Lentsch sr. uit Nieuwendam won de prijsvraag met de Pampus, die in 1934 werd erkend als nationale eenheidsklasse. Afmetingen: lengte 6.70 mter, breedte 1.69 meter, holte 0.80 meter, zeiloppervlak: oorspronkelijk 16 m² (daarboven moest personele belasting over een zeiljacht betaald worden) en na de Tweede Wereldoorlog 19.1 m² (de belasting was toen vervallen).
Het pampusjacht met zeilnummer 171 was blijkens de deelnemerslijsten van de Sneekweek in 1959 eigendom van B.J. en T. Kapma te Arnhem. Het jacht droeg toen de naam N.N. In 1966 en 1968 deed het jacht onder de naam Popanne weer mee aan de Sneekweek. Het werd toen gezeild door A. Winters te Leeuwarden.
TitelSpeelscheepje in de vorm van een kajuitzeiljacht.
VervaardigerGroot, Johannes de
Trefwoordenkajuitzeiljachten
Objectnummer2003-004
Periode van1930
Periode tot1935
BeschrijvingSpeelscheepje in de vorm van een kajuitzeiljacht. Op spanten gebouwd.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast en de giek zijn los. De andere rondhouten, de verstaging en de andere tuigage ontbreken.
De romp heeft een knikspantvorm. De voorsteven is scherp en loopt schuin omhoog. De achtersteven heeft een platte, schuin oplopende spiegel. Het scheepje is voorzien van een forse kiel die aan de onderkant met lood is verzwaard.
Het model van voor naar achter: Van de voorsteven naar de spiegel loopt een stootrand over de boorden. In het voordek een luik. De kajuit is kmidscheeps en is voorzien van een schuifluik en een schanrierde deur in de achterwand. Achter de kajuit een kuip. De zijwanden van de kajuit lopen naar achteren door en vormen zo - schuin naar beneden lopend - de kuipranden. In de kuip een achterbank. Op het dek en op de gangboorden zijn op verschillende plaatsen ogen gemonteerd voor de verstaging en de schoten. Aan het achterschip een aangehangen roer, waarvan het kelmhout ontbreekt.
Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is lichtgroen.
Accessoires: lancetvormige stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is gebouwd door Johannes de Groot (geboren Tzum 1869, overleden Burgwerd 1942). Hij verhuisde in 1904 van Tzum naar Burgwerd en was daar timmerman en aannemer. Rond 1935 maakte hij het speelscheepje. Hij zond het in voor een hobby-tentoonstelling in Heerenveen in 1935 en won toen een derde prijs (medaille is verloren gegaan). Johannes de Groot heeft het scheepje wellicht gebouwd voor de schenker (kleinzoon?) Willem de Groot (geboren 1930) en diens broer Johannes (geboren 1922).
De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelSpeelscheepje: klompscheepje uit de Scherjonklasse (Friesland Vaart 2002).
VervaardigerScherjon, Eelke, Heldoorn, H.A.J.
Objectnummer2002-454
Periode van2002
Periode tot2002
BeschrijvingModel van een klompscheepje uit de zogenaamde Scherjonklasse. Klomp met een grote kiel, die aan de onderkant is verzwaard met lood. Tuigage: gaffelzeil en stagfok. De klomp is geel geverfd. Op de stander een plaquette van de manifestatie Friesland Vaart 2002.
AchtergrondinformatieHet klompscheepje is geleverd als bouwpakket. Dit bouwpaket is opgebouwd tot zeilende klomp door vrijwillig medewerker H.A.J. Heldoorn.
Voor de manifestatie Friesland Vaart 2002 werd in Heeg een wedstrijd voor klompscheepjes georganiseerd. Om de wedstrijd spannend te maken werd besloten een eenheidsklasse in te stellen. De NNWB erkende de zogenaamde Scherjonklasse: klompschepen die zijn gemaakt van bouwpakketten die door de Stichting Friesland Vaart werden geleverd. De klomp is gemaakt door Eelke Scherjon, die zijn naam aan de klasse gaf. De bouwbeschrijving van het bouwpakket wordt bewaard in het archief van Friesland Vaart.
De wedstrijd was op 26 juni 2002 in Heeg. Tachtig kinderen uit de groepen 7 en 8 van meer dan 25 basisscholen uit Friesland streden op de hoogdprijs. Er waren vier klassen: de Scherjonklasse (eenheidsklasse), Reidklasse (aangepast), de vrije klasse (reeds bestaande klompschepen) en de droge klasse (creaties die niet zeilwaardig zijn). Er stond een stevige wind, wat het zeilen bemoeilijkte. In de Scherjonklasse gingen 47 schepen van start. Winnaar was Rein Ritsema van de Sint Jozefschool te Heeg.
De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. De watersportplaats Grou heeft wat deze wedstrijden betreft een traditie. Vanaf 1907 werden ze er gehouden, eerst op initiatief van particulieren en vanaf 1914 onder auspiciën van de zeilvereniging Lyts Frisia, die er in 1924 zelfs de onderafdeling Jong Frisia voor oprichtte. Na de Tweede Wereldoorlog begon de animo voor het 'skipkesilen' te verflauwen, maar sinds 1968 is er sprake van een reveil. Er wordt gezeild in diverse klassen, zoals klompen A en klompen B, Lytse Folle, Lytse Holle, Grutte Folle en Grutte Holle en Meteoor. Ook in dorpen als Jirnsum, Terherne, Warten en Wergea en steden als Leeuwarden en Sneek werden en worden wedstrijden gehouden. In Burgum werd ook 'skipkesilen' gedaan. Daar was de kapper Hendrik Bulthuis de stimulator. Deze vermaarde ontwerper van de volgens het lattenbouwprincipe vervaardigde B.M.-er en 16 m², bouwde 's winters met de dorpsjeugd door hem ontworpen speelscheepjes, waarmee 'gehardzeild' kon worden., literatuur:
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelScheepsmodel van het rondspant motorjacht Meermin.
VervaardigerBrandsma, Rudolf Jan
Trefwoordenmotorboten, Jirnsum
Objectnummer2003-006
Periode van1975
Periode tot1995
BeschrijvingScheepsmodel van het rondspant motorjacht Meermin. Schaal niet bekend.
Romp: ronde bodem. Spitse voorsteven, schuin naar voren hellend. Rond achterschip, dat uitloopt in een flauwe punt. Het schip is voorzien van een kiel (die aan de voorkant beschadigd is). Daarachter steekt de schroef in het water en daar weer achter het roerblad.
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een stuk hoekbeslag. Op het boeisel loopt van voor naar achter een metaalstrip. Daarop zijn de standers van de reling bevestig. Op het voor- en achterschip zij deze relingen vast en langs de gangboorden zijn de relingen voorzien van doorgeregen touwwerk. Op het boeiselbeslag zijn ook metalen kikkers en touwgeleiders aangebracht. De relingen en het relingbeslag zijn zilverkleurig geschilderd: het suggereert roestvrijstaal. Op het voordek ligt een los anker.De opbouw bestaat uit een lage salon met daarachter een hogere stuurhut. De salon is voorzien van drie ramen in elke zijwand en een raamluik in het dak. Achter het luik een lantaarnmast die door drie stagen wordt gehouden. Op de mast een wit boordlicht dat echt kan schijnen (werkt met een batterij en een knop in de stuurhut). Voorts op de voorkant van de lantaarnmast een tweede boordlicht en aan de zaling van de mast een vlaggenlijn. De stuurhut heeft in de voorwand drie ramen en in de zijwanden elk twee ramen. Onder deze zijramen een handreling. Op het dak van de stuurhut ook twee handrelingen en een raamluik. De achterwand van de stuurhut is van hout. Daar is een scharnierende deur en twee ramen van ongelijke grootte. Ook aan de achterkant is de stuurhut voorzien van twee (verticale) handrelingen. Het dak van de stuurhut is verwijderbaar. In de stuurhut aan bakboord een stuurrad en een instrumentenpaneel (daarop de knop van het licht en een gashendel). Aan stuurboord een tafel met twee bankjes, die met bruine pluche zijn bekleed. De stuurhut en de salon zijn ook in hun geheel van de romp te verwijderen. In de salon ligt de bedrading van de boordlichten (deels verwerkt in de holle mast). Op de zijkant van de stuurhut is de naam van het schip geschilderd: "MEERMIN". Achter de stuurhut de kuip. Deze is voorzien van banken. In het achterschip is ook het hemphout (dat met een tandwielconstructie werkend is gemaakt). Op de achtersteven achterlicht. In het achterschip is de motoruitlaat te zien en is de plaatsnaam "IRNSUM" geschilderd.
Accessoires: stander en los zwemtrapje.
Kleuren: de romp is wit met een groene bies op de waterlijn. Het onderwaterschip is rood. Langs het boeisel een groene band. De dekken, het gangboord en de kuip zijn wit. De salon en de stuurhut zijn eveneens wit, met een groene band langs de salonramen. De achterwand van de stuurhut is gelakt. Het interieur van de stuurhut is van ongelakt hout. het plafond van de stuurhut en de wanden van de salon zijn met vinyl bekleed.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd door Rudolf Jan Brandsma. Geboren Delfzijl 24 dec. 1920 en overleden te Leeuwarden 3 jan. 2001. Zijn laatste adres was in Nijlanstate (73) te Leeuwarden. Brandsma was directeur van de afdeling Friesland van de ANWB. In zijn vrije tijd was hij fervent watersporter. Uit enthousiasme over de watersport heeft hij zijn eigen motorjacht als model gebouwd.
BeschrijvingScheepsmodel van een trekschuit. Op spanten gebouwd. Schaal: niet bekend.
Tuigage: Tegen de voorwand van de kajuit staat in een mastkoker een mast. De mast is kantelbaar over het dak van de roef. De mast is voorzien van een metalen ring. Aan de achterkant daarvan lopen twee stagen naar het achterschip, waar ze zijn belegd op twee bolder (op de achterkant van het roefdak). Aan de voorkant van de ring kan het touw naar het paard worden bevestigd. De hoogte van de ring is verstelbaar met een val, die loopt over een dwarsscheepse schijf in de mast en die is belegd op een klamp op de mastkoker. De mast wordt bekroond door een knop.
De romp: De trekschuit heeft de vorm van een snik: scherpe voorsteven, rond achterschip en vlakke bodem.
Het model van voor naar achter: De stevenbalk is aan de bovenkant voorzien van een knopvormige versiering. Op het boeisel loopt een potdeksel over de boeisels naar achteren. In het voorschip zijn twee bolders gemaakt. De kajuit heeft verticale wanden. De voorwand is dicht. Daar is de mastkoker tegen aan geplaatst. De zijwanden zijn voorzien van twee ramen (roededeling 2x2 voor en 2x3 achter). De ramen zijn schuiframen (het onderste schuift achter het bovenste omhoog). Voor de ramen kunnen schuifblinden worden geschoven. Deze blinden lopen over rails. Voor en achter zijn de zijwanden voorzien van vleugelstukken die met schilderwerk zijn versierd. Midscheeps zijn in de zijwanden en het dak openingen gemaakt: uit de wand kunnen twee planken worden geschoven en in het dak kan daaarboven een luik worden opgeklapt. Onder dit luik goten voor de afvoer van hemelwater. Deze opening (verwijderde wand en dakluik) vormt de toegang tot het ruim, het tweede-klas gedeelte van de kajuit. Een wand met schuifdeur geeft toegang tot de roef, het eerste-klas gedeelte van de kajuit. De roef had ook een ingang naar het achterschip door middel van een dubbele deur in de achterwand van de kajuit. Het dak is voorzien van een beschildering met glassplinters. Op het dak twee klsosen waarin de vaarboom en de gekantelde mast kunnen rusten. De achterwand is voorzien van scharnierende dubbele deuren met glas. Boven de deur een naambord "SNEEK LEEUWARDEN". Voor de achterdeuren een afstapje en een luik. De boeisels van het achterschip zijn bewegerd: ze zijn voorzien van een houten bekleding aan de binnenkant. Daar voor langs lopen rondgaande banken. Op de boeisels van het achterschip twee bolders. Het roer is voorsien van een metalen helmstok. De naar voren neigende roerkop is versierd met meerkleurig snijwerk: een bladertak.i
Kleuren: de buitenkant van de roep is gelakt, het onderwaterschip is zwart het berghout is zwart met boven en onder een witte bies. Ook de boeiselrand is wit. De stevenkop, de roerkop en de wangen aan de kajuit zijn beschilderd in rood en blauw. Het potdeksel is groen. De bolders zijn zwart met een witte kop. De dekken zijn gelakt. Het dak van de kajuit is grijs. De wanden van de kajuit zijn groen. De kussenpanelen op de schuifluiken zijn donkergroen. De achterdeuren zijn gelakt met een omlijsting in wit. Ook de daklijsten en de ramen zijn wit.
