TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de topklasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordentopklasse
Objectnummer1985-394
Periode van1985
Periode tot1985
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Topklasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:7½ Tuigage: Het model heeft een mast die aan de onderkant is vastgezet op een langsscheeps T-ijzer met gaten op de kielbalk. Dit fungeert als rail waarover de mast naar voren of naar achteren gezet kan worden. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag die loopt door een gat in het voordek, over een metalen blok in het voorschip (onder het dek) en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een schuin naar achter lopende zijstag die is bevestigd aan een bout onder het gangboord. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een stagfok een een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de stagfok is met een harpsluiting vastgezet op een metaalplaat op het voordek. De metalen fokkeval loopt door een vast metalen blok aan de top van de mast en is met een haak vastgezet op een verticaal T-ijzer met gaten aan de voet van de mast. De fokkeschoot loopt door een blok op een gatenrail op het gangboord, over de kuiprand. Aan stuurboord is de fokkeschoot belegd op een houten klamp aan de kuiprand en aan bakboord hangt de fokkeschoot los is de kuip. Het grootzeil heeft een enigszins kromme gaffel, waarvan de top uitsteekt boven de top van de mast: cattuig. Het bovenlijk is in een gleuf aan de onderkant van de gaffel geregen. De gaffel wordt gehesen met een metalen nokkeval en klauwval die beide door een vast metalen blok aan de top van de mast naar beneden worden geleid en daar zijn vastgehaakt in de gatenrail aan de voet van de mast. De gaffel is met een scharnierende glijleuver aan een metalen rail aan de achterkant van de mast bevestigd. Het voorlijk van het grootzeil is met glijleuvers aan dezelfde mastrail bevestigd. Het onderlijk is in een gleuf in de bovenkant van de giek bevestigd. De voorkant van de giek is met een scharnierende glijleuver aan de mastrail vastgemaakt. De hoogte van de giek (en daarmee van de hals van het grootzeil) is instelbaar met een metalen halstalie die met een haak is vastgezet in de gatenrail aan de voet van de mast. De grootschoot is met het vaste einde vastgemaakt aan de kielbalk. Het halende eind van de grootschoot loopt door een blok aan de giek, door een blok op de kielbalk en is daar belegd op een houten klamp op de kielbalk. Op de top van de mast een rode windvaan (verklikker) aan een metalen pin. De blokken in de mast zijn van metaal. De blokken van de schoten en op het roer zijn van hout. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip heeft een platte, enigszins schuine spiegel. De bodem is licht V-vormig. De doorsnede heeft de vorm van een spant. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven metaalbeslag met op het dek een handgreep. Het voordek steek over de huid van de romp heen en heeft geen waterlijst. Op het voordek metaalbeslag waaraan de hals van de stagfok is bevestigd en waardoor de voorstag naar binnen loopt. De kuip begint al voor de mast. De kuiprand is aan de voorkant V-vormig en steek boven het dek uit. Daarachter is de kuip open (de mast kan immers naar voren gezet worden en daar moet ruimte voor zijn). Ter hoogte van de mast beginnen de gangboorden. De kuiprand is daar lager. Onder de gangboorden zijn open kasten gemaakt. Op de gangboorden de rails met blokken van de fokkeschoot. De kuip is belegd met buikdenningen. Achter de mast de zwaardkast van het verstelbare, metalen midzwaard. De hoogte van het midzwaard is instelbaar door een dubbele zwaardloper die is vastgemaakt aan de bovenkant van het zwaard. Van daar gaat de zwaardloper naar voren, door een boven op de mastrail, vervolgens naar achter en is daar met knopen vastgehaakt achter een gleuf in de achterwand van de zwaardkast. De achterkant van de kuip is recht. Onder het achterdek is een kast gemaakt die kan worden afgesloten met een luik. Op het achterdek twee houten klampen. Het roer hangt met twee roerhaken. Het is voorzien van een recht helmhout. Het roer bestaat uit twee gedeelten: een houten bovendeel dat scharniert aan de roerhaken en een metalen onderstuk. Het metalen gedeelte scharniert in het houten gedeelte en is in hoogte verstelbaar door een metaaldraad die is vastgezet op het helmhout. Kleuren: De romp is wit met blauwe biezen op de waterlijn en langs de bovenrand. Het dek is gelakt, evenals de kuip, de mast, de rondhout, de kasten en het roer. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de Topklasse werd gebouwd naar de oorspronkelijke tekeningen van de N.N.W.B. Het jacht met zeilnummer 112 was de Aquarel van de fam. dr. G.J. Ubbink te Sneek.
