TitelBlokmodel van een houten beurtschip met zeilen.
VervaardigerSybranda, M.
Trefwoordenbeurtschepen, Heeg, Sybranda, Marten
Objectnummer1976-010
Periode van1900
Periode tot1950
BeschrijvingScheepsmodel van een houten beurtschip. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag, die via de botteloef (in het fries loefbyter) is belegd op een klamp op de voorsteven. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de voorstag. In de top van de fok een metalen fokkegaffel. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. De fokkeschoot is belegd op een blok dat is bevestigd op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een blok dat is bevestigd op een overloop in het verlaagde achterdek (bollestal). De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank die aan de mastkoker is bevestigd. Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem.
Het model van de voor naar achter: Op de voorsteven is met een soort vork de botteloef (in het fries loefbyter) bevestigd. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. In het voordek is een luik (uitwip) gemaakt dat werd verwijderd wanneer de mast werd gestreken, zodat plaats geboden werd voor het contragewicht. Net voor de mast de overloop van de fok. Achter de mast het ruim dat met bolle luiken wordt overdekt. Het ruim gaat over in de roef. De overgang wordt op het dak gemarkeerd door een dwarslijst. De roef is toegankelijk via dubbele deuren en een schuifluik in de achterwand van de roef. De deuren worden met groeven gesuggereerd. De zwaarden zijn zodanig beschilderd dat het lijkt alsof de zwaardkoppen verdikt zijn. Rond het boutgat is een vijfpuntige sierster gemaakt. De zwaardloper gaat via een blok op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en wordt dan belegd op de achterbolders. Het achterdek is verlaagd: een bollestal. Daar is de overloop van de grootschoot. Het gangboord loopt door tot het achterschip. Het helmhout is gecontourneerd. Op het roer een roerkop die naar voren toe over en steven heen steekt.
Kleuren: De romp is groen, het onderwaterschip is zwart en het berghout is wit. De binnenkanten van de boeisels en de bollestal zijn bruin. Het dek is grijs. Het ruim en de roef zijn wit, de kajuitlijst en de deuren is de achterwand van de roef zijn bruin. De kluisborden en de voorsteven zijn geel. De berentanden zijn wit en rood. De bovenkant van de achtersteven is rood. De zwaarden, het roer en de rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: loopplank.
AchtergrondinformatieDe romp is oud. De tuigage werd in 1975 bijgemaakt door M. Sijbranda. Toen is waarschijnlijk ook de mast vernieuwd, evenals de zwaard. Ook de beschildering lijkt toen te zijn vernieuwd.
Het model zou door een schipper uit Heeg zijn gemaakt. Het is tamelijk primitief en grof uitgevoerd.
Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
BeschrijvingScheepsmodel van een beurtschip. Blokmodel. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel aan de voorsteven bevestigd. Aan de achterkant is de kluiverboom scharnierend in een metalen stander bevestigd. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen. Op de steven een ijzeren botteloef (in het fries loefbyter) met vorkverbinding en een metalen waterstag. De mast wordt gehouden door twee voorstagen (één op de kluiver en één op de botteloef), en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers vastgezet op het boeisel. Het model is volledig getuigd, echter niet voorzien van zeilen. Aan de verstaging, de vallen en de schoten is echter wel te zien welke zeilen er op gevoerd kunnen worden: een kluiver, een stagfok een een grootzeil (met gebogen gaffel en giek). De kluiver kan worden uitgezet met een traveller. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Van de schoten is alleen die van het grootzeil aangebracht. Deze grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in de bollestal (verlaagd achterdek). Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Op het voorboeisel ligt een stokanker. Het ankerketting loopt door een kluisgat, over de braadspil door een gat in het dek naar het vooronder. Op het voordek: de braadspil, de kluiverboomstander en aan weerszijden twee bolders, waarvan de koppen zijn overdekt met koperplaat. Voor de mast het luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Het luik verschaft ook de toegang tot het voorruim. Net voor de mast loopt, over het luik, de gebogen overloop van de fokkeschoot. De uiteinden van de overloop zijn bevestigd aan de binnenkanten van de boeisels. In het staande want is aan bakboord een geleider met lijn voor het hijsen van lantaarns of seinvlaggen gemaakt. De zwaarden hebben een verdikte kop, die versierd zijn met een ster rond het boutgat. De zwaarden zijn rondom met metaal beslagen. De zwaardloper gaat door twee schildpadblokken (buitenkant en bovenkant oftewel potdeksel van het boeisel) en zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door twee enkelschijfs blokken en die zijn belegd op de achterbolders. Achter de mast het ruim dat in een vloeiende lijn overgaat in de kajuit. Twee openslaande deuren in de achterwand verschaffen toegang tot de kajuit. Tussen kajuit en boeisels gangboorden, die doorlopen tot het achterhuis. Aangezien het achterschip een bollestal (verlaagd dek) heeft, zijn de gangboorden achter de kajuit afgeschermd met schotten die moeten voorkomen dat water van de gangboorden in de lager gelegen bollestal loopt. Over de rand van deze schotten en over de rand van de stuurbalk van het achterhuis metaalbeslag. In het achterhuis geen deur. De helmstok is van metaal en heeft een houten handgreep. De roerkop is naar achter toe oplopend, hoekig van vorm en onversierd. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is rood. Het berghout en de bovenkanten van de boeisels zijn zwart. Het houtwerk binnen de boeisels (dekken, roef, rondhouten, etc) is grotendeels gelakt. Alleen de kop van het roer is zwart geschilderd, evenals de top van de mast. De hanepoten en de trommelstok zijn wit. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieZeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
TitelScheepsmodel van een beurtschip, een zogenaamd boterschip.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenbeurtschepen
ObjectnummerK-018
Periode van1850
Periode tot1900
BeschrijvingScheepsmodel van een eikenhouten beurtschip. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom ligt over het kluisbord links van de voorsteven. Aan de achterkant wordt de kluiverboom gehouden door een metalen scepter op het voordek, en aan de voorkant door een boegwant van twee hoofdtouwen, die zijn belegd op de voorbolders. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en een lopend want (bakstag). Het lopende en staande want zijn met puttingijzers bevestigd op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen (verkleurd): een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een van de bolders op het voorschip. De stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgemaakt op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel en een vergulde mastwortel. Achterop het roer een rechte vlaggemast met daarin een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn voorzien van metaalbeslag, maar niet van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Het model van voor naar achter: In het voordek is een luik gemaakt dat verwijderd wordt wanneer de mast gestreken wordt (uitwip). Vlak voor de mast en over het mastluik heen loopt de overloop van de stagfok, die met puttingijzers is vastgezet op de boeisels. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok aan de overloop is bevestigd. Achter de mast de opbouw van het ruim, die wordt afgesloten door één vast luik. Groeven in dat luik suggereren dat er meerdere losse luiken. De zwaarden zijn gemaakt uit een stuk. Ook daarin zijn groeven gemaakt. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en versierd. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel heen naar een zwaardtalie die loopt door twee blokken en die in het voorschip is belegd op een klamp tegen de binnenkant van het boeisel. Achter de kajuit is de grootschoot belegd op een hakkeblok, die met een oogbout vast in het achterdek is bevestigd. Daarachter bevindt zich het paviljoen. Dat is het verblijf in het achterschip waarvan het dak even hoog is als het achterboeisel. Aan stuurboord bevindt zich een schuifluik in het paviljoendek dat toegang verschaft tot dat verblijf. De helmstok van het roer is gebogen en loopt over het paviljoen naar voren, zodat de roerganger kan sturen op het dek dat ligt tussen het paviljoen en het ruim. Het roer is voorzien van een hoge roerkop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. De dekken, de opbouw, het ruim, de rondhouten, etc. zijn gelakt. Geverfd zijn alleen de roerkop (grone), de helmstok (groen en rood) en de bovenrand van de boeisels van het achterdek en rond de voorbolders (groen). Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieBoterschepen waren beurtschepen die speciaal waren ingericht voor het vervoer van boter van de weekmarkten naar ondermeer Harlingen. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum, Correspondentie A.M. Sustring - H.Halbertsma, 26 juli 1958 en 26 september 1958.