Accessoires: vaarboom en vaste stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar tekeningen van de Friese trekschuit door Folkert Nicolaas van Loon, die worden bewaard in Tresoar te Leeuwarden.
In 1827 vond de gouverneur van Friesland het tijd dat de trekschuiten in Friesland zouden worden gemoderniseerd. De Friese trekschuiten waren over het algemeen kleine en minder luxe dan de trekschuiten in Holland. Maar kennelijk was er in 1827 reden de trekschuiten aan te passen aan de eisen van de tijd. De trekschuiten voeren in dienst van de steden waartussen ze een dienst onderhielden. Formeel had de provincie er dus geen zeggenschap over. Maar de provincie wilde de modernisering stimuleren en stelde daarom voor de vermaarde Friese scheepsontwerpen Folkert Nicolaas van Loon (1775-1840) te vragen om te komen met een voorstel. Van Loon lichtte zijn ontwerpen toe op de tekeningen zelf. Hij somde de voordelen van zijn ontwerp op: de rompvorm was zodanig dat er met geringen diepgang nog gevaren kon worden. Het schip lag hoog op het water en dat maakt het schip snel. De snelheid en lichte beweegbaarheid van het schip worden ook bevorderd door het feit dat de lijnen overal rond zijn. De oude trekschuiten waren midscheeps recht van vorm. De wanden van de kajuit zijn verticaal, zodat je rechtop kan zitten. Oude trekschuiten hadden vaak naar binnenvallende wanden. Zowel in het ruim als in de roef zijn ramen geplaatst, zodat er lichtval is. De ramen zijn schuifbaar, zodat er ook gelucht kan worden. Om tocht te voorkomen zijn de ramen voorzien van schuifblinden. In het achterschip is een ruime bank voor passagiers, zodat ze ook buiten kunnen zitten, als ze dat willen.
Over de trekschuit tussen Leeuwarden en Sneek overleggen de beide stadsbesturen. Op voorstel van Sneek wordt gekozen voor een klein model (42 voet lang), omdat er anders problemen zouden kunnen ontstaan bij scherpen bochten in de Zwtten bij Krommetillen en Dillezijl. Voor Sneek worden drie trekschuiten naar het ontwerp van Van Loon gebouwd. Sneek stelt voor de schepen te laten bouwen bij Teartse Holtrop te IJlst. Maar het is niet bekend of hij de schepen voor Sneek ook inderdaad heeft gebouwd. Veel trekschepen van het ontwerp van Van Loon werden namelijk gebouwd bij de gebroeders Ypes in Franeker. Op deze werf kon men de schepen goedkoop bouwen. De Dokkumer trekschepen zijn wat langer: 46 voet.
De eerste trekvaarten werden aangelegd tussen Amsterdam en Utrecht (langs de Vecht) en tussen Amsterdam en Haarlem (1632). Het succes van de eerste trekschuiten overtrof alle verwachtingen. De voornaamste reden daarvan was dat de trekschuit betrouwbaar was: weer of geen weer, de trekschuit vertrok altijd op tijd. Er werd ook niet gewacht tot de schuit vol was. De vaste vertrektijden waren heilig.Het Hollandse succes vond navolging in Friesland. Op 2 april 1640 gingen drie burgemeesters van Harlingen naar Leeuwarden om daar bij hun Leeuwarder collega's voor te stellen een trekweg aan te leggen. Omdat Leeuwarden graag een goede verbinding wilde met de zeehaven van Harlingen waren de stadsbestuurders het al snel eens. Samen zouden ze de trekweg aanleggen en bekostigen. De reeds bestaande vaarweg tussen Leeuwarden en Harlingen werd uitgediept en in 1646 was de trekweg naast de vaart klaar.Op 29 maart 1646 voer de eerste trekschuit in Friesland van Harlingen naar Leeuwarden. Claes Jurjens Fontein uit Harlingen, schepen van Harlingen, had de primeur. Hij reisde naar Leeuwarden om daar zijn aanstaande bruid Antje Reijners Jeddema op te halen. Een dag later zouden ze in Harlingen trouwen. De eerste Friese trekschuit wekte de nieuwsgierigheid van velen. Hoe dichter de schuit met het vrolijke gezelschap aan boord bij Leeuwarden kwam, hoe drukker het werd op de oevers van de trekvaart. Het was doen uitermaten moi weder, en also nooit in Frieslandt geen treckschuit was geweest, was de trekweg van Leeuarden tot Deinum als men menschen besait. Deze tekst is gegraveerd in het zilveren knottekistje dat Claes Fontein voor zijn bruid had meegenomen. Het knottekistje en de portretten van het echtpaar Fontein-Jeddema behoren tot de collectie van Museum het Hannemahuis te Harlingen.
Toen de Harlinger Trekvaart een succes bleek te zijn, wilden veel andere Friese steden ook een trekvaart naar de hoofdstad Leeuwarden. In vijftien jaar werden vele kilometers trekvaart en trekweg aangelegd: Dokkum - Leeuwarden, Bolsward - Leeuwarden, Workum - Bolsward, Dokkum - Stroobos (aansluiting met Groningen) en Sneek - Leeuwarden. Er werd door de stedelijke bestuurders enkele honderd-duizenden guldens geïnvesteerd. In de 17de eeuw waren dat gigantische bedragen. De drijfveer was dat men - letterlijk - de boot niet wilde missen. Opvallend is dat bij het aanleggen van de trekvaarten geen centrale sturing was. Het initiatief lag bij de stadsbesturen, die ook de financiering, de onteigening en de uitvoering voor hun rekening namen. De lijnen waren kort en er kon in korte tijd heel veel gedaan worden. Voor te trekweg tussen Sneek en Leeuwarden moesten er 182 percelen gekocht worden van 134 eigenaren. Voorts moest er het nodige geregeld worden over hekken, dammen, bruggen, recht van overpad et cetera. Binnen drie maanden was door de Staten van Friesland, het Hof van Friesland en de stad Sneek alles geregeld: formeel, juridisch en zakelijk!
Aan boord was een doorsnee van de bevolking. Naast de kerk, de herberg en de markt, was de trekschuit de plaats waar mensen elkaar tegenkwamen. In de trekschuit kon men spelletjes doen (schaken, dammen of domino), de krant lezen, een pijp roken of slapen. Maar er werd vooral veel gepraat. De laatste locale nieuwtjes werden uitgewisseld en er werd flink geroddeld. Meer dan eens ontstonden onderweg heftige woorden-wisselingen en had de schipper moeite de twistgesprekken niet te laten ontaarden in een handgemeen. Er werd ook heel wat afgeklaagd. 's Winters was het koud en vaak was het benauwd, met name wanneer er passagiers rookten. Dat mocht eigenlijk niet, maar vrijwel niemand hield zich aan dat verbod.
Tot ver in de 19de eeuw bleef de trekschuit de voornaamste vorm van personenvervoer. Meer dan driekwart van de reizigerskilometers werd in Friesland per trekschuit gemaakt. Met de komst van stoomschepen, treinen en door de aanleg van landwegen verloor de trekschuit aan betekenis. Trekschippers probeerden het tij nog te keren door snellere schepen in de vaart te brengen: barges. Deze schepen waren groter en werden getrokken door twee paarden. Maar tegen het einde van de 19de eeuw won de stoomvaart het meer en meer van de trekschuiten. In 1908 voer de laatste Friese trekschuit in een regelmatige dienst tussen Birdaard en Leeuwarden., literatuur:
- W.F. Broos, 'F.N. van Loon (1775-1840)' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980, pp. 70-75.
TitelScheepsmodel van de Oostindiëvaarder Prins Willem.
VervaardigerSchilstra, A.J.
TrefwoordenOostindiëvaarders
Objectnummer2003-118
Periode van1980
Periode tot1990
BeschrijvingScheepsmodel van de Oostindiëvaarder Prins Willem.
AchtergrondinformatieA.J. Schilstra bouwde het model aan de hand van het boek van Herman Ketting op schaal 1:50. Het model had een plaats in de ntree van de fabriek Altis te Wiuwert. Na de directiewisseling is het model enige tijd geëxposeerd in de toonzaal van Schilstra Keuken te Wiuwert. Daarna kwam het terecht bij meubelfabriek De Valk te Sneek.
TitelScheepsmodel van het door F.N. van Loon ontworpen zeejacht De Volhouder.
VervaardigerBosma, Andries
Trefwoordenboeiers, kajuitzeiljachten, 's-Graveland, IJlst, Loon, Folkert Nicolaas van, Weede, Willem Maurits van, Holtrop, Eeltje Teadzes
Objectnummer2003-280
Periode van2003
Periode tot2003
BeschrijvingScheepsmodel van het zeejacht De Volhouder. Op spanten gebouwd. Schaal: 1:20.
Vorm
De romp is rond van vorm: rond grootspant en ronde voor- en achtersteven. Terugvallende boeisels. Weinig zeeg.
Tuigage
Het zeejacht is uitgerust met één mast. De mast wordt gehouden voor een voorstag op de voorsteven en door een staand want van twee stagen aan iedere zijde. Deze zijstagen zijn getakeld met jufferblokken. Op het voorschip is een kluiverboom. Deze rust aan de achterkant in een metalen kluiverboomstoel. De boom is aan de steven bevestigd met een scharnierende ring, die aan de binnenkant is bekleed met leer. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door waterstagen (twee naar de boeisels en één naar beneden op de voorsteven).
Aan de mast worden drie zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil, een stagfok en een kluiver. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk is met rakbanden bevestigd aan de mast. Het onderlijk is in een losse broek aan de giek bevestigd. De gaffel hangt in een klauwval en in een piekeval. Deze vallen zijn belegd op de nagelbank onderaan de mast. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. De voorkant van de giek is met een lummel aan de mast bevestigd. Aan de giek een grootschoot die met twee dubbelschijfsblokken is getakeld. Het hakkeblok van de grootschoot loop over een overloop op het achterschip. De stagfok is aan de bovenkant voorzien van een fokkegaffel. De fokkeval is belegd op de nagelbank. De voorpunt van de fok is vastgezet op de voorsteven. Aan de fokkehals de fokkeschoot die met twee dubbelschijfs blokken is getakeld. Het hakkeblok van de fokkeschoot loopt over een gebogen overloop, vlak voor de mast. De kluiver wordtd gehesen met de kluiverval die is belegd op de nagelbank. Aan de voorkant is de kluiver met een haak vastgezet op de loopring (of traveller) die naar de voorkant van de kluiverboom is geschoven. Aan de hals van de kluiver twee kluiverschoten, waarvan er één is belegd op de voorbolder.
Het model van voor naar achter:
Op het boeisel van het voorschip, aan weerszijden van de voorsteven zijn twee rozetten. Op het voordek een braadspil met staken. Met de braadspil werd het anker gehesen. Daarachter de kluiverboomstoel, het luik van het vooronder en de koekoek (lichtkap) van de voorkajuit. Aan de zijden de twee voorbolders. Voor de mast de overloop van de fok. Achter de mast de waterlijst, aan de achterkant van het voordek. Aan de waterlijst het beslag waaraan de zwaarden hangen. Het zijn smalle zwaarden, die geschikt waren voor zeilen op zee. De zwaarden worden bediend met zwaardvallen. Deze zijn op een bijzondere manier getakeld. Ze lopen van de onderkant van het zwaard naar een schildpadblok op het boeisel door een gat in het boeisel (net onder het potdeksel), naar een blok dat aan de voorwand van de kuip is gehaakt, vervolgend naar een vioolblok en een enkelschuifsblok in de achterkant van de kuip. Omdat de takelage van de zwaarden over de banken van de kuip loopt, waren de blokken vaak bekleed met leer.
