TitelScheepsmodel van het startschip Roekoepolle van de K.W.S. te Sneek.
VervaardigerOoms, G.
Trefwoordenstartschepen
Objectnummer1999-113
Periode van1998
Periode tot1999
BeschrijvingScheepsmodel van het startschip Roekoepolle van Sneek. Stapelmodel. Schaal 1:30. Rondhouten en tuigage Het model heeft een aantal masten voor lijnen, waaraan seinvlaggen kunnen worden opgehangen. De romp. Scherpe steven, die loodrecht op de waterspiegel staat. Rond, geveegd achterschip. Plat vlak, zonder kiel. Het model van voor naar achter. Het voordek is verhoogd. In dat dek twee scharnierende luiken van metaal. Achter het verhoogde voordek de voorste stutpaal met bijbehorende lier (wordt in de bodem gedrukt om het schip vast te leggen). Ter hoogt van de stutpaal zijn aan weerszijden twee paren bolders. Achter de stutpaal een ruim met luik. Daarop liermast met takel (om boeien overboord te zetten en terug te halen). Achter de takel de opbouw. Deze bestaat uit twee verdiepingen. Beneden de salon. In de voorwand van de salon twee kleine ramen en in de zijwanden van de salon aan weerszijden drie grote ramen en een schuifdeur. Achter de salon een keuken (twee ramen aan elke kant). Boven de salon is de stuurhut en het centrum voor de westrijdleiding. In de voorwand en de zijwanden zijn steeds drie ramen. In de achterwand tweeramen en een deur. De stuurhut is ingericht: stuurinrichting en kompas, kaartenbak en kaartentafel. De stuurhut is bereikbaar met een trap vanuit de salon en door de deur in de achterwand. Het dek op de salon is omgeven door een reling. Aan de achterkant van dit tussendek is een trap naar beneden, naar het achterdek. Aan de voorkant van het dek een trap naar het bovendek op de stuurhut. Ook het bovendek is geheel omgeven door een relig. Aan de reling en op de mast zijn tal van signaalapparaten geplaatst: twee luchthoorns, twee luidsprekers, een electronisch cijferbord. de boordlichten en de vlaggenlijnen. Deze lopen naar de achterste mast op het tussendek. Tussen de horizontale lijnen en de reling waren vertikale vlaggelijnen gespannen (niet op het model) waaraan de seinvlaggen werden gehesen. Aan de achterreling van het tussendek het naambord: 'Roekoepolle / Sneek nl'. Langs het dek op het motorhuis (achter de keuken) zijn ook relings gemaakt. Aan de zijrelingen twee naamborden: 'Roekoepolle / K.W.S. L25 B4.25'. Op het achterdek de achterste stutpaal met bijbehorende lier. Voorts op het achterdek een aantal schoorstenen en ventilatiepijpen. Aan weerszijden van het achterdek twee paren bolders. Kleuren: De romp is zwart. De stootrand is wit. Het boeisel langs het voordek is rood en blauw (wit aan de binnenkant). Het boeisel langs het achterschip is blauw (wit aan de binnenkant). Alle dekken zijn grijs. De salon is geel met een blauwe rand beneden en de stuurhut is geel met een blauwe rand boven. De relingen langs tussendek, bovendek en het dek op het motorhuis zijn zwart. De liermast en de vlaggenmasten zijn zwart. De stutpalen zijn in roestkleur geverfd. De bolders en lieren zijn zwart. Accessoires: tijdelijke standerblokken.
AchtergrondinformatieHet startschip Roekoepolle werd in 1976 gekocht door de K.Z.V.S. Het was een oliebunkerschip uit de Zaanstreek, dat was afgedankt. Het lag afgemeerd in Den Oever. Het bunkerschip werd tot startschip verbouwd op de scheepswerf van Jentje de Jong (te Sneek) naar tekeningen van Piet Amsterdam.
