TitelJacob Spin - Gouache. Scheepsportret van het fregat Elisabeth Antonia.
VervaardigerSpin, Jacob
Trefwoordenfregatten, oorlogsschepen
ObjectnummerG-155
Periode van1854
Periode tot1854
BeschrijvingGouache. Scheepsportret van een fregat. Het schip is afgebeeld in een vliegende storm met onweer. Op het glas van de lijst is geschilderd (gouden letters op zwart): 'Elisabeth . Anthonia . 1852'.
AchtergrondinformatieHet fregat Elisabeth Anthonia is in 1837 te Dordrecht gebouwd. Het voer voor Voute en Co te Amsterdam met als gezagvoerders S.H. Veer (1838-1843) en P. Bakker (1843-1850). In 1850 werd het schip verkocht aan J.J. Granpré Molière en A.W. ten Cate te Amsterdam. De gezagvoerders waren: J. Veenstra (1850-1853), J.H. Schipers uit Workum (1853-1855) en J. Jansen (1855-1859). Het schip is in 1859 gesloopt.
Jacob Spin. Geboren Amsterdam 24 april 1806, overleden Amsterdam 3 juni 1875. Aquarelleerde en tekende meestal afbeeldingen van zeeschepen, zeer nauwkeurig afgewerkt. Volgens opgave van het bevolkingsregister te Amsterdam kunstschilder van beroep. Volgens overlevering zou hij een oud-zeeman zijn geweest, die met zijn vlet naar de binnenkomende schepen roeide, om dan de kapitein voor te stellen zijn schip op een schilderij af te laten beelden. De kapitein had dan maar te zeggen hoe hij zijn schip voorgesteld wenste te zien, zeilend bij de wind, voor de wind, bij mooi weer of stormweer, op de Noorzee of op de oceaan, enz., literatuur:
- B. Oosterwijk, Wind in de zeilen, Scheepstekenaar Jacob Spin (Rotterdam 2005)
- Sneeker Nieuwsblad 1 mei 1967
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1966, p. 12
BeschrijvingSchilderij. Penschilderij: pen en inkt op een ivoorkleurig geprepareerd paneel. Woelig water met centraal een driemastoorlogsschip. Het schip vaart schuin van de beschouwer weg (naar rechts). De spiegel van het schip is versierd met snijwerk: het wapen van Friesland gehouden door twee speerdragende mannen. Op de achtergrond een aantal andere zeilende schepen. Op het achterschip en in de drie masten zijn Nederlandse vlaggen gehesen. Aan de fokkemast worden twee dwarszeilen (fok en fokkemarszeil) gevoerd, aan de grote mast een grootmarszeil en aan de bezaanmast een latijnzeil.
AchtergrondinformatieWigerus Vitringa. Geboren Leeuwarden 8 okt. 1657, overleden Wirdum 18 jan. 1725. Zoon van Horatius Vitringa, secretaris van het Hof van Friesland en Albertje de Haen. Studeerde rechten aan de academie te Franeker. Promoveerd op 4 juli 1678 op een proefschrift getiteld "De Fideicommissaria hereditatis petitione". Na zijn promotie werd hij advocaat aan het Hof van Friesland. Daarnaast besteedde hij zijn tijd aan de schilderkunst, eerst portretten en later zeestukken.Het vroegst genoemde schilderij stamt uit 1675 en zou een 'binnenhuis met beelden' voorstellen gesigneerd W.C. Vitringa (na de vermelding in een Amsterdamse veilingcatalogus uit 1856 is dit werk niet meer gezien). Zijn vroegste nog bekende schilderijen zijn gedateerd in 1678. Hij verhuisde naar Alkmaar. In 1792 woonde hij daar al (blijkens een processtuk in het GA Alkamaar). Gedurende zijn Alkmaarse periode heeft hij zich niet ingelaten met juridische zaken. Van 1696 tot 1706 was Vitringa lid van het Sint Lucasgilde in Alkmaar. De zeestukken van Vitringa zijn verwant aan die van Backhuizen en in mindere mate aan die van Willem van de Velde de jonge. Karakteristiek zijn de dramatische licht-donker-contrasten, voorgrondfiguren in tegenlich en dreigende wolken. Vitringa maakte vooral olieverfschilderijen (op doek en op paneel), maar ook aquarellen en pentekeningen. Vitringa signeerde met zijn volledige naam (W. Vitringa), met zijn initialen (WV) of alleen met de letter V.