Acher de mast de nagelbank. Daarop zijn de vallen van de zeilen belegd. Opvallend is de grote kuip achter de mast. Tegen de voorwand van de kuip een trappetje dat leidt naar het voordek. Aan bakboord is de deur naar de voorkajuit. Om de toegang tot dit verblijf te vergemakkelijken die de vloer van de kuip voor deze deur verlaagd. Hetzelfde is het geval met de deur in de achterwand van kuitp. Deze achterdeur geef toegang tot de achterkajuit. Aan de lange zijden van de kuip zijn banken met luiken gemaakt. In het dek van de kuip is een luik. Dat geeft toegang tot de bun, die in het schip was gemaakt. Deze bun had niet een functie voor het vervoeren van vis. De bun functioneerde als opslag van de vloeibare ballast (water) dat met een pomp in- of uitgelaten kon worden. In het achterschip een achterkajuit met paviljoendek. Aan de voorkant van het paviljoendek een waterlijst. Daarachter een hoge overloop voor de grootschoot. Het lange helmhout van het roer loopt onder deze overloop door. In het boeisel van het achterschip zijn vier ovale ramen gemaakt, die zijn voorzien van koperen tralieroosters. Het roer hangt aan de achtersteven. Het is betrekkelijk smal van vorm. Het roer is voorzien van een roerversiering in de vorm van een klik. Achter op het roer een vlaggemast met rood-wit-blauwe vlag. In de top van de mast een rode vleugel.
Kleuren
De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Het berghout is zwart met witte biezen. Het boeisel is gelakt en het potdeksel daarop is zwart met een witte bies. Het boeisel van het achterschip is groen. De zwaardkoppen zijn groen. De rozetten op het voorboeisel zijn wit met een geel hart. Het beslag op de rondhouten is zwart. De roerklik is blauw met rood en geel.
Accessoires: vaste stander en een anker.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar de tekening van de Volhouder door Folkert Nicolaas van Loon (1775-1840). Hij maakte in 1825 de tekening van het zeejacht De Volhouder. Hij kreeg de opdracht tot het ontwerpen van het jacht van jonkheer Willem Maurits van Weede te 's-Graveland. In zijn publicatie over zijn schepen "Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw" (1838) noemt Folkert van Loon het schip daarom "het zeejacht van 's-Graveland". Het schip werd in 1825 gebouwd door Eeltje Teadzes Holtrop te IJlst.
De Volhouder is een jacht met een ruime kuip. De opdrachtgever had Van Loon gezegd dat zijn jacht moest lijken op de Volendammer en Urker visschuiten, die op de Zuiderzee hoge snelheden konden bereiken. Helemaal zeker is het niet, maar met visschuiten bedoelde Van Loon waarschijnlijk botterachtige schepen. Toen het zeejacht in IJlst van stapel liep was het ook uitgerust met een bun. Wellicht was dat een misverstand geweest tussen Van Loon en de opdrachtgever Jonkheer Van Weede. Deze liet de bunplaten namelijk al snel vervangen door gewone huidgangen. Voor de stabiliteit van het schip was het nodig dat de bun met water gevuld bleef. Achteraf was dat niet eens ongelukkig, deze vloeibare ballast. Al naar gelang de zeegang en weersgesteldheid kon de bun met meer of minder water gevuld worden.
En dat voldeed heel erg goed.
De vorm van de Volhouder wijkt af van de traditionele boeiervorm. Boven het water was het schip aërodynamisch van vorm: vloeiende lijnen en cirkelvormige afrondingen bij de steven. Om de luchtweerstand te verminderen koos Van Loon voor een zogenaamd Amerikaans dek: weinig zeeg met een lage kop. Een veel lagere kop dan die van een botter (het uitgangspunt van Van Loon's ontwerp). De Volhouder was een snel schip. Van Loon meldt dat een uur gaans (en dat is 3,5 kilometer) in 20 minuten aflegde. Dat wil zeggen dat de Volhouder een snelheid had van 12 kilometer per uur. Veel zegt dat niet. Op een zeilschip is snelheid immers afhankelijk van wind en stroming.
Hoe dan ook. Folkert van Loon was zeer trots op zijn ontwerp van de Volhouder. Hij schreef: "Onder al de zeiljagten, welke naar mijne teekenwijze gebouwd zijn - ofschoon die nog al een aanmerkelijk getal uitmaken - is er tot heden nog geen ander geweest, dat zoo volkomen als dit, aan het oogmerk beantwoordt". De Volhouder was zijn pronkstuk. Nog een citaat: "Er kan geen volkomener bewijs bijgebragt worden, dat de scherpte de oorzaak van de snelheid niet is (…) maar dat een vlak, gelijkmatig afgerond en zacht gebogen ligchaam, dat zoo nabij mogelijk aan de oppervlakte des waters gelaten is, met den minsten tegenstand, den snelst mogelijken voortgang verkrijgt".
In de platenatlas bij de "Handleiding tot den burgerlijke scheepsbouw" was alleen en tekening van de romp van het jacht. Aanvullende informatie voor het maken van het model kwam van de schetsen van tekenaar Pieter van Loon (1801-1873). Hij was een neef van Willem Maurits van Weede met maakte in 1840 en in 1841 een reis op diens schip. Zijn schetsboeken zijn in 2003 aangetroffen bij een nazaat van Pieter van Loon.
Jonkheer Willem van Weede en zijn zoon Hendrik hoefden in Nederland geen haven- of loodsgeld te betalen. Als leden van de Koninklijke Nederlandsche Yachtclub kregen zij van Prins Hendrik de Zeevaarder een zogenaamde Open Brief of Brevet. Uit het archief van de familie Van Haersma de With komt een foto uit 1844 van het jacht. Op de foto voert het jacht een botterfok. In zijn beschrijving van het jacht zegt Van Loon dat het schip uitgevoerd was met een brede fok. Dat is echter niet in overeenstemming met zijn tekening van de Volhouder. Daarop is duidelijk een overloop voor een smallere fok getekend. Waarschijnlijk konden beide soorten fokken bijgezet worden. Lange tijd bleef de Volhouder eigendom van de familie Van Weede. Hoe het de boeier in de twintigste eeuw is vergaan weten we niet. De laatste vermelding is uit 1904. Eigenaar was toen J. van Broekhuizen te Amsterdam., literatuur:
- W.F. Broos, 'F.N. van Loon (1775-1840)' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980
- J. Vermeer, Boeiers (2004)
Trefwoordenboeiers, visaken, Joure, Zee, Eeltje Holtrop van der, Voordewind, Hendrik
Objectnummer2004-001
Periode van2004
Periode tot2004
BeschrijvingScheepsmodel van de visaak Dolphijn. Op spanten gebouwd. Schaal: 1:20.
Vorm
Hoewel de visaak wordt gerekend tot de ronde jachten, heeft deze visaak een knikspantvorm. Voor en achterschip zijn wel rond. Terugvallende boeisels.
Tuigage
Het zeejacht is uitgerust met één mast. De mast wordt gehouden voor een voorstag op de voorsteven en door een staand want van één stag aan iedere zijde. Deze zijstagen zijn vastgezet op de waterlijst van het voordek (achter de mast). Op het voorschip is een kluiverboom. Deze rust aan de achterkant in een metalen beugel op de voorste waterlijst. De boom is aan de steven bevestigd met een scharnierende ring, die aan de binnenkant is bekleed met leer. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door getakelde waterstagen (twee naar de boeisels en één naar beneden op de voorsteven).
Aan de mast worden drie zeilen gevoerd: een gaffelgrootzeil, een stagfok en een zeer brede kluiverfok. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk is met rakbanden bevestigd aan de mast. Het onderlijk is in een losse broek aan de giek bevestigd. De gaffel hangt in een klauwval en in een piekeval. Deze vallen zijn belegd op klampen aan de mastvoet. Het achtereind van de giek hangt in een kraanlijn. De voorkant van de giek is met een lummel aan de mast bevestigd. Aan de giek een grootschoot die met twee dubbelschijfsblokken is getakeld. Het hakkeblok van de grootschoot is vastgezet in een oog in het achterdek. De stagfok is aan de bovenkant voorzien van een fokkegaffel. De fokkeval is belegd op mastvoet. De voorpunt van de fok is vastgezet op de voorsteven. Aan de fokkehals de fokkeschoten, die ongetakeld naar achteren lopen en zijn belegd op kampen in het achterschip. De kluiver wordt gehesen met de kluiverval die is belegd op de mastvoet. Aan de voorkant is de kluiver met een haak vastgezet op de loopring (of traveller) die naar de voorkant van de kluiverboom is geschoven. Aan de hals van de kluiver twee kluiverschoten, waarvan er één is belegd op een klamp in het achterschip. In de top van de mast een rode vleugel aan een scheerhout en daarboven een mastwortel met negen ringen.
Het model van voor naar achter:
Op het boeisel van het voorschip, aan weerszijden van de voorsteven zijn twee kluisborden (echter zonder gat) en twee beretanden. Beretanden en kluisborden zijn versierd met snijwerk (rozetten en takken), dat in goud en wit is geschilderd. Op het voordek een waterlijst met daarop de beugel van de kluiverboom. Daarachter de lichtkap van het vooronder (voorzien van koperen traliewerk) en een luik. Aan de zijden de twee voorbolders. Het voordek eindigt net achter de mast met een waterlijkt. De mast rust in een mastvoet, die is voorzien van metaalbeslag en van klamp voor de zeilsvallen. Op de boeisels zijn aan beide kanten scepters aangebracht, waarin een vaarboom, een fokkeloet en een pikhaak zijn gelegd. De boeisels zijn voorzien van biezen en van snijwerk in de vorm van voluten. De zwaarden zijn voorzien van dikke zwaardkoppen en zijn aan de bovenkant voorzien van koperbeslag en aan de onderkant van geverfd metaalbeslag. Rond de zwaardbouten een versiering in de vorm van een ster. De swaardlopers lopen via twee schildpadblokken achter het zwaard, over het boeisel en zijn in het achterschip op een klamp belegd. De kuip van het achterschip is voorzien van kistbanken langs de zijkanten en de achterkant. In de voorwand van de kuip is een deur en een luik. De deur is voorzien van een koperen versiering in de vorm van een Turkse knoop. De vloer van de kuip is voor deze deur verlaagd. Voor de achterbank is de kuipvloer juist weer verhoogd. In de achterwand van de kuip een lancetvormig luikje naar het achterschip. Daarop de naam van het schip (Dolphijn) en de initialen van de modelbouwer (AB 2004). Daarboven de hennebalk, die is versierd met snijwerk in den vorm van bladertakken. Aan de achtersteven hangt het roer. De helmstok is van metaal en heeft een houten handgreep. Op de kop van het roer een gesneden beeld van een dopfijn (of watermonster) met gekruld lijf. Op de achterkant van het roer een gebogen vlaggenmast met daaraan een rood-wit-blauwe vlag.
Kleuren: het houtwerk is meest blank gelakt. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is zwart met witte biezen. De boeisels zijn zwart met biezen in wit en groen. Het snijwerk is verguld op een witte ondergrond (kluisborden, beretanden, hennebalk). Het snijwerk op de boeisel is wit geschilderd. De dolfijn op het roer is goudkleurig. De zwaardkoppen zijn zwart met witte biezen en een witte ster. De kop vanhet roer is zwart met witte beizen. Het beslag aan de mast is wit. Boven de hommer is de mast zwart.
Accessoires: vaste stander, vaarboom, fokkeloet, pikhaak.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar de opmetingstekeningen die J. Vermeer in 1983 maakte van het schip. Deze tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum en zijn beschreven in het onderstaand artikel in het Jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum van 1983.
