TitelBlokmodel van een houten beurtschip met zeilen.
VervaardigerSybranda, M.
Trefwoordenbeurtschepen, Heeg, Sybranda, Marten
Objectnummer1976-010
Periode van1900
Periode tot1950
BeschrijvingScheepsmodel van een houten beurtschip. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag, die via de botteloef (in het fries loefbyter) is belegd op een klamp op de voorsteven. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de voorstag. In de top van de fok een metalen fokkegaffel. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. De fokkeschoot is belegd op een blok dat is bevestigd op een overloop op het voordek. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een blok dat is bevestigd op een overloop in het verlaagde achterdek (bollestal). De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank die aan de mastkoker is bevestigd. Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem.
Het model van de voor naar achter: Op de voorsteven is met een soort vork de botteloef (in het fries loefbyter) bevestigd. Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. In het voordek is een luik (uitwip) gemaakt dat werd verwijderd wanneer de mast werd gestreken, zodat plaats geboden werd voor het contragewicht. Net voor de mast de overloop van de fok. Achter de mast het ruim dat met bolle luiken wordt overdekt. Het ruim gaat over in de roef. De overgang wordt op het dak gemarkeerd door een dwarslijst. De roef is toegankelijk via dubbele deuren en een schuifluik in de achterwand van de roef. De deuren worden met groeven gesuggereerd. De zwaarden zijn zodanig beschilderd dat het lijkt alsof de zwaardkoppen verdikt zijn. Rond het boutgat is een vijfpuntige sierster gemaakt. De zwaardloper gaat via een blok op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en wordt dan belegd op de achterbolders. Het achterdek is verlaagd: een bollestal. Daar is de overloop van de grootschoot. Het gangboord loopt door tot het achterschip. Het helmhout is gecontourneerd. Op het roer een roerkop die naar voren toe over en steven heen steekt.
Kleuren: De romp is groen, het onderwaterschip is zwart en het berghout is wit. De binnenkanten van de boeisels en de bollestal zijn bruin. Het dek is grijs. Het ruim en de roef zijn wit, de kajuitlijst en de deuren is de achterwand van de roef zijn bruin. De kluisborden en de voorsteven zijn geel. De berentanden zijn wit en rood. De bovenkant van de achtersteven is rood. De zwaarden, het roer en de rondhouten zijn gelakt.
Accessoires: loopplank.
AchtergrondinformatieDe romp is oud. De tuigage werd in 1975 bijgemaakt door M. Sijbranda. Toen is waarschijnlijk ook de mast vernieuwd, evenals de zwaard. Ook de beschildering lijkt toen te zijn vernieuwd.
Het model zou door een schipper uit Heeg zijn gemaakt. Het is tamelijk primitief en grof uitgevoerd.
Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
BeschrijvingScheepsmodel van een beurtschip. Blokmodel. Schaal onbekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel aan de voorsteven bevestigd. Aan de achterkant is de kluiverboom scharnierend in een metalen stander bevestigd. Aan de voorkant wordt de kluiverboom gehouden door een boegwant van twee hoofdtouwen. Op de steven een ijzeren botteloef (in het fries loefbyter) met vorkverbinding en een metalen waterstag. De mast wordt gehouden door twee voorstagen (één op de kluiver en één op de botteloef), en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). Het staande en lopende want is met puttingijzers vastgezet op het boeisel. Het model is volledig getuigd, echter niet voorzien van zeilen. Aan de verstaging, de vallen en de schoten is echter wel te zien welke zeilen er op gevoerd kunnen worden: een kluiver, een stagfok een een grootzeil (met gebogen gaffel en giek). De kluiver kan worden uitgezet met een traveller. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Van de schoten is alleen die van het grootzeil aangebracht. Deze grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in de bollestal (verlaagd achterdek). Op de top van de mast een rode vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Op het voorboeisel ligt een stokanker. Het ankerketting loopt door een kluisgat, over de braadspil door een gat in het dek naar het vooronder. Op het voordek: de braadspil, de kluiverboomstander en aan weerszijden twee bolders, waarvan de koppen zijn overdekt met koperplaat. Voor de mast het luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Het luik verschaft ook de toegang tot het voorruim. Net voor de mast loopt, over het luik, de gebogen overloop van de fokkeschoot. De uiteinden van de overloop zijn bevestigd aan de binnenkanten van de boeisels. In het staande want is aan bakboord een geleider met lijn voor het hijsen van lantaarns of seinvlaggen gemaakt. De zwaarden hebben een verdikte kop, die