TitelScheepsmodel van een beurtschip, vervaardigd door Johannes Clazes Sjollema te Woudsend.
VervaardigerSjollema, Johannes Clazes
Trefwoordenbeurtschepen
Objectnummer1998-230
Periode van1866
Periode tot1866
BeschrijvingScheepsmodel van een beurtschip. Blokmodel. Gemaakt in de vorm van een speelscheepje: de kiel is vele malen te groot in verhouding tot de romp en is aan de onderkant met metaal verzwaard. Schaal niet bekend.
De Romp: Het scheepje is rond van vorm, zowel in voor- en achterschip als in de bodem.
Tuigage: Het model is voorzien van één mast. Deze is los. De rest van de tuigage ontbreekt. Wel zijn er nog onderdelen van overgebleven op het model. Voor de ophanging van de zwaarden zijn de puttingijzers van de stagen te zien. Ze zijn gemaakt van inelkaar gedraaid ijzerdraad. Voor de mast is een metalen overloop voor het schootblok van de fok. Achter de roef een kleine overloop voor de grootschoot.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Breed berghout. Op het voordek twee luiken. Achter de mast een ronde luikenkap. Daarop zijn vier luiken geschilderd. De roef is hoog. De zijwanden zijn overnaads opgebouwd. Het dak is bol. In de achterwand van de roef zijn twee ramen geschilderd. Het achterhuis is hoog en voorzien van een schuifluik. Op het boeisel een aantal metalen ogen en één bolder (aan bakboord in het achterschip). Achter de mast de ophanging van de zwaarden. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. Aan de achtersteven drie ogen waarin het roer (dat ontbreekt) heeft gehangen. Aan weerzijden van de achtersteven twee naamborden. Daarop is geschilderd: '18 JOHANNES' en 'SJOLLEMA 66'. De kiel is groot. Aan beide zijden van de kiel een opschrift. Aan bakboordzijde: 'Laatste werk van J.C. Sjollema in le- / ven Scheepsbouwmeester te Grouw en Woudsend'. Aan stuurboordzijde: 'Overleden te Woudsend den 14e Febr. 1867 / in den Ouderdom van ruim 75 Jaar'. Kleuren: De kiel en het onderwaterschip zijn wit. De romp is beschilderd in een houtimitatie. Zwarte lijnen suggereren de gangen, de spuigaten en andere beplanking (van het dek bijvoorbeeld). Het berghout is donkerrood.De dekken en luiken zijn ook beschilderd in een imitatie van hout. De achterwand van de roef is groen.
Accessoires: de mast is los, evenals het stuurboordzwaard. Bij het model is een stander.
AchtergrondinformatieJohannes Clazes Sjollema. Geboren te Grou op 21/24 nov. 1791 en overleden te Woudsend op 14 februari 1867.
Zoon van Claes Piers Sjollema (Grou 1767-1850) en van Dieuwke Andries (1767-1836). Net als zijn vader was Claes Piers Sjollema scheepsbouwmeester te Grou. Daarnaast was hij Assessor van de grietenij Idaarderadeel en ouderling van de Nederlands Hervormde Kerk van Grou. Ook was hij boekhouder van het Kofschip De Jonge Cornelis. Enkele afrekeningen van zijn hand bevinden zich in het archief Ate G. Reitsma (bewaard in het Fries Scheepvaart Museum).
Claes Piers Sjollema was patriot. Toen deze partij aan de verliezende hand was vluchtte hij naar Engeland. Een jaar later keerde hij heimelijk terug en woonde in het geheim bij een boer op De Bird bij Grou. Van Claas Sjollema is een portret bekend. Een kopie daarvan wordt bewaard in de Knipselmap Sjollema. Het signet van Claas Sjollema behoort tot de collectie van het Fries Scheepvaart Museum (inv.nr. 1996-278).
Johannes Clazes Sjollema, de zoon van voornoemde Claas Sjollema en de vervaardiger van het model, volgde zijn vader op als scheepsbouwer. De scheepswerf was toen al verlopen. In mei 1852 vertrok hij naar Woudsend en overleed aldaar. Hij werd begraven in Grou. Johannes Clazes Sjollema trouwde in 1787 met Doetje Eesges Boonstra (geboren te Grou in 1795, overleden te Terherne in 1872 en begraven in Grou). Ze hadden negen kinderen, waarvan er vijf tot volwassenheid kwamen:
- Dirkje Johannes Sjollema (1819-1875)
- Dieuwke Johannes Sjollema (1821-1894)
- Tetje Johannes Sjollema (1826-1865)
- Klaas Johannes Sjollema (1831-1878)
- Jelmer Johannes Sjollema (1833-1918).
De laatste zoon was vanaf 1860 scheepsbouwmeester te Oudewetering., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27-28
BeschrijvingSpeelscheepje dat lijkt op een beurtschip met een spiegel, genaamd De Jonge Bruinsma. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast heeft een naar voren gebogen top. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door twee zijstagen op de boeisels. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfoek en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is gehaakt aan de voorsteven. Aan de schoothoek van de fok een jufferblok voor de fokkerschoten. De vast einden van de fokkeschoten zijn vastgeknoopt aan een ring op het boeisel. De schoten lopen dan door het de blokken aan de schoothoek en zijn met het halende eind geregen door de ringen waaraan de zijstagen zijn vastgezet. De schoten zijn niet belegd. In de fok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil heeft een lange rechte gaffel. De gaffel wordt gehesen met de klauwval en de piekeval. De piekeval loopt door twee blokken aan de mast en één blok aan de gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is vastgeknoopt aan de mast. De halstalie is belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is niet vastgezet op een giek: er wordt gezeild met losse broek. De grootschoot is bevestigd aan een metalen ring in de onderkant van het achterlijk. De grootschoot loopt door een vioolblok aan het zeil een een hakkeblok dat is vastgezet op het achterdek. De schoot is belegd op dit hakkeblok. De top van de gaffel wordt in bedwang ghouden door geerden. Aan de top hangt een blok aan een touw. De geerden lopen door dit blok. Het vaste eind is aan bakboord vastgezet op de spiegel en het losse eind is belegd op een klamp aan de spiegel. In het zeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op het schip worden geen vlaggen gevoerd. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip heeft een platte spiegel. De bodem is buikig en voorzien van een grote kiel.
Het model van voor naar achter: Op het voordek een braadspil. Op de boeisels van het voorschip zijn twee bolders gemaakt. Aan de voet van de mast een nagelbank. Daarachter een luikhoofd met langsscheepse bolle luiken. In het boeisel zijn aan weerszijden drie spuigaten gemaakt. Het achterdek is verhoogd. Op het achterdek een luikhoofd met dwarsscheepse bolle luiken. Daarachter het hakkeblok en van de grootschoot en het roer. De spil van het roer steekt net voor de spiegel uit het achterdek. Op de kop van de spil is een afneembaar helmhout geplaatst. De spiegel is aan de buitenkant versierd met snijwerk: bladertaken en bloemen rond vijf toogvormige ramen. De twee buitenste ramen zijn voorzien van glas. De andere drie ramen zijn geschilderd. Onder de ramen de naam van het schip (uitgesneden, opliggende letters): 'DE JONGE BRUINSMA / 1782'.