De visaak Dolphijn is gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. In 1868 noteerde hij in zijn werfboek: "Een boot gemaakt voor mr. J. Minnema Buma van Leeuwarden. Dit boot gebmaakt met bijlevering van alles, buiten Zeilen de som van achthonder Guldens, hiebij tafle kisten slotten van koper afgeverfd en alles best en mooit. Betaalt bij de levering". Deze visaak werd extra versierd met snijwerk met voorstellingen betreffende de visvangst en een dolfijn (zeemonster) als roerversiering. Het voordek was opklapbaar, zoals gebruikelijk bij visaken in Friesland. Mr. Jan Minnema Buma (1828-1900) heeft in 1868 de visaak Dolphijn laten bouwen. Hij was toen griffier van het kantongerecht te Leeuwarden. Het schip kreeg een ligplaats in een schiphuis aan de Potmarge te Leeuwarden, naast het buitenhuis "Vaartzicht", dat eigendom was van zijn oudere broer mr. Bernhardus Hopperus Buma, die eigenaar was van de boeier Prins Hendrik. Jan Minnema Buma hield van vissen. Auke van der Zee, zoon van Eeltje Holtrop van der Zee vertelde dat aan de latere eigenaar Hendrik Voordewind. "Die man hield veel van vissen en daarom moest er een bun in. Wij hebben toen een Heeger aak tot model genomen, want die zijn hier vroeger veel gemaakt, Zodoende is dicht jacht was smaller en wat langer geworden dan een gewoon Fries jacht". In 1881 was de schilder en tekenaar J.C. Greive (1837-1891) gast bij de familie Van Eijsinga in Friesland. Hij bracht met de familie Van Eijsinga op 24 augustus van dat jaar een bezoek van het huis "Vaartzicht" en tekende toen de beide schepen. Rechts is de Dolphijn zien (naamwimpel) en links de Prins Hendrik. In 1918 werd Hendrik Voordewind, commissaris van politie te Amsterdam, eigenaar van de visaak Dolphijn. Hij verwierf het schip op een bijzonder manier. Hij voer in zijn scherpe jacht Henny op de Alkmaardermeer en zag daar toen de Dolphijn varen. Voordewind was in Leeuwarden geboren en kende het schip nog uit zijn jeugd. Hij raakte aan de praat met de eigenaar - een onbekende bankier - over de visaak, die er slecht uit zag. De bankier had liever een scherp jacht en zo kwam een schepenruil tot stand. Om er zeker van te zijn dat het pas verworven schip echt de Dolphijn was, vroeg hij zijn vader Tjerk Voordewind over te komen uit Leeuwarden. Deze was schipper bij de familie Van Eijsinga geweest en kende de ronde jachten in Leeuwarden goed. Vader Tjerk zag meteen dat zijn zoon goede zaken had gedaan. Tot 1970 bleef de Dolphijn eigendom van Hendrik Voordewind.
Het schip werd in 1918 opgeknapt door L. de Boer te Leeuwarden. De Dolphijn bleef daarna in Leeuwarden. Om het verblijf aan boord te veraangenamen werd er op het voordek een kajuit gemaakt. De kajuit was comfortabeler dan de tent onder het klapdek, maar mooi was het niet. Daarom is de kajuit in 1947 weer verwijderd. Vader en zoon Voordewind hebben in de loop der jaren vele tochten met het schip gemaakt.
"De grootsten bekoring school voor mij in het zeilen bij avond, wanneer de oostenwind begon te onwaken, nadat het eerst overdag bladstil geweest was. Dan kwam het grote linnen er bij: een reusachtige fok, van licht doek, die voor op de kluiverboom gevaren werd en tot ver achter de mast reikte. Wat een genot was het, onder een dergelijk tuig door het stelle landschap te drijven". Een citaat van H. Voordewind uit diens boek "Voor de wind, een schipperszoon verteld" (Den Haag, 1951). De zeilen waren in 1868 geleverd door Molenaar te Grou. In 1922 kocht Hendrik Voordewind van Johannes Kalsbeek te Grou de zeilen van diens schouw. De zeilen pasten goed. Tot 1970 hebben deze zeilen dienst gedaan.
Vader Tjerk Voordewind stierf in 1934. Voor zoon Hendrik was toen de aardigheid van het varen af en de aak bleef voorlopig onopgetuigd en ongebruikt in het schiphuis liggen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de Dolphijn opgeslagen in een loods in Amsterdam. Daar droogde het schip totaal uit. Na de oorlog knapte Willem de Vries Lentsch het schip op zijn werf te Nieuwendam weer op. Vanaf 1947 maakte Hendrik Voordewind weer reizen met de Dolphijn, nu met zijn "zeilmakker" Klaas Klos. Maar na diens overlijden in 1950 bleef de aak steeds vaker aan de wal. Het schip raakte wederom in de versukkeling. Een neef, Herre Voordewind te Leeuwarden, ontfermde zich in 1961 over het schip. Het werd wederom opgeknapt, nu bij Joh. Drijver te Leeuwarden. Het schip bleef in Leeuwarden, waar neef Herre Voordewind het bleef onderhouden. Toen neef Herre in 1969 stierf en de 83-jarige Hendrik Voordewind zelf ook niet meer voor het schip kon zorgen, verkocht hij de Dolphijn aan mevrouw G. Spits-de Rook te Haren (Gr). De Dolphijn kwam te liggen in Heeg en jachthavenmeester Jan Loopik knapte het schip op. In 1976 verkocht F.G. Spits de visaak aan W.H. Stofberg te Leimuiden (thans te Enkhuizen). Hij is nog steeds de eigenaar., literatuur:
- H.G. van Slooten, "De geschiedenis van de visaak Dolphijn" in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1984
- J. Vermeer "Beschrijving en lijnenplan, constructie en inrichting van De Dolphijn" in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1984
- J. Vermeer, Boeiers (2004)
Trefwoordenmotorboten, kinderboeken, Roos, Hotze de
Objectnummer2004-122
Periode van2004
Periode tot2004
BeschrijvingScheepsmodel van de Kameleon. Op spanten gebouwd. Schaal: 1:20. De romp heeft de vorm van een knikspantboot. De voorsteven is plat en naar boven toe bol. De achtersteven plat (hellend naar achteren). De boeisels hellen naar binnen. Op de overgang van het vlak naar de boorden zijn stabilisatoren aangebracht. Onder het achterschip een scheepsscrhoef en het roer. In het achterschip en in het voorschip zijn twee banken. In het midden een metalen overkapping van de motor, met daaraan het stuurwiel en een hendel. De hendel van de keerkoppeling steekt (naast het stuur) uit de buikdenning. De motorkap is die van een auto. Het onderwaterschip is zwart, de boorden zijn rood, de berghouten zijn geel, de boeisels groen met daarop in rode letters "KAMELEON", de bovenkanten van de boeisels zijn geel. Binnen zijn de boorden rood, de buikdenningen en banken zijn grijs en de motorkap is groen. Accessoires: vaste stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar tekeningen die zijn gepubliceerd in het blad De Modelbouwer van april 2004. De Kameleon is populair gemaakt door kinderboekenschrijver Hotze de Roos. Hielke en Sietse Klinkhamer beleefden met het schip allerlei avonturen.
BeschrijvingScheepsmodel van een smakschip. Op spanten gebouwd. Schaal 1:40.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft twee masten en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel bevestigd aan de voorsteven en aan de achterkant rust de kluiverboom in de bovenkant van de braadspil. De kluiver wordt gebhouden door een waterstag op de voorsteven. De masten: een grote mast en een druilmast. De grote mast bestaat uit één stuk (geen stengen). De mast wordt gehouden door een voorstag op de steven (jufferblok van vijf gaten) en aan weerszijden door een staand want van vier hoofdtouwen met daartussen weeflijnen (touwladders) en een lopend want (bakstag). De nok van de gaffel wordt door een dubbele bakstag gehouden. De druilmast wordt gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen. Het staande en lopende want zijn met puttingijzers en rusten (horizontale balken) vastgezet op het berghout. De zeilen van vergeelde witte katoen. In het grootzeil zijn twee banen "hersteld". Aan de grote mast worden gevoerd: een buitenkluiver, een binnenkluiver, een stagfok, een breefok, een grootzeil. Aan de druilmast wordt een bezaan gevoerd. De buitenkluiver is vastgehaakt op een uithaler zonder traveller (loopring). De binnenkluiver is wel voorzien van een traveller. De schoten van de beide kluivers zijn belegd op bolders op het voorschip. De stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ring is vastgezet op een houten overloop op het voordek. De breefok is vastgezet tussen twee ra's. De schoten van de breefok, bevestigd aan de uiteinden van de onderste ra, zijn belengd op de voorbolders. Oop de zij-lijken van de breedfok zijn voorzien van schoten. Deze zijn belegd op de nagelbank boven de braadspil. De bovenste ra van de breefok heeft schoten die lopen via blokken aan de nokkeval de van de grootzeilgaffel. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. Het zeil wordt zonder giek gebruikt (zeilen met een losse broek). Het voorlijk van het zeil is met raktouwen zonder kralen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ring is vastgezet op een houten overloop. Aan het achterlijk van het grootzeil zijn kattouwen bevestigd, waarmee het zeil opgetrokken kon worden. De bezaan heeft een rechte gaffel en een giek. Het voorlijk van de bezaan is met raktouwen aan de druilmast bevestigd. De schoot van de bezaan loopt over twee blokken en over een papegaaiestok naar voren. Daar is de schoot belegd op de papegaaiestok. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank onder aan de grote mast (waaronder een kleine braadspil is gemaakt) en die van de bezaan op korvijnagels op de nagelbank voor het hek. In de toppen van beide masten vleugels (verkleurd) Boven het scheerhout zijn vergulde mastwortels gemaakt.
De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip is rond. De bodem is vlak met afgeronde hoeken. Over de gehele lengte is een dubbel berghout. Het boeisel loopt aan de achterkant hoog op en eindigt in een punt (het hek).
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden, berentanden en kraanbalken. De kraanbalken zijn voorzien van twee schijven en worden bij het ankeren gebruikt. Aan beide kraanbalken zijn ankers gemaatk. Het ankertouw loopt over het kluisbord aan bakboord naar binnen, is vastgemaakt op de braadspil. Op het voordek een braadspil (geklemd tussen klossen aan het voorboeisel), het durksluik, een watervat en een luik van het vooronder. Op het voordek staat aan bakboord een vastgesjorde roeisloep. Voor de mast een houten overloop. Achter de mast een nagelbank en een waterlijst. Aan de uiteinden van de waterlijst zijn ogen gemaakt, waaraan de kantelbare zeezwaarden hangen. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn voorzien van metaalbeslag (langs de onderrand en vijf dwarsstrippen). De zwaardloper gaat over een schildpadblok, over het boeisel naar voren en is getakeld met twee blokken en is vastgezet op een bolder bij het staande want.
Daarachter de luikenkap van het ruim, afgedekt met drie gebogen luiken. De kajuit heeft rechtse wandem een gebogen dag. In de zijwanden en achterwand zijn ramen en aan bakboord een deur. Op het dak ligt een vastgesjorde sleep- of takelkabel. Achter de roef de overloop van de grootschoot, een ronde flonder met voetlijsten voor de roerganger en het luik van het achteronder. De druilmast is bevestigd op een klos achter het hek. Het hek is aan de binnekant beschilderd met een voorstelling van een schip. De versierde helmstok steekt door het hek naar binnen. Het hek loopt naar achter in een punt uit. Het roer is aan de achtersteven opgehangen met vijf roerhaken. De kop van het roer loop hoog op en buigt naar voren, zodat de bovenkant de oplopende lijn van het boeisel volgt. De papegaaiestok van de bezaan is aan bakboord aan het berghout bevestigd met een klos. Aan weerszijden van de achtersteven zijn twee ramen gemaakt
Kleuren: De romp is niet geverfd. Het berghout is zwart. Het zwaarde is versierd met groen en witte biezen. Het watervat is groen en op de zijkanten witte rozetten op een rode ondergrond. De roef heeft groene wanden met witte raamkozijnen. Het helhout is versierd met witte slingers op groen. De hennebalk is goud op groen versierd met witte rozetten op een rode ondergrond. Het hek is aan de buitenkant voorzien van boogvormen in rood en groen met witte biezen. Ook roerkop is met deze kleuren beschilderd.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieDe schenker van het model heeft het rond 1965 gekocht van de bouwer, een gepensioneerde zeekapitein te Gorssel.
De smak is een kustvaarder voor de vaart op Frankrijk, Engeland en Scandinavië en werd ook gebruikt als beurtvaarder en zelfs als oorlogsschip. Al in de 16de eeuw waren smakken reeds in de vaart. Het is een tajlkachtig schip. De inrichting was als die van een binnenvaartschip: achter de mast het ruim, de lage roef en de stuurplaats. In het achterschip is een paviljoen ingelaten en er is een staatse met hennegat. De tuigage bestaat uit een korte mast met spriettuig met hoge nok. Op het hek stond een druilmast met bezaanzeil. Het schip was voorzien van zwaarden. In de 18de eeuw werd het schip verzwaard. Het spriettuig werd toen vervangen door een staand gaffeltuig en de mast werd verlengd met een opgelaste steng, waardoor ook een ratopzeil gevoerd kon worden.
