BeschrijvingScheepje in de fles. Tjalk. Decor op de fles geschilderd: een boerderij, twee huizen en een molen. De tjalk is groen en heeft bruine zeilen. De fles wordt gesloten door een stop, met daar achter een kruishoutje dat d.m.v. een touwtje aan de stop is verbonden. Op stander.
AchtergrondinformatieSytze Elzinga. Geboren te Murmerwoude op 28 septemeber 1926, gestorven op 8 december 1987 te Dokkum. Was timmerman en klokmaker. Begon in 1954 met het bouwen van flessenscheepjes. Hij deed dat niet op de traditionele wijze (met scharnierende masten) maar zette de onderdelen met speciaal gereedschap in de fles in elkaar., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 17 dec. 1979
- Leeuwarder Courant 17 dec. 1979.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, p. 22
TitelHalfmodel van een tjalk gebouwd op de werf van J.O. van der Werff.
VervaardigerWerff, Gurbe van der
Trefwoordentjalken
Objectnummer1987-054
Periode van1986
Periode tot1986
BeschrijvingHalfmodel van een tjalk. Gebouwd volgens de stapelmethode. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Het voorschip is rond met terugvallend boeisel. Het achterschip is rond en niet gepiekt. De bodem is rond. Het model van voor naar achter: Het model is niet gedetailleerd. Alleen de scheg, het berghout en de achtersteven zijn aangebracht. Het halfmodel is geplaatst op een plank. Kleuren: De romp is geheel wit geschilderd. De plank is gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieHet model is gemaakt naar een plantekening van een tjalk van de hand van J.O. van der Werff te Buitenstvallaat (Drachten).
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1987, p. 19
TitelOpen halfmodel of nestmodel van een tjalk of skûte.
VervaardigerWerff, H.P. van der ; Drachten
Trefwoordentjalken
Objectnummer1994-481
Periode van1890
Periode tot1900
BeschrijvingHalfmodel van een skûte. Nestmodel: dunne latten tegen zeven spanten die de vorm hebben van dwarsschotten. Het voorschip en het achterschip wordt gevormd door gestapelde planken. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: Voor- en achterschip zijn rond. De bodem is vlak en loopt naar voren en achteren rond op. De boeisels ontbreken. Het model van voor naar achter: Het voorschip is rond, opgebouwd met gestapelde planken. De boorden zijn open. De latten zijn om een om op de spanten genageld. Enkele latten ontbreken. Alleen het berghout loopt door van voor naar achter. Het boeisle erboven ontbreekt. Het achterschip is ook opgebouw uit een gestapeld blok. De achtersteven is recht. Het nestmodel is gemonteerd op een plank met daarin twee ophanggaten. Op de achterkant van de plank staat meerdere keren de naam vermeld van de scheepswerf waar het model is gemaakt: 'H.P. van der Werff, Langewijk, Drachten'. Tevens zijn de jaartallen 1890 en 1894 genoteerd. Kleuren: model en plank zijn gelakt. Accessoires: geen
AchtergrondinformatieGezien de verhoudingen van het model zal het een halfmodel zijn van een tjalk, en dan van wat Friese scheepsbouwers een 'skûte' noemden (tussen skûtsje en zeetjalk in). Het model is afkomstig van de scheepswerf van Haike Pieters van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Zijn vader Pieter Haikes van der Werff, die een werf had aan de Noorderdwarsvaart te Drachten, kocht de werf van diens oom Ate Pyters van der Werff aan de Langewijk voor zijn zoon. Van deze werf is een werfboek bewaard gebleven en tevens enige scheepsbouwtekeningen. Werfboek en tekeningen worden bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. In het werfboek worden geen schepen vermeld die voor 1900 zijn gebouwd. En ook uit de tekeningen is niet na te gaan voor welke opdrachtgever het model is gemaakt. De schenker, Durk Lourens van der Werff, is een zoon van Haike Pieters van der Werff. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen).
TitelScheepsmodel van een hektjalk. Gebouwd als speelscheepje.
VervaardigerEisenga, Sjoerd
Trefwoordenhektjalken, tjalken, Eisenga, Sjoerd
Objectnummer1979-004
Periode van1865
Periode tot1875
BeschrijvingScheepsmodel van een hektjalk. Blokmodel. Schaal niet bekend. Gebouwd als speelscheepje en daarom voorzien van een zware kiel.
Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. Deze mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van twee hooftouwen en door een lopend want (bakstag). De stagen zijn met puttingijzers vastgezet aan het boeisel. De zeilen zijn van lichtbruine katoen. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de kluiver is belegd op een bolder op het voorschip. In het doek van de kluiver zijn gaten gevallen. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. De stagfok is voorzien van een enkele rij reefringen. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen aan de mast bevestigd. In het grootzeil een enkele rij reefringen. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een rode vleugel. Op het achterschip staat wel een gebogen vlaggenmast, maar daar wordt geen vlag in gevoerd. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: rond voorschip, rond achterschip met oplopend hek. De bodem is rond en voorzien van een zware kiel (gebouwd als speelscheepje).
