TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de javelinklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenjavelinklasse
Objectnummer1998-318
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de javelinklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door de achterkant van het voordek. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen (die door een zaling geleid worden). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast en door een gat in het voordek en is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op de voorsteven waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen. Deze zijn gestoken in gatenrails op de gangboorden. In dezelfde rails zijn ook de korvijnagels gestoken waarop de fokkeschoten zijn belegd. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en door een gat in het voordek. De grootzeilval is onderdeks (niet zichtbaar) belegd. De giek is van metaal. De voorkant van de giek is met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. Aan de giek hangen twee houten blokken. De grootschoot loopt door deze twee blokken en door ringen op de kielbalk en ligt opgeschoten in de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt via een ring in de voorwand van de kuip naar achter en is daar belegd op een korvijnagel in de dwarsbank in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (cirkel met pijl naar rechtsboven) en het zeilnummer 35. Op de top van de mast een rode windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel die loodrecht op het water staat. De romp is van voren ronder dan van achter, waar de boot schuin oploopt. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd. Achter de mast de kuip. De voorwand van de kuip is gebogen en is aan de bovenkant voorzien van een opstaande rand (soort waterlijst). Voor de dwarsbank in de kuip de zwaardkast van het midzwaard. Aan weerszijden daarvan liggen vallen en schoten opgeschoten. Het gedeelte van de kuip achter de mast wordt alleen gevult met de ringen van de grootschoot. Er is geen achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. De helmstok is van hout (metaalkleurig) en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is zwart (boven en onder water). Het voordek en de kuip zijn wit. De metalen delen (roer, midzwaard en rondhouten) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de javelinklasse: lengte 5.37 m, breedte 1.69 m, zeiloppervlak grootzeil 10.9 m², fok 4.8 m², spinnaker 17.5 m². De romp is van polyester en de rondhouten van aluminium. De Javelin is in 1965 ontworpen in Groot-Brittannië door Peter Milne. Het prototype was er in 1965, vervolgens werd het stil. Pas in 1968 verscheen een eerste versie op het water. In Nederland sloeg de klasse niet erg aan. In 1976 werd de klasse door het KNWV toegelaten. De javelin is een snelle wedstrijboot. De rompvorm maakt dat het schip snel planeert. De romp is door de dubbele bodem goed stijf. Het type is ontworpen als wedstrijdboot: snelle romp, trapeze, spinnaker, trimmogelijkheden. De javelin met zeilnummer 35 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Alleen bij de Sneekweek van 1981 waren er wedstrijden voor de Javelin. Er waren toen 12 deelnemers. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 38-39
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
BeschrijvingScheepsmodel van een olympiajol. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast, die staat in een klos aan het achtereind van het voordek. De mast wordt gehouden door nylon stagen: een voorstag en twee zijstagen. De stagen zijn niet vastgezet op beslag maar verdwijnen door gaten in het voordek en de gangboorden. Voor het buigen van de mast is een stag over een uithouder geplaatst aan de voorkant van de mast. Aan de mast wordt één zeil gevoerd: een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. Er is geen grootzeilval. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is met twee ringen verbonden aan de mast. Aan de mast hangt een tweeschijfs blok. De grootschoot loopt door dit blok en door twee ringen op de kuipvloer. De zwaardval van het midzwaard loopt door een blok aan de bovenkant van het midzwaard en twee ringen in het voorschip en ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse aanduiding (letter O) en het zeilnummer 46. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe voorsteven. Rechte spiegel, die loodrecht op het water staat. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Langs de rand van de kuip een opstaande rand. In de kuip is in het midden de zwaardkast van het midzwaard geplaatst. Achter de kuip een achterdek. Het roer hangt aan de spiegel. Aan de onderkant van het roer een draaibaar, metalen roerblad. Dat wordt bediend met een touw dat loopt over de rug van het roer en dat is vastgezet op de dwarsbalk in het helmhout. Het helmhout is A-vormig: twee stokken met daartussen een dwarsbalk. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit. De dekken, de gangboorden en de kuip zijn gelakt, evenals de mast en de blokken. Het roer is bruin. De metalen delen (midzwaard en roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de olympiajollen: lengte 5.00 meter, breedte 1.66 meter, zeiloppervlakte 10.5 m². De olympiajol werd ontworpen voor de Olympische Spelen van 1936. De Duitse zeilbond schreef een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een eenmans-wedstrijdboot. De inzendingen werden vervolgens gebouwd en getest. er werd toen gekozen voor het ontwerp van H. Stauch uit Berlijn. Zijn ontwerp bestond uit een karveel gebouwde middenzwaardboot. De boot werd breed gehouden om de invloed van het lichaamsgewicht van de zeiler - een factor van beland voor het rechtop houden van de boot - niet te groot te doen zijn. De jol is voorzien van een gestaagd toren-cattuig. Twee jaar na de Olympische Spelen in Berlijn werd in 1938 de olympiajol door de I.Y.R.A. erkend als internationale klasse. Door concurrentie van de Finnjol (sinds 1952) verloor de olympiajol aan populariteit. Het leidde er toe dat de Olympiajol in 1970 haar internationale erkenning weer verloor. De klasseorganisatie had nu weer het heft in handen en besloot tot modernisatie: rompen van polyester, metalen rondhouten. Sinds 1990 groeit de klasse weer gestaag. Het zeilteken is een O, gevolgd door een landenletter (Nederland: H) en een volgnummer. De olympiajol werd populair in Duitsland, Nederland en Zwitserland. De olympiajol met zeilnummer 46 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor van 1937-1948. De scheepsnaam bleef Fram. Eigenaars: 1937-1941 Corrie van Gool uit Hommerts, 1942 M. van Dijk uit Hommerts, 1945-1948 P. Vlaskamp uit Sneek. Wedstrijden voor de olympiajollen waren er in de Sneekweken van 1937-1963, 1967, 1968, 1975, 1985-1987 en 1989-1998. Het aantal deelnemers was gemiddeld per jaar 15. Maar het aantal wisselde sterk. Rond 1939 was het een populaire klasse. Na 1955 nam het aantal deelnemers af, zelfs zodanig dat er soms geen wedstrijden meer werden gehouden voor deze klasse. Vanaf 1990 zit de klasse weer in de lift. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 52-53
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 40-41
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1989, p. 19-20
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de efsixklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenefsixklasse
Objectnummer1998-326
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de efsixklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast is gestoken door het voordek. De mast wordt gehouden door een voorstag en door twee metalen zijstagen (waarvan de langste wordt geleid door een zaling). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een fok. De fok wordt gehesen door de fokkeval die loopt door een blok in de mast en die is belegd op een klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet aan het beslag op het voordek waaraan ook de voorstag is bevestigd. Aan de schoothoek van de fok een blok waardoor de fokkeschoten lopen. Met het vaste eind zijn de fokkeschoten vastgemaakt aan een ring op het gangboord. De halende einden van de kkeschoten lopen door het blok aan de fok en door schootogen in gatenrails op de gangboorden. De fokkeschoten zijn belegd op nagels die zijn gestoken in de gatenrails op de gangboorden. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de mast en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een houten blok op de kuipvloer. In het grootzeil de klasse-aanduiding (liggende lijn met schuine dwarsstreep) en het zeilnummer 2004. Op de top van de mast een rode windvaan. De houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. De twee metalen blokken aan de giek zijn wel voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant. Scherpe, schuine voorsteven. Rechte spiegel, die schuin naar voren op de spiegel staat. De boot is uitgerust met een balastkiel, die aan een geleider omhoog kan worden getrokken. Het model van voor naar achter. Op de voorsteven beslag waaraan de fokkehals is bevestigd. Daarachter een handfreep. Het voordek is bol. De kuip is ruim. In het voorste deel van de kuip is de bovenkant van de balastkiel te zien. Deze kiel kan langs een schuine geleider (onder het voordek) omhoog gehaald worden (de takelage en de lier daarvoor zijn niet aanwezig). Achter de kuip een achterdek. Daarop twee handgrepen. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roe is van metaal en hangt scharnierend in het bovenste deel. De helmstok is van metaal en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is groen (boven en onder water) met een zwarte bies langs de dekrand. De dekken, gangboorden en de kuip zijn wit. De kiel en het bovenste deel van het roer zijn bruin. De metalen delen (roerblad en rondhouten) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de efsix: lengte 6.00 m, breedte 2.00 m, zeiloppervlak grootzeil 12 m², fok 6.8 m², spinnaker 22.3 m². De romp wordt van polyester gemaakt en de rondhouten van aluminium. De efsixklasse is in 1975 ontworpen door E.G. van de Stadt. Het is een strikte eenheidsklasse (eenheidsbeslag, één zeilmaker). Opvallend is het verhoogde voordek. De kuip is ruim, mede door het ontbreken van een midzwaard. De efsix is uitgerust met een balastkiel van 150 kilo, die met een liertje omhoog kan worden gehaald (voor vervoer bijvoorbeeld). Bij wedstrijden is een trapeze toegestaan. Jarenlang kwam de klasse niet verder dan de status van toegelaten klasse. In 1991 kreeg de klasse een nieuwe impuls doordat een nieuwe werf het schip ging maken en er verbeteringen werden aangebracht. In 1995 is de efsix erkend als nationale klasse. De efsix met zeilnummer 2004 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1993, 1995 en 1996. Eigenaar was W. Brandsma te Grijpskerk. Wedstrijd voor de efsixklasse waren er bij de Sneekweken van 1975-1981, 1991-1993 en 1995-1998. Het aantal deelnemers was gemiddeld per jaar 13. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 18-19
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de sternklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordensternklasse
Objectnummer1998-305
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de sternklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één mast (metaal). De mast is gestaagd met een voorstag en twee zijstagen (metaaldraad). Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een stagfok en een grootzeil (torentuig). De fokkeval loopt door een blok aan de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De hals van de fok is vastgezet op de gatenrail op het voordek. De fokkeschoten lopen door twee schootogen op de boorden naar achter en zijn niet belegd. Het voorlijk van de fok is niet bevestigd aan de voorstag. Het grootzeil heeft de vorm van een torentuig. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een sleuf in de mast en het onderlijk is op dezelfde wijze bevestigd aan de giek. De grootzeilval loopt door een gat in de mast naar beneden en is belegd op een klamp aan de voet van de mast. De halstalie loopt door een blok aan de giek naar een ring aan de voet van de mast en is daarop ook belegd. De grootschoot loopt door twee blokken aan de giek en een overloop op de spiegel. De grootschoot is belegd op een metalen blok op de bodem van de boot. In het zeil het zeilnummer 167. De blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Op de top van de mast een metalen pin met daaraan een rode windvaan. De romp. Rondspantromp met enigszins wegvallende boeg. Scherpe voorsteven. Licht gebogen spiegel, die loodrecht op het water staat. Geen kiel: midzwaard. Het model van voor naar achter. Bol voordek met gebogen waterlijst voor de mast. Steekmast met daaraan enkele klampen voor de vallen. Achter de mast de kast van het midzwaard. Het midzwaard wordt met midzwaardvallen omphoog getrokken. Deze vallen lopen door ogen die onder het voordek zijn bevestigd en worden belegd op de achterkant van de zwaardkast. In het achterschip twee vaste luchtkasten. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en scharniert in het bovenste deel. Het roer heeft een houten helmstok, dat onder de overloop van het grootzeil door loopt. In de spiegel twee rode vlakken: zelflozers. Kleuren: De romp is wit, zowel onder water als boven water. Oop de binnenkant van de boot is wit. De metalen mast en giek zijn ongeverfd. Het roer is bruin, het onderste roerblad is ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieDe sternklasse en de flying junior zijn beide in de jaren vijftig ontstaan. Er is altijd enige rivaliteit geweest tussen aanhangers van beide klassen. Het Watersportverbond benaderde in 1955 E.G. van de Stadt voor het ontwerp van de stern. Het was de bedoeling de leemte tussen de jeugdklasse en de vijheidsklasse op te vullen. Volgens de klassevoorschriften kon de stern zowel van gevormd plakthout als van polyester gebouwd worden. Er zijn in het begin een tiental houten schepen gebouwd, maar de meeste zijn toch van polyester. Vanaf het begin is de stern uitgerust met spinnaker en trapeze. Opvallend aan de tuigage is het grote grootzeil. Junior Club opgericht om Afmetingen: lengte 4.25 m., breedte 1.55 m., diepgang 0.95 m., zeiloppervlak (grootzeil en fok) 11.2 m2. De stern met zeilnummer zeilnummer 167 komt in de deelnemerslijsten van de Sneekweek voor van 1959 tot 1968. Deelnemers waren verschillende leden van de familie Niermeijer uit Sneek. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- J. van Vollenhove, Wat zeilt daar? (Amsterdam, z.j.) pp. 36-37.