Gerrit Ooms. Geboren 23 juli 1920 te Heerenveen. Verhuisde in 1923 naar Sneek. Beroep: aannemer in de wegenbouw. In zijn vrije tijd zeilde Gerrit Ooms. Eerst in een kano, vanaf 1948 in een Zomerweeldejacht, vervolgens in een kajuitjacht, een regenboog (nr. 70). Op hogere leeftijd voer hij in een motorkruiser. De overgrootvader van Gerrit Ooms was scheepsbouwer te Hoogeveen. Die bouwde zogenaamde Hoogeveense pramen. Het eerste model dat Gerrit Ooms maakte was van zo'n Hogeveense praam. Vervolgens maakt hij modellen van een regenboog en van ronde jachten. De tekeningen van de ronde jachten haald hij uit het boek van T. Huitema over Ronde en Platbodemjachten. De secretaris van de NNWB verschafte Ooms de tekeningen van de modernere zeiljachten. Het leidde tot het idee van alle jachten die ooit aan de Sneekweek hadden mee gedaan een model te maken. Het werd een verzameling van 52 modellen (inv.nr. 1998-279 t/m 1998-230)., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1999, p. 22-23
TitelScheepsmodel van het houten skûtsje De Drie Gebroeders uit Sneek.
VervaardigerRypkema, Gerrit
Trefwoordenskûtsjes, Sneek, Rypkema, Gerrit
Objectnummer1978-275
Periode van1970
Periode tot1978
BeschrijvingScheepsmodel van het houten skûtsje De Drie Gebroeders. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend.
Rondhouten en tuigage: Het skûtsje heeft één mast. De mast wordt gehouden door een voorstag op een metalen botteloef (in het fries loefbyter) op de voorsteven. De voorstag is aan de onderkant getakeld met een strijktalie die door twee blokken loopt en is belegd op een houten klamp op het voorboeisel. Aan weerszijden wordt de mast gehouden door een staand want (zijstag) die met een puttingijzer aan het boord is bevestigd. De botteloef is aan de achterkant met een vorkverbinding bevestigd op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op het boeisel. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers aan de voorstag bevestigd. De hals van de fok is met een ketting vastgezet aan de top van de botteloef. In de top van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt door twee dubbelschijfs blokken, waarvan de onderste een hakkeblok is. Dit hakkeblok is vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. In de fok is een enkele rij reeftouwen gemaakt. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met kralen) bevestigd aan de mast. De hals van het grootzeil is vastgezet met een halstalie. De halstalie loopt over drie blokken (een dubbelschijfs blok aan de hals en twee enkelschijfs blokken aan weerszijden van de giek) en is belegd op de nagelbank. De onderkant van het grootzeil is vastgezet op een giek. De giek rust aan de voorkant met een scharnierende lummel in de lummelpot van de nagelbank. Aan de achterkant hangt de mast in een kraanlijn. De grootschoot loopt door een dubbelschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil is voorzien van een twee rijen reeftouwen. De vallen van de zeilen en de kraanlijn zijn belegd op klampen aan de mastkoker en op de nagelbank. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een houten scheerhout. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven.
De romp: Het voorschip is rond met terugvallende boeisels. Het achterschip heeft dezelfde vorm. De bodem is rond (midscheeps vlak).
