TitelJ. Mulder - Kopergravure. Gezicht op 's Lands Zeemagazijn te Amsterdam.
VervaardigerMulder, J.
Trefwoordenscheepsbouw, Admiraliteit, Amsterdam, Mulder, J.
Objectnummer1978-148
Periode van1726
Periode tot1726
BeschrijvingKopergravure. Gezicht op 's Lands Zeemagazijn. Opschrift: 's' Lants Zee-Magazyn en scheepstimmerwerf te Amsterdam'.
AchtergrondinformatieDe prent is afkomstig uit 'De Beschrijvinghe van Amsterdam tot 1691' van Casp. Commelin. (Tweede druk, deel II uit 1726)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1966, p. 17
BeschrijvingKopergravure. Ingekleurd. Gezicht op 's Lands Zeemagazijn. Opschrift: 's' Lants Zee-Magazyn en scheepstimmerwerf te Amsterdam'. Op de werf zijn een aantal schepen in aanbouw en in het water voor de werf worden driemasters getuigd.
AchtergrondinformatieDe prent is afkomstig uit 'De Beschrijvinghe van Amsterdam tot 1691' van Casp. Commelin. (Tweede druk, deel II uit 1726)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1966, p. 17
BeschrijvingKopergravure. Gezicht op 's Lands Zeemagazijn. Opschrift: 's' Lants Zee-Magazyn en scheepstimmerwerf te Amsterdam'. Op de werf zijn een aantal schepen in aanbouw en in het water voor de werf worden driemasters getuigd.
AchtergrondinformatieDe prent is afkomstig uit 'De Beschrijvinghe van Amsterdam tot 1691' van Casp. Commelin. (Tweede druk, deel II uit 1726)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1966, p. 17
BeschrijvingSchilderij. Penschilderij: pen en inkt op een ivoorkleurig geprepareerd paneel. Woelig water met centraal een driemastoorlogsschip. Het schip vaart schuin van de beschouwer weg (naar rechts). De spiegel van het schip is versierd met snijwerk: het wapen van Friesland gehouden door twee speerdragende mannen. Op de achtergrond een aantal andere zeilende schepen. Op het achterschip en in de drie masten zijn Nederlandse vlaggen gehesen. Aan de fokkemast worden twee dwarszeilen (fok en fokkemarszeil) gevoerd, aan de grote mast een grootmarszeil en aan de bezaanmast een latijnzeil.
AchtergrondinformatieWigerus Vitringa. Geboren Leeuwarden 8 okt. 1657, overleden Wirdum 18 jan. 1725. Zoon van Horatius Vitringa, secretaris van het Hof van Friesland en Albertje de Haen. Studeerde rechten aan de academie te Franeker. Promoveerd op 4 juli 1678 op een proefschrift getiteld "De Fideicommissaria hereditatis petitione". Na zijn promotie werd hij advocaat aan het Hof van Friesland. Daarnaast besteedde hij zijn tijd aan de schilderkunst, eerst portretten en later zeestukken.Het vroegst genoemde schilderij stamt uit 1675 en zou een 'binnenhuis met beelden' voorstellen gesigneerd W.C. Vitringa (na de vermelding in een Amsterdamse veilingcatalogus uit 1856 is dit werk niet meer gezien). Zijn vroegste nog bekende schilderijen zijn gedateerd in 1678. Hij verhuisde naar Alkmaar. In 1792 woonde hij daar al (blijkens een processtuk in het GA Alkamaar). Gedurende zijn Alkmaarse periode heeft hij zich niet ingelaten met juridische zaken. Van 1696 tot 1706 was Vitringa lid van het Sint Lucasgilde in Alkmaar. De zeestukken van Vitringa zijn verwant aan die van Backhuizen en in mindere mate aan die van Willem van de Velde de jonge. Karakteristiek zijn de dramatische licht-donker-contrasten, voorgrondfiguren in tegenlich en dreigende wolken. Vitringa maakte vooral olieverfschilderijen (op doek en op paneel), maar ook aquarellen en pentekeningen. Vitringa signeerde met zijn volledige naam (W. Vitringa), met zijn initialen (WV) of alleen met de letter V.