Na 1707 kon Vitringa niet meer schilderen vanwegen een ernstige oogkwaal. In een akte in het protocol van de Alkmaarse notaris Theodorus van Heymenbergh (7 jan. 1708) wordt hij "gewesen Konstschilder" genoemd en dat hij "door indispositie en swacheijt van sijn gesigt niet machtig sijnde syn kost te exerveren en alsoo buijten staet van sijn kost te connen winnen". Hij moet daar om enkele huizen in Leeuwarden laten verkopen. Toch was zijn gezicht niet zo slecht dat hij geen leerlingen kon hebben. In 1720 bijvoorbeeld was Tako Hajo Jelgersma (Harlingen 1701 - Haarlem 1795) leerling bij Vitringa. Hij schilderde aanvankelijk ook schepen. later portretten. Jelgersma maakte ook meerdere portretten van Vitringa. Eén ervan is in koper gegraveerd door Cornelis van Noorde.
Het schilderij is in de catalogus van Christie's toegeschreven aan Wigerus Vitringa. Mevr. Drs. C.W. Wansinck van de Rijksdienst Kunsthistorische Documentatie schrijft het schilderij toe aan Vitringa op basis van overeenkomsten met een penschilderij van Vitringa dat op 26 nov. 1984 is geveild bij Christie's: golven, zeilen en scheepstype.
Ter gelegenheid van de veiling is het schip door dr. R.B. Prud'Homme van Reine geïdentificeerd als het oorlogsschip Frisia (Klein Frisia). Dit schip had 34 tot 42 stukken. Het aantal kanons wisselde wel eens. Het schip was 120 voet lang en 11¼ voet breed. Het is gebouwd in 1653. De lengte-breedte verhouding geeft aan dat de Frisia nog is gebouwd als de traditionele Nederlandse fregatten: zeer ranke schepen. De Engelse schepen waren breder en daardoor voor het geschut stabieler. Op instigatie van Tromp en De With werden de Nederlandse oorlogsschepen na 1653 ook breder gebouwd. De Frisia is echter nog van het oude, slanke type, dat men 'gefregatteerd oorlogsschip' oftewel fregatschip noemde (onder te verdelen in drie charters). Opvallend aan het schip is dat de dekken vlak zijn en niet oplopen. De geschutspoorten lopen derhalve niet met de berghouten mee maar zijn er op enkele plaatsen doorheen geboord (waardoor het langsverband werd afgezwakt).
In 1656 deed de Frisia (kapitein Albert Pietersz de Boer) mee in de gevechten in de Sont en voor Dantzig onder commando van Van Wassenaer. In juni 1665 was Wietze Beijma kapitein van het schip en werd het ingezet in de slag bij Lowestoft (commando Stellingwerf en Van Wassenaer). Het schip werd door branders in brand gestoken. Beijma en bemanning sprongen van boord, werden door de Engelsen gered en gevangen gezet. 65 man bleven aan boord. Het schip werd zonder masten door Zeeuwse oorlogsschepen binnen gesleept. In augustus 1665 was het weer hersteld. In 1665 voer het schip onder kapitein Jan Pietersz. Vinkelbos onder het commando van Tjerk Hiddes de Vries en Michiel de Ruijter op de Noordzee (Noorwegen, Doggersbank, Solebay). Op 4 en 5 auguster 1666 deed het schip (kapitein Jan Pietersz. Vinkelbos) onder commando van Jan Evertsen en Michiel de Ruijter mee aan de Tweedaagse zeeslag Op 21 juni 1667 voegde het schip (kapitein Yde Hilkesz. Kolaert) zich bij de vloot van Michiel de Ruijter die op weg was naar Chatham In 1676 voer de Frisia met kapitein Jochem Jansz. Kroon in de Oostzee., literatuur:
- P. Bakker, Gezicht op Leeuwarden (Amsterdam 2008) p. 238 en 277: stamboom van Wigerus Vitringa
- Veilingcatalogus Christie's 26 nov. 1984 (lot.nr. 166) en 9 nov. 1998 (lotnr. 67).