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998) pp. 80-81.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de klasse tempo scow.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordentempo scow
Objectnummer1998-317
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een tempo scow. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast staat in een balk op de kuipvloer. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag en twee zijstagen. Aan de zijkanten van de mast is bovendien een diamantverstaging aangebracht: stagen die lopen door zalingen en die niet zijn vastgezet aan de romp maar terug lopen naar de mast. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan top van de mast en die is belegd op een metalen klamp aan de mast. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waaraan ook de voorstag is vastgezet. De fokkeschoten lopen door schootogen op de gangboorden en liggen opgeschoten in de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mast. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. Aan de voorkant is de giek met een beugel aan de mast bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loopt door een metalen blok en een ring aan de giek en door een houten blok op een overloop in de kuip. De grootschoot ligt opgeschoten in de kuip. De zwaardval van het midzwaard loopt via twee ringen in de voorwand van de kuip en is vastgezet in het achterschip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter T) en het zeilnummer 575. Op de top van de mast een witte windvaan. De twee houten blokken zijn niet voorzien van lopende schijven. Het metalen schootblok heeft wel een lopende schijf. De romp. In dwarsdoorsnede een V-vorm. De romp heeft een geringe hoogte en is zeer plat. Van boven gezien is de voorsteven rond. De spiegel is plat en staat loodrecht op het water. De boot is uitgerust met een midzwaard. Het model van voor naar achter. Over het voordek loopt een balk die aan de achterkant overgaat in een V-vormige waterlijst. Op de balk het beslag van voorstag en fokkehals en een bolder. De mast staat in de voorkant van de kuip. Achter de mast de zwaardkast van het midzwaard. Over de voorkant en de achterkant van de zwaardkast lopen dwarsplank. Op de achterste dwarsplank is de overloop van de grootschoot bevestigd. De achterwand van de kuip is rond van vorm. Achter de kuip een achterdek. De gangboorden (of zijdekken) zijn breed. Het roer hangt aan de spiegel. Het onderste deel van het roer is van metaal en is scharnierend opgehangen aan het bovenste deel. De helmstok is van hout en is voorzien van een joystick. Kleuren: De romp is oranje (ook onder water). De dekken en gangboorden zijn ook oranje. De balken op voor- en achterdek en de waterlijst zijn wit. Ook de kuip is wi. Het bovenste deel van het roer is bruin. De metalen delen (rondhouten, midzwaard, roerblad) zijn ongeverfd. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de tempo scow: lengte 4.72 m, breedte 1.52 m., zeiloppervlakte grootzeil 8.5 m², zeiloppervlakte fok 3 m², zeiloppervlak genua 3.9 m², zeiloppervlak spinnaker 13 m². De romp was oorspronkelijk van hechthout en later alleen nog van polyester. De rondhouten waren vroeger van hout en later van aluminium. De tempo scow (ook wel scow tempo) is in 1964 ontworpen in Zuid Afrika door Jack Köper. Scow betekent platte boot. De boot heeft een hydrodynamisch vorm, die het best tot zijn recht komt als de boot schuin wordt gezeild. De brede gangboorden voorkomen dat er veel water in de kuip komt. Het ontwerp is gericht op zelfbouw met hechthout. Tegenwoordige worden de tempo scow's van polyester gemaakt, maar nog steeds niet op jachtwerven maar door middel van mallen die gehuurd worden van de klasse-organisatie. In 1964 werd in Nederland de eerste tempo scow gebouwd en het ontwerp sloeg meteen aan. In hetzelfde jaar werd meteen een klasseorganisatie opgericht. In 1970 werd het een nationale klasse. De tempo scow met zeilnummer 575 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek niet voor. Wedstrijden voor de tempo scow waren er bij de Sneekweken van 1968 (14 deelnemers) en 1969 (12 deelnemers). Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 66-67