In 1960 werd de topklasse ingesteld. Het ontwerp kwam voor uit een in 1958 gehouden prijsvraag. Er bleek toen naast de 16m², behoefte te zijn aan een eenvouding zeiljacht, dat door amateurs gebouwd zou kunnen worden en dat ook op een aanhangwagen te vervoeren zou zijn. Uit een ontwerp van L. Stelwagen te Grou is de Top geboren: een licht scheepje (circa 300 kilo) met een middenzwaard en een gaffeltuig om een korte mast te kunnen houden. Meningsverschillen tussen het bestuur van N.N.W.B. die de prijsvraag uit liet schrijven en het bestuur van de K.N.W.V. leidden er toe dat de Top niet een nationale klasse werd. De N.N.W.B. maakte er toen een gewestelijke klasse van., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1985, p. 24
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de B.M. klasse.
VervaardigerJonge, Marchienus de
TrefwoordenB.M. klasse
ObjectnummerK-055
Periode van1974
Periode tot1974
BeschrijvingModel van een zeiljacht uit de B.M. klasse. Op spanten gebouwd. Schaal 1:6. Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een mast, die is geplaatst in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag, die is vastgezet op de voorsteven en aan weerszijden door een zijstagen die met een wantspanner zijn vastgezet op puttingijzers aan de binnenkant van de romp. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt zijn gemaakt uit één lap katoen, waarin dubbel gestikte zomen suggereren dat het zeil uit banen is gemaakt. Door de zomen kon er ook enige bolling in het zeil gemaakt worden. De stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals is met een harpsluiting vastgezet op de voorsteven. De fokkeval is belegd op de nagelbank. De fokkeschoot loopt via een houten schootoog op het gangboord, over de kuiprand. In de kuip is de fokkeschoot aan bakboord belegd op een houten klamp die aan de binnenkant van de kuiprand is bevestigd. De fokkeschoot aan stuurboord hangt los over de kuiprand. Het grootzeil heeft geen gaffel: torentuig. In de top van het zeil een driehoekig tophout. De topval van het grootzeil is belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met leuvers aan een metalen rail aan de achterkant van de mast bevestigd. De leuvers zijn dicht maar behoren open te zijn (glijleuvers). In het achterlijk van het zeil zijn drie zeillatten gemaakt. Tussen de top van de mast en het achtereinde van de giek loopt de kraanlijn, die is belegd op de nagelbank aan de voet van mast. Het onderlijk van het grootzeil is met raktouwen vastgezet op de giek. De grootschoot is aan het vaste einde bevestigd op een blok aan het achtereind van de giek. Van daar loopt de grootschoot naar beneden naar een blok dat is vastgezet op een metalen overloop op het achterdek, om daarna weer omhoog te gaan naar het blok aan het einde van de giek. Vervolgens loopt de schoot naar voren naar een blok dat is bevestig aan een giekring om tenslotte met het halende eind te worden belegd op een houten klamp op de stevenbalk in de kuip. De giekring is los om de giek bevestigd. De ring wordt langsscheeps op zijn plaats gehouden door een touw tussen voor- en achterkant van de giek. Aan de voorkant is de giek met een metalen klauw tegen de mast bevestigd. Aan de klauw is een halstalie gemaakt, die is belegd op de nagelbank. In het grootzeil aan beide kanten het zeilnummer 'BM / 42'. Op de top van de mast een rode windvaan aan een metalen pin. De blokken zijn van hout en niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een lepelboeg. Het achterschip heeft een platte, verticale spiegel. De bodem is rond (U-vormig) en voorzien van een verstelbaar midzwaard. De huid en de dekken zijn gebouwd van latten (op het dek van lichte en donkere houtsoorten). Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Van voor naar achter loopt over de huis een halfronde stootrand van hout. Op het voordek een metalen klamp. Voor de mast begint de opstaande kuiprand. Van boven gezien is de kuip granaatvormig: van voren puntig en aan de achterkant plat. In de ruimte tussen de punt van de kuiprand en de mast loopt het voordek door. Achter de mast wordt het dek afgesloten door een waterlijst en een nagelbank. Op de gangboorden de wantspanners van het zijwant en de houten ogen voor de fokkeschoot. In de kuip zijn open kasten gemaakt (onder de gangboorden). Daaraan zijn twee klapbanken met metalen poten gemaakt. Tegen de achterkant van de kuip een vaste bank. Op de bodem van de kuip buikdenningen. In het midden van de kuip de zwaardkast van het metalen midzwaard. Dat steek met een punt boven de kast uit. Aan een gat in de punt van het midzwaard is de zwaardloper bevestigd, die via een blok aan de nagelbank naar achter loopt en daar is belegd op een metalen klamp op de achterkant van de zwaardkast. Op het achterdek de metalen overloop van de grootschoot en een metalen klamp. Het roer is opgehangen aan de platte spiegel. Het roer is voorzien van een hoge kop. Het helmhout is recht en is in de roerkop gestoken. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. Net onder de stootrand een gele bies. Voor- en achterdek en de gangboorden zijn gelakt. Door het gebruikt van lichte en donkere latten tekenen zich op daar gebogen, langsscheepse lijnen af. Al het houtwerk aan de binnenkant van de kuip is, evenals de mast en de giek, gelakt. Accessoires: een stander, een uitzetter, een schaarmik en een stokdweil. In het zijwant aan bakboord hangt een vaarboom.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De zeilen zijn in 1991 gemaakt door conciërge Pieter Alkema.
Afmetingen van de klasse: lengte 4.75 meter, breedte 1.50 meter, zeiloppervalk 11.80 m². De B.M. (Bergumermeer) werd ontworpen door Hendrik Bulthuis (Burgum 1892-1948), kapper te Burgum. Hij ontwikkelde in 1928 een bouwmethode die de democratisering van de zeilsport in Nederland inluidde. De B.M.jachten, die volgens deze methode zijn ontworpen, konden door amateurs op goedkope wijze worden gemaakt. de jachten werden gebouwd met smalle latten, dei eenvoudig gebogen konden worden. Al in de 19de eeuw werd in de V.S. de lattenbouw toegepast. Het nieuwe van het ontwerp van Bulthuis was dat bij de latten rond de mallen boog en de mallen liet zitten. Anderen verwijdderden de mallen en plaatsten dan spanten. Ook nieuw was dat hij de latten met de ruwe zaagkanten met een grote hoeveelheid nagels aan elkaar spijkers: met maakte de boot waterdicht en zorgde voor een goede stijfheid. In de jaren dertig maakte de klasse een grote vlucht. Er werden veel van gebouwd. Eerst erkende de NNWB het model als klasse, in 1931 gevolgd door het KNWV. Na de Tweede Wereldoorloga nam de belangstelling voor de klasse af. In 1961 hief het KNWV de klasse op en bleven alleen in het noorden wedstrijden voor de B.M. klasse. De door Bulthuis ontworpen zestien-kwadraat-klasse zou echter populair blijven. De B.M. met zeilnummer 42 is een jacht dat regelmatig wordt genoemd in de naamlijsten van deelnemers aan Friese zeilwedstrijden. Van 1939 tot 1947 is J. Pasma uit Sneek de eigenaar (Naam: Favoriet). Van 1948 tot 1950 wordt als eigenaar genoemd P. Heins uit Heerenveen (naam: Favoriet). Van 1952 tot 1956 is R. Overwijk uit Haskerdijken de eigenaar (naam: Favoriet)., literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 60.
- J.K. Kuipers, 'Hendrik Bulthuis' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1992, pp. 34-36.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1973-1974, p. 16
- Sneeker Nieuwsblad 16 mei 1974
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de drakenklasse.