Kleuren: De romp is donkergroen. Het onderwaterschip is rood, evenals de band van de spuigaten. Het boeisel is aan de buitenkant groen en aan de binnenkant rood. Het dek en de braadspil is rood. De luikenkappen en het helmhout zijn groen. De rondhouten zijn ongeverfd. De spiegel is wit en het snijwerk is beschilderd in de kleuren rood en groen.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is niet gebouwd naar een bestaand model. De romp doet denken aan een beurtschip of tjalk. De spiegel lijkt echter op die van een bootschip. Het is het oudste speelscheepje van Nederland. Het heeft alle kenmerken van een speelscheepje: robuust van makelij met een grote kiel en een groot roer., literatuur:
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1962, p. 11-12
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek.
VervaardigerMeekeren, Frits van
Trefwoordentjalken, beurtschepen, Koudum
ObjectnummerK-041
Periode van1947
Periode tot1947
BeschrijvingScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij metalen reefringen aangebracht. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil een dubbele rij metalen reefringen. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast en blauwe vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Met een vorkverbinding is aan de voorsteven een botteloef (in het fries loefbyter) bevestigd. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. In het voordek is een dubbel luik gemaakt, dat toegang biedt tot het vooronder en dat wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken, om zo plaats te bieden aan het contragewicht. Wanneer het luik wordt verwijderd is het contragewicht zichtbaar. Net voor de mast de overloop van de fok, die is bevestigd in ogen in het boeisel. Net achter de overloop aan stuurboordzijde een lenspomp. Achter de mast het ruim dat wordt gesloten met tien (vastgezette) luiken. Tussen het ruim en de boeisels brede gangboorden. Het ruim gaat in een vloeiende lijn over in de roef. In het dak van de roef een schoorsteen. In de wanden ervan geen ramen. In de achterwand van de roef dubbele openslaande deuren. De roef is ingericht met een vloerkleed, een tafel, zijbanken en een schouw. Achter de roef een verlaagd achterdek (bollestal) zijbanken en een achterbank. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn aan de onderkant beschermd door metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een tweetal blokken naar achteren en is daar belegd op een klamp op de buitenkant van het boeisel. De kop van het roer is bekleed met koperplaat. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is zwart. De koppen van de zwaarden zijn groen. De botteloef is zilverkleuring. De top van de mast is wit. De lijsten van de roefdeur zijn groen. Het helmhout is groen en de kop van het roer is zwart. Accessoires: twee vaarbomen (zwarte teen), een fokuitzetter (gelakte teen en een haak).
AchtergrondinformatieVan het schip is een foto aanwezig in het foto-archief van het museum (beurtschepen - zeilend, nr. 14) Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 4 november 1949, 12 okt. 1972
BeschrijvingScheepsmodel van een paviljoentjalk, het beurtschip Bolsward. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De top van de kluiverboom hangt in een kraanlijn aan de mast en wordt gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen. In het midden wordt de kluiverboom gehouden door een beugel aan de voorsteven en het einde ervan is vastgezet in een metalen kluiverboomstoel op het voordek. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers en rusten (horizontale balken) vastgezet op het boeisel. De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiver, een stag fok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een van de voorbolders. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een ring is vastgezet op een houten overloop (van boeisel tot boeisel). In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop in het achterdek. Het grootzeil is voorzien van een enkele rij reeftouwen. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast en op de voorwand van het ruim. Op de top van de mast een rode vleugel en daarboven een mastwortel. Op het helmhout een rechte vlaggenmast met rood-wit-blauwe vlag. De houten blokken zien niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Het anker is over het voorboeisel gehaakt. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar binnen, is vastgezet op de braadspil op het voordek en loopt dan via een scharnierend luik in het voordek (durksluik) naar het vooronder. Verder in het voordek een luik (uitwip - die verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten), twee pompen en de houten overloop van de fok (van boeisel tot boeisel). Over het boeisel van het voorschip hangen aan weerszijden twee wrijfhouten. Naast de mast (aan stuurboord een watervat). Achter de mast een nagelbank en het hoofdruim, dat met elf paar luiken wordt bedekt. Op de luiken een bak met daarin een peilstok, een vaarboom en een loopplak met voetlijsten. De zwaarden zijn voorzien van een verdikte kop. Langs de onderkant van de zwaarden metaalbeslag en overdwars drie metaalstrippen. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en door twee blokken naar het achterschip waar de val is belegd op een klamp. Achter het ruim de roef. In de wanden daarvan zijn geen ramen of deuren gemaakt. Het dak is puntig is en kan verwijderd worden. Over het boeisel van het achterdek hangt aan weerszijden een wrijfhout. Op het achterdek een paviljoen: een verblijf waarvan het dak even hoog is als de bovenkant van het achterboeisel. Het paviljoen is bereikbaar door een schuifluik aan bakboord. In het dek an van het paviljoen is een lichtkap gemaakt. Het helmhout van het roer loopt over het paviljoen naar voren. Het is voorzien van een rechte vlaggenstok, waarin een rood-wit-blauwe vlag wordt gevoerd. Daarachter een roerkop in de van een mannekop met in zijn mond een korte pijp. Het roer hangt in drie roerhaken. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip twee ovale ramen gemaakt. Daarboven is (tweemaal) op het boeisel geschilderd: 'BOLSWARD'. Kleuren: De romp is ongeverfd. Alleen over het achterschip is een rood-wit-blauwe bies geschilderd, die doorloopt over het roer. Bij de overgang van het achterdek in het paviljoen is op het boeisel een rood-wit-blauwe bies geschilderd. De bovenkant van het achterboeisel is zwart. De wanden van de roef zijn groen geschilderd met witte lijnen die planken suggereren. Accessoires: stander, loopplank, peilstok, vaarboom, watervat.
AchtergrondinformatiePaviljoentjalken onderhielden de beurtvaart tussen Friese steden en Amsterdam en Rotterdam, maar ook wel op Zwolle, Groningen, etc. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk is genoemd naar het paviljoen: het verhoogd achterdek op de hoogte van de bovenkant van het boeisel. Onder het verhoogde achterdek is de roef gesitueerd. De schipper stond vóór het paviljoen te sturen. het helmhout was daarom opvallend lang. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 18.
