TitelAluminium plaatje met het beeldmerk van Scheepswerf Ton Bodewes uit Franeker.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenseinen, scheepsbouw, Bodewes, Ton
ObjectnummerJ-360
Periode van1960
Periode tot1991
BeschrijvingAlumnium plaatje voorzien van een klevende achterkant (beschermd met een papieren strip). Op de voorzijde centraal het beeldmerk van Scheepswerf Ton Bodewes te Franeker. Links en rechts daarvan de meest voorkomende geluidssignalen.
AchtergrondinformatieHet plaatjes is afkomstig uit het archief van de Scheepswerf Ton Bodewes N.V. te Franeker., De Groninger Ton Bodewes was een telg uit een bekend scheepsbouwergeslacht. In 1957 begon Ton Bodewes zijn scheepswerf te Franeker. De werf was gelegen aan het Van Harinxmakanaal. 10 jaar later, in 1967, werd de werf nog eens uitgebreid. Op de werf werden vooral kustvaarder, viskotters en vrachtschepen gebouwd. Jachtbouw was een nevenschakel van het bedrijf (de Commanderjachten). Het grootste schip dat op deze scheepswerf van stapel liep was de “Eminent” van 700 ton. Dit was tevens het eerste schip dat door de werf werd gebouwd. Het was helaas geen gelukkig begin; de opdrachtgever kwam te overlijden en daardoor heeft het schip nog een jaar voor de wal gelegen, voordat het uiteindelijk dienst kon doen. Ander grote opdrachten waren onder andere de “Lietzow” van 600 ton voor een Oost-Duitse opdrachtgever en de “Egberdina”, een binnenvaartschip van 400 ton.
In de jaren ’80 ging het slecht met de scheepsbouw. Er kwam steeds meer vraag naar grotere vrachtschepen. Daarop was de werf van Bodewes in Franeker niet berekend. Op de werf konden schepen worden gebouwd met een lengte van maximaal 40 meter, een breedte van 12 meter, een diepgang van 3 meter. Bovendien vertrok veel scheepsbouw naar buitenlandse werven. In die periode begon Ton Bodewes te zoeken naar andere alternatieven om het hoofd boven water te kunnen houden. Dat was de koop- en huurtelefoon, iets waarmee in Amsterdam toen al aardig werd verdiend. De koopfoon zoals dit nieuwe medium kort gezegd werd genoemd, was een advertentiemedium. Wie iets te koop had of te huur pakte de telefoon en liet zijn of haar aanbieding voor fl. 10,- registreren. Belangstellenden werden daarna kosteloos met de verkoper of verhuurder in verbinding gebracht. Op deze manier wilde Bodewes zich begeven op het gebied van de jachtbemiddeling. Dit medium bleek niet erg aan te slaan.
Scheepswerf Ton Bodewes N.V. Franeker was lid van de Fries-Groningse combinatie Conoship. In 1952 werd Conoship (Combination Nothern Shipbuilders) opgericht door Coops in Hoogezand en Barkmeijer in Hoogkerk-Vierverlaten. Binnen Conoship waren naast diverse Groninger scheepswerven ook verschillende Friese werven verenigd onder andere: Bodewes te Bergum, Bijlsma te Wartena, Tille te Kootstertille, Barkmeijer te Stroobos en Ton Bodewes te Franeker. Het uitgangspunt was samenwerking, een samenbundeling van krachten in plaats onderlinge concurrentie. In de jaren ’50 was de vereniging nog weinig succesvol, maar dat werd als snel beter. De eerste gezamenlijke activiteit was de oprichting van een coöperatief inkoopbureau, de organisatie zorgde voor het verwerven van bouworders en had een eigen ontwerpafdeling. Conoship was voornamelijk werkzaam op de buitenlandse markt; de binnenlandse markt bleef daarbij vrij voor de afzonderlijke werven.
In 1990 heeft Ton Bodewes de scheepswerf aan de gemeente Franekeradeel verkocht. Het terrein was nodig voor de ontwikkeling van de zogenaande “kanaalzoneplannen.” Bodewes kon het bedrijf nog maximaal zes jaar van de gemeente huren en daarmee zijn bedrijf nog voortzetten. Op 25 februari 1991 echter overlijdt Ton Bodewes op 63-jarige leeftijd.
TitelJ.H. van der Weij - geschilderd portret van Simon Olij uit Sneek.