VervaardigerJonge, Marchienus de
Trefwoordendrakenklasse
ObjectnummerK-040
Periode van1947
Periode tot1948
BeschrijvingScheepsmodel van de zeiljacht uit de drakenklasse. Op spanten (mallen) gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het jacht heeft een mast, die niet te strijken is (steekmast). Halverwege de mast is een zaling gemaakt. De mast wordt gehouden door twee voorstagen. De eerste voorstag is via twee vaste geleideblokken op het voordek vastgezet op een schroefoog op het voordek. De tweede voorstag loopt via een vast geleideblok op het voordek naar een metalen houder daarachter, waarop de stag is vastgezet. Aan de zijkanten wordt de mast gehouden door drie vaste zijstagen en één verschuifbare zijstag (bakstag). Een vaste zijstag is rechtstreeks aan de mast bevestigd, net onder de zaling. De andere twee vaste zijstagen lopen via de zaling naar het gedeelte van de mast boven de zaling. Aan de onderkant zijn de vaste zijstagen met wantspanners aan puttingijzers bevestigd. De bakstag is loopt via een oog op de binnenkant van de kuiprand naar een bevestiging in het midden van de kuip. Deze bevestiging is echter foutief. De bakstag behoort met een glijer te zijn vastgemaakt op een metalen rail op het gangboord, zodat de bakstag naar behoefte naar voren of naar achter kan worden vastgezet. Naar achter wordt de mast gehouden door een achterstag die via een vast geleideblok op het achterdek naar voren loopt en daar via een blok is belegd op een klamp, vlak achter de achterkuiprand. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een stagfok en een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk. Enkelvoudige stiksels suggereren dat ze uit banen zijn gemaakt. Het voorlijk van de fok is met metalen ringen (leuvers) bevestigd aan de tweede voorstag. De hals van de fok is vastgezet op een metaaldraad die door een vast geleideblok op het voordek wordt geleid naar een metalen houder, waar de metaaldraad op is vastgezet. De fokkeschoot loopt aan stuurboord via geleideblok op het gangboord naar een metalen sjorlier op de buiskap en is belegd op een metalen klamp op het midden van de buiskap. De fokkeschoot aan bakboord loopt los door een geleideblok op het gangboord aan bakboord en ligt los op het gangboord erachter. De fokkeval is belegd op een klamp aan de voet van de mast. Het grootzeil heeft geen gaffel: torentuig (of Bermudatuig). Het voorlijk is is een gleuf in de achterkant van de mast geregen. Op dezelfde wijze is het onderlijk van het grootzeil aan de giek vastgemaakt. In het achterlijk van het grootzeil zijn vier zeillatten gemaakt. Het zeilnummer is aan twee kanten opgestik: 'D / - / H48'. De grootschoot is aan het vaste einde vastgezet aan een blok aan het eind van de giek. Het loopt via een blok aan stuurboord op het achterdek, terug naar het blok aan het einde van de giek, vervolgens naar een blok aan bakboord op het achterdek, wederom omhoog naar een twee blok aan de giek, naar een derde blok aan de giek en dan tenslotte naar een klamp in het midden van de kuip. De drie blokken zijn met metalen beugels aan de giek bevestigd. Op de top van de mast een witte windvaan aan een metalen pin. De metalen blokken zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is scherp en heeft de vorm van een overhangende lepelboeg. Het achterschip heeft een overhangende, platte spiegel, die ook enigszins schuin is geplaatst. De bodem is voorzien van vaste kiel. Aan de kiel is het roerblad gehangen. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaal beslag. Van voor naar achter loopt op de hoek van dek en romp een stootrand en op het dek een waterlijsten. Op een balk die loopt van de voorsteven tot de kuiprand een houten klamp in metalen houder, een vast geleideblok, een oogbout, een vaste, drieschijfs geleideblok en een dubbele metalen houder. Aan deze houder zijn de tweede voorstag en de hals van de fok bevestigd. De kuiprand begint net voor de mast. De kuip is van boven gezien granaatvormig: van voren puntig en aan de achterkant plat. De kuiprand is rondom de mast voorzien van een gedeeltelijke overkapping. Achter de mast is een buiskap gemaakt. Deze kap is aan de randen voorzien van metaalbeslag. Op de achterkant van de buiskap twee sjorlieren en een metalen klamp. Op de buitenkant van de kuiprand zijn houten klampen geplaatst: aan stuurboord twee en aan bakboord één. Aan de achterkanten van de kuiprand is aan bakboord en aan stuurboord de naam van het schip geschilderd: 'CLAES COMPAEN'. Aan de achterrand van de kuip de bevestigingen van de grootschoot. In de kuip een achterbank. Langs de randen van de kuip zijn open kastjes gemaakt. In het midden van de kuip een dwarsplank met daarop geleideblokken, schootklemmen en klampen. Ze zijn bedoeld voor de grootschoot, die echter rechtstreeks is belegd op een klamp. Op de gangboorden katrollen en ogen voor de fokkeschoot en glijrails voor de bakstagen. Op het achterdek het helmhout, een houten klamp in metalen houder en de het katrol van de achterstag. Kleuren: De romp is wit. Het onderwaterschip is groen. Van het dek is het gedeelte buiten de waterlijst gelakt. De rest van het dek (voordek, gangboorden en achterdek) is wit. En ook de buiskap is wit. De kuip, de mast, de giek het het helmhout zijn gelakt. Ook de stander is gelakt. Accessoires: L-vormige stander.