Het model van voor naar achter: Aan weerszijden van de voorsteven houten kluisborden en berentanden. Over het kluisbord aan stuurboord hangt een metalen stokanker. Het ankertouw ligt opgerold op het voordek. Tegen de binnenkanten van de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. Op het voordek is een luikhoofd met scharnierend deksel en een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. Op het boeisel van het voorschip zijn zetboeisels geplaatst met daarop de naam van het schip: 'H. RIJPKEMA.DE.DRIE.GEBROEDERS.23 TON.SNEEK'. Voor de mast de houten overloop van de fokkeschoot. Achter de mast zijn twee blokken van de halstalie vastgezet op het dek. Daarachter het luikhoofd van het ruik. Dat wordt met tweemaal veertien (genummerde) luiken bedekt. Aan bakboord zijn twee luiken verwijderd zodat het binnenste van het ruim zichtbaar is. Het is te bereiken met een trap. Op de luiken een loopplank en een houder met drie zetboeisels. Langs de gehele lengte van het ruim en de roef zijn op de boeisels zetboeisels geplaatst. In de gangboorden liggen twee vaarbomen en een pikhaak. De zwaarden zijn van hout. Ze hangen met bouten aan het boeisel. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en aan de bovenkant voorzien van metaalbeslag. Ook langs de randen van het zwaard is metaalbeslag aangebracht. Rond het boutgat een veriseringin de vorm van een ster. De zwaardloper gaat via een houten schildpadblok, langs de buitenkant van het boeisel naar achteren, is daar getakeld met een zwaardtalie die loopt door twee vioolblokken en die is belegd op een houten klamp op buitenkant van het achterboeisel. De zwaardlopers zijn achter de klamp opgeschoten aan een haak, eveneens aan de buitenkant van het boeisel. Achter het ruim de roef. De voor- en zijwanden van de roef zijn blind: geen lichtranden. Het dak loopt enigszins gebogen (als op een boeier). In de achterwand is aan bakboord een lichtrand gemaakt en aan stuurboord een schuifluik, dat toegang verschaft tot de roef. Boven dit schuifluik is ook in het dak een schuifluik (lichtkap met tralies) gemaakt. Op het dak van de roef voorts een tweede lichtkap met tralies, een schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat er een gestreken mast in kan rusten. Voorts op het dak van de roef een losse mik, een stokdweil en een putsemmer. Over het boeisel aan bakboord hangt een houten wasbak. Op het achterdek zijn voetlijsten aangebracht, waarachter de roerganger zich schrap kan zetten. Aan weerszijden van de achtersteven zijn in het achterschip (onder het berghout) twee lichtranden gemaakt. Zij voorzien het achteronder (alkoof) van licht. Het roer hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. Het roer heeft een houten helmhout dat aan de voorkant is voorzien van een koperen helmhouttonnetje (handgreep). Op het helmhout een roerklik die is versierd met snijwerk (bladertak). Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is zwart. De dekken, het luikhoofd en de luiken, de roef, de zwaarden en de rondhouten zijn gelakt. Het meeste metaalbeslag is ongeverfd. Slechts enkele details zijn geverfd. De top van de mast is zwart en het metaalbeslag in de top van de mast is wit. De wasbak over het boeisel is groen met rood aan de binnenkant. De loopplank is wit en zwart. De kop van de schoorsteen is zwart. De randen van de ramen van het achteronder zijn wit. Accessoires: anker, loopplank, houder met zetboeisels, twee vaarbomen, een pikhaak, een stokdweil, een putsemmer, een mik en een wasbak. Het model staat op een vaste stander.
AchtergrondinformatieGerrit Rypkema. Geboren te Heeg op 31 maart 1911 en overleden te Sneek op 27 april 1978. Zoon van Homme Rypkema (1877-1921) en Hiltje Harmens van der Sluis. Zij voeren op de Drie Gebroeders, een tjalk van 23 ton. Gerrit werd eerst schippersknecht. Rond 1926 was hij knecht bij Sjoerd van der Meer (Sjoerd Meppel), op de beurtdienst van beurtdienst van Sneek op Meppel. In 1934 werd hij schipper op de motorboot van een aardappelgrossier. Rond 1937 werd hij vrachtrijder bij een fouragehandel. Van 1948 tot 1976 was hij kapitein op sleepboten van baggerbedrijf Dikkerboom en Sybrandy.