- C.W.J. Schaap 'De Admiraliteit van Friesland, haar vlagofficieren en schepen' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982 (p. 58)
- J. van Beijlen, Schepen van de Nederlanden (Amsterdam, 1970) pp.68-73
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 31-32
- J. Belonje, "Iets over den Zeeschilder Vitringa" in: Oud Holland 1959, p. 30.
- Robbert Jan van der Maal, "Het Friese geslacht Vitringa" in: De nederlandsche Leeuw CXII, nr. 4-6 (1995) 117-162
TitelC.P. Mooy - Schilderij. Gezicht op een oorlogsschip voor Harlingen.
VervaardigerMooy, Cornelis Pietersz
Trefwoordenoorlogsschepen, Harlingen
Objectnummer1980-205
Periode van1690
Periode tot1690
BeschrijvingSchilderij. Paneel. Penschilderij of grisaille (ivoorkleurige ondergrond). Voorgrond: het over stuurboord zeilende oorlogsschip De Tijger. Achtergrond: beurtschepen voor de havenmond van Harlingen (walmolen, Westerkerk met zadeldaktoren).
AchtergrondinformatieHet schilderij toont de volle zeilvoering van een oorlogsschip van rond 1650. Het grootzeil is opgedoekt om op deze ruime koers de fok wind te geven. Ook het grootmarszeil hangt los, zodat het voormarszeil meer wind krijgt en het schip goed op het roer ligt. Het schip is tamelijk breed, met name in het achterschip. De reden daarvan was dat het schip niet teveel moest inzinken. Er werd namelijk nogal wat ballast gebruikt als tegenwicht voor het zware geschut. Britse oorlogsschepen waren scherper.
Omdat op het schilderij een zadeldaktoren is afgebeeld vroeg de kunsthandel het museum de havenplaats te identificeren. De Westerkerk van Harlingen werd in 1890 afgebroken en was toen voorzien van een koepeltorentje, maar twee gegraveerde gezichten op de stad uit ca. 1660 en 1664 geven het gebouw weer met een zadeldaktoren. Op de gravures is de winkelhaakvorm van het gebouw te zien en deze is op het schilderij ook te herkennen. Situering van de wallen, de molen, de poorten en havenhoofden wijzen bij vergelijking met oude stadsplattegronden ook duidelijk op Harlingen.
Op de spiegel van het afgebeelde oorlogsschip is een tijger afgebeeld. Het oorlogsschip De Tijger behoorde tot de Admiraliteit van het Noorderkwartier. Het had 52 stukken geschut en een bemanning van 200 koppen. Het voer onder commando van kapitein Adriaan Teding van Berkhout.
De schilder Cornelis Pieterszoon Mooy is geboren in Delfshaven tussen 1635 en 1645 en te Rotterdam overleden in 1693. Hij was in het vervaardigen van penschilderijen een navolger van Willem van de Velde de Oude en Simon de Vlieger., literatuur:
- Catalogus Oude Kunst- en Antiekbeurs Delft, p. 129.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1980, pp. 13-14.
- Jeroen Giltay en Jan Kelch, Lof der Zeevaart, de Hollandse zeeschilders van de 17de eeuw (Rotterdam, 1996), pp.453-456
- H.P. ter Avest en J.J. Huizinga, Harlinger Stadsgezichten tot 1880 (Harlingen, 1999) pp. 18-19
BeschrijvingCentsprent met afbeelding van drie oorloggschepen: 'ramtorenschip Prins Hendrik, Fregat 1e klas met stoomvermogen en Monitor de Tijger'. Lithografie. Titel: 'Nieuwe Nederlandsche Kinderprenten Oorlogschepen No. 83'. De plaat is geplakt op karton. Achterop: 'Plaat was van Henrik Miedema Zurich, broer van Aukje Miedema, Aaltje Miedema, Akke Miedema, zoon van Sjoerd Miedema en Lysbeth Karsten'.
AchtergrondinformatieGeruild tegen prentbriefkaarten., De centsprent is een uitgave van I. de Haan te Haarlem.
BeschrijvingCentsprent. Drukwerk. Titel: "Het nieuw vermakleijk Spel, genaam Doggersbank". Bord met in het midden de admiraalschepen Admriaal de Ruiter en The Foritude. Daar om heen in veertien vakjes de andere veertien Nederlandse en Engelse oorlogsschepen die een rol speelden in de slag bij de Doggersbank. Onder de afbeelding de spelregels.
AchtergrondinformatieDe familie Bootsma oefende van 1763 tot 1994 het boerenbedrijf uit op de boerderij Haubois te Loënga. De boerderij dankt zijn naam aan Cornelis Haubois, burgemeester van Sneek, die het buiten dat op de plaats van de boerderij stond, in bezit had. In 1760 verkocht Jhr. Tjallingh Edo Roorda van Sixma het buiten aan Ymte Johannes Bangma. In 1763 liet deze de boerderij bewonen door zijn dochter Sibbeltje Bangma (1734-1809) en haar man Johannes Theunis Bootsma (1726-1781). Hij was de eerste Bootsma op Haubois. Hun zoon Imte Johannes Bootsma (1771-1839) was de opvolger. Hij trouwde in 1815 met Beitske Jentjes Alberda (1796-1864). Zij hadden vier zonen: Johannes, Jentje, Theunis en Rintje. De laatste, Rintje Ymtes Bootsma (1825-1891) was de derde Bootsma op Haubois. Hij trouwde (1871) met Janke Wietses Walinga (1839-1915). Zij hadden drie zonen: Ymte, Wytse en Jentje. De laatste, Jentje Rintjes Bootsma (1880-1961) was de vierde Bootsma op Haubois. Hij trouwde (1907) met Grietje Heeringa (1877-1957). Jentje Bootsma begon in 1910 met het fokken van Stamboekvee. In 1916 was zijn hele veestapel ingeschreven in het Fries Rundvee Stamboek. Sindsdien stond het vee van Bootsma hoog aangeschreven bij veefokkers. Jentje Bootsma en Grietje Heeringa hadden drie kinderen: Janke (1913-1913), Rintje (1915-1994) en Ymte (1918-1991). De beide broers namen de boerderij van hun vader over: de vijfde generatie Bootsma's op Haubois. Ymte bleef ongehuwd. Rintje trouwde met Jantje Hoekstra (1923-2001). Zij hadden geen kinderen. Na de dood van Rintje in 1994 werd Haubois door zijn weduwe verlaten. Zij liet een deel van het familiebezit na aan het museum.
TitelSchetsboek met 18 tekeningen van Nederlandse oorlogsschepen.
VervaardigerTeijssen
Trefwoordenoorlogsschepen
Objectnummer2003-089
Periode van1796
Periode tot1796
BeschrijvingSchetsboek met achttien tekeningen. De tekeningen zijn opgezet in inkt en ingekleurd met waterverf. Zeventien tekeningen lijken op elkaar. Het zijn scheepsportretten van één of twee oorlogsschepen, die uitbundig zijn gepavoiseerd. De laatte tekening wijkt af: een havengezicht met meerdere schepen. Op sommige tekeningen zijn de namen van de schepen te lezen: Zeegen Koetse, Zeeland, Stad en Lande, Republiek, Batavier, Vryheid, Gelderlande, Houtvester, Hollander, Beschermer, D'Oranieleeuw, Eendragt, Nationale Lint, De Gedenkpenning. De vlaggen zijn van de BAtaafse Republiek: Hollandse leeuw, pijlenbundels, Hollandse maagd in tuin,
AchtergrondinformatieDe identiteit van de tekenaar is niet bekend. Waarschijnlijk zijn de tekeningen gebaseerd op een serie prenten van Nederlandse oorlogsschepen. De verkoper heeft de tekeningen gekocht uit een boedel in Den Haag. De datering 1796 valt in de periode van de Bataafse Republiek. De Bataafse Republiek was de officiële naam voor de Republiek der Verenigde Nederlanden na het vertrek van stadhouder Prins Willem V van Oranje-Nassau in 1795 naar Engeland tot aan de benoeming van Lodewijk Napoleon tot koning in 1806. De Bataafse Republiek sloot in 1796 een offensief en defensief verbond met Frankrijk en kwam in feite onder protectoraat van dit land. Dat verklaart waarom op sommige schepen ook Franse vlaggen zijn te zien.