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27
TitelScheepsmodel van een zeiljacht uit de ynglingsklasse.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenynglings
Objectnummer1998-320
Periode van1990
Periode tot1998
BeschrijvingScheepsmodel van een zeiljacht uit de ynglingklasse. Blokmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft één metalen mast. De mast staat op de bodem van het schip en is gestoken door de vaste buiskap. De mast wordt gehouden door metalen stagen: een voorstag, vier zijstagen (twee aan elke kant, waarvan de langste door een zaling wordt geleid) en een achterstag. De achterstag is voorzien van een houten blok en is met een touw te trimmen aan een ring op het achterdek. Aan de mast worden twee zeilen gevoerd: een grootzeil (torentuig) en een stagfok. De fok wordt gehesen met een fokkeval die loopt door een houten blok aan de mast, door een gat in de buiskap en is belegd op een ring aan bakboordzijde van de kuip. De hals van de fok is vastgezet op het beslag op het voordek waar ook de voorstag aan is vastgezet. De fokkeschoten lopen door in gatenrails verplaatsbare schootogen op de gangboorden en zijn belegd op korvijnagels in de zijwanden van de kuip. Het voorlijk van het grootzeil is geregen in een gleuf in de mast. De grootzeilval loopt door een gat in de top van de mast, door een gat in de buiskap en is belegd op een ring aan stuurboordzijde van de kuip. Het onderlijk van het grootzeil is geregen in de giek. De giek is aan de voorkant met een ring aan een mastbeugel bevestigd. Er is geen halstalie. De grootschoot loop door twee metalen blokken aan de giek en door een metalen blok op een overloop op het achterdek. De grootschoot ligt opgeschoten in de kuip. In het grootzeil de klasse-aanduiding (letter Y) en het zeilnummer 176. Op de top van de mast geen windvaan. De blokken zijn van hout of metaal en zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp. Rondspant (lichte S-vorm). Scherpe voorsteven. Gebogen spiegel (van boven gezien), die schuin naar voren op het water staat. De boot is uitgerust met een vaste kiel. Het model van voor naar achter. Op het voordek het beslag waaraan de fokkehals en de voorstag zijn bevestigd en een handgreep. De achterkant van het voordek is opbollend: een vaste buiskap. De mast is door de buiskap gestoken. De kuip is open. Aan de achterkant van de kuip een dwarsbank. Het achterdek is tamelijk groot. De roerspil steekt door het achterdek. De helmstok is van hout. Kleuren: De romp is rood. De kiel en het roerblad zijn bruin. De dekken en gangboorden zijn wit. De kuip is grijs. De achterbank, de helmstok en de houten blokken zijn gelakt. Accessoires: tijdelijke stander.
AchtergrondinformatieAfmetingen van de Yngling: lengte 6.35 m, breedte 1.73 m, zeiloppervlak grootzeil 8.9 m², fok 5.1 m², spinnaker 22 m² De Yngling is in 1967 ontworpen door de noor Jan Linge. Het is de kleinere uitvoering van de Soling (ook een ontwerp van Jan Linge). In de jaren zeventig (van de twintigste eeuw) maakte de klasse in Europa en ook in Nederland een tontstuimige groei door. In 1998 waren er in Nederland circa 300 Ynglings. Sinds 1972 zijn er wereldkampioenschappen in deze klasse. In 1979 werd de Yngling een internationale klasse. De Yngling is onzienkbaar, stabiel en degelijk gebouwd. De bemanning bestaat bij de meeste wedstrijden uit drie personen. De Yngling met zeilnummer 176 komt in de lijsten van deelnemers aan de Sneekweek voor in 1979-1998. De scheepsnaam was Dictator. In 1979 was de boot van H. Veldhuis te Oudega (W) die in 1981 weer meedeed (woonplaats Bilthoven. In 1988 werd de boot bestuurd door D. Veldhuis uit Bilthoven. In 1922 deed D. Nauta te Uitwellingerga mee in de Yngling 176 en in de periode 1996-1998 was F. van 't Oever te Nijmegen de eigenaar. Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kan, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjachten, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Elisabeth Spits, Wat zeilt daar? (Eemdijk, 1998), pp. 96-97
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 27