Gerrit Rypkema maakte bij de bouw gebruik van de tekeningen van De Gudsekop, die werd gebouwd door Auke van der Zee te Joure. De bouw van het model werd in 1979 voltooid door Gerrit Visser te IJlst. Zeil en fok zijn in 1984 gemaakt door conciërge Pieter Alkema.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat). Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1978, p. 11
BeschrijvingModel van de tjotter Dieuwke. Op spanten gebouwd. Schaal niet bekend. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft een mast die is geplaats in een mastkoker. De mast wordt gehouden door een voorstag, die is getakeld met een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een klamp aan de binnenkant van het voorboeisel. Het model is uitgerust met zeilen van witte katoen: een fok een een grootzeil. De zeilen zijn gemaakt uit één stuk en zijn voorzien van dubbele stiksels die banen moeten suggereren. Het voorlijk van de fok is met metalen ringen aan de top door een blok aan de top van de mast en door een blok aan de top van de fok naar beneden en is daar belegd op een klamp aan de mastkoker. De fokkeschoten lopen via schootogen aan de binnenkant van het boeisel. De fokkeschoot wordt aan stuurboord belegd op een korvijnagel in een van de achterste spanten. De fokkeschoot aan stuurboord hangt los in het achterschip. Het grootzeil is voorzien van een gebogen gaffel. Het bovenlijk van het grootzeil is aan de gaffel vastgenaaid. De gaffel wordt gehesen met een nokkeval en een klauwval die zijn belegd op een klamp aan de mastkoker en op de nagelbank. Het onderlijk van het zeil is alleen aan de achterkant aan de giek bevestigd (met een haak). Daar is ook de kraanlijn vastgemaakt die loopt naar een blok aan de top van de mast en is belegd op een klamp aan de mastkoker. De hals van het onderlijk is met een touw (geen blokken, dus geen halstalie) vastgezet op de nagelbank. De grootschoot is met het vaste einde bevestigd aan een hondvot van het dubbelschijfs blok dat aan de giek hangt. Vervolgens is de schoot dubbel getakeld door het blok aan de giek en een dubbelschijfd hakkeblok op de kielbalk. De schoot is belegd op de lip van het hakkeblok. Op de top van de mast een scheerhout met daaraan een vleugel van onbestemde (verschoten) kleur. Op het roer aan een gebogen vlaggenstok een rood-wit-blauwe vlag. De blokken zijn van hout. Ze zijn niet voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip en het achterschip zijn rond. De bodem is licht gepiekt. Het model van voor naar achter: De metalen botteloef (in het fries loefbyter) op de voorsteven is voorzien van een opsteker. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). Op de bovenkant van de botteloef vier ringen. De voorsteven is voorzien van metaalbeslag. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. De kluisborden zijn versierd met koperen sterren. De bovenkanten van het voorboeisel en de bedelbalk zijn bedekt met koperbeslag. De bedelbalk is aan de achterkant versierd met snijwerk: een bloemkorf met bloemtakken. In het voorschip is een dek gemaakt. Net voor de mast een luik (uitwip) dat verwijderd wordt wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. In de bovenkant van het boeisel zijn aan weerszijden scepters gestoken. Aan bakboord rust daarin een pikhaak. De bovenste huidgangen zijn voorzien van metaalbeslag. Bij de zwaarden is dat vervangen door een houten verdikking, zodat de zwaarden niet beschadigen. De zwaarden zijn aan de onderkant voorzien van metaalbeslag. De zwaardkoppen zijn bedekt met koperplaat. De gaten waar de zwaardbouten doorsteken zijn versierd met koperen sterren. De zwaardlopers zijn met het vaste einde door middel van een knoop aan de zwaarden bevestigd. Daarna gaan de zwaardlopers door een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel, over het boeisel en zijn dan belegd op de korvijnagel in één van de achterste spanten. Het achterschip