Friese smakken deden met name dienst als kustvaarder. Vanuit plaatsen als Sneek, IJlst, Woudsend, Makkum, Gorredijk en Grou voeren ze op Frankrijk, Engeland en met name op Scandinavië. Ze bleven tot in de eerste helft van de 19de eeuw in gebruik., literatuur:
- Horst Menzel, Smakken, Kuffen, Galioten, Drei fast vergessene Schiffstypen des 18. und 19. Jahrhunderts (Hamburg, 1997)
BeschrijvingHalfmodel van een kustvaarder. Blokmodel, gemonteerd op een plank. Op het model zijn horizontale waterlijnen en vertikale spantenlijnen aangebracht. Voorts engelstalige opschriften als: "washport, Bulwark, Scupper, Plate keel". Op de plank en het model zijn geen aantekeningen aangebracht waaruit de naam van de bouwer, ontwerper of het schip zou kunnen worden herleid.
AchtergrondinformatieTussen 1950 en 1960 kreeg de schenker S.O. de Vries het halfmodel van de kustvaarder van Feike Lantinga, scheepsbouwer te IJlst. Het schip was gebouwd in IJlst op de werf van de Noord Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij (later Friesche Scheepsbouw Maatschappij). In 1920 kochten de broers Eeltje (de vader van de schenker) en Otto de Vries de gebouwen van deze werf en vestigden daarin hun houthandel.
In de 19de eeuw waren er verschillende scheepswerven in IJlst. In 1911 werd een van deze werven (Uilenburg) verkocht.
Scheepsbouwer Willem Zwolsman uit Makkum had tijdens de veiling meegeboden en bleef er (ongewild) aan hangen. Hij kon de werf niet tegen een redelijke prijs doorverkopen en daarom besloot hij de werf zelf te exploiteren door zijn beide zoons Evert en Klaas. Willem Zwolsman stierf in 1911 en daarom ging Klaas, die de meeste scheepsbouwervaring had, weer van IJlst terug naar Makkum. Evert Zwolsman redde het in IJlst niet alleen. Willem Zwolsman (zoon van Ulbe) zou hem in IJlst terzijde staan. Willem had zijn opleiding genoten op de werf Kromhout van Goedkoop te Amsterdam. De beide mannen kregen ruzie en dat had tot resultaat dat Willem IJlst weer verliet en met zijn vader Ulbe in Workum een werf begon. Klaas Zwolsman voelde zich genoodzaakt Evert in IJlst bij te staan. De werf in Makkum werd verhuurd aan de knecht Sietze van der Werff. In 1916 werd de Makkumer werf verkocht vaan Sietze van der Werff.
Tussen 1911 en 1920 zijn op de werf te IJlst voornamelijk binnenvaartschepen gebouwd. Uitzonderlijk groot waren de twee zeeschepen die op de IJlster werf van stapel liepen: een kustvaarder van 500 ton en een tweemastschoener met motorvermogen (De Grana). De opbloei was echter van korte duur. In 1920 werd de werf opgeheven.
Het halfmodel is waarschijnlijk van de enige kustvaarder die in IJlst is gebouwd. Volgens gegevens van het Nederlands Scheepvaartmuseum had deze kustvaarder de naam Amstelveen en voer het schip voor de Stoomvaart Maatschappij Neerlandia te Rotterdam. De coaster is gebouwd in 1919. In het scheepvaartmuseum te Amsterdam wordt een foto uit 1920 van dit schip bewaard (inv.nr. 1996-3122)
BeschrijvingScheepsmodel van het potschip van Nijland. Op spanten gebouwd. Schaal 1:20. ***
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op de metalen uitsteker op de voorsteven. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in vouwplooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een haak en een ketting vastgezet op de uitsteker. In de top van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoten zijn met zusterhaken aan het zeil. De schoten zijn belegd op bolders op het dek van de winkel. De fok is niet voorzien van een rij reeftouwen. Het grootzeil heeft rechte gaffel, die wordt gehesen met een piekeval en een klauwval. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met rakkralen) bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is vastgezet op een oog boven de lummel. De schoothals van het grootzeil is met een touw vastgezet aan de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierbare lummel in een lummelpot aan de mast. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De grootschoot loopt over een tweeschijfsblok aan het einde van giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een rij reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn getakeld met blokken en zijn belegd op klampen aan de voet van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met Hollands hoekje. De vleugel is bevestigd aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond. De bodem is rond (midscheeps vlak). Het model van voor naar achter:
Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Tegen het boeisel van het voorschip zijn twee bolders geplaatst. In het voordek een luikhoofd met scharnierend luik dat toegang verschaf tot het vooronder. Daarachter een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op de boeisels zijn metalen zetboeisels geplaatst. De mast staat in een metalen mastkoker. Aan de wangen van de mastkoker de klampen van de vallen. Achter de mast de winkel. Deze loopt van boord naar boord, zodat er geen gangboorden zijn. In de voorwant vande winkel twee ingangen met schuifluik en dubbele deurtjes. In de zijwanden zijn drie ramen. Op het dek een langgerekte koekoek (lichtkap). In de achterwant een derde ingang met schuifluik en dubbele deurtjes. het zwaard hangt aan het grootspant (in de winkel).De zwaardloper is getakel met metalen blokken en is belegd op de achterbolder. . Achter de winkel is de plaats om het schip te sturen. Daarachter het paviljoendek. Hieronder is het woonverblijf van de potschipper. Het heeft aan stuurboord een ingang (schuifluik) en in het midden een koekoek (lichtkap). Middenvoor is de afneembare, dubbele schoorsteen. Rondom het achterschip een hekwerk met krulversieringen. Het roer is voorzien van een lange, gebogen helmstok. De voorkant daarvan rust in de schoorsteen. Op hethelmhout een forse roerleeuw. Het roer is met drie roerhaken opgehangen aan de achtersteven. Op de rug van het roer een rechte vlaggenstok.
Kleuren:
De romp van het schip is havannabruin. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is zwart. De boeisels van voor- en achterschip zijn wit. De potdeksels van de boeisels zijn zwart. Voor- en achterdek zijn zwart. De zijwand van de winkle is grone. de voor- en achterwanden van de winkel zijn havannabruin en oop het dek heeft deze kleur. De dakluiken zijn gelakt. De koekoek is groen en de tralies ervan zijn wit. Het paviljoendek is bruin. De schoorsteenis zwart en blauw. De achterkoekoek is groen en wit. Het wekwerk is zilverkleurig. De roerleeuw is verguld.
Accessoires: geen. Het model is vastgezet op een stander.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
Het model is gebouwd naar tekeningen van het potschip van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, dat oorspronkelijk uit Nijland kwam. Het schip is in 1894 gebouwd, waarschijnlijk in Sneek, maar dat is niet helemaal zeker. Op 3 juni 1895 stond er een advertentie in de LC waarin de gebroeders Barkmeijer een ijzeren potschip – een drijvende winkel – te koop aanboden. Het Nijlander potschip doet wat Gronings aan, maar dat zou heel goed kunnen, omdat de gebroeders Barkmeijer uit Groningen afkomstig waren. Ze waren in 1890 naar Sneek gekomen en introduceerden er de bouw van stalen schepen. In Friesland gleed in 1891 het eerste ijzeren schip bij de Barkmeijers te Sneek in het water van de Woudvaart. Het ijzeren potschip van Pieter Eisma is 13.61 meter lang en 3.15 meter breed. Eisma kocht het schip in 1914 te Ferwert van ene De Boer. Daarvoor verkocht Eisma zijn handel vanaf een houten snik. Deze snik is nog te zien op een glasdia die een zoon van ds. Klinkenberg te Sibrandabuorren maakte in zijn woonplaats. Pieter Eisma en zijn vrouw Reinskje Buma hadden Nijland als domicilie. In de winter lagen ze er aan het kerkhof. Kinderen die over het kerkpad liepen, dansten wel eens op de loopplank van het schip. Het aardewerk in de stellingen begon dan te gevaarlijk te rinkelen. “Pieter Potskippers Reinskje” (zoals ze in Nijland bekend was) kwam dan kwaad met haar hoofd uit de roef om de kinderen weg te jaren. Eisma voer driemaal per jaar dezelfde route: Nijland, Nijlanderzijl, Wolsum, Westhem, Abbega, Oosthem, Ijlst, Sneek (inkoop), Offingawier, Goenga, Speers, Gauw, Sibrandabuorren. Er werd vanwege de kwestbaarheid van de lading alleen gevaren bij stil weer. Pieter Eisma liep ook met een juk naar boerderijen of dorpen die te ver van de ligplaats lagen. Pieter Eisma had een breed assortiment. Naast het gebruiksaardewerk verkocht hij ook goederen als wasknijpers, mattenkloppers, petroleumlampen, theedoeken, dweilen, schrobbers, bezems, boenders, bordenkwasten, ragebollen. Naast zijn potschip had Pieter Eisma ook andere inkomsten. In de hooitijd werkte Eisma bij boer Sint Wartena te Sibrandabuorren. ’s Winters haalde hij vodden op en was hij actief als mollenvanger. Wanneer er geschaatst kon worden was Eisma baanveger en had hij een koek en zopietent op het ijs. Pieter en Reinskje hadden het niet ruim. Een kleindochter vertelde daarover: “Beppe spaarde 2 ½ centsstukken op en kocht als het potje vol was er nieuwe lakens en slopen voor”. Het leven aanboord was niet erg comfortabel. Pieter en Reinskje hadden vier dochters en twee zonen. De roef in het achterschip was heel klein en laag. Een kleindochter herinnerde zich dat beppe Reinskje zittend bijna alle kastjes in de roef kon bereiken.
Pieter Eisma is in 1914 gestorven in de beage, dat is het touw waarmee het schip vanaf de wal werd getrokken wanneer er geen wind was. Het potschip werd verkocht aan ene Mollema te Sneek. In 1948 werd H. van der Wielen te Groningen de eigenaar van het potschip. Hij gebruikte het schip als woonschip. Het lag afgemeerd bij de kalkovens aan het Boterdiep. In 1951 kocht het Zuiderzeemuseum het potschip van Van der Wielen. In Enkhuizen is het schip gerestaureerd.
Bij de bouw van het model is uitgegaan van de opmetings- en reconstructietekeningen die door het Zuiderzeemuseum zijn gemaakt. Omdat het potschip in Enkhuizen het enig overgebleven potschip in Nederland is en bovendien van Friese oorsprong, is er voor gekozen dit potschip, zoals het er nu uit ziet, als model te bouwen. Vergeleken met oude foto's van het potschip zijn er wel verschillen tussen de situatie van 2004 en die van bijvoorbeeld 1935 (foto Fen Fryske Groun): het hekwerk was lager en de helmstok was minder lang. Het is de vraag of de helmstok in de schoorsteen rustte. Meestal rustte de giek in de schoorsteen. De roerleeuw van het potschip van Nijland behoort tot de collectie van het Fries Scheepvaart Museum. Dit is een forse leeuw, maar de leeuw op het model is naar verhouding te fors. Dat komt omdat de verhouding is berekend vanuit het kussen van de leeuw. De echte leeuw heeft echter nog een grote kussen. Op het model had de leeuw dus wat kleiner moeten zijn.
TitelIvoren scheepsmodel van een Kantonees bloemenschip.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenbloemenschepen, China, V.O.C., Oentsjerk, With, Jan de
Objectnummer2004-362
Periode van1730
Periode tot1750
BeschrijvingScheepsmodel van een Kantonees bloemenschip. Schaal niet bekend. geheel vervaardigd uit ivoor.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast met kraaiennest en voorts vele staken met vaandels, borden en tekens.
De romp heeft een plat vlak en is rond van vorm. De uid van de romp is opgebouwd uit massieve platen ivoor. De opbouw is hoog en is gemaakt van ajourversierde ivoorplaten.