VervaardigerWeij, J.H. van der
TrefwoordenS.Z.C., Sneek, Olij, Simon J.
Objectnummer2009-026
Periode van1947
Periode tot1947
BeschrijvingSchilderij. Olieverf op doek. Portret ten halven lijve, en trois-quarts met naar de beschouwer gedraaid gelaat. Op de achtergrond een meer. De geportetteerde is Simon Olij uit Sneek. Hij draagt een donkerblauw colbert, een wit overhemd en een blauwe stropdas. Op zijn schipperspet het embleem van de Sneker Zeilclub. Het portret is gevat in een goudkleurige, bewerkte lijst.
AchtergrondinformatieDe naam van de vervaardiger J.H. van der Weij wordt in de lexicons niet genoemd. Jan Hyltje van der Weij woonde in de Tulpstraat in Sneek. Hij was eigenaar van oliehandel Van der Weij. De Sneker families Olij en Van der Weij hadden veel met elkaar te maken. Er was een jachtwerf J. Olij en C.J. van der Wey. Beide families waren zeer actief in de zeilsport en ook in genealogische zin waren ze aan elkaar geparenteerd. Tussen de schilder en de geportretteerde bestonden echter geen directe familiebanden., Simon J. Olij (1873-1960) was bij veel watersporters en inwoners van Sneek beter bekend als 'Oom Simen'. Hij was van 1916 tot en met 1936 secretaris en daarna tot april 1945 voorzitter van de Sneker Zeilclub. Voor zijn verdiensten werd hij bij zijn aftreden benoemd tot erelid van deze club. Hij was als secretaris van de S.Z.C. nauw betrokken bij de organisatie van de eerste Sneekweken waarvoor het initiatief genomen was door zijn broer Johannes Olij. Met J.G. Hibma en R. Buisman nam Simon Olij het initiatief tot oprichting van de N.N.W.B. waar hij ook deel uitmaakte van de Technische commissie. Hij was meerdere jaren lid van de nationale Zeilraad. Hij was bovendien bestuurslid van de Vereniging het Fries Scheepvaart Museum na haar oprichting in 1938. Ook was Olij bestuurslid van de Sneeker Jachthaven. Actief zeilde Olij zelf in de klasse der grote Friese schouwen, tjotters en Friese jachten maar ook in de D-klasse en de regenboog.
Voor zijn verdiensten voor de watersport werd S.J. Olij op 17 augustus 1948 aan boord van het prinselijk jacht Piet Hein benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De onderscheiding werd hem door Prins Bernard persoonlijk uitgereikt., Literatuur:
- Tuil, J. en Brinksma, B., Sneeker Zeil Club. Mei 1902-1952. Gedenkboek ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Sneeker Zeilclub., Sneek 1952, pp. 12 en 26-28
TitelOtto de Boer (Woudsend 1797 - Leeuwarden 1856) - Portret van vermoedelijk Jan Aukes (Woudsend 1801-1855).
VervaardigerBoer, Otto de
TrefwoordenAukes, Jan
Objectnummer2009-035
Periode van1840
Periode tot1850
BeschrijvingSchilderij. Olieverf op doek. Portret ten halven lijve, en trois quarts. Zittend op een stoel met de arm over de leuning geslagen. De geportretteerde is vermoedelijk Jan Aukes (Woudsend 1801-1855). Hij draagt een wit hemd, een zwarte das en een zwarte jas. Hij heeft donker haar en lange krullende bakkebaarden.
AchtergrondinformatieJan Aukes is geboren te Woudsend 22 april 1801. Hij was een zoon van Albert Aukes (geboren circa 1750 te Woudsend en overleden aldaar op 13 mei 1832) en van Ybeltje Sjoerds (1761-1826). Jan Aukes is overleden te Woudsend op 25 mei 1855. Hij was mast- en blokmaker aldaar. Hij trouwde (Rooms Katholiek) te Makkum op 24 dec. 1838 met Houkje Overmeer (geboren Makkum 12 okt. 1814, overleden 's-Hertogenbosch 26 mei 1871). Zij kregen negen kinderen., Vader Albert Aukes wordt in de kadastrale Atlas van Wybritseradiel genoemd: Woudsend sectie A, de nrs. 285-288. Zijn beroep: "Mastmaker". Het was een groot terrein aan de Iewal te Woudsend, bebouwd met "Mastemakersschuur en Erf, Pakhuis" en nog een schuur.