versierd zijn met een ster rond het boutgat. De zwaarden zijn rondom met metaal beslagen. De zwaardloper gaat door twee schildpadblokken (buitenkant en bovenkant oftewel potdeksel van het boeisel) en zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door twee enkelschijfs blokken en die zijn belegd op de achterbolders. Achter de mast het ruim dat in een vloeiende lijn overgaat in de kajuit. Twee openslaande deuren in de achterwand verschaffen toegang tot de kajuit. Tussen kajuit en boeisels gangboorden, die doorlopen tot het achterhuis. Aangezien het achterschip een bollestal (verlaagd dek) heeft, zijn de gangboorden achter de kajuit afgeschermd met schotten die moeten voorkomen dat water van de gangboorden in de lager gelegen bollestal loopt. Over de rand van deze schotten en over de rand van de stuurbalk van het achterhuis metaalbeslag. In het achterhuis geen deur. De helmstok is van metaal en heeft een houten handgreep. De roerkop is naar achter toe oplopend, hoekig van vorm en onversierd. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is rood. Het berghout en de bovenkanten van de boeisels zijn zwart. Het houtwerk binnen de boeisels (dekken, roef, rondhouten, etc) is grotendeels gelakt. Alleen de kop van het roer is zwart geschilderd, evenals de top van de mast. De hanepoten en de trommelstok zijn wit. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieZeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip.
TitelScheepsmodel van een beurtschip, een zogenaamd boterschip.
Vervaardigeronbekend
Trefwoordenbeurtschepen
ObjectnummerK-018
Periode van1850
Periode tot1900
BeschrijvingScheepsmodel van een eikenhouten beurtschip. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom ligt over het kluisbord links van de voorsteven. Aan de achterkant wordt de kluiverboom gehouden door een metalen scepter op het voordek, en aan de voorkant door een boegwant van twee hoofdtouwen, die zijn belegd op de voorbolders. De mast wordt gehouden door twee voorstagen en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en een lopend want (bakstag). Het lopende en staande want zijn met puttingijzers bevestigd op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen (verkleurd): een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een van de bolders op het voorschip. De stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de tweede voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgemaakt op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel en een vergulde mastwortel. Achterop het roer een rechte vlaggemast met daarin een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn voorzien van metaalbeslag, maar niet van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip en ronde bodem. Het model van voor naar achter: In het voordek is een luik gemaakt dat verwijderd wordt wanneer de mast gestreken wordt (uitwip). Vlak voor de mast en over het mastluik heen loopt de overloop van de stagfok, die met puttingijzers is vastgezet op de boeisels. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok aan de overloop is bevestigd. Achter de mast de opbouw van het ruim, die wordt afgesloten door één vast luik. Groeven in dat luik suggereren dat er meerdere losse luiken. De zwaarden zijn gemaakt uit een stuk. Ook daarin zijn groeven gemaakt. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en versierd. De randen van de zwaarden zijn voorzien van metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een oog op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel heen naar een zwaardtalie die loopt door twee blokken en die in het voorschip is belegd op een klamp tegen de binnenkant van het boeisel. Achter de kajuit is de grootschoot belegd op een hakkeblok, die met een oogbout vast in het achterdek is bevestigd. Daarachter bevindt zich het paviljoen. Dat is het verblijf in het achterschip waarvan het dak even hoog is als het achterboeisel. Aan stuurboord bevindt zich een schuifluik in het paviljoendek dat toegang verschaft tot dat verblijf. De helmstok van het roer is gebogen en loopt over het paviljoen naar voren, zodat de roerganger kan sturen op het dek dat ligt tussen het paviljoen en het ruim. Het roer is voorzien van een hoge roerkop. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is groen. De dekken, de opbouw, het ruim, de rondhouten, etc. zijn gelakt. Geverfd zijn alleen de roerkop (grone), de helmstok (groen en rood) en de bovenrand van de boeisels van het achterdek en rond de voorbolders (groen). Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieBoterschepen waren beurtschepen die speciaal waren ingericht voor het vervoer van boter van de weekmarkten naar ondermeer Harlingen. Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum, Correspondentie A.M. Sustring - H.Halbertsma, 26 juli 1958 en 26 september 1958.