Het model van voor naar achter. Op het voordek staat een man met roeispaan. Achter hem een hekwerk van vier palen met daartussen borden met Chinese karakters. Achter het hekwerk een opbouw met gewelfd dak. Dit vertrek is open: het heeft alleen aan de onderkant schotten. Aan de voorkant van dit open vertrek hangen lampions. Aan de palen die het gewelfde dak stuenen hangen aan de zijkanten ajourversierde borden die voorzien zijn van Chinese karakters. Aan weerskanten van dit open vertrek staan roeiende mannen. Achter het vertrek met het gewelfde dak een groot vertrek met plat dak. De wande van dit vertrek zijn gesloten: ajourversierde schotten en blinden. De ingangen van dit vertrek zijn gesitueerd in de zijwanden. Voor de halve klapdeurtjes zijn risalerende poorten gemaakt. In de poorten hangen lampions. Langs de dakrand schuin naar beneden wijzende sierranden. Op het dak een hekwerk. Uit het dak steekt de grote mastmet kaaaiennest. Daarachter een hekwerk met dwarsbalken, waarin staken met vanen, borden en tekens zijn gestoken. Tussen de grote mast en deze staken een Chinees figuurtje. langs de zijwanden van het lange vertrek staan aan weerszijden een roeier en een andere figuurtje opgesteld. Achter het lange, midscheeps vertrek een lege ruimte. Daarachter rijst de opbouw van het achterschip hoog op. Eerst weer een open vertrek met gewelfd dak. Daarin hangen lampionnen. Vervolgens een hoog, gesloten vertrek. Dit vertrek heeft twee pagodedaken. Het zicht op de gangboorden langs dit vertrek wordt belet door hoge borden op de boeisels. Deze boorden lopen naarachter toe schuin op. Ze zijn uitbundig versierd. Achterde pagode toren een open ruimte die wordt bedekt door een boogvormige dak tussen de hoge buitenboorden. In de achterwand is een venster gemaakt, waarvan het luik openstaat. In het venster een bloemenvaas. De achterwand van het schip heeft een rijkversierd wulf en borden met Chinese karakters. Op het achterdek zijn vijf staken: twee met grote lampions, twee met schilden en in het midden een zijden vaan. Uit het achterschip steekt aan de onderkant het roer uit. Dit is versierd met een swastika (deze versiering komt ook elders op het schip voor). Door de blinden te openen is het interieur van het schip te zien. De interieurs zijn gemeubileerd en er zijn mannenfiguren te zien. Op lange borden langs de wanden zijn Chinese spreuken leesbaar. De dekken van het schip zijn gemaakt van willekeurig gelegde snippers ivoor in een soort mozaïek. Op het dek zijn naast de Chinese mannen ook tonnen en potten te zien.
Kleuren: het schip is geheel wit (ivoorkleur) met lsechts hier en daar zwarte of rode kleuraccenten op de tekstborden. De Chinese figuurtjes zijn meerkleurig beschilderd.
Accessoires: het model is rijk gestoffeerd met figuurtjes, roeispanen, meubilair et cetera. Het model is met ivoren pinnen vastgezet op een hardhouten stander.
De bijbehorende vitrine bestaat uit een tafel van palisanderhout: getordeerde poten en een blad met opstaande rand. Daarop een glazen kap met messing frame.
AchtergrondinformatieHet model is door Jan de With (1715-1781) meegenomen uit Chinea. Jan de With is geboren als Jens True te Aarhus (Denemarken). In 1729 trok hij als 14-jarige jongen met twee broers naar Nederland en monsterde aan op het VOC-schip Midlo voor een gage van 5 gulden per maand. Hij veranderde zijn Deense naam in Jan de With. Als zeeman verbleef hij 5 jaar in de Oost en voer er op verschillende schepen. In 1735 was hij voor enkele maanden terug in Amsterdam. Op de Castricum voer hij in de rang van "derde wake" (stuurman) weer naar Batavia. Zijn beloning was nu 26 gulden per maand. Zo verliep zijn carrière in gunstige zin: hij klom op tot schipper van het retourschip Hofwegen (1740). Met dit schip (van de kamer Rotterdam) maakte hij verschillende reizen tussen Batavia en Goeree. In 1746 werd Jan de With door de gouverneur-generaal Van Imhoff benoemd tot commandeur van de gehele retourvloot. Deze vloot bestond uit negen schepen: Leijden, Reijgersdaal, Hoogersmilden, Duijnhof (kamer Amsterdam), Spaanderwout, Nieuwlant (kamer Zeeland), De Voorsigtigheijd (kamer Delft), Brouwer (kamer Hoorn) en 't huijs Perzijn (kamer Enkhuizen). De tocht verliep zonder problemen. De negen schepen kwamen met hun kostbare lading veilig terug in Nederland. Jan de With bracht verslag van de toch uit aan de Staten-Generaal en kreeg als dank van de VOC een gouden penning (collectie Nederlands Scheepvaart Museum).
In Nederland trouwde Jan de With in 1750 met de in Dokkum geboren Wikje Minnema (1725-1786). Het echtpaar De With ging wonen in Dokkum. Jan de With trad als kapitein ter zee in dienst van de Friese Admiraliteit. In 1758 kocht Jan de With het landgoed Staniastate bij Oentsjerk. Hij noemde het Hofwegen, naar het schip waar hij zes jaar lang schipper op was geweest. Jan de With is in 1781 begraven in de kerk van Oentjerk. In de kerk werd te zijner nagedachtenis een kleurrijk rouwbord opgehangen.
Het model is gemaakt in Canton. Hier waren ivoorsnijders actief die ongeëvenaard fijn werk maakten. Befaamde zijn de duivelse ballen: meerdere, fijn versierde ivoren ballen in elkaar. Ivoren bloemenschepen behoren tot de grootste werken die deze Cantonese ivoorsnijders maakten. Slechts enkele exemplaren van dergelijke schepen zijn bekend. Een ervan behoort tot de verzameling van het Victoria and Albertmuseum in Londen en een ander is eigendom van de Deense koninklijke familie. In het Musee de la Marine te Parijs staat een model dat nog het meest lijkt op het model van Jan de With.
Canton, honderd kilometer landinwaarts aan de Parelrivier, was door de Chinese overheid bestemd voor de contacten met de Europese handelscompagnieën. De grote schepen van de Europeanen konden echter maar halverwege de Parelrivier komen, omdat die verder te ondiep was. De bemanning moest hier het grootste gedeelte van de tijd aan boord blijven wachten. De handelskantoren van de compagnieën lagen buiten de stadsmuren van Canton; de Europeanen mochten de stad zelf niet betreden. Een verdere beperking was dat men geen rechtstreeks contact mocht hebben met Chinese handelaren of bestuurders; dat ging altijd via een zogenaamde hong. Een hong was een handelshuis dat tegen betaling een vergunning had om als agent voor buitenlandse kooplieden op te treden. De hong regelde de betaling van belastingen, de huur van gebouwen en personeel en trad op als tussenpersoon bij de handel met Chinese afnemers en leveranciers. In principe moesten de Europeanen na het handelsseizoen Canton weer verlaten. Velen van hen verbleven dan tot de komst van nieuwe schepen in het Portugese Macao. De VOC kwam vanaf 1728 regelmatig in Canton om er handel te drijven. Engelse en andere Europese compagnieën waren de VOC voorgegaan. De handel in thee werd steeds belangrijker en daarom streek ook de VOC neer in Canton. De westerse kooplieden in Canton mochten ook geen contact hebben met vrouwen. Eventueel kon de compradoor (tussenpersoon) vrouwenbezoek regelen in de westerse buitenwijk, maar westerlingen mochten geen gebruik maken van de diensten van Chinese prostitué's of courtisanes. Toch zagen ze die wel iedere dag. Met name courtisanes hadden hun ontmoetingsplek met klanten op bootjes en schepen op de Parelrivier. Deze schepen werden - verhullend - bloemenschpen genoemd. De westerlingen zagen ze varen en wisten wat er zich afspeelde, maar waagden zich niet aan boord. Ze zouden het met de dood moeten bekopen. Courtisane's stonden hoog in aanzien. Ze waren hoogopgeleide vrouwen. Tot in de late Mingtijd (tot 1644) stonden zij hoog in aanzien. Tijdens de Qingperiode werd dat aanzien minder, maar ze bleven wel geaccepteerd.
De teksten in Chinese karakters zijn niet allemaal goed leesbaar. Sommige zijn abusievelijke bij de restauratie ondersteboven herplaatst. De teksten in het achterschip laten zich vertalen als: het licht van de zon weerspiegelt in het water van de zee / het licht van de maan weerspiegelt in het water van de rivier. Een andere tekst luidt: een zachte wind beroerd de twijgen van de populier (mededeling van de sinoloog prof. dr. J.L. Blussé)., literatuur:
- F.S. Gaastra, De geschiedenis van de VOC (2002)
- Jan van Campen "In het vuur geschilderd" in: Bulletin van het Rijksmuseum 2002, nr. 1, pp. 8-11
- G. van der Veer, De familie Van Haersma en Van Haersma de With (Drachten, 2001)
BeschrijvingFlessenscheepje met tweemastbrigantijn. Hoekige fles. Aan de voorste mast een fok, twee kluivers en vier razeilen. Aan de achterste mast een gaffelgrootzeil en een topzeil. Tussen de beide masten drie vliegerzeilen. Op het dek een sloep.
AchtergrondinformatieT.B. Langenberg is een zoon van Johannes Langenberg, scheepsbouwer te Nieuwebrug. Hij werkte jaren op de werf van zijn vader en daarna in het onderwijs terecht gekomen.
BeschrijvingScheepsmodel van de spekbak LE 86. Op spanten gebouwd: gangen van metaal, geklonken op spanten. Schaal onbekend. De romp: Het betreft een knikspant romp met vlakke bodem, voor- en achterspiegel. Achter de bun begint een lange scheg waaraan het roer bevestigd is. De romp heeft slechts één brede gang met rechte boeisels boven een bescheiden berghout. Het boeisel is bij het middenship verhoogd en heeft een potdeksel. Boeisel en spiegels rood geschilderd, rest van de romp zwart. Het model van voor naar achter: Tegen de voorspiegel is een kleine steven gemaakt. Hieraan haken voorstag en halshoek van de fok. Op het grijs geschilderde metalen voordek een luik en een koekoek met metalen roosters ter bescherming. Aan beide zijden op het voordek een enkele bolder. Voor het schot de steekmast. Aan de voet van de mast een nagelbank. Bovenop het schot een opstaande rand met daarvoor aan beide zijden een spuigat. Direct achter het schot de bevestiging van de beide zijzwaarden dmv een zwaardbout in een geklonken versteviging van de huid. De zwaarden hebben een houten kop met onder de bout een stervormige versiering. De zwaarden zijn wit met een grijs uiteinde waarop een metalen D-vorm ter versteving. Om het zwaard een halfrond. De zwaardlopers gaan dirct door de huid naar een klamp tegen de spanten. Achter het schot een open kuip. Aan stuurboord een deur in het schot waarmee het vooronder toegankelijk is. Hiervoor een verdiept deel van de kuipvloer. De houten kuipvloer is verhoogd om ruimte te geven aan de bun. Deze bun is aan de onderzijde en aan beide zijden voorzien van kaarplaten. Achter de bun blijft de vloer verhoogd. Tegen de achterspiegel een U-vormige bank waarvan het midden uitneembaar is om bij de bakskist te komen. Op beide hoeken van de spiegel een nagel. Tegen de spiegel hangt een roer, met twee vingerlingen bevestigd en met een rechte helmstok aan het uiteinde voorzien van een krul. De roerkop is niet versierd. Rondhouten en tuigage: De spekbak heeft één mast. De steekmast is gestoken door het voordek, direct voor het schot. Aan de voorkant wordt de mast gehouden door een voorstag op een kleine voorsteven welke is geplaatst op de voorspiegel. De zeilen zijn van witte katoen: stagfok en gaffelgrootzeil, beiden met een enkele rij reeftouwen. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de fok is met bindsels bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de steven. De fokkeschoten lopen via metalen schootogen op het boeisel naar achter en zijn daar belegd op klampen tegen de spanten. Het grootzeil heeft een rechte gaffel. Deze wordt gehesen met twee vallen. De klauwval loopt door een enkelschijfsblok direct naar de nagelbank. De piekeval loopt door 4 enkelschijfsblokken naar de nagelbank. Hiernaast is er nog een kraanlijn welke door een enkelschijfsblok naar de nagelbank loopt. Het voorlijk van het grootzeil is met raktrouwen met kralen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is met een dubbel (ongetakeld) touw vastgezet op de mast. De onderkant van het achterlijk is vastgezet aan de giek. De giek hangt aan de achterkant in een kraanlijn en aan de voorkant hangt de giek met een zwanehals in een oog aan de nagelbank. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok dat is vastgehaakt aan een oog op de bodem van de spekbak. De schoot is belegd op het hakkeblok. Op de top van de mast een rode vleugel aan een metalen scheerhout. De blokken zijn van hout en zijn voorzien van lopende schijven. Het model staat op een houten onderstel.