Naast masten werden er ook andere scheepsbenodigheden geleverd. Bij een boelgoed in april 1866 werd de inventaris van de mastmakerij verkocht. De aankondiging op 10 april 1866 in de Leeuwarder Courant vermeldt:
'Een volledig en compleet stel Mastmakersgereedschappen, hoofdzakelijk bestaande in: 1 beste dubbele pompboorderij, 1 kunst- en twee gewone draaibanken, waaronder 1 mahoniehouten, eenige ijzeren en houten schroeven etcetera, en Solied gemaakte Mastmakersgoederen, waarbij circa 3000 af- en onafgewerkte blokken, eene grote hoeveelheid schijven, nagels, palm, pok, nagel, letter, en ijperen hout, 2 groote takels, 2 slijpstenen, benevens haken, bomen, plegtgeerden, sparren, gaffels, ijzerwerk en hetgeen verder tevoorschijn zal worden gebracht'., Otto de Boer. Geboren te Woudsend 11 juni 1797 en overleden te Leeuwarden 14 aug. 1856. Leerling van W.B. van der Kooi. Begon in 1824 een reis van verscheidene jaren naar Duitsland, Frankrijk en Italië, waar hij in musea copieerde. Vestigde zich daarna beurtelings in Amsterdam en Den Haag en vertrok toen voorgoed naar Leeuwarden. Heeft daar hoofdzakelijk bijbelse voorstellingen geschilderd (altaarstukken).
BeschrijvingTwee identieke uithangankers. Stokankers. Twee armen met afgeronde vloeien en de schacht gesmeed uit één stuk. De stok is van ijzer en middels een schroefdraad in de schacht bevestigd. De stok heeft aan beide uiteinden kleine knoppen. Door de schacht van het anker een nog opengebogen ring (roering).
AchtergrondinformatieUithangankers werden gebruikt door kapiteins. Ze werden aan de gevels van hun huizen gehangen ten teken dat zij nog vracht konden meenemen op hun reis., Het anker is afkomstig uit de familie Aukes welke familie tot 1865 een mastmakerij had in Woudsend. De betovergrootvader van de bruikleengever was Jan Aukes, geboren te Woudsend op 22 april 1801. Hij was een zoon van Albert Aukes (geboren circa 1750 te Woudsend en overleden aldaar op 13 mei 1832) en van Ybeltje Sjoerds (1761-1826). Jan Aukes is overleden te Woudsend op 25 mei 1855. Hij was mast- en blokmaker aldaar. Hij trouwde (Rooms Katholiek) te Makkum op 24 dec. 1838 met Houkje Overmeer (geboren Makkum 12 okt. 1814, overleden 's-Hertogenbosch 26 mei 1871). Zij kregen negen kinderen.
Vader Albert Aukes wordt in de kadastrale Atlas van Wybritseradiel genoemd: Woudsend sectie A, de nrs. 285-288. Zijn beroep: "Mastmaker". Het was een groot terrein aan de Iewal te Woudsend, bebouwd met "Mastemakersschuur en Erf, Pakhuis" en nog een schuur.
Naast masten werden er ook andere scheepsbenodigheden geleverd en mogelijk zijn deze twee ankertjes na verkoop van de mastmakerij binnen de familie gebleven. Bij een boelgoed in april 1866 werd de inventaris van de mastmakerij verkocht. De aankondiging op 10 april 1866 in de Leeuwarder Courant vermeldt:
'Een volledig en compleet stel Mastmakersgereedschappen, hoofdzakelijk bestaande in: 1 beste dubbele pompboorderij, 1 kunst- en twee gewone draaibanken, waaronder 1 mahoniehouten, eenige ijzeren en houten schroeven etcetera, en Solied gemaakte Mastmakersgoederen, waarbij circa 3000 af- en onafgewerkte blokken, eene grote hoeveelheid schijven, nagels, palm, pok, nagel, letter, en ijperen hout, 2 groote takels, 2 slijpstenen, benevens haken, bomen, plegtgeerden, sparren, gaffels, ijzerwerk en hetgeen verder tevoorschijn zal worden gebracht'., Literatuur:
- Leeuwarder Courant 10 april 1866
TitelBrief van S. Ravens aan de gemeente Harlingen, 1795.