Na 1707 kon Vitringa niet meer schilderen vanwegen een ernstige oogkwaal. In een akte in het protocol van de Alkmaarse notaris Theodorus van Heymenbergh (7 jan. 1708) wordt hij "gewesen Konstschilder" genoemd en dat hij "door indispositie en swacheijt van sijn gesigt niet machtig sijnde syn kost te exerveren en alsoo buijten staet van sijn kost te connen winnen". Hij moet daar om enkele huizen in Leeuwarden laten verkopen. Toch was zijn gezicht niet zo slecht dat hij geen leerlingen kon hebben. In 1720 bijvoorbeeld was Tako Hajo Jelgersma (Harlingen 1701 - Haarlem 1795) leerling bij Vitringa. Hij schilderde aanvankelijk ook schepen. later portretten. Jelgersma maakte ook meerdere portretten van Vitringa. Eén ervan is in koper gegraveerd door Cornelis van Noorde.
Het schilderij is in de catalogus van Christie's toegeschreven aan Wigerus Vitringa. Mevr. Drs. C.W. Wansinck van de Rijksdienst Kunsthistorische Documentatie schrijft het schilderij toe aan Vitringa op basis van overeenkomsten met een penschilderij van Vitringa dat op 26 nov. 1984 is geveild bij Christie's: golven, zeilen en scheepstype.
Ter gelegenheid van de veiling is het schip door dr. R.B. Prud'Homme van Reine geïdentificeerd als het oorlogsschip Frisia (Klein Frisia). Dit schip had 34 tot 42 stukken. Het aantal kanons wisselde wel eens. Het schip was 120 voet lang en 11¼ voet breed. Het is gebouwd in 1653. De lengte-breedte verhouding geeft aan dat de Frisia nog is gebouwd als de traditionele Nederlandse fregatten: zeer ranke schepen. De Engelse schepen waren breder en daardoor voor het geschut stabieler. Op instigatie van Tromp en De With werden de Nederlandse oorlogsschepen na 1653 ook breder gebouwd. De Frisia is echter nog van het oude, slanke type, dat men 'gefregatteerd oorlogsschip' oftewel fregatschip noemde (onder te verdelen in drie charters). Opvallend aan het schip is dat de dekken vlak zijn en niet oplopen. De geschutspoorten lopen derhalve niet met de berghouten mee maar zijn er op enkele plaatsen doorheen geboord (waardoor het langsverband werd afgezwakt).
In 1656 deed de Frisia (kapitein Albert Pietersz de Boer) mee in de gevechten in de Sont en voor Dantzig onder commando van Van Wassenaer. In juni 1665 was Wietze Beijma kapitein van het schip en werd het ingezet in de slag bij Lowestoft (commando Stellingwerf en Van Wassenaer). Het schip werd door branders in brand gestoken. Beijma en bemanning sprongen van boord, werden door de Engelsen gered en gevangen gezet. 65 man bleven aan boord. Het schip werd zonder masten door Zeeuwse oorlogsschepen binnen gesleept. In augustus 1665 was het weer hersteld. In 1665 voer het schip onder kapitein Jan Pietersz. Vinkelbos onder het commando van Tjerk Hiddes de Vries en Michiel de Ruijter op de Noordzee (Noorwegen, Doggersbank, Solebay). Op 4 en 5 auguster 1666 deed het schip (kapitein Jan Pietersz. Vinkelbos) onder commando van Jan Evertsen en Michiel de Ruijter mee aan de Tweedaagse zeeslag Op 21 juni 1667 voegde het schip (kapitein Yde Hilkesz. Kolaert) zich bij de vloot van Michiel de Ruijter die op weg was naar Chatham In 1676 voer de Frisia met kapitein Jochem Jansz. Kroon in de Oostzee., literatuur:
- P. Bakker, Gezicht op Leeuwarden (Amsterdam 2008) p. 238 en 277: stamboom van Wigerus Vitringa
- Veilingcatalogus Christie's 26 nov. 1984 (lot.nr. 166) en 9 nov. 1998 (lotnr. 67).
- C.W.J. Schaap 'De Admiraliteit van Friesland, haar vlagofficieren en schepen' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982 (p. 58)
- J. van Beijlen, Schepen van de Nederlanden (Amsterdam, 1970) pp.68-73
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 31-32
- J. Belonje, "Iets over den Zeeschilder Vitringa" in: Oud Holland 1959, p. 30.
- Robbert Jan van der Maal, "Het Friese geslacht Vitringa" in: De nederlandsche Leeuw CXII, nr. 4-6 (1995) 117-162