AchtergrondinformatieMarchienus de Jonge (1904-1981) was conciërge van het Fries Scheepvaart Museum en later in dienst van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De drakenklasse is een internationale wedstrijdklasse. Afmetingen: lengte 8.90 meter, breedte 1.96 meter, diepgang 1.20 meter. Torentuig van 26.5 m². De romp wordt gebouwd van hout: gangenbouw op ingebogen S-vormige spanten. Het jacht voert een hoog torentuig met genuafok. Sinds 1964 mag bij wedstrijden ook een spinnaker gehesen worden. De draak werd in 1929 ontworpen door Johan Anker uit Noorwegen. In Nederland werd de Draak in 1935 als wedstrijdklasse erkend. En als internationale klasse werd de draak in 1950 erkend door de IYRU. Het is niet bekend aan wie het jacht met zeilnummer 48 heeft toebehoord., Literatuur:
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) p. 72
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijheidsklasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordenvrijheidsklasse
Objectnummer1982-049
Periode van1982
Periode tot1982
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de Vrijheidsklasse. Op spanten gebouwd. De kielbalk, stevens en spanten van eikenhout, de huid van mahoniehout en de dekken van hechthout. Schaal 1:7½. Tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een zijstag. De voorstag is met een harpsluiting bevestigd aan een metalen ring op het voordek. De zijstagen lopen door gaten in de gangboorden en zijn onder de gangboorden bevestigd aan de binnenkanten van de boorden. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De stagfok is breed van vorm. Het achterlijk loopt door tot achter de mast (staartfok of botterfok). Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een harpsluiting vastgezet op een metalen oog op het voordek. De twee fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en zijn belegd op houten klampen aan de binnenkant van de kuiprand. De fokkeschoot aan stuurboord is vastgezet. Die aan bakboord loopt voor de mast langs en ligt los in de kuip. Het grootzeil is voorzein van een rechte gaffel. De gaffel is voorzien van een houten klauw. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. De hals van de grootzeil wordt naar beneden getrokken door de halstalie. In het achterlijk van het grootzeil zijn vier zeillatten gestoken. Aan beide zijden van het zeil is het zeilnummer V-125 aangebracht. De onderkant van het zeil is bevestigd in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek rust met een metalen klauw tegen de mast. De grootschoot loopt door twee enkelschijfs blokken aan de giek en door een dubbelschijfs blok op de kielbalk. De schoot loopt in een V-vorm door deze drie blokken en is belegd op een metalen klamp op de kielbalk. De vallen van de zeilen lopen door houten blokken aan de top van de mast. Ze lopen, net als de halstalie, door gaten in het dek aan de voet van de mast en zijn belegd op klampen aan de mastvoet, onder het dek. Op de top van de mast een rood-blauw-rode windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven heeft de vorm van een lepelboeg. Het achtersteven is plat en heeft een schuine spiegel. De bodem is rond en is voorzien van een vaste kiel. De dwarsvoorsnede is U-vormig. Het model van voor naar achter: Op de voorsteven koperbeslag. De dekken en gangboorden steken buiten de boorden uit: een stootrand. Van voorsteven tot spiegel lopen aan beide kanten waterlijsten over de dekken en gangboorden. Op het voordek het metaalbeslag waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestgd. Daarachter een houten klamp. Voor de mast