BeschrijvingScheepsmodel van een houten beurtschip. Blokmodel. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt aan de voorkant gehouden door een waterstag en door een boegwant van twee hoofdtouwen die zijn belegd op een klamp op het boeisel. In het midden wordt de kluiverboom gehouden door een metalen ring aan de voorsteven en aan de achterkant in een schuingeplaatste kluiverboomstoel. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers op het boeisel bevestigd. De zeilen zijn van lichtbruine (verkleurd?) katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. Het voorlijk van de kluiver is met metalen ringen bevestigd aan de eerste voorstag. De schoot van de kluiver is belegd op een klamp aan het boeisel. De stagfok is net als de kluiver met metalen ringen bevestigd aan een voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op de overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk is met rakkralen (glazen kralen) bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat is bevestigd op een overloop op het achterschip. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank aan de mastkoker. Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. De ronding zijn enigszins hoekig, niet vloeiend. Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de steven kluisborden en berentanden. Aan bakboord hangt over een beretand een stokanker. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar de braadspil op het voordek. Aan een bolder an bakboord hangt een kurkzak over het berghout. Achter de braadspil een scharnierend luik met een rond raam en een dubbel luik (uitwip) die wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken om het ondereind van de mast door te laten. Aan de onderkant van de mast een loden contragewicht. Net voor de mast de overloop van de fokkeschoot, die loopt van boeisel tot boeisel. Achter de mast de nagelbank en de roef. De roef heeft in het dak een lichtkap en in de zijwanden aan weerszijden drie patrijspoorten. Twee scharnierende deuren en een schuifluik bieden toegang tot de roef. Het interieur van de roef is ingericht: vloerbedekking en banken die met groene pluche zijn bekleed. De zwaarden zijn voorzien van verdikte koppen. Ze zijn aan de onderkant bekleed met metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een schildpadblok door een gat in het boeisel naar het achterschip en is daar (ongetakeld) belegd op een bolder. Opvallend is dat aan een ring op de bovenkant van de zwaarden een touw is vastgemaakt, dat loopt naar een oog in de top van de mast en dan terug gaat naar beneden, waar het is belegd op een klap op de zijwand van de roef. Op beide boeisels zijn ter hoogte van de roef scepters gemaakt. In de scepters aan bakboord ligt een pikhaak en in die aan stuurboord ligt een vaarboom. Achter de roef is een verlaagd dek (bollestal) dat omgeven wordt door banken. De gangboorden lopen door tot het achterschip. Langs de randen van de gangboorden zijn waterlijsten gemaakt, zodat buiswater niet van de gangboorden in het verlaagd achterdek kan lopen. Op het achterhuis is de overloop van de grootschoot bevestigd. De helmstok steekt onder deze overloop door. De helmstok kan met korvijnagels worden vastgezet in de gaten van de stuurboog op het achterschip. Op het roer een eenvoudige roerkop. Op de achterkant van het roer een recht vlaggenstok met daarin een rood-geel-witte vlag. Op de buitenkant van het achterboeisel is tweemaal de naam van het schip geschilderd: 'DE HOOP'. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is groen met een rode bies en het berghout is groen. De kluisborden zijn groen met rood in het kluisgat. De berentanden hebben rode koppen. De koppen van de zwaarden zijn groen. Binnen de boeisels is het houtwerk gelakt: luiken, ruim, dekken, rondhouten. Accessoires: stander, aker, loopplank, stokdweil, pikhaak en vaarboom
AchtergrondinformatieLiekele Boom moet tegen het eind van de 19e eeuw geboren zijn in Friesland (Joure?). Na zijn jeugd doorgebracht te hebben in Friesland, vertrok hij naar Rotterdam, waar hij tot zijn pensionering in het havenbedrijf werkzaam was. Hij overleed op ongeveer 80-jarige leeftijd. Bij tijd en wijle fungeerde hij als schipper op het zeiljacht, waarmee Prins Hendrik en de bekende Rotterdamse zakenman en kunstverzamelaar Van Beuningen tochten maakten. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Ingekomen stukken 1978-200 en 1978-217 en uitgegane stukken 23 nov. 1978. - Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, p. 17
BeschrijvingScheepsmodel van de Lemster Beurtman, het beurtschip van Lemmer op Amsterdam. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom wordt aan de voorkant gehouden door een kraanlijn, in het midden door een haak en een ring aan de voorsteven en de achterkant rust in een metalen kluiverboomstoel.
Het model heeft één mast, die is voorzien van een steng. Mast en steng worden gehouden door een voorstag die met een tiengaats jufferblok op de voorsteven is bevestigd. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van drie hoofdtouwen (tussen twee daarvan zijn weeflijnen gemaakt als touwladder) en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers vastgezet op het boeisel. De mast is niet strijkbaar. De zeilen zijn van witte katoen: een kluiver, een stagfok, een grootzeil en een driehoekig topzeil. Het katoen is verkleurd en er zijn gaten in gevallen. Het grootzeil lijkt nieuwer dan de andere zeilen. De kluiver wordt uigezet met een traveller. De kluiverschoot is belegd op een bolder aan stuurboord. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen aan de voorstag bevestigd. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgemaakt aan een overloop. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. Het wordt gebruikt zonder giek (zeilen met de losse broek). Aan de broek van het grootzeil is een bonnet (afknoopbaar gedeelte) gemaakt. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgemaakt op een overloop op het achterschip. Het topzeil is bevestigd aan de steng en aan de bovenkant van de gaffel. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rood-wit-blauwe zwaluwstaartvleugel en erboven een versierde kloot. De houten blokken zijn voorzien van metaalbeslag, maar niet van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Opvallend is de brede kop van het schip en het smalle, gepiekte achterschip.
Het model van voor naar achter. De voorsteven is met metaal bestlagen. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden, de berentanden en twee kraanbalken. Deze kraanbalken worden gebruikt bij het ankeren om te voorkomen dat de scheepshuis beschadigt. Het anker hangt over de kraanbalk aan stuurboord. Het ankerketting loopt via het kluisgat naar de braadspil op het voordek. Tussen braadspil en voorsteven is een vierkanten metalen schoorsteen. Achter de kluiverboomstoel zijn twee luiken in het dek gemaakt. De binnenkanten van de luiken zijn beschilderd: de voorste met een landschapje met man, de achterste met een voorstelling van een beurtschip. Vlak voor de mast de overloop van de fokkeschoot, die loopt van boeisel tot boeisel. Naast de mast een watervat met hevel die uitmondt in een aker. Achter de mast een hoge nagelbank, waarop enkele vallen en ondermeer de halstalie zijn belegd. Daarachter het ruim, dat wordt afgedek met drie ronde luiken, en een hoge roef. Tussen de roef en de nagelbank loopt een soort ladder, die gebruikt zal zijn als houder van het zeil en de gaffel, wanneer deze gestreken waren. Aan weerszijden van het ruim zijn in de gangboorden twee lenspompen gemaakt. De roef heeft in de voor- en zijwanden ruitvormige ramen. In de zijwanden zijn schuifdeuren gemaakt en in de achterwand dubbele, scharnierende deuren. De zwaarden zijn gemaakt uit een stuk. Ze zijn voorzien van verdikte koppen en metaalbeslag over de boven- en onderkant. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en is binnenboord getakeld met een zwaardtalie die loopt door twee blokken en die in het voorschip is belegd op een klamp tegen de binnenkant van het boeisel. In het achterschip is een paviljoen gemaakt: een verblijf waarvan het dak even hoog is als de bovenkant van het achterboeisel. Het is toegankelijk door twee schuifluiken in het paviljoendek. Over het paviljoendek loop de overloop van de grootschoot. De helmstok van het roer is licht gebogen en loopt over het paviljoendek, onder de overloop naar het dek tussen roef en paviljoen. Het roer wordt versierd met een gehelmde roerkop. Op de achterkant van de helmstok is geschilderd: '1839'. In het achterschip zijn aan weerszijden van het roer twee ramen gemaakt. De randen daarvan zijn met schilderwerk versierd: bladertakken en wapens. Het wapen aan stuurboord is dat van Amsterdam. Het wapen aan bakboord is moeilijk te zien. Onder de geoxideerde verf tekent zich een bolvorm af en dat zou de aardkloot van het wapen van Lemsterland kunnen zijn.
Kleuren: De romp is geheel gelakt. Ook de rest van het houtwerk (dekken, ruim, rondhouten, etc.) zijn gelakt. De twee luiken op het voordek zijn donkergroene geverfd, evenals het midden van de luiken van achterruim. De roef is ook donkergroen met rond de ramen een rode bies. Het helmhout is groen met een rood handvat. De roerkop en de randen van de achterramen van het paviljoen zijn meerkleurig beschilderd. Accessoires: houten stander, watervat en aker.
AchtergrondinformatieHet model van het beurtschip stelt, indien het wapen aan bakboord inderdaad dat van Lemsterland is, de Lemster Beurtman voor. Dit schip onderhield de beurtdienst van Lemmer op Amsterdam.
De vorm van de romp (brede kop en gepiekt achterschip) is waarschijnlijk afgeleid van de denkbeelden daarover van de scheepsbouwkundige Folkert Nicolaas van Loon, die in zijn 'Handleiding tot den Burgerlijken Scheepbouw' (Workum, 1838) uitvoerig ingaat op de bouw van beurtschepen.
Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 17-18
BeschrijvingScheepsmodel van een Lemster beurtman in de vorm van een paviljoentjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De mast heeft een steng, die met twee metalen beugels (ezelshoofden) aan elkaar verbonden zijn. VAn de onderkant van de steng is een splinter afgebroken. De mast wordt aan de voorkant gehouden door een voorstag die met een jufferblok (stagblok) met vijf gaten is vastgezet op de voorsteven. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want van twee hoofdtouwen met weeflijnen (touwladders), door een staand want van één hoofdtouw dat hoger aan de mast is vastgezet en door een lopend want (bakstag). De staande wanten zijn met paren jufferblokken vastgezet op puttingijzers op de zwaardklos (in de functie van rust). De kluiverboom rust aan de achterkant in een metalen houder op het voordek en in een beugel die aan bakboord aan de voorsteven is bevestigd. De voorkant van de kluiverboom hangt in een kraanlijn. De zeilen zijn van lichtbruine katoen: een kluiverfok, een stagfok en een gaffelgrootzeil. De kluiverfok wordt uitgezet met een traveller op de kluiverboom. De traveller wordt naar voren getrokken met een lijn die loopt over een schijf in de top van de kluiverboom en die is belegd op de beretand aan bakboord en op een klamp op het achtereind van de kluiverboom. Van de traveller loopt naar de top van de mast een vaste (ongetakelde lijn, een soort stag). Het voorlijk van de kluiverfok is met metalen leuvers aan deze lijn bevestigd. De hals van de kluiverfok is vastgehaakt aan de traveller. De kluiverschoot is aan stuurboord belegd op een bolder in het voorschip. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een blok vastgezet op de voorsteven. In de top van de stagfok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt door een blok aan de schoothoek van de fok en door een hakkeblok dat is vastgezet op de overloop op het voordek. De fokkeschot is belegd op dit hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een rechte gaffel. De piek van de gaffel wordt gehesen met een piekeval die in een kruisvorm is gespannen over een vioolblok aan de gaffel. De klauw wordt met de klauwval gehesen. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgezet aan de mast. De halstalie van het grootzeil is met twee blokken getakeld en belegd aan de voet van de mast. Het grootzeil heeft geen giek: het wordt gezeild met losse broek. Aan de onderkant van het grootzeil is een bonnet gemaakt. Dit is een afknoopbaar gedeelte, waarmee het zeil bij harde wind werd gereefd. Aan het achterlijk is een gei gemaakt: een lijn die werd gebruikt om het achterlijk van het zeil in de richting van de mast te trekken. Van de gaffelnok naar het achterdek lopen aan weerszijden twee geerden (touwen die de gaffel in bedwang moeten houden). Aan de onderkant van het achterlijk van het grootzeil is de grootschoot bevestigd. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan het zeil en enkelschijfs hakkeblok dat is vastgezet op een overloop op het achterschip. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen en kraanlijnen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en op de nagelbank achter de mast. In de top van de steng een rode vleugel aan een koperen scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond en hebben terugvallende boeisels. De bodem is vlak en rond. De achterkant van de bodem is gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. De kluisgaten zijn versierd met snijwerk in de vorm van een ster. Over het boeisel aan stuurboord hangt een stokanker met houten stok. Het ankertouw loopt door het kluisgat aan stuurboord naar binnen, is geslagen over de braadspil en verdwijnt door een luik in het voordek naar binnen. Achter de braadspil de metalen stander van de kluiverboom. Tegen de boeisels van het voorschip zijn aan weerszijden twee bolders gemaakt. Daaronder hangen over het berghout aan weerszijden drie wrijfhouten. In het voordek zijn twee luiken gemaakt. Het voorte luik is scharnierbaar. Het twee, grotere luik is los. Voor de mast de overloop van de fokkeschoot. Achter de mast een losstaande nagelbank. Ter hoogte van de nagebank zijn de zwaarden aan de boeisels gehangen. De zwaarden hebben verdikte koppen en zijn aan de bovenranden versierd met ingesneden schulpvormen. Aan de onderkant zijn de zwaarden verstevigd met vier houten dwarslatten en een halfronde metalen strip. Ook langs de randen van de zwaarden is metaalbeslag aangebracht. De zwaardlopers lopen naar achter, door en staartblok aan een ketting op de buitenkant van het boeisel, terug naar voren, door een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel en zijn belegd op de bolders op het achterschip. Achter de nagelbank het luikhoofd van het ruim dat met vijf bolle luiken wordt overdekt. De kajuit daarachter heeft een bol dak. In de zijwanden van de kajuit ovale lichtranden met schuifluiken. In de achterwand van de kajuit dubbele deuren. Achter de kajuit is de plaats van de roerganger. Het achterdek is een paviljoendek (het dek is even hoog als de bovenkant van het boeisel). Het lange helmhout steekt over het paviljoen heen naar voren. Op de voorkant van het paviljoen de overloop van de grootschoot. Over de berghouten van het achterschip hangen twee wrijfhouten (aan beide kanten één). In de boeisels van het achterschip zijn ramen gemaakt om licht te scheppen in het paviljoen. Onder de ramen geschilderde wapens: aan bakboord het wapen van Lemsterland (hand met aardkloot) en aan stuurboord het wapen van Amsterdam (drie Andreaskruisen). Het roer is smal en hoog van vorm. Het hangt met vier roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is versierd met drie tonnetjes. Het helmhout is gebogen en aan de voorkant voorzien van een koperen knop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Het berghout en de bovenkant van het boeisel is zwart. De boeisels zijn gelakt, alleen in het voor- en achterschip zijn ze groen met een goudkleurige bies. De kluisborden zijn groen met ene goudkleurige ster. De zwaarden zijn gelakt. De zwaardkoppen en de inschulpingen zijn groen. De dekken zijn gelakt, evenals de luiken, het ruim en de kajuit. Er zijn enkele groen accenten aangebracht: de koppen van de bolders, de koppen van de nagelbank en de luiken van de kajuit. De rondhouten zijn gelakt. Het roer en de roerkop zijn gelakt. De drie tonnetjes op het roer zijn rood, wit en blauw. Accessoires: stander en pikhaak.
AchtergrondinformatieDe aanwezigheid van de wapens van Lemsterland en Amsterland onder de ramen van het paviljoen maken waarschijnlijk dat het beurtschip de dienst tussen Lemmer en Amsterdam onderhield: 'de Lemster beurtman'. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk dankt zijn naam aan het paviljoen in het achterschip: een verhoogd achterdek op het niveau van de bovenkant van het boeisel. Onder het paviljoen bevindt zich het verblijf van de bemanning of de passagiers. De schipper staat vóór het paviljoen te sturen. Opvallend is het lange helmhout. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
TitelScheepsmodel van het stoombeurtschip Stad Workum.
VervaardigerSmit, K.
Trefwoordenstoomschepen, beurtschepen, Workum
Objectnummer1987-038
Periode van1986
Periode tot1986
BeschrijvingScheepsmodel van het stoombeurtschip Stad Workum. Op spanten gebouwd. Schaal 1:50. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Het schip is over de gehele lengte voorzien van twee berghouten op stootranden. Op de voorsteven, tussen de stootranden, de naam van het schip: 'STAD WORKUM'. Tussen de stootranden bevinden zich ook de patrijspoorten van de passagiersverblijven: in het voorschip aan weerszijden vijf en in het achterschip aan weerszijden vier. Het dek is van hout. Op het voorschip een houten opbouw met dubbele deuren en schuifluik, dat toegang verschaft tot het passagiersverblijf in het vooronder. Midscheeps een houten luik en daarachter de metalen opbouw van de machinekamer. In de voorwand daarvan de deur. Op het dak de schoorsteen die wordt gehouden door twee tuidraden. Rond de schoorsteen een hekje. Aan de schoorsteen is aan de voorkant de stoomfluit bevestigd. Aan de achterwand van de machinekamer hangt de scheepsbel. Links van de machinekamer een rond metalen deksel van de kolenbunker. Rechts van de machinekamer een dubbel metalen luik met daaronder een loopplank (voor vee). Achter de machinekamer een lichtkap met tralies. Daarachter een stander met de hendels waarmeer de machine bediend werd. Op het achterschip een houten opbouw met dubbele deuren en schuifluik, dat toegang verschaft tot het passagiersverblijf in het achterschip. Het achterdek is enigszins verhoogd. Daar bevindt zich het horizontale tuurwiel dat direct op de roerspil is bevestigd. Op het boeisel is over de gehele lengte van het schip een vaste reling gemaakt. Daarin waan weerzijden op drie plaatsen openingen (afgesloten door kettingen) waardoor mensen, vee en goederen aan boord kunnen komen. Kleuren: De romp is groen. Het onderwaterschip is zwart. Op het voorschip een witte band. De berghouten zijn wit (boven) en groen (onder). De reling is wit en de leuning ervan is zwart. Het dek en de houten opbouw zijn gelakt. De machinekamer en de metalen luiken zijn zwart. Accessoires: een houten stander.