Het model van voor naar achter: Op de voorsteven kluisborden en berentanden. Over beide kluisborden is een stokanker gehangen. Aan de ankerketting hangen rood-wit-blauwe ankerboeien. Achter de kluisborden een braadspil, het luik dat toegang geeft tot het vooronder, de kist met daarin het ankerketting, twee watervaten en twee losse ankers. De kluiverboom rust in een scepter op het voordek en een ring op de steven. Voor de mast de overloop van de stagfok. Het want en de bakstagen zijn met puttingijzers bevestigd aan de romp van het schip. De zeezwaarden zijn aan haken bevestigd. De koppen van de zwaarden zijn verdikt. De zwaardloper gaat door twee vioolblokken en wordt belegd op een bolder op het achterschip. Achter de mast een ruim dat wordt afgesloten met twee rijen van zeven luiken (vastgezet). Ter hoogte van het ruim zijn zetboeisels aangebracht. Achter het ruim een kleine roef. Achter de roef een scepter. Op het achterdek zijn voetlijsten aangebracht zodat de roerganger zich schrap kan zetten. Het boeisel van het achterschip loopt niet met de ronde romp mee, maar loopt naar achter toe op in een punt: het hek. Door een gat in het hek (hennegat) draait de helmstok van het roer. Het roer heeft een hoge roerkop. Op het helmhout een vlaggenstok, die waarschijnlijk later is bijgemaakt.
Kleuren: De romp is groen met een zwart berghout. De puttings, het zwaardbeslag en de zwaardkoppen zijn zwart. De kluisborden zijn geel met rode randen rond de kluisgaten. De berentanden zijn zwart. Het hennegat en het bovendeel van het roer zijn wit met een zwarte bies. Het dek en de luiken zijn bruin (houtimitatie). De roef is groen met witte en zwarte biezen. De watervaten en het deksel van de kist met het ankerketting zijn groen.
Accessoires: dekzwabber, twee vaarbomen, twee bokken. Het model is vastgeschroefd op een plank.
AchtergrondinformatieVererving van het model:
-1- Sjoerd Eisenga (geboren Gorredijk 24 dec. 1841, overleden Schenkenschans/Deinum 1924).
-2 Dochter Minke Eisenga (getrouwd met Roel de Groot).
-3 Zoon Sjoerd de Groot.
-4 Zoon Roel de Groot., Het model heeft de kenmerken van een speelscheepje: een grote kiel en een groot roer. De eenvoudigste speelscheepjes zijn klompscheepjes. De meer verfijnde modellen konden worden gebruikt om er gewoon mee te spelen in het water, maar er konden ook wedstrijden mee worden gehouden. Dit model zal echter niet gebruikt zijn in wedstrijden., Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Het opvallende aan een hektjalk is het hek, ook wel statie genoemd, op het achterschip. Het boeisel van het schip loopt vanaf het achterdek schuin omhoog naar achteren. Bij andere tjalken liep het vloeiend rondom het achterdek. Waar bij de hektjalk de boeisels elkaar raken vormen ze met het achterdek een driehoekgie opening (hennegat) waardoor het helmhout steekt. Er zijn veel houten hektjalken gebouwd en slechts enkele (vijf) van ijzer., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, p. 17
- D.J. van der Ven, Van scheepje-zeilen en schuitje-varen (Baarn, z.j.)
BeschrijvingOpen halfmodel (of nestmodel) van een tjalk. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: geen De romp: rond voorschip, rond achterschip, ronde bodem. Het model van voor naar achter. De spanten zijn gemaakt als schotten (mallen). Daar overheen dunne latten die de lijnen van de romp aangeven. Boven het berghout is het model dicht. Naast de romp zijn ook de plaats van de mast en het roer aangegeven. Van het roer ontbreekt een deel van de kop. Het model is geplaatst op een plank. Op de plank een etiket met het nummer 465. Kleuren: Het onderwaterschip is wit. Het berghout is zwart. De roerkop is groen. De plank is blauw. Accessoires: geen.