een V-vormige waterlijst, die doorloopt tot aan de buitenkanten van de gangboorden. Het voordek loopt onder deze waterlijst door. Achter de mast de kuip, die is voorzien van een lage kuiprand. Op de gangboorden aan beide zijden twee schootogen voor de fokkeschoot. Op de binnenkanten van de kuipranden ook twee klampen voor de fokkeschoot. Onder de gangboorden zijn in de kuip open kastjes gemaakt. De ruimten onder het voordek en onder het achterdek zijn eveneens open (niet afgesloten door luiken). In de kuip zijn twee losse dwarsbanken gemaakt. De bodem van de kuip is bedekt met buikdenningen. Ter hoogte van de achterkant van de kuip is op de boorden de naam van het schip geschilderd: 'TWIRKE'. Op het achterdek twee houten klampen. Het roer hangt met een stang aan de spiegel. Het bovenste deel van het roer is van hout. Het onderste deel is van metaal en is in hoogte verstelbaar door een touw dat loopt door een langsscheeps gat in de de kop van het roer en is belegd op een metalen kikker op het helmhout. Het helmhout is gebogen van vorm en is voorzien van een scharnierende dwarsgreep met handvat. Kleuren: De romp is gelakt en voorzien van een witte bies net onder de stootrand. Het onderwaterschip is wit. De dekken, gangboorden, kuip, mast en rondhouten zijn gelakt. Accessoires: stander.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Dit model van de Vrijheidsklasse is vervaardigd naar een verkleinde originele werftekening. Het jacht met zeilnummer 125 is in 1952 gebouwd bij Van der Meulen te Joure. Inrichting en tuigage zijn in samenspraak met de voormalige eigenaar van de V-125, Eddie Wierstra uit Sneek, tot stand gekomen. Wierstra kocht het schip in 1953. Hij won er vele prijzen mee. In 1957 kocht hij een ander schip. De Vrijheid 125 werd verkocht aan W. van den Heuvell te Sneek (deelnemer Sneekweek in van 1957-1968).
In 1942 schreef het K.N.W.V. een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een zeilboot met 12 vierkante meter zeil. De prijsvraag zou kunnen leiden tot een nieuwe klasse. Het moest een stabiel kieljacht worden, dat vooral de jeugd zou aanspreken, dat snel moest zijn maar ook geschikt voor het maken van tochten, dat een lage bouwprijs zou moeten hebben en daarom door amateur gemaakt moest kunnen worden. Er kwamen 55 inzendingen binnen: Workum, Viking, Vlinderjacht, Zomerweelde, Zomerwind, Oostergoo, etc. Siep van der Meer won de eerste prijs met de Zomerweelde. Er waren drie derde prijzen voor L. Moerman (maasjol), Chr. van der Zee (Kilpalipude een soort vergrote olympiajol) en Romke de Vries. Het verbond maakte van de Zomerweelde geen eenheidsklasse. Wel werden er meerdere van gebouwd. De technische commissie van het K.N.W.V. moest zelf een nieuwe klasse ontwerpen met als basis de inzendingen van de prijsvraag. Het nieuwe ontwerp was smaller dan de Zomerweelde en er waren nog een paar verschillen. De romp kon zowel met gangen als met latten (amateurbouw) gemaakt worden. Ook in tuigage kon men kiezen tussen een torentuig of een gaffeltuig (de meeste werden uitgevoerd met gaffeltuig). In december 1945 werd het schip gepresenteerd: de vrijheid. Het ontwerp sloeg goed aan. Al in 1947 waren er 100 gebouwd. Ook voor het buitenland werden er schepen gebouwd, met name ook in Indonesië. Ook kwam er een vergrote vrijheid op de markt (jachtwerf A. de Jong te Joure en jachtwerf Moedt te Sneek)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1982, p. 15
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 74
- J.K. Kuipers 'De vrijheidsklasse' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 67-72.