is open: de bovenkanten van de spanten zijn zichtbaar. LAngs de zijwanden zijn banken gemaakt en achterin is een achterbank met twee deksels. Op de bodem buikdenningen. Voor de achterbank is de buikdenning wat verhoogd. Achter de achterbank het achterhuis. Op de voorwand van het achterhuis een lancetvormig naambord met daarin uitgesneden de letters 'MP' (opliggende letters). Erboven de hennebalk waarin eveneens een uitsgesneden opschrift: '19 DIEUWKE 07'. Over de hennebalk en over het boeisel daarvoor is koperbeslag aangebracht. Aan de achtersteven hangt met drie koperen roerhaken het roer. Het roer heeft de vorm van een boeierroer: rank en hoog met dikke kop, waarop een roerleeuw is geplaatst. Op de achterkant van het roer staat in een koperen houder een kromme vlaggemast met daaraan een rood-wit-blauwe vlag. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is wit met op de waterlijne een groen bies. De boeisels zijn zwart met langs de onderkant een witte bies. Op het zwart zijn geschilderde versieringen aangebracht: een witte bies over de volle lengte, een groen bies midscheeps en voluten op de gillings (de midscheepse verhogingen van de boeisels). De berentanden zijn zwart met een witte bies. De kluisborden zijn wit met een blauwe rand. De botteloef is zilverkleurig, evenals de metalen waterstag en het boegwant. De bedelbalk is meerkleurig beschilderd: wit/blauwe ondergrond van glinsterverf (verf met gemalen glas), een gele bloemkorf, groene takken en rode bloemen. De koppen van de spanten zijn rood, de binnenkanten van de boeisels zijn blauw. Het voordek is gelakt. De buikdenningen in het achterschip is grijs. De banken zijn gelakt. Het naambord en de hennebalk zijn blauw en de gesneden letters daarop zijn geel. De kop van de achtersteven is rood en de bovenkant zwart. De kop van het roer is zwart met een witte bies en de roerleeuw daarboven is verguld. De helmstok is grijs. Accessoires: kruisvormige stander, pikhaak.
AchtergrondinformatieDe letters 'MP' op het naambord op het achterhuis van het model zijn de initialen van Mintje Pot uit Bakhuizen. Hij was een bekend figuur in de zeilwereld en een groot kenner van schepen. Het model is genoemd naar zijn vrouw Dieuwke. Het model is door de schenker gebruikt geweest als speelscheepje. Bij verwerving was het danig gehavend. Het model is gerestaureerd door Marchienus de Jonge te Enkhuizen, die conciërge was geweest van het museum.
Tjotter is niet een benaming die al lang gangbaar is in Friesland. De Friese scheepsbouwers spraken niet van een tjotter maar van een 'boat'. Ze werden gebruikt als werkboten: visserij, vervoer van personen (overzet), kleinvee en kleine vrachten (kruideniers, bakkers, etc.). Deze boten waren nauwelijk gebonden aan maten. Men bouwde kleine boten, boten en grote boten. Pas in de loop van de twintigste eeuw raakte een nadere aanduiding in zwang: de kleinste boten behielden de naam 'boat', tjotters werden die schepen genoemd met een lengte tot circa 4.80 meter en de grotere boten, die ook anders gebouwd waren, werden Friese jachten genoemd. De tjotter toont gelijkenis met het Fries jacht en de boeier, maar is daar van te onderscheiden door de geringere afmetingen, de sterke zeeg, het ontbreken van een berghout, het brede roer met het over de klink gelegde houten helmhout. De tjotter is open en heeft soms een dek voor de mast. De tjotter voert een bezaantuig, de fok staat op een botteloef. Het slankere type wordt boatsje genoemd. Het meet 3.80 tot 5 meter lang bij een breedte van 1.35 tot 1.80 meter. Het heeft een plat vlak, waar de zijden onder een hoek tegenaan staan., literatuur:
- Sneeker Nieuwsblad 2 januari 1964 en 2 april 1964.
- Archief Vereniging Fries Scheepvaart Museum - Correspondentie H. Halbertsma - A.M. Sustring, 14 oktober 1963.
- Jaarverslag Fries Scheepvaart Museum 1963, p. 13
TitelH. en U. Hoogeveen - scheepsmodel van de boeier Constanter.