AchtergrondinformatieHet beurtschip Stad Workum van de familie Groenhoef onderhield de beurtdienst van Workum op Sneek.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagierstuimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten (dat was ook de stoomboot De Stad Workum het geval). Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 20
TitelScheepsmodel van het stoomschip Sneek, bijgenaamd 'De Groate Suup'.
VervaardigerZee, A. van der
Trefwoordenstoomschepen, beurtschepen
ObjectnummerK-021
Periode van1900
Periode tot1925
BeschrijvingScheepsmodel van het stoombeurtschip SNEEK. Op spanten gebouwd. Schaal 1:25. Rondhouten en tuigage: geen (alleen een liermast) De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven een koperen versiering (gelijkend op de hoorn des overvloeds op de stevens van klippers), een metalen naambord 'SNEEK' en geschilderd 'KAPT. S. SIJBRANDIJ / 77 ton'. Onder het berghout zijn een aantal patrijspoorten gemaakt: aan weerszijden zeven patrijspoorten voor de voorsalon en één voor de machinekamer. In de wand van de achtersalon zijn boven het berghout aan weerszijden vijf patrijspoorten gemaakt. Op de voorsteven een rode wimpel. Daarachter een houder met scheepsbel. Op het voorboeisel is aan bakboord een davit gemaakt waarin een stokanker hangt. Aan bakboord hangt een ander anker over het boeisel. De ankerkettingen gaan via de kluisgaten naar de ankerlier op het voordek. De ankerlier is werkend gemaakt. Achter de ankerlier een metalen opbouw met schuifluik en een deur, die toegang biedt naar het vooronder. Verder op het voordek een dubbele bank, een loopplank, een kist en een houten opbouw met schuifluik en een paneeldeur, die de toegang is tot de voorsalon. De liermast bestaat uit twee delen: een mast met daarop een steng. Ze worden gehouden door twee voorstagen (één voor de mast en één voor de steng) en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen (de middelste loopt via een zaling naar de top van de steng en de buitenste zijn bevestigd aan de top van de mast). Aan de voorkant van de mast hangt een toplicht. In de top van de steng een rode wimpel met daarop in witte letters 'SNEEK'. De mast heeft een liergiek, die aan het einde is voorzien van een groot takelwiel. Vlak achter de mast de lier. Midscheeps is het ruim, dat wordt afgedekt door vijf metalen luiken. Achter het ruim de opbouw van de stoommachine. Daarop de door drie tuidraden gehouden schoorsteen, een koperen pijp (veiligheid bij overdruk) en een stoomfluit. Achter de machinekamer het luik van de kolenbunker, dat wordt omgeven door een hekwerk. Aan weerszijden van de stoommachine zijn ronde koperen luiken in het dek gemaakt. Op het dek achter de machinekamer een watervat, een trap naar het verhoogde achterdek (stuurboord) en een dubbele paneeldeur (toegang tot de achtersalon onder het achterdek). Het achterdek wordt omgeven door een reling, waartegen banken zijn gebouwd. Aan de reling hangen aan de voorkant twee witte reddinggordels met daarop in gouden letters 'SNEEK 1878'. In het midden van het achterdek staat een dubbel bank, een koperen kompas en een verticaal stuurwiel achter een soort verschansing van textiel. Achter het stuurwiel is een statie (opgeboeid verblijf). Dit verblijf is toegankelijk via een deur met schuifkap aan stuurboord. Op het dak van deze statie een lichtkap en de overdekking van het stuurhuis. Tegen de reling van het achterdek zijn de boordlichten (rood en groen) geplaatst en op de stuurkast het achterlicht. Op het achterschip staat een rood-wit-blauwe vlag. Kleuren: De romp is zwart, het onderwaterschip is rood. Midscheeps en vlak onder het boeisel een witte bies. De binnenkant van het boeisel is geel. De houtendekken, schuifkappen, rondhouten en banken zijn gelakt. De luiken van het ruim zijn zwart, evenals de opbouw van de stoommachine. Het opboeisel van de statie is grijs. Accessoires: een stander met koperen dwarsstangen, een loopplank, een vaarboom, een pikhaak en een peilstok met verschillende kleuren.
AchtergrondinformatieHet stoomschip had de bijnaam Groate Suup, naar het geluid dat de stoomfluit maakte: 'Suup'. Een kleinere stoomboot is Sneek werd 'De Kleine Suup' genoemd. De bouwer heeft het stoomschip Sneek 18 jaar als machinist bevaren. Tussen 1878 en 1912 was A. van der Zee machinist. Later was Van der Zee chef technische dienst van Verschure & Co. Algemene Binnelandse stoomvaart Maatschappij. Het beurtschip, waarnaar Van der Zee het model bouwde, onderhield een geregelde dienst tussen Sneek en Amsterdam via Stavoren. De 'Sneek' lag afgemeerd in de Geeuw, voor het kantoor van Schenkius.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 31 december 1946, 4 maart 1949.
- Friesch Dagblad 30 dec. 1946
- F. Boschma 'Pakhuis Stad IJlst' in: It Drylster Kypmantsje okt. en nov. 1991.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1967-1968, pp. 57-59
BeschrijvingOnvoltooid model van een beurtschip. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: De romp van het schip rond: de bodem, voor- en achterschip zijn rond. Het roer, de zwaarden, de mast en de andere rondhouten ontbreken. In de romp zijn de spanten en de inhouten te zien en een deel van de bekleding van het ruim. Van het voordek zijn de leggers aangebracht. Ook de mastkoker is geplaatst evenals de dragers van het voorluik. In het achterschip is het achterschot van de roef geplaatst. Daarachter is de bollestal. Kleuren: geen (ongelakt hout) Accessoires: geen
AchtergrondinformatieTussen 1857 en 1953 hebben vier generaties van de familie Wildschut een scheepswerf gehad in Gaastmeer. - Roelof Ages Wildschut (geboren Heeg 1800) en zijn vrouw Baukje Oosterwerf vestigden zich in 1857 vanuit Heeg in Gaastmeer. Hij was scheepstimmerman. Ze hadden vier kinderen: Trijntje, Lourens, Hendrik en Jetze. - Lourens (geboren in Heeg in 1835, overleden in Gaastmeer in 1886) nam de werf van zijn vader over. Hij was getrouwd met Aukje Tjipke van Netten (overleden in 1908). Ze hadden vier dochters en vijf zoons (Roelof, Tjipke, Age, Jelle en Jetze). De werf bouwde voornamelijk houten vrachtschepen (tjalken) en vissersschepen (vooral Staverse jollen). - Roelof Wildschut (geboren 1866) nam de zaak over, samen met zijn broers. Eerst met broer Tjipke (geboren Gaastmeer 3 juli 1871, overleden Gaastmeer 25 mei 1901). Tjipke trouwde op 7 okt. 1893 met Sjoukje Jikke dam (geboren Beets 15 nov. 1875 en overleden te Oudega 19aug. 1897). Ze hadden twee kinderen: Harm (geboren te Oudega 19 jan 1894) en Aukje (jong gestorven in 1896). Na de vroege dood van Tjipke zette Roelof de zaak voort met zijn drie andere broers. Rond 1900 werd overgegaan op de bouw van ijzeren schepen. Maar de werf bood niet genoeg werk voor alle vier broers. In 1909 vestigde Roelof zich als boer in Wyckel, na onenigheid met zijn broers te hebben gehad. De werf werd voortgezet door Jelle, Age en Jetze Wildschut. Maar zonder veel succes. De vraag naar schepen daalde door het verval van de visserij op de Zuiderzee en de toename van het vrachtvervoer over land. In 1921 vertrok Jelle Wildschut naar Amerika in 1924 gevolgd door Age. In 1926 keerde Age ziek terug uit Amerika, zijn vrouw en kinderen achterlatend. Hij stierf in 1942 in Sneek zonder zijn familie ooit terug te hebben gezien. Jetze Wildschut bleef achter op de werf in Gaastmeer. - Samen met zijn zoon Lourens ging hij zich toeleggen op de bouw van schepen voor de pleziervaart: B.M.-ers, motorboten en roeiboten. In 1953 vertrok ook Lourens Wildschut naar Amerika en kwam een einde aan de werf. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 25 mei 1951 - Leeuwarder Courant 18 juli 1951
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1950.