BeschrijvingScheepsmodel van een Zuidlaardermeerjol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één houten mast. De mast staat in een mastkoker. De mast wordt gehouden door metalen stagen: één voorstag en twee zijstagen. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en is belegd op een ring in d voorwand van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een ring in de voorwand van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan de mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek een giekring met een stang naar achteren. Aan de giekring een tweeschijfs blok. De grootschoot loopt door dit blok en door een blok op de kuipvloer. De zwaardval van het midzwaard loopt via twee ringen in de voorwand van de kuip naar achteren en is belegd op een nagel in de kuipvloer (aan bakboordzijde naast de achterkant van de zwaardkast). In het grootzeil de klasse-aanduiding (letters ZM) en het zeilnummer 11. Op de top van de mast een blauwe windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Over het voordek loopt een V-vormige waterlijst die bij de kuip overgaat in opstaande kuipranden. De mastkoker staat in een uitsparing van het voordek. In de voorwand van de kuip drie ringen waar zeil- en zwaardvallen op belegd zijn. In het voorste deel van de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en is scharnierend opgehangen aan het bovenste deel van het roer. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is bronskleurig. De dekken, gangboorden en de wanden van de kuip zijn gelakt, evenals de rondhouten. De kuipvloer is grijs. Het bovenste deel van het roer is bruin. De metalen delen (giekring, midzwaard, roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe Zuidlaardermeerjol met zeilnummer 11 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1959: het was de BelAir van P.J. Kielman uit Westerbroek. Westrijden voor de Zuidlaardermeerjol zijn alleen bij de Sneekweek van 1959 gehouden. Er waren toen 19 deelnemers, waarvan de meeste kwamen uit Hogezand, Sappemeer, Martenshoek, Foxhol. Er waren echter ook Friese deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.), pp. 56-57
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 74-75
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijbuiter-klasse.
VervaardigerFerwerda, Gerben
Trefwoordenvrijbuiters
Objectnummer1984-264
Periode van1984
Periode tot1984
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de vrijbuiter-klasse. Op spanten gebouwd. De spanten van eikenhout en de huis van redwood. Schaal 1:7½. Tuigage: Het model heeft één mast. De mast staat in een mastkoker op het voordek. Aan de bovenkant wordt de mast gehouden door een voorstag en aan weerszijden door een zijstag. De voorstag is met een harpsluiting bevestigd op een T-ijzer op het voordek. De zijstagen zijn met antspanners vastgezet op de gangboorden. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De fok is breed en loopt door tot achter de mast: een staartfok of botterfok. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een harpsluiting vastgezet aan een T-ijzer op het voordek. De fokkeval loopt door een houten blok aan de top van de mast en is belegd op de nagelbank aan de mastkoker. De fokkeschoten lopen doorschootogen op de gangboorden en zijn belegd op houten klampen aan de binnenkant van den kuipranden. De fokkeschoot aan stuurboord is strak getrokken. Die aan bakboord loopt voor de mast langs en ligt los in de kuip. Het grootzeil is voorzien van een S-vormige gaffel, die boven de mast uitsteekt. De gaffel heeft een houten klauw. De gaffel wordt gehesen door een klauwval en een nokkeval, die zijn belegd op de nagelbank. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen aan de mast bevestigd. In het achterlijk van het grootzeil zijn vijf zeillatten gestoken, die doorlopen tot het voorlijk (vleermuiszeil). Aan beide kanten van het zeil is het zeilnummer Z-30 aangebracht. De onderkant van het zeil is bevestigd in een gleuf in de bovenkant van de giek. De giek rust aan de voorkant met een metalen klauw tegen de mast. De giek wordt naar beneden gehouden door de halstalie die is belegd op een metalen kikker op de nagelbank. De grootschoot loopt door twee enkeschijfs blokken aan de giek en door een enkelschijfsblok op een metalen overloop op het achterdek. Het vaste einde van de grootschoot is vastgemaakt aan een scharnierende metaalstrip aan het achtereind van de giek. Van daar loopt de schoot door het blok op de overloop, terug omhoog, door de blokken aan de giek en is belegd op een houten