VervaardigerRavens, J.
TrefwoordenHarlingen, trekschuiten
Objectnummer2009-036
Periode van1795
Periode tot1795
BeschrijvingBrief, papier met inkt beschreven. Geadresseerd aan 'De Burgers uitmakende de Leden / van de Municipaliteit / te / Harlingen'. Gedateerd op 30 november 1795 en die dag verzonden 'met de schuit van 9 uuren'. In het papier een watermerk met daarin een ruiter te paard waaronder: 'Willem Frederik / Erf.P.V.Oranjen. De brief was gesloten met een rood lakzegel waarin een wapenschild met o.a. zes vogels, vermoedelijk raven.
AchtergrondinformatieDe brief is geschreven door J. Ravens 'Commissaris over de vivres voor de Fransche Troupes der Stad en Environs van Leeuwarden' en is gericht aan het gemeentebestuur van Harlingen. Er wordt in beschreven hoe de bevoorrading van de in Harlingen gelegerde Franse troepen, en vooral de betaling daarvan zal moeten geschieden. De brief is per trekschuit verzonden op 30 november 1795 om 9.00., In Friesland kwamen in 1642 de trekvaart en trekweg tussen Harlingen en Leeuwarden gereed, in 1647 die tussen Leeuwarden en Dokkum, in 1656 die tussen Dokkun en de Groningse grens en tenstotte die tussen Leeuwarden en Sneek in 1661. De trekvaarten verzekerden de reizigers een gerieflijk vervoer per trekschuit met vaste vertrek- en aankomsttijden. Dit garandeerde ook een regelmatige postbezorging. De trekschuiten waren 10 tot 15 meter lange, smalle schepen. Een korte mast stond tegen de voorkant van de kajuit. Aan de mast was een touw bevestigd waaraan het trek- of jaagpaard liep over het jaagpad. In de kajuit bevonden zich een eerste en een tweede klasse afdeling. De eerste klasse was iets luxueuzer ingericht dan de tweede klasse: kussens op de banken en dam- en schaakspel waren aanwezig en soms kranten. Waar geen trekschuiten konden varen werd de beurtdienst met een zeilschip onderhouden.
TitelBrief van de Provinciale rekenkamer aan de gemeentesecretaris van Barradeel..
VervaardigerBosma, R.
TrefwoordenBarradeel, trekschuiten
Objectnummer2009-037
Periode van1799
Periode tot1799
BeschrijvingBrief, papier met inkt beschreven. Geadresseerd aan 'Den Burger Leistra / Secretaris van de / Raad der gemeente / van / Barradeel'. Gedateerd op 22 maart 1799 en die dag 'afgezonden met het Harlinger Schip'. Afzender was R. Bosma. In het papier een watermerk met daarin kroon en de letters G en R. De bief was gesloten met een rood lakzegel waarin het wapen van Friesland en de woorden: "Reken / kam.."
AchtergrondinformatieDe brief is geschreven door R. Bosma, waarschijnlijk een lid van de Provinciale rekenkamer van Friesland. In de brief meldt Bosma dat er nog geen 'Staat van Boeten en Breuken' van de gemeente Barradeel over het jaar 1797-1798 is ontvangen. Hij vraagt verder deze 'Staat' binnen 5 of 6 dagen te verzenden., In Friesland kwamen in 1642 de trekvaart en trekweg tussen Harlingen en Leeuwarden gereed, in 1647 die tussen Leeuwarden en Dokkum, in 1656 die tussen Dokkun en de Groningse grens en tenstotte die tussen Leeuwarden en Sneek in 1661. De trekvaarten verzekerden de reizigers een gerieflijk vervoer per trekschuit met vaste vertrek- en aankomsttijden. Dit garandeerde ook een regelmatige postbezorging. De trekschuiten waren 10 tot 15 meter lange, smalle schepen. Een korte mast stond tegen de voorkant van de kajuit. Aan de mast was een touw bevestigd waaraan het trek- of jaagpaard liep over het jaagpad. In de kajuit bevonden zich een eerste en een tweede klasse afdeling. De eerste klasse was iets luxueuzer ingericht dan de tweede klasse: kussens op de banken en dam- en schaakspel waren aanwezig en soms kranten. Waar geen trekschuiten konden varen werd de beurtdienst met een zeilschip onderhouden.