- Ton Tekstra, 'Scheepswerf Wildschut te Gaastmeer' in: Spiegel der Zeilvaart 1988, nr. 12, pp. 27-31.
BeschrijvingScheepsmodel van het stoomberutschip SNEEK I. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: De mast fungeert voornamelijk als liermast. Toch kon er ook gezeild worden. In het want aan stuurboot hangt een gaffel, die werd gebruikt wanneer een hulpzeil werd gevoerd. De mast, die licht naar achteren helt, is voorzien van een steng. De steng en de mast worden gehouden door twee voorstagen (één voor de steng en één voor de mast) en aan weerszijden door een staand want van drie hoofdtouwen (de middelste loop via een zaling naar de top van de steng, de buitenste zijn bevestigd aan de top van de mast). De mast heeft twee liergieken. De voorste giek is bevestigd aan de mast en de achterste staat op een bok, net achter de mast. Aan deze grote giek hangt in een beugel aan de top een takelwiel. In de top van de steng hangt een rode wimpel met daarop in witte letters 'SNEEK I'. Daarboven een metalen windvaan in de vorm van een pijl. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van voor naar achter: Op het boeisel van het voorschip is geschilderd 'SNEEK I / KAPT. JOHS. KAPSERSMA'. Op het voorsteven een kleine rood-wit-blauwe vlag als prins. Aan stuurboord hangt aan een davit een anker. Het ankerketting loopt via een kluisgat naar de ankerlier, die op het voordek staat. Verder op het voordek het luikhoofd van het voorruim en een opbouw met dubbele deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. Daar was een verblijf voor eventuele passagiers. Daartoe zijn in het voorschip aan weerszijden ook twee patrijspoorten gemaakt. Achter de mast de lier en het achterruim. Dit ruim wordt, net als het voorruim afgesloten door een vaste dekplaat (niet door losse planken of luiken). Op het achterruim ligt de reddingsloep. Achter het ruim de opbouw van de stoommachine. Op deze opbouw is een openbrug, met daarin een horizontaal stuurrad, een kompas in een metalen huis, een roephoorn en een scheepsbel. Op de overkapping van de stoommachine de achteroverhellende schoorsteen met daarvoor een koperen pijp en een stoomfluit. Achter de pijp de opening van de kolenbunker. Ter hoogte van de stoommachine is op het boeisel aan bakboord een zwart bord geplaatst, dat aan de korte einden is versierd met zandlopervormen. Van de brug loopt een stuurstang, door de opbouw van de stoommachine heen, naar het houten achterdek, waar de overbrenging op de roerspil is gemaakt. Het houten achterdek is verhoogd. Aan weerszijden is de ruimte eronder bereikbaar met een deur-opbouw. Aan het boeisel zijn daar ook de verhoogde boordlichten (rood en groen) bevestigd. Naast de roeroverbrenging staan op het achterdek nog twee luikenkappen, een watervat en een rood-wit-blauwe vlag op een dubbel gebogen vlaggemast. Op het achterboeisel is geschilderd 'SNEEK ROTTERDAM 1888'. Kleuren: De romp is zwart met net onder het berghout een witte band. Het dek en de ruimoverdekkingen zijn zwart. De binnenkanten van de boeisels, de luikhoofden en de deuropbouwen zijn okergeel of houtkleurig. Het hout van het achterdek en dat van de mast, de steng en de gieken is gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieDe vervaardiger van het model is onbekend. Volgens de schenkers is het gemaakt door een machinist van het schip, wiens naam niet bekend is. Het stoomschip Sneek I onderhield sinds 1888 de beurtdienst van Sneek op Rotterdam.
Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 4 maart 1949
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1969/70, pag. 12
TitelScheepsmodel van het Dokkumer veerschip Tjerk Hiddes.
VervaardigerSmit, K.
Trefwoordenstoomschepen, beurtschepen, Dokkum
Objectnummer1991-301
Periode van1991
Periode tot1991
BeschrijvingScheepsmodel van het veerschip Tjerk Hiddes. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: De voorsteven is scherp en steil. Het achterschip is rond en geveegd. De bodem is vlak. Het model van de voor naar achter: Het voordek is als een paviljoendek: het is gemaakt op de bovenkant van het boeisel. Op het voordek een blauwe vlag. De opbouw loopt van boeisel tot boeisel, er zijn geen gangboorden. De verlaagde deur van het voorste passagiersverblijf bevindt zich in de voorwand van de opbouw, met een trap vanaf het voordek te bereiken. Aan weerszijden van deze deur zijn trappen die toegang verschaffen tot het houten bovendek, op het dak van de opbouw. Op de zijkanten van de trappen een cirkelvorm met daarop 'TJERK HIDDES'. Op het bovendek een dubbele zitbank, de metalen opbouw van de stoommachine en het stuurrat. De schoorsteen staat op de opbouw van de stoommachine en wordt gehouden door een tuidraad. Aan de voorkant van de schoorsteen is de stoomfluit bevestigd. In de wanden van metalen opbouw schuifluiken. Achter de opbouw een lichtkap en een stander met de hendels waarmee de machine wordt bediend. Het stuurrand is horizontaal. Het wordt omgeven door een halfronde, dichte, metalen verschansing. Aan de verschansing hangt de scheepsbel. Onder het bovendek bevinden zich de passagiersverblijven (voor en achter) en de machinekamer. In de zijden van de opbouw zijn aan weerszijden patrijspoorten gemaakt: in het voorste passagiersverblijf vijf, in de machinekamer één en in het achterste passagiersverblijf zeven. In het achterschip is een soort stuurkuip (bollestal) gemaakt. Dit vergemakkelijkt de toegang tot het achterste passagiersverblijf. Ook in het achterschip zijn aan weerzijden van de deur van het passagiersverblijf trappen gemaakt. Op het achterdek een luik en op het achterboeisel een vlaggenstok waaraan de Friese vlag wordt gevoerd. Kleuren: De romp is zwart en wit. De witte band is op de voorsteven het dikst en versmalt zich naar achteren toe. Het berghout en de boeisels zijn zwart. Het voordek en het achterdek zijn grijs. De opbouw is groen en voorzien van witte biezen. Het houten bovendek is gelakt. De bank is wit, de machinekamer is zwart en de verschansing op dhet stuurrad is grijs. Accessoires: een houten stander, met vilt bekleed.