klamp aan de achterkant van de zwaardkast. De blokken aan de giek hangen aan giekringen met houten rollers. Deze zijn onderling verbonden met een touw, dat doorloopt naar de voor- en achtereinden van de giek. Op de top van de mast een wit-rood-witte windvaan (verklikker). De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: De voorsteven is steil en overhangend. Het achterschip is lang en overhangend. De achtersteven is plat en heeft een schuine spiegel. De bodem is rond en voorzien van een midzwaard. De dwarsdoorsnede is U-vormig. Het model van voor naar achter: De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. De dekken en gangboorden steken buiten de boorden en vormen zo een stootrand. Op het voordek een houten klamp en daarachter een T-ijzer waaraan de voorstag en de fokkehals zijn bevestigd. Voor de mast een V-vormige waterlijst die loopt van boord tot boord. Het dek loopt onder de lijst door. Achter de mast begint de kuip. Deze is voorzien van een lage kuiprand. Onder de gangboorden zijn geen kastjes gemaakt. De ruimten onder voor- en achterdek zijn open (niet afgesloten door luiken). In het midden van de kuip de zwaardkast. Daarin scharniert het metalen midzwaard. Het is in hoogte vestelbaard. De zwaardloper loopt van de bovenpunt van het midzwaard naar voren, door een blok aan de mastvoet, terug naar voren en is belegd op een nagel dwars door de bovenkant van het midzwaard. Net voor de achterwand van de kuip is een losse dwarsbank gemaakt. Ter hoogte van de achterkant van de kuip is op beide boorden de naam van het jacht geschilderd: 'THEDO'. Het roer hang onder het achterschip. De roeras steekt door het achterdek naar boven. Het roer heeft een dubbel helmhout (gebogen V-vormig). Achter het helmhout de metalen overloop voor de grootschoot en daarachter een houten klamp. Kleuren: De romp is gelakt met een zwart-gouden bies net onder de stootrand. Het onderwaterschip is wit. De dekken en gangboorden zijn wit. Ze zijn overtrokken met zeildoek dat in Lood-wit is gedrenkt. De kuip, de mast en de rondhouten zijn gelakt. De stander is oranje (menie?). Accessoires: stander en roeipeddel.
AchtergrondinformatieGerben Ferwerda (1915-2007) heeft gewerkt bij de Sneker jachtwerven Jan Kuipers, Ids Hospes, Gerrit Doevendans en Dirk Potma. Hij heeft een grote verscheidenheid aan zeiljachten gebouwd. In 1981 bouwde hij op verzoek van het museum een model van een zestien-kwadraat. Omdat de kwaliteit daarvan goed was, heeft hij in de daarop volgende jaren nog elf modellen voor het museum gebouwd. De bouwtekeningen werden vaak geleverd door museummedewerker J.K. Kuipers. De zeilen op de museummodellen zijn gemaakt door conciërge P. Alkema. Ook voor particulieren heeft hij veel gebouwd. In de winter van 1995-1996 is in het museum een tentoonstelling aan zijn werk gewijd.
Het model van de Vrijbuiter is gemaakt naar foto's van het jacht met zeilnummer 30, de Thedo, die in de jaren 1935-1936 gold als de snelste vrijbuiter in Nederland. Het schip is in 1934 voor A. Carpentier uit Rotterdam gebouwd door Jan Kuipers te Sneek, die ook bij de bouw van het model heeft geadviseerd. Tekeningen van het jacht waren er niet. De gebruikte materialen zijn de originele: redwood en eikenhout. Carpentier ontwierp het zeil. De vorm van de gaffel was opvallend.
De Thedo was deelnemer aan de Sneekweek in 1934 (A. Carpentier te Rotterdam) en in 1937 en 1938 (J.R. van der Berg te Weesp). Na 1939 vormden de vrijbuiters niet meer een aparte klasse in de Sneekweek. In 1942 werd de Thedo door J.C. Smalt uit Wassenaar verkocht aan B.H. van Erk uit Huizen. De naam veranderde toen in 'Captain Kidd'.
In 1918 besloot de K.N.W.V. een commissie te benoemen die studie moest maken van nieuw te vormen klassen. De commissie besloot dat er naast eenheidsklassen ook een vrije klasse met slechts enkele beperkingen (beperkte klasse) moest komen, om experimenteren te bevorderen. Bij de vrijbuiterklasse zijn de beperkingen niet talrijk: grootzeil met fok mogen niet grote zijn dat 15 vierkante meter, de huid- en dekdikte mag niet kleiner zijn dan 12 mm., de oppervlakte van de kuip mag maximaal 2 vierkante meter zijn, het mag geen catamaran zijn en trapeze is niet toegestaan. De klasse kende slechts een geringe bloei, met name rond de 30er jaren. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er geen vrijbuiters meer gebouwd., literatuur:
- J.K. Kuipers 'De vrijbuiter' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1983, pp. 49-54.
- J. van Vollenhoven, Wat zeilt daar (Amsterdam, z.j.) p. 30.