AchtergrondinformatieHoutworm in 1991 behandeld, Het halfmodel is afkomstig uit de collectie van de Koninklijke Marine in het RIjksmuseum te Amsterdam. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen)., Literatuur:
- Catalogus der Verzameling van Modellen van het departement van defensie, p. 76 (FSM nr. H-398)
- Jaarboek Fries Scheepvaart museum 1983, p. 21
BeschrijvingScheepsmodel van de paviljoentjalk Fortuna. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast en een kluiverboom. De kluiverboom is met een beugel aan de voorsteven vastgezet en aan de achterkant scharnierend bevestigd in een soort scepter op het voordek. Aan de voorkant wordt de boom gehouden een een waterstag en door een boegwant van twee hoofdtouwen. De mast wordt gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een staand want van twee hoofdtouwen en door een lopend want (bakstag). De zeilen zijn van bruine katoen: een kluiver, een stagfok en een grootzeil. De kluiver wordt uitgezet met een traveller. De schoot van de wordt belegd op een bolder. Het voorlijk van de stagfok is met metalen ringen bevestigd aan de voorstag. In de top van de gaffel een metalen fokkegaffel. De fokkeschoot is belegd op een hakkeblok, dat is vastgezet op een overloop op het voordek. In de stagfok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorziel van een gebogen gaffel en een giek. Het voorlijk van het grootzeil is met rakkralen bevestigd aan de mast. De grootschoot is belegd op een hakkeblok, dat met een oogbout in het achterdek is vastgezet. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen gemaakt. De vallen van de zeilen zijn belegd op een nagelbank en op klampen aan de onderkant van de mast. Op de top van de mast een blauwe vleugel met een Hollands hoekje. De blokken zijn voorzien van lopende, metalen schijven. De romp: rond voorschip, rond achterschip, vlakke bodem. Het model van voor naar achter: Over het voorboeisel aan bakboord hangt het stokanker aan een ketting dat door het kluisgat, over de braadspil, door klapmutsen in het vooronder verdwijnt. Op het voordek de braadspil, het luik van het vooronder met aan weerszijden daarvan de klapmutsen. Aan weerszijden op het voordek een bolder, waarop ondermeer de kluiverschoot is belegd. Voor de mast het luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken, om zo ruimte te maken voor het ondereind van de mast. Het luik geeft tevens toegang tot het voorruim. Over het luik een gebogen overloop voor de stagfok. Het vaste want is voor de kop van het zwaard met twee puttingijzers aan de romp bevestigd. Achter het zwaard de bakstagen. Aan bakboordzijde een lijn voor het hijsen voor lantaarns of seinvlaggen. Achter de mast het ruim dat wordt afgesloten met luiken die weer overdekt zijn door een presenning (getaand dekkleed) dat met schalkkeggen is vastgezet. De gangboorden zijn aan de voorzijde afgesloten met een waterlijst. Op de scheerboom van het ruim een bak met daarin diverse rondhouten en uitzetters. De zwaarden hebben een verdikte kop die aan de bovenkant is afgedekt met koperplaat. Het boutgat is versierd met een ster. De zwaardloper gaat door een schildpadblok en door twee enkelschijfsblokken en wordt op de achterbolders vastgezet. Op de boeisels op het voorschip en langs het ruim zijn zetboeisels geplaats. Achter het ruim de schoorsteen die tevens dienst doet als stander voor de giek. Daarachter de grootschoot en de voetlijsten op het dek. Het paviljoen is het verblijf in het achterschip. Het dak ervan is zo hoog als de bovenkant van het achterboeisel (een licht verhoogd achterdek). Een schuifluik aan bakboordzijde geeft toegang tot deze ruimte. Omdat de stuurman voor het paviljoen staat is de helmstok lang. Op de helmstok een tonnetje. De roerklik is hol en versierd met drie tonnetjes aan de punt. De wangen van de klik zijn onversierd. Het roer is voorzien van een roerlichter (ketting en touw men twee eenschijfs blokken). Op het achterschip aan weerszijden van het roer twee koperen platen met daarop in wit twee maal de naam van het schip: 'Fortuna' Kleuren: De romp van het schip is lichtgroen, het onderwaterschip en het berghout zijn zwart. Het dek is gelakt. De bovenkant van het boeisel is bruin, de binnenkant is aan de voorzijde blauw. Het beslag is metaalkleurig. De kop van het zwaard is groen. Op het achterschip een gele band op het boeisel en onder het berghout. Het roer heeft dezelfde gele kleur, een groene bies en is onder water zwart. De roerklik is donkerblauw met groene lijst en bovenop zwart. De punt van de klik is versierd met rood-wit-blauwe tonnetjes. De loopplank is zwart met een witte lijst. De schoorsteen is zwart met groene lijsten. Accessoires: stokanker, loopplank, twee lange vaarbomen in het gangboord aan bakboord, een boom en een fokuitzetter (met zwanehals en oog) in het gangboord aan stuurboord. In een bak op het ruim: een pikhaak, een stokdweil en drie korte rondhouten voorzien van divers beslag (lummels, ogen, punten en bouten). Het model heeft een stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Het model is in 1983 gerestaureerd. Het dek van grenenhout was aangetast door de houtworm en is vernieuwd. Ook de zeilen die verweerd waren zijn toen door conciërge P. Alkema vervangen. Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). De paviljoentjalk is genoemd naar het paviljoen: het verhoogd achterdek op de hoogte van de bovenkant van het boeisel. Onder het verhoogde achterdek is de roef gesitueerd. De schipper stond vóór het paviljoen te sturen. het helmhout was daarom opvallend lang.