AchtergrondinformatieAndries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen.
De Lemsterschouw (ook wel zeeschouw of spekbak) was een groter en zeewaardiger zusje van de Friese schouw en gebouwd voor de Zuiderzeevisserij. De eerste spekbakken werden waarschijnlijk rond 1900 in de Lemmer gebouwd. Lemmer, Hoorn en Enkhuizen waren de grootste 'afnemers'. Met de spekbakken werd doorgaans met lijnen op paling gevist (hoekwantvisserij). Voornaamste kenmerk: de zeshoekige voor- en achterspiegels. Spekbakken voerden een grootzeil, stagfok en eventueel een kluiver. De zeeschouwen die thans als jacht worden gebouwd, zijn van deze schouwen afgeleid. R. Martens en L. Westra tonen in hun boek "Aanzien van de oude Visserij" een foto van de LE 86 van schipper De Haan tijdens een van de wedstrijden voor vissersvaartuigen voor de Lemmer rond 1948. (pagina 103 afb. 193), "Op 22 maart 1941 moest de Lemster reddingboot 'Hilda' uitvaren voor het Lemster Vissersvaartuig 'LE 86' dat met schipper J. de Haan en zijn zoon gestrand was op de Steile Bank. Het schip zat door windkracht 7 zeer moeilijk. Met de vlet werd een verbinding gemaakt. Daarna werd het schip vlot getrokken en naar Lemmer gebracht." (uit Klein Nienhuis, H.: "Redders uit Lemmer", p. 19), literatuur:
- Martens, R. en Westra, L.: "Aanzien van de oude Visserij"
- Klein Nienhuis, H.: "Redders uit Lemmer KNRM Lemmer 1920-2000"
- fotocollectie FSM001009553, foto van ansichtkaart met o.a. de LE 86 met kluiver en bras of bezaan
BeschrijvingScheepsmodel van de motorboot Tjerk Hiddes uit Sneek. Hout, op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Tuigage: op kajuitdak een kruisvormig mastje met navigatielicht. Op achteronder een vlaggemast. Romp: knikspant met scherpe, licht voorovergebogen voorsteven. Spiegel verticaal met in het midden een knik. In de spiegel een navigatielicht waaronder "Tjerk Hiddes / Sneek". Onder de achterste tweederde van het schip een kielbalk met daarin een enkele schroef. Hierachter een enkel roer. Het zwarte onderwaterschip wordt van de witte romp gescheiden door een enkele rode band. Potdeksel en een aan het achterschip aangebrachte stootlijst zijn blauw.
Dekindeling: Voordek: Rondom een railing, aan weerszijden een dubbele bolder. Aan stuurboord een kluisgat met ankerlier, compleet met anker en ketting. Op het achterschip twee dubbele bolders en een enkele bolder boven de spiegel. Verder boven de spiegel twee davits waarin een bijboot hangt.
Opbouw: Voor een salon, hierachter een open kuip en helemaal achter een tweede opbouw voor het achteronder. De voorste opbouw heeft aan de voorzijde en aan beide zijkanten ramen waarvan enkele schuivend. Ter hoogte van de stuurstand aan beide zijden navigatielichten met daaronder een naambord: "Tjerk Hiddes". (het bakboord naambord is los en ligt in de kuip.). Op het dak twee handrails, een siermastje met naviagtielicht en een windscherm. Tussen kuip en gangboorden een opstaande rand. Het achteronder heeft aan de zijden schuiframen en in de achterwand twee patrijspoorten. Op de achterkajuit twee handrails, een vlaggemast met Nederlandse vlag. De beide interieurs worden van de kuip gescheiden d.m.v. deuren en schuifluiken.
Interieur:
Kuip: Betimmerd met hout en voorzien van vloerbedekking. De stoelen en banken zijn bekleed met kunstleer. Onder de gangboorden kastruimte te bereiken middels ovale gaten. Aan bakboord tegen het salonschot een stuurstand met instrumenten een hendel voor de motorbediening en een werkend messing stuurwiel met houten handvatten. Achter de stuurstand een draaibare schipperstoel. Tegen het achterschot een vaste bank met één zitplaats. Aan stuurboord in het schot naar de salon een uitklapbare tafel met messing poten. Hierachter een tweede draaibare stoel waarachter een messing/houten trapje naar het gangboord. tegen het achterschot een vaste bank met twee zitplaatsen. Midden in de kuipvloer een luikje waaronder een kleine electromotor met een zelfgemaakte vertragingskast naar de schroefas. Op dit luik een losse tafel. De toegang naar de salon bevindt zich in het midden, die naar de achterkajuit aan bakboord van het midden.
Salon: Verlaagde vloer, ramen voorzien van gordijntjes. Aan bakboord tegen het kuipschot een afgesloten ruimte met één raam (toilet?). Hiervoor een tafel met twee vaste banken. Aan stuurboord een kmobuis met koelkast, gasstel en wasbak. Daarvoor een tafeltje met één vaste stoel. Tegen het voorschot een smalle kast. Scheiding van salon en vooronder d.m.v. schot met een gordijn voor de doorgang. De slaapruimte in het vooronder valt nog deels onder de opbouw. In deze ruimte aan weerszijden een opgemaakte kooi.
Achteronder: Verlaagde vloer, aan weerszijden een opgemaakte kooi.
Uitrusting: Bijboot hout op spanten gebouwd. Hangende aan davits, voorzien van riemen en blauw dekzeil. Romp wit. Banken, buikdenning en boorden gelakt hout. Op voordek twee reddingboeien en een pikhaak. Het model is geplaatst op een blank houten standaard.
Op diverse plekken zitten schakelaars en lopen draden t.b.v. de electrische verlichting.
BeschrijvingScheepsmodel van de oorlogsbrik Echo met zestien stuks geschut. Op spanten gebouwd. Schaal 1:55.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft een boegspriet en twee masten. De boegspriet steunt bij de fokkemast op het voordek en wordt in het galjoen gehouden door woelingen (touwlussen) op de scheg. Ook gaan er waterstagen direct naar de scheg. De bovenkant van de boegspriet hangt aan twee voorstagen van de fokkemast. Aan de boegspriet is een kluifhout gemaakt. Dat loopt door een ezelshoofd op de top van de boegspriet. Het kluifhout wordt gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen die worden geleid door de ra van de voorste blinde.
De twee masten zijn: een fokkemast en een grote mast. Beide zijn in drieën gedeeld: een mast, een marssteng en een bramsteng. Op beide masten wordt de overgang van mast naar marssteng gevormd door een mars (kraaienest) en een ezelshoofd. De marsen worden aan de achterkant afgeschermd met een reling. De overgang van marssteng naar bramsteng in beide masten wordt met twee ezelshoofden gemaakt. De fokkemast wordt gehouden door twee voorstagen op de boegspriet en door een staand want van vijf hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders). De marssteng van de fokkemast wordt gehouden door een staand stengewant van vier hoofdtouwen met weeflijnen, vastgezet op de mars. De bramsteng van de de fokkemast wordt gehouden door een want van drie hoofdtouwen en een bakstag naar het dek. De grote mast wordt gehouden door een voorstag op het voordek en door een staand want van zeven hoofdlijnen met weeflijnen. De marssteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de fokkemars en door staand stengewant van vier hoofdtouwen met weeflijnen. De bramsteng van de grote mast wordt gehouden door een voorstag op de fokkemarssteng en door drie hoofdtouwen op de zaling van de marssteng van de grote mast.
Het model is niet uitgerust met zeilen. Onder de boegspriet hangt een ra voor een blinde. Op de voorstagen van de fokkemast twee stagfokken. Aan de fokkemast en aan de grote mast passen elk drie razeilen (aan de fokkemast een fok, een fokkemarszeil en een fokkebramzeil en aan de grote mast een grootzeil, een grootmarszeil en een grootbramzeil). Van de fok en het grootzeil (de onderste zeilen van beide masten) zijn ook de boelijnen te zien (gebruikt om de onderkanten van razeilen naar voren te trekken om scherp aan de sind te kunnen zeilen). Aan de onderste twee ra's van zowel de fokkemast als de grote mast zijn spieren (verlengstukken) gemaakt, die worden uitgezet wanneer er lijzeilen gehesen worden. Aan de grote mast een bezaanzeil. De vallen van de ra's zijn belegd op nagelbanken onder aan de masten. Aan de bovenhoek van de bezaan een Nederlandse vlag. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp:
Het voorschip is rond en voorzien van een galjoen. Het achterschip is gepiekt. De spiegel is breed en plat en voorzien van snijwerk. De bodem is gepiekt en voorzien van een kiel. Over de romp lopen twee berghouten.
Het model van voor naar achter:
Op de voorsteven een boegbeeld in de man met trompet. Daarachter het galjoen. Onder het galjoen de kluisgaten waardoor de ankertouwen naar binnen lopen. Aan weerszijden van het galjoen een botteloef (een schuin naar beneden wijzende stok die voorzien is van een schijf, waarover de boelijn van de fok loopt). Aan de einden van het galjoen zijn kraanbalken gemaakt. Daaraan hangen de voorste twee ankers. De andere twee hangen aan de reling. Voor de Fokkemast een nagelbank. Achter de fokkemast een stellage waarop reserve rondhouten. Binnen de stellage ook twee op elkaar gelegn sloepen. Op het middendek zijn ook de zestien kanonnen te zien. Ze liggen op houten klossen behalve de achterste die op rolpaarden liggen. Boven de kanonnen, langs de boorden een houten reling. Op de scheepsromp ter hoogte van de grote mast is een trap van voetlijsten gemaakt (valreep). Om de grote mast staat een nagelbank. Achter de grote mast is in het achterdek een trapgat gemaakt. Midden op het achterdek een kaapstander en daarachter geheel bovendeks de stuurinstallatie met stuurrad. De spiegel loopt breed uit en is spaarzaam voorzien van houtsnijwerk en van twee ramen. Ook in de zijkant ter hoogte van de struurinstallatie drie ramen. Het roerblad kan met kettingen en touwen (roertalie) worden vastgezet. Aan de spiegel is in twee davits een sloep gehangen.
Kleuren:
De romp is gedeeltelijk gelakt en gedeeltelijk geverfd. De berghouten zijn zwart. Het gedeelte onder het berghout (onderwaterschip) is wit. Het dek is ongelakt. De relingen zijn gelakt. De rolpaarden van de kanonnen zijn geel. De rondhouten (masten en ra's) zijn ongeverfd.
AchtergrondinformatieHet model toont het schip in een manoeuvre. Een deel van de 80-tallige bemanning is aan dek bezig met voorbereidingen om voor anker te gaan en een sloep uit te zetten. De loefbrassen aan de grote mast zijn ingehaald en het schip draait op de wind. De zeilen vangen tegenwind en het schip verliest vaart. Het grootzeil is al opgehaald en men is boven in de voormast bezig met het bergen van het bramzeil. Het schip ligt bijna stil en is niet bestuurbaar via het roer, maar door het aanhalen of laten vieren van de kluiverschoot is het mogelijk om het schip rond te draaien. Het stroomanker hangt klaar en de kabel ligt uitgelegd op het dek om te worden uitgeschoten als het schip gedraaid is .