AchtergrondinformatieHet beurtschip Tjerk Hiddes onderhield de beurtvaart van Leeuwarden op Dokkum, met als thuishaven Leeuwarden. Het voer tot circa 1930. Het was een stoomschip in een vorm die doet denken aan een trekschuit. De inrichting van het schip was luxueus. De eersteklas-afdeling had een pluche bekleding, spiegels aan de wand, een Belgische brander en schaakspellen. De tweedeklas-afdeling had houten banken. Rond 1825 voer de eerste stoomboot in Nederland. In 1841 werd in Friesland de eerste stoombeurtdienst ingesteld (Joure-Lemmer). De zeilende beurtschepen en trekschuiten werden hierdoor hevig beconcurreerd. De eerste stoomboten waren raderboten. De schroefstoomboten bevielen echter beter. Ook op de Friese werven werden stoomschepen gebouwd. De eerste stoomboten waren van hout. De latere werden gemaakt van ijzer. Aanvankelijk hadden de stoomschepen geen stuurhut (op een zeilschip stond de schipper ook buiten). en was het stuurrad liggend gemonteerd. Pas na 1910 werden er stuurhutten op stoomschepen gebouwd en werd het stuurrad daarin verticaal geplaatst. In het voorschip van de stoomboot was benedendeks vaak de passagiersruimte. Dikwijls volgde dan een afgesloten ruimte voor zuivelprodukten. Midscheeps was het grote laadruim (ook voor vee). De vracht werd geladen en gelost met behulp van een mast met laadboom. Achter het ruim was de machinekamer en het verblijf van de bemanning en bij de grotere schepen nog een passagiersruimte. Na 1920 werden veel stoommachines vervangen door ruwe-oliemotoren. Deze waren veel kleiner dan stoommachines en de brandstof nam minder plaats in dan de kolen voor de stoommachine. In de dertiger jaren kwam het vervoer over de weg sterk op en verdrong de vrachtauto de vrachtvaart. In 1960 waren alle varende beurtdiensten in Friesland opgeheven., literatuur:
- Rink van der Velde, 'Op'e taast oan board en op it gefoel farre' in: Leeuwarder Courant 12 nov. 1985, p. 11
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 18
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1991, p. 20
TitelScheepsmodel van het motorbeurtschip Twee Gebroeders.
VervaardigerBosma, Andries
Trefwoordenbeurtschepen
Objectnummer2006-160
Periode van2006
Periode tot2006
BeschrijvingScheepsmodel van een motorbeurtschip met de naam Twee Gebroeders. Zinkplaat, geklonken op koperen spanten. Schaal 1:20.
Rondhouten en tuigage:
Het schip heeft één houten (laad)mast. De mast staat in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door een staand want van vier hoofdtouwen. Het staande want is met spanners puttingijzers aan de binnenzijde van het boeisel vastgezet op de scheepsromp. De houten laadboom/giek hangt aan de voorkant met een scharnierende lummel in een lummelbank aan de voet van de mast. De giek wordt gehesen met behulp van een lier aan de achterzijde van de mastkoker. De kraanlijn loopt door vier blokken: twee aan de masttop en twee aan het uiteinde van de giek. Aan het bovenste eind van de giek een metalen staaf waaraan een lijn om de giek in het horizontale vlak te verplaatsen. Vastgezet op een bolder behoed de lijn de giek ook tegen zwaaien. Aan het achtereinde van giek hangt een enkel blok waardoor een hijstouw dat ook wordt bediend met de lier onder aan de mast. Halverwege en onderaan de giek twee geleideblokken voor deze lijn. In de zwarte top van de mast twee mastbanden en als bekroning een gouden knop. Alle blokken zijn voorzien van lopende schijven.
De romp:
Scherpe verticale voorsteven, rond geveegd achterschip met een enkel roer en een enkele schroef, vlakke bodem.
Het model van voor naar achter. In het voorschip aan bakboord een kluisgat. Hieruit hangt een klipanker. De steel en ankerketting daarvan lopen door het kluisgat naar binnen en dit wordt bediend met de ankerlier op het voorschip. Op het voordek de ankerlier en de metalen schuifkap met dubbele deuren die toegang verschaffen tot het vooronder. Hierachter verspringt het dek en op het stukje dek tussen mast en voorschip ligt het voorruim: een luikenkap met houten luiken. Op het tussendek (tussen voor- en achterruim) de mastkoker en de hijslier. Net voor de puttingijzers van het staande want zijn twee uitneembare stukken boeisel voor het eenvoudiger laden en lossen met een loopplank. Het hoofdruim is bedekt met houten luiken. Achter het voorruim opnieuw twee uitneembare stukken boeisel. Voor het stuurhuis een geklonken ‘doos’ boven de machinekamer. Op deze doos een toegangsluik en een tweede luik met drie ronde ruitjes boven de machinekamer. Aan stuurboord op de kist een zwarte uitlaatpijp met demper. De onderste helft van het stuurhuis is van metaal, de bovenste inclusief de deuren van gelakt hout. Aan alle zijden van het stuurhuis drie ramen. Het middelste raam aan de voorzijde kan deels worden uitgezet. Onder de deuren een opstapje. De deuren kunnen worden geopend. Aan bakboord aan de voorkant van het stuurhuis een beugel met bel. Aan weerszijden op het dak van het stuurhuis een kast met navigatielicht en centraal een schijnwerper. De roef is van metaal. Op het dak van de roef een gelakte lichtkap met metalen beschermroosters . In beide zijwanden van de roef twee patrijspoorten waartussen twee vensters die met schuifluiken kunnen worden afgesloten. De achterkant van de roef is gesloten. Op het boeisel rond de opbouw twee paren bolders en een metalen reling. Op het achterdekje een luik, een beluchtingspot(?) en een bolder. Op het sterk vallende boeisel van het achterschip centraal een vlaggenmast met Nederlandse vlag. Daaronder in witte letters “Veenwouden”
Kleuren:
De romp van het schip is zwart met een groen boeisel en een zwart potdeksel. Boven de waterlijn onderaan de steven een rode driehoek. Ook het bovenste hoekje van het roer is rood. De dekken en gangboorden zijn grijs. De toegang tot het vooronder, de dennen en de wanden van stuurhuis zijn havannabruin. Het dak van het stuurhuis en de wanden van de roef zijn wit. Het dak van de roef is lichtgroen. De ankerlier op het voorschip heeft een witte dekplaat. De rest van deze lier en de gehele hijslier zijn bruin met accenten in zwart en wit (de lierwielen). De luiken, de rondhouten en de bovenste helft van het stuurhuis zijn gelakt.
Accessoires:
Vaste stander.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd naar een tekening uit 1924 van de werf van Evert Zwolsman te Workum (inv.nr. T-468): een beurtschip voor de gebroeders Postma te Veenwouden. Hierop is ook de naam van het schip gebaseerd. Waarschijnlijk zijn dit Jan Tjipkes Postma (Veenwouden 6-8-1892 - Leeuwarden 2-4-1943) en Eelco Tjipkes Postma ( Veenwouden 16-5-1901- Leeuwarden 5-8-1980). Zij hebben het schip ca 1920 laten bouwen en hebben er in ieder geval tot en met 1929 mee gevaren. De broers waren zoons van oud-skûtsjeschipper en schrijver Tjipke Postma. Hij schreef o.a. "It Fryske Binnenfeartbedriuw" in 1930 en liet in 1913 bij Van der Werff te buitenstvallaat een skûtsje bouwen onder de naam Swanneblom.
Andries Bosma is geboren te Sneek op 31 juli 1933. Na zijn opleiding op de Sneker ambachtsschool volgde hij nog een aantal cursussen: lassen (twee jaar op de avondschool) en scheepsbouw/scheepstekenen (twee jaar Bemetel). Bosma begon met werken in 1950 bij machinefabriek Hubert te Sneek als constructiebankwerker. Van 1951-1968 werkte hij bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Vervolgens werkte hij vijf jaar bij scheepswerf Van der Werff & Visser te Gorredijk en keerde in 1973 terug bij scheepswerf Boomsma te Sneek. Daar bleef hij tot 1980. Sinds 1988 houdt Andries Bosma zich bezig met de bouw van scheepsmodellen., literatuur:
- Klaas Wielinga, 'Tsjipke Postma (1866-1956)' (Veenwouden 2006)