VervaardigerHoogeveen, Harmen, Hoogeveen, Uilke
Trefwoordenboeiers
Objectnummer1997-131
Periode van1957
Periode tot1960
BeschrijvingScheepsmodel van de boeier Constanter. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door twee zijstagen, die zijn vastgezet aan puttingijzers op de boeisels, en door een voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De voorstag is getakeld door een strijktalie die loopt door twee blokken op de botteloef en die is belegd op een klamp achter de kluisborden. De botteloef is met een vorkverbinding vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één). De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. De zeilen zijn in verticale plooien genaaid. Het voorlijk van de stagfok is met metalen leuvers verbonden aan de voorstag. De hals van de fok is met drie blokken getakeld en belegd op een klamp achter de kluisborden. In de top van de fok een metalen fokkegaffel voor de fokkeval. De fokkeschoot loopt door twee blokken: een dubbelschijfs blok aan de schoothoek en een enkelschijfs hakkeblok met hondsvot dat is vastgezet op een overloop op het voordek. De fokkeschoot is belegd op het hakkeblok. Het grootzeil heeft een gebogen gaffel. Het voorlijk van het grootzeil is met raktouwen (met kralen) bevestigd aan de mast. De halstalie is vastgezet op een oogbout in de voorwand van de kajuit (rechts van de giek), loopt door een dubbelschijfs blok aan de hals van het grootzeil en door twee blokken aan weerszijden van de giek, die zijn vastgezet aan de voorwand van de kajuit. De halstalie is belegd op een klamp aan de voorwand van de kajuit. De onderkant van het achterlijk is vastgezet op de achterkant van de giek. De giek hangt aan de voorkant met een scharnierend lummel in een oog op de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn. De grootschoot loopt door een drieschijfs blok aan de giek en door een dubbelschijfs hakkeblok met hondsvot dat is vastgezet aan een oog op de kielbalk. De grootschoot is belegd op het hakkeblok. In het grootzeil drie rijen reeftouwen. De vallen van de beide zeilen zijn belegd op klampen aan de voet van de mast en aan de nagelbank. Op de top van de mast een blauwe vleugel met Hollands hoekje. De vleugel is vastgemaakt aan metalen scheerhout. Op de rug van het roer een gebogen vlaggenstok met vergulde knop. Aan de vlaggenstok een Friese vlag. De blokken zijn hout en zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond, met terugvallende boeisels. Het achterschip is rond met terugvallende boeisels. De bodem is rond en gepiekt. Het model van voor naar achter: De voorsteven is bekleed met een metalen strip. Aan weerszijden van de voorsteven kluisborden en berentanden. De kluisborden zijn aan de bovenkant geschulpt en voorzien van geschilderde versieringen: bladertakken en een ovaalvorm rond de kluisgaten. Deze kluisgaten zijn voorzien van koperen randen. De berentanden zijn ook met schilderwerk versierd: bladertakken en profielranden. Het slemphout (berghout tussen berentanden en voorsteven) heeft een ronde profielrand. Uit het kluisgat aan bakboord hangt een stokanker. De ankerketting loopt door het kluisgat naar het voordek, waar hij door een koperen buis naar het vooronder wordt geleid. Het vooronder is ingericht met banken en kasten. De boeisels zijn voorzien van gesneden biezen. De gillings op de boeisels zijn versierd met geschilderde voluten met bladertakken. In het voordek is een koperen buis voor de ankerketting aangebracht en een tweede koperen buis met deksel. In de bovenkanten van de boeisels van het voordek zijn twee koperen steekboeisels aangebracht (aan beide zijden één) en tegen de binnenkanten van de boeisels van het voordek zijn bolders geplaatst (aan beide zijden één). De koppen van de bolders zijn met koper beslagen. Voor de mast twee luiken (de uitwip) die verwijderd worden wanneer de mast wordt gestreken om zo het ondereind van de mast door te laten. De zwaarden hangen met bouten aan de boeisels. De koppen van de zwaarden zijn verdikt en aan de bovenkant voorzien van koperplaat. De boutgaten van de zwaarden zijn versierd met koperen sterren. De randen van de zwaarden zijn verstevigd met metaalbeslag (scherp van vorm). De zwaardlopers gaan door een schildpadblok aan de buitenkant van het boeisel naar voren, lopen daar, via een tweede schildpadblok (op het potdeksel van het boeisel), naar binnen, naar een derde schildpadblok aan de binnenkant van het boeisel. De zwaardlopers zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door twee blokken (een enkelschijfs blok en een schildpadblok) en die zijn belegd op een metalen klamp in het achterschip. Achter de mast de nagelbank. Daarachter de halstalie en de kajuit. Het dak van de kajuit is langscheeps hol en dwarsscheeps bol van vorm. In de voorwand van de kajuit twee lancetvormige lichtramen met traliewerk van uitgezaagd koper. In de zijwanden zijn dezelfde soort ramen aangebracht (aan weerszijden één). In de achterwand van de kajuit twee deuren met ramen en koperen traliewerken. De binnenkant van de roef is ingericht met banken, kasten en een tafel. De achterwand is langs de dakrand versierd met snijwerk in de vorm van bladertakken. Daarboven zijn uithollingen, die dienst doen als mik (de gestreken rondhouten kunnen er in rusten). Aan de achtereinden van de gangboorden zijn waterlijsten. Op de boeisels zijn twee paar scepters geplaatst. Aan stuurboord ligt daarin een uitzetter (fokkeloet) en aan bakboord een vaarboom. De kuip is voorzien van buikdenningen. Langs de zijwanden en de achterwand van de kuip bevinden zich kistbanken. In de wanden van zijbanken zijn deurtjes (aan weerszijden twee). Aan de achterwand is een gesneden banderol bevestigd met daarop de naam van het schip: 'CONSTANTER'. In de achterwand van de kuip een geschulpt deurtje met daarop de tekst 'HUH / BALK'. De bovenrand van deze wand is afgesloten met een hennebalk die met snijwerk is versierd: een mand waaruit bladertakken ontspruiten en erboven een guirlande. De rug van de hennebalk is met koper bedekt. Daarop staat de overloop van de grootschoot. Tegen de boeisels van het achterschip zijn bolders geplaatst, waarvan de koppen met koper zijn bedekt. Het roer van de boeier hangt met drie roerhaken aan de achtersteven. De kop van het roer is verdikt en wordt bekroond met een roerleeuw. Op de rug van het roer koperbeslag met een vlaggenstokhouder. Door de roerkop is een metalen helmstok gestoken. De helmstok is voorzien van een houten handvat. Kleuren: De romp is gelakt. Het onderwaterschip is rood. De berghouten zijn zwart en met witte biezen afgezet. Ook het boeisel is zwart met witte biezen en goudkleurige versieringen op de gillings (voluten). De kluisborden en berentanden zijn beschilderd in de kleuren rood, wit, blauw en goud. De koppen van de zwaarden zijn zwart. De rondhouten zijn gelakt en het metaalbeslag eraan is ongeverfd (beneden) of wit geschilderd (aan de top van de mast). Het snijwerk langs de rand van het dak van de kajuit is goudkleurig op een witte ondergrond. Het snijwerk aan de hennebalk is op dezelfde wijze beschilderd: goudkleurige bladertakken op witte ondergrond en een rood-wit-blauwe guirlande. De kop van het roer is zwart met witte biezen. De roerleeuw is goudkleurig en ligt op een zwart kussen. Accessoires: stander, uitzetter (fokkeloet), pikhaak, vaarboom, anker, loopplank en dekzwabber.
AchtergrondinformatieHarmen Uilkes Hoogeveen (1891-1970) begon op 20 okt. 1957 met de bouw van het model van de boeier Constanter. Het model is afgewerkt en van zeilen voorzien door zijn zoon Uilke Harmens Hoogeveen. In september 1960 kwam het model gereed. Harmen Hoogeveen. Geboren 10 febr. 1891 en overleden 10 juli 1970. Woonde in Vierhuis. Werkte van 1903-1908 op de scheepswerf van Jan Bos te Echtenerbrug. Van 1909 tot 1914 op de werf van Auke van der Zee te Joure. Werkte mee aan de bouw van de boeiers Olga en Almeri. In de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd geweest. Bij terugkomst in 1918 in dienst van machinefabriek H. Koelstra te Balk. waar Harmens broer Hans al werkzaam was. Toen ook van Vierhuis naar Balk verhuisd. In 1934 ging het slecht met het bedrijf van Koelstra, Het werk verkocht. De gebroeders Hans en Harmen Hoogeveen kochten het bedrijf. Harmen bleef actief in het bedrijf tot 1957. De tijd van de scheepsbouw bij Auke van der Zee had grote indruk gemaakt op Harmen Hoogeveen. Hij praatte er veel over en er was een wens ooit zelf nog eens een boeier te maken. Omdat daar geen ruimte voor was, werd dat een model van een boeier. Uilke Hoogeveen (1924-1997) is een zoon van Harmen Hoogeveen. Toen hij op zestienjarige leeftijd de MULO had voltooid, ging hij werken in het bedrijf van zijn vader. De boeier Constanter is gebouwd in 1876/1877 door Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. Opdrachtgever was Minnema Buma te Leeuwarden. Later is de opdracht overgenomen door W.A. Tromp te Woudsend. Prijs: f. 20000,=. Afmetingen: lengte 8.05 m., breedte 3.20 m., holte 1.10 m., zeiloppervlak 58 m²., literatuur:
- H.G. van Slooten, 'De Friese boeier Constanter 1877-1977' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1975-1976, pp. 50-84.
- H.G. van Slooten, 'Constanter Semper Constant' in: Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1979, pp. 48-54.
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, pp. 24-26 en 54-57
BeschrijvingScheepsmodel van een skûtsje. Messingplaat. Op spanten gebouwd. Schaal 1:10. Rondhouten en tuigage: Het schip heeft één mast. De mast wordt gehouden door een metalen voorstag op de botteloef (in het fries 'loefbyter'). De botteloef is van metaal. Met een vorkvorm is de botteloef vastgezet op de voorsteven. De voorkant van de botteloef wordt gehouden door een waterstag (stang) op de voorsteven, en door twee boegstagen (ook stangen, aan elke kant één) op de boeisels. De zeilen zijn van witte katoen: een stagfok en een gaffelgrootzeil. Ze zijn genaaid in geplooide banen, waardoor er enige bolling in kon worden worden gemaakt. De stagfok is met metalen leuvers bevestigd aan de voorstag. De hals van de fok is met een ketting vastgezet op de botteloef. In de bovenpunt van de fok een metalen fokkegaffel, waaraan de fokkeval is bevestigd. De fokkeschoot loopt over twee blokken en is de onderste daarvan (een hakkeblok) belegd. Dit hakkeblok is met een ring vastgezet op een metalen overloop op het voordek. De fok heeft een enkele rij reeftouwen. Het grootzeil is voorzien van een licht gebogen gaffel. Het voorlijk van de fok is met rakbanden met kralen vastgezet aan de mast. De halstalie loopt over een blok aan de hals en twee blokken aan weerszijden van de giek en is belegd op de nagelbank. Het is grootzeil is aan de onderkant bevestigd aan een giek. De voorkant van de giek hangt met een scharnierende lummel in de lummelpot van de nagelbank. De achterkant van de giek hangt in een kraanlijn (deels van touw, deels van metaaldraad) die aan de voet van de mast is getakeld met twee blokken. In het grootzeil zijn twee rijen reeftouwen aangebracht. De grootschoot loopt via een tweeschijfs blok aan de giek en een tweeschijfs hakkeblok op het achterdek. De schoot is belegd op het hakkeblok. De vallen van het grootzeil en van de fok zijn belegd op de nagelbank en de klampen aan de mastkoker. Op de top van de mast een blauwe vleugel aan een houten scheeprhout. De blokken zijn deels van metaal (kraanlijn, voorstag, zwaardlopers) en deels van pokhout. Ze zijn voorzien van lopende schijven. De romp: Het voorschip is rond en heeft invallende boeisels. Het achterschip is rond en is niet gepiekt. De bodem is in het midden vlak. Het model van voor naar achter. Aan weerszijden van de voorsteven getande kluisborden (zonder