TitelScheepsmodel van een beurtschip, vervaardigd door Johannes Clazes Sjollema te Woudsend.
VervaardigerSjollema, Johannes Clazes
Trefwoordenbeurtschepen
Objectnummer1998-230
Periode van1866
Periode tot1866
BeschrijvingScheepsmodel van een beurtschip. Blokmodel. Gemaakt in de vorm van een speelscheepje: de kiel is vele malen te groot in verhouding tot de romp en is aan de onderkant met metaal verzwaard. Schaal niet bekend.
De Romp: Het scheepje is rond van vorm, zowel in voor- en achterschip als in de bodem.
Tuigage: Het model is voorzien van één mast. Deze is los. De rest van de tuigage ontbreekt. Wel zijn er nog onderdelen van overgebleven op het model. Voor de ophanging van de zwaarden zijn de puttingijzers van de stagen te zien. Ze zijn gemaakt van inelkaar gedraaid ijzerdraad. Voor de mast is een metalen overloop voor het schootblok van de fok. Achter de roef een kleine overloop voor de grootschoot.
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. Breed berghout. Op het voordek twee luiken. Achter de mast een ronde luikenkap. Daarop zijn vier luiken geschilderd. De roef is hoog. De zijwanden zijn overnaads opgebouwd. Het dak is bol. In de achterwand van de roef zijn twee ramen geschilderd. Het achterhuis is hoog en voorzien van een schuifluik. Op het boeisel een aantal metalen ogen en één bolder (aan bakboord in het achterschip). Achter de mast de ophanging van de zwaarden. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. Aan de achtersteven drie ogen waarin het roer (dat ontbreekt) heeft gehangen. Aan weerzijden van de achtersteven twee naamborden. Daarop is geschilderd: '18 JOHANNES' en 'SJOLLEMA 66'. De kiel is groot. Aan beide zijden van de kiel een opschrift. Aan bakboordzijde: 'Laatste werk van J.C. Sjollema in le- / ven Scheepsbouwmeester te Grouw en Woudsend'. Aan stuurboordzijde: 'Overleden te Woudsend den 14e Febr. 1867 / in den Ouderdom van ruim 75 Jaar'. Kleuren: De kiel en het onderwaterschip zijn wit. De romp is beschilderd in een houtimitatie. Zwarte lijnen suggereren de gangen, de spuigaten en andere beplanking (van het dek bijvoorbeeld). Het berghout is donkerrood.De dekken en luiken zijn ook beschilderd in een imitatie van hout. De achterwand van de roef is groen.
Accessoires: de mast is los, evenals het stuurboordzwaard. Bij het model is een stander.
AchtergrondinformatieJohannes Clazes Sjollema. Geboren te Grou op 21/24 nov. 1791 en overleden te Woudsend op 14 februari 1867.
Zoon van Claes Piers Sjollema (Grou 1767-1850) en van Dieuwke Andries (1767-1836). Net als zijn vader was Claes Piers Sjollema scheepsbouwmeester te Grou. Daarnaast was hij Assessor van de grietenij Idaarderadeel en ouderling van de Nederlands Hervormde Kerk van Grou. Ook was hij boekhouder van het Kofschip De Jonge Cornelis. Enkele afrekeningen van zijn hand bevinden zich in het archief Ate G. Reitsma (bewaard in het Fries Scheepvaart Museum).
Claes Piers Sjollema was patriot. Toen deze partij aan de verliezende hand was vluchtte hij naar Engeland. Een jaar later keerde hij heimelijk terug en woonde in het geheim bij een boer op De Bird bij Grou. Van Claas Sjollema is een portret bekend. Een kopie daarvan wordt bewaard in de Knipselmap Sjollema. Het signet van Claas Sjollema behoort tot de collectie van het Fries Scheepvaart Museum (inv.nr. 1996-278).