Zodra het schip voor anker op de rede ligt zal het een sloep te water brengen. Hiertoe zijn vier boottakels van boven af in de sloep gehaakt. Een aantal matrozen staat klaar om de sloep en bemanning uit haar ligplaats te lichten en over de reling uit te zetten in zee. Om te voorkomen dat de grote raas zich los wrikken van de masten tijdens het uitzetten van de sloep zijn de ra-takels aan de loefzijde van het schip vastgezet. Matrozen staan klaar bij de lijreling en de voet van de voormast om het fokkezeil op te halen door middel van geitouwen en gordings. Het zeil zal dadelijk niet in de weg zitten. De drie matrozen in de sloep letten op de takels en zullen die afhaken als zij naast het schip in het water liggen., Tot voor kort werd aangenomen dat de Echo in 1796 gebouwd was voor de Bataafsche Marine op de admiraliteitswerf te Harlingen. Dit was gebaseerd op de "Beschrijvende Catalogus der Scheepsmodellen en Scheepsbouwkundige Teekeningen" van het Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum uit 1943 (pag. 104). Hierin wordt een tekening beschreven met als beschrijving: "Brik Echo van 16 stukken gebouwd ... in 1796 te Harlingen door P. Schuyt". Nieuw onderzoek heeft aangetoond dat zowel bouwjaar als werf en bouwer anders zijn dan werd aangenomen. In het instituut voor Maritieme Historie wordt op film een tekening uit het voormalige marinearchief bewaard die overeenkomt met die van schuyt maar welke gedateerd is op 1789. Met nog drie andere schepen op andere tekeningen uit het marinearchief waren dit allevier brikken gebouwd voor de admiraliteit van Amsterdam. (2 van 12 stukken: Pijl en Gier en 2 van 16 stukken: Echo en Comeet).
Op grond hiervan rees het vermoeden dat de echo ouder was dan was aangenomen. Verdere naspeuringen leverden de volgende gegevens op:
- J.P. Asmus (de equipagemeester van de marinewerf te Amsterdam) noemt de Echo als volgt: Echo-16st.-100'x31'x17'9", in 1789 gebouwd voor de Admiraliteit van Amsterdam door Cornelis Mast.
- J.C. de Jonge noemt op pagina 686 en verder in de "staat der in dienst zijnde Nederlandsche Zeemagt op het einde van 1974 en in het begin van 1795" opnieuw de Echo die onder Kap.lt. Verhuell, in het Nieuwediep lag.
- G.D. Bom beschrijft de lijst van in 1795 in dienst gestelde schepen : "Echo (16)(brik) vm. Adm. A.dam, lt. M.C. Keil". In hetzelfde boek beschrijft Bom hoe op 14 augustus 1795 de Echo en de Gier uitzeilden richting Skagerrak en op 19 augustus 1795 de eerste oorlogsdaad pleegden door 4 Engelse koopvaarders te nemen. Met hun prijzen voeren ze naar Christiansund, alwaar ze werden ingesloten door de Engelsen die de haven blokkeerden.
- J.C. de Jonge beschrijft op pag. 235ev. hoe het fregat Argo, de kotter Mercurius en de brikken Echo en Gier in mei 1796 uitbreken waarbij zij werden opgewacht door een Engels eskader. De Argo en de Mercurius worden op 12 mijl ten noorden van Texel achterhaald en overmeesterd. De Echo en de Gier werden om hetzelfde lot te voorkomen op het strand van Schiermonnikoog gezet. Het schip wordt door de Jonge opnieuw genoemd in de "Staat der Bataafsche zeemagt in de zomer des jaars 1801" Ze is nu ingedeeld in een eskader dat op het vlie, de Wadden en de Eemsterstromen ligt met een nieuwe kap.lt.J. van Kervel.
Op grond van bovenstaande moet men concluderen dat het steeds om dezelfde Echo gaat die in 1789 in Amsterdam gebouwd is. Na de vrijwillige stranding in 1796 is zij mogelijk versleept naar Harlingen waar Schuyt het heeft hersteld. Waarom hij dan opnieuw een tekening heeft gemaakt terwijl er al één in het archief van de marine lag is onduidelijk.
- De Jonge schrijft tenslotte op pag 525 hoe de Echo met het Korvet William naar Java werd gezonden om hte bericht van de op handen zijnde vrede van Amiens over te brengen.
Na aankomst in Batavia nam de Echo deel aan een expeditie tegen Bantamse zeerovers. Tijdens de terugreis in 1803 naar Texel, brak oorlog met Engeland uit en het schip week uit naar Frankrijk. Hier werd de brik in Oktober 1803 overgenomen door een Franse kaperrederij. In 1804 werd zij, varende onder de Franse vlag, veroverd door de Royal Navy. Onder de engelse vlag ontving zij op 13 September 1804, tezamen met het fregat Diana (in 1815 aangekocht door de Nederlandse marine) de overgave van het eiland Aruba. De Echo en Atalante worden genoemd in een lijst gepubliceerd door Steele in 1813 als zijnde van Franse herkomst., Een brik is een tweemastkoopvaardij- of oorlogsschip dat in de loop van de 18de eeuw ontwikkeld werd en tot in de 19de eeuw bij de meeste zeevarende landen veelvuldig in de vaart bleef. De brik is gegroeid uit de brigantijn. De brigantijn voerde aan de fokkemast vierkant zeilen en aan de grote mast een langsscheeps grootzeil. Later werden aan de grote mast ook een vierkant mars- en bramzeil toegevoerd, zodat eigenlijk beide mast vierkant getuigd waren (alleen het grootzeil aan de grote mast was niet vierkant maar langsscheeps). Op de brik werd dit vierkante grootzeil aan de grote mast toegevoegd en bleef het langsscheepse bezaanzeil. Bovendien werden op de boegspriet en tussen de masten stagzeilen toegevoegd. De twee masten waren zoals gewoonlijk in drieën gedeeld: een ondermast, een marssteng en een bramsteng. In de 19de eeuw werd aan de grote mast soms maar één steng gevaren met één of twee ra's. Dit waren de zogenaamd kruisbrikken. Brikken waren snelle en handige schepen die een relatief kleine bemanning vergden. Afmetingen: lengte 25-28 meter, breedte 6.75-8.50 meter, holte 3.50-5 meter.
Brikken waren niet allen volgens het zelfde ontwerp gebouwd. De Atalante en Gier lagen bijvoorbeeld laag in het water, terwijl de Echo hoog op het water ligt. Het laag te water liggende model bleek goed te voldoen. De in 1797 gebouwde Royal Navy brig-sloop, Cruizer en de later in Engeland gebouwde brikken van de Cruizer klasse, die hetzelfde model tonen, werden hogelijk aangeprezen als verkenningsschepen, maar door beperkte ruimte aan boord bleken zij ongeschikt om in oorlogstijd ver van een thuishaven te opereren. Het hoger te water liggende model van de Echo, biedt meer ruimte voor proviand, materiaal en manschappen en is bruikbaar als transportschip. Omdat het schip lijkt op een koopvaarder bleek het later ook geschikt te zijn voor de kaapvaart., Literatuur:
- Asmus, J.P.: "De Genealogie van de schepen ter Oorlog gebouwd bij de respectieve Admiraliteiten..." in: Hoving, A.J. en Lemmers, A.A.: "In tekening gebracht", Amsterdam 2001
- Jonge, J.C. de: "De geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen", 2e druk Haarlem-Franeker 1858
- Bom, HGz. G.D.,: "D'Vrijheid 1781-1797. Geschiedenis van een vlaggeschip", 1897
TitelScheepsmodel van het motorbeurtschip Twee Gebroeders.
VervaardigerBosma, Andries
Trefwoordenbeurtschepen
Objectnummer2006-160
Periode van2006
Periode tot2006
BeschrijvingScheepsmodel van een motorbeurtschip met de naam Twee Gebroeders. Zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft één houten (laad)mast. De mast staat in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door een staand want van vier hoofdtouwen. Het staande want is met spanners puttingijzers aan de binnenzijde van het boeisel vastgezet op de scheepsromp. De houten laadboom/giek hangt aan de voorkant met een scharnierende lummel in een lummelbank aan de voet van de mast. De giek wordt gehesen met behulp van een lier aan de achterzijde van de mastkoker. De kraanlijn loopt door vier blokken: twee aan de masttop en twee aan het uiteinde van de giek. Aan het bovenste eind van de giek een metalen staaf waaraan een lijn om de giek in het horizontale vlak te verplaatsen. Vastgezet op een bolder behoed de lijn de giek ook tegen zwaaien. Aan het achtereinde van giek hangt een enkel blok waardoor een hijstouw dat ook wordt bediend met de lier onder aan de mast. Halverwege en onderaan de giek twee geleideblokken voor deze lijn. In de zwarte top van de mast twee mastbanden en als bekroning een gouden knop. Alle blokken zijn voorzien van lopende schijven.
De romp:
Scherpe verticale voorsteven, rond geveegd achterschip met een enkel roer en een enkele schroef, vlakke bodem.
Het model van voor naar achter. In het voorschip aan bakboord een kluisgat. Hieruit hangt een klipanker. De steel en ankerketting daarvan lopen door het kluisgat naar binnen en dit wordt bediend met de ankerlier op het voorschip. Op het voordek de ankerlier en de metalen schuifkap met dubbele deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. Hierachter verspringt het dek en op het stukje dek tussen mast en voorschip ligt het voorruim: een luikenkap met houten luiken. Op het tussendek (tussen voor- en achterruim) de mastkoker en de hijslier. Net voor de puttingijzers van het staande want zijn twee uitneembare stukken boeisel voor het eenvoudiger laden en lossen met een loopplank. Het hoofdruim is bedekt met houten luiken. Achter het voorruim opnieuw twee uitneembare stukken boeisel. Voor het stuurhuis een geklonken ‘doos’ boven de machinekamer. Op deze doos een toegangsluik en een tweede luik met drie ronde ruitjes boven de machinekamer. Aan stuurboord op de kist een zwarte uitlaatpijp met demper. De onderste helft van het stuurhuis is van metaal, de bovenste inclusief de deuren van gelakt hout. Aan alle zijden van het stuurhuis drie ramen. Het middelste raam aan de voorzijde kan deels worden uitgezet. Onder de deuren een opstapje. De deuren kunnen worden geopend. Aan bakboord aan de voorkant van het stuurhuis een beugel met bel. Aan weerszijden op het dak van het stuurhuis een kast met navigatielicht en centraal een schijnwerper. De roef is van metaal. Op het dak van de roef een gelakte lichtkap met metalen beschermroosters . In beide zijwanden van de roef twee patrijspoorten waartussen twee vensters die met schuifluiken kunnen worden afgesloten. De achterkant van de roef is gesloten. Op het boeisel rond de opbouw twee paren bolders en een metalen reling. Op het achterdekje een luik, een beluchtingspot(?) en een bolder. Op het sterk vallende boeisel van het achterschip centraal een vlaggenmast met Nederlandse vlag. Daaronder in witte letters “Veenwouden”
Kleuren:
De romp van het schip is zwart met een groen boeisel en een zwart potdeksel. Boven de waterlijn onderaan de steven een rode driehoek. Ook het bovenste hoekje van het roer is rood. De dekken en gangboorden zijn grijs. De toegang tot het vooronder, de dennen en de wanden van stuurhuis zijn havannabruin. Het dak van het stuurhuis en de wanden van de roef zijn wit. Het dak van de roef is lichtgroen. De ankerlier op het voorschip heeft een witte dekplaat. De rest van deze lier en de gehele hijslier zijn bruin met accenten in zwart en wit (de lierwielen). De luiken, de rondhouten en de bovenste helft van het stuurhuis zijn gelakt.
Accessoires:
Vaste stander.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd naar een tekening uit 1924 van de werf van Evert Zwolsman te Workum (inv.nr. T-468): een beurtschip voor de gebroeders Postma te Veenwouden. Hierop is ook de naam van het schip gebaseerd. Waarschijnlijk zijn dit Jan Tjipkes Postma (Veenwouden 6-8-1892 - Leeuwarden 2-4-1943) en Eelco Tjipkes Postma ( Veenwouden 16-5-1901- Leeuwarden 5-8-1980). Zij hebben het schip ca 1920 laten bouwen en hebben er in ieder geval tot en met 1929 mee gevaren. De broers waren zoons van oud-skûtsjeschipper en schrijver Tjipke Postma. Hij schreef o.a. "It Fryske Binnenfeartbedriuw" in 1930 en liet in 1913 bij Van der Werff te buitenstvallaat een skûtsje bouwen onder de naam Swanneblom.
Andries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen., literatuur:
- Klaas Wielinga, 'Tsjipke Postma (1866-1956)' (Veenwouden 2006)