Johannes Clazes Sjollema, de zoon van voornoemde Claas Sjollema en de vervaardiger van het model, volgde zijn vader op als scheepsbouwer. De scheepswerf was toen al verlopen. In mei 1852 vertrok hij naar Woudsend en overleed aldaar. Hij werd begraven in Grou. Johannes Clazes Sjollema trouwde in 1787 met Doetje Eesges Boonstra (geboren te Grou in 1795, overleden te Terherne in 1872 en begraven in Grou). Ze hadden negen kinderen, waarvan er vijf tot volwassenheid kwamen:
- Dirkje Johannes Sjollema (1819-1875)
- Dieuwke Johannes Sjollema (1821-1894)
- Tetje Johannes Sjollema (1826-1865)
- Klaas Johannes Sjollema (1831-1878)
- Jelmer Johannes Sjollema (1833-1918).
De laatste zoon was vanaf 1860 scheepsbouwmeester te Oudewetering., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27-28
BeschrijvingSpeelscheepje dat lijkt op een beurtschip met een spiegel, genaamd De Jonge Bruinsma. Blokmodel. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het speelscheepje heeft één mast. De mast heeft een naar voren gebogen top. De mast wordt gehouden door een voorstag op de voorsteven en door twee zijstagen op de boeisels. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfoek en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met touwleuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is gehaakt aan de voorsteven. Aan de schoothoek van de fok een jufferblok voor de fokkerschoten. De vast einden van de fokkeschoten zijn vastgeknoopt aan een ring op het boeisel. De schoten lopen dan door het de blokken aan de schoothoek en zijn met het halende eind geregen door de ringen waaraan de zijstagen zijn vastgezet. De schoten zijn niet belegd. In de fok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil heeft een lange rechte gaffel. De gaffel wordt gehesen met de klauwval en de piekeval. De piekeval loopt door twee blokken aan de mast en één blok aan de gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is vastgeknoopt aan de mast. De halstalie is belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is niet vastgezet op een giek: er wordt gezeild met losse broek. De grootschoot is bevestigd aan een metalen ring in de onderkant van het achterlijk. De grootschoot loopt door een vioolblok aan het zeil een een hakkeblok dat is vastgezet op het achterdek. De schoot is belegd op dit hakkeblok. De top van de gaffel wordt in bedwang ghouden door geerden. Aan de top hangt een blok aan een touw. De geerden lopen door dit blok. Het vaste eind is aan bakboord vastgezet op de spiegel en het losse eind is belegd op een klamp aan de spiegel. In het zeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De vallen van de zeilen zijn belegd op de nagelbank. Op het schip worden geen vlaggen gevoerd. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond. Het achterschip heeft een platte spiegel. De bodem is buikig en voorzien van een grote kiel.
Het model van voor naar achter: Op het voordek een braadspil. Op de boeisels van het voorschip zijn twee bolders gemaakt. Aan de voet van de mast een nagelbank. Daarachter een luikhoofd met langsscheepse bolle luiken. In het boeisel zijn aan weerszijden drie spuigaten gemaakt. Het achterdek is verhoogd. Op het achterdek een luikhoofd met dwarsscheepse bolle luiken. Daarachter het hakkeblok en van de grootschoot en het roer. De spil van het roer steekt net voor de spiegel uit het achterdek. Op de kop van de spil is een afneembaar helmhout geplaatst. De spiegel is aan de buitenkant versierd met snijwerk: bladertaken en bloemen rond vijf toogvormige ramen. De twee buitenste ramen zijn voorzien van glas. De andere drie ramen zijn geschilderd. Onder de ramen de naam van het schip (uitgesneden, opliggende letters): 'DE JONGE BRUINSMA / 1782'.
Kleuren: De romp is donkergroen. Het onderwaterschip is rood, evenals de band van de spuigaten. Het boeisel is aan de buitenkant groen en aan de binnenkant rood. Het dek en de braadspil is rood. De luikenkappen en het helmhout zijn groen. De rondhouten zijn ongeverfd. De spiegel is wit en het snijwerk is beschilderd in de kleuren rood en groen.
Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieHet speelscheepje is niet gebouwd naar een bestaand model. De romp doet denken aan een beurtschip of tjalk. De spiegel lijkt echter op die van een bootschip. Het is het oudste speelscheepje van Nederland. Het heeft alle kenmerken van een speelscheepje: robuust van makelij met een grote kiel en een groot roer., literatuur:
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1962, p. 11-12
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
TitelScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek.
VervaardigerMeekeren, Frits van
Trefwoordentjalken, beurtschepen, Koudum
ObjectnummerK-041
Periode van1947
Periode tot1947
BeschrijvingScheepsmodel van het beurtschip van Koudum op Sneek. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het model heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij metalen reefringen aangebracht. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok dat is vastgezet in het achterdek. In het grootzeil een dubbele rij metalen reefringen. De vallen van de zeilen zijn belegd op klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast en blauwe vleugel. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter: Met een vorkverbinding is aan de voorsteven een botteloef (in het fries loefbyter) bevestigd. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). Aan weerszijden van de voorsteven de kluisborden en de berentanden. In het voordek is een dubbel luik gemaakt, dat toegang biedt tot het vooronder en dat wordt verwijderd wanneer de mast wordt gestreken, om zo plaats te bieden aan het contragewicht. Wanneer het luik wordt verwijderd is het contragewicht zichtbaar. Net voor de mast de overloop van de fok, die is bevestigd in ogen in het boeisel. Net achter de overloop aan stuurboordzijde een lenspomp. Achter de mast het ruim dat wordt gesloten met tien (vastgezette) luiken. Tussen het ruim en de boeisels brede gangboorden. Het ruim gaat in een vloeiende lijn over in de roef. In het dak van de roef een schoorsteen. In de wanden ervan geen ramen. In de achterwand van de roef dubbele openslaande deuren. De roef is ingericht met een vloerkleed, een tafel, zijbanken en een schouw. Achter de roef een verlaagd achterdek (bollestal) zijbanken en een achterbank. De zwaarden hebben een verdikte kop en zijn aan de onderkant beschermd door metaalbeslag. De zwaardloper gaat via een tweetal blokken naar achteren en is daar belegd op een klamp op de buitenkant van het boeisel. De kop van het roer is bekleed met koperplaat. Kleuren: De romp is gelakt, het onderwaterschip is zwart. De koppen van de zwaarden zijn groen. De botteloef is zilverkleuring. De top van de mast is wit. De lijsten van de roefdeur zijn groen. Het helmhout is groen en de kop van het roer is zwart. Accessoires: twee vaarbomen (zwarte teen), een fokuitzetter (gelakte teen en een haak).
AchtergrondinformatieVan het schip is een foto aanwezig in het foto-archief van het museum (beurtschepen - zeilend, nr. 14) Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Zeilende beurtschepen waren in waterrijke gebieden met slechte verbindingen over land een beter vervoermiddel dan wagens en rijtuigen. Al in de Middeleeuwen voeren Friese schippers met hun vrachtschepen over binnenwateren en over de Zuiderzee. Om ruzies en oneerlijke concurrentie te voorkomen stelden plaatselijke overheden reglementen in die regelden dat schippers 'op hun beurt' dienden te laden en te lossen en 'om de beurt' mochten afvaren. Hiermee is het begrip beurtschip verklaard. Later werden deze reglementen aangescherpt: octrooien, gilden, vaste vertrektijden, etc. Tussen 1642 en 1661 werden in Friesland trekvaarten tussen de grotere steden aangelegd. De door paarden getrokken trekschuiten boden de reiziger meer gerief. Waar geen trekschuiten konden varen werd gezeild. In de 16de en 17de eeuw werden deze gezeilde beurtdiensten meestal onderhouden door kagen. In de 18de eeuw werd dit scheepstype in het noorden geleidelijk vervangen door tjalkachtige beurtschepen. Daarmee werden in de roef vier tot zes passagiers en in het ruim 12 tot 15 ton vracht vervoerd. uiterlijk onderscheidden de beurtschepen zich van de Friese vrachttjalken door hun iets rondere vorm en door de vorm van de roef die vloeiend overliep in het luikhoofd van de laadruimte. In de loop van de 19de eeuw werden op meer en meer beurtdienst stoomschepen ingezet en verdween het zeilende beurtschip., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad: 4 november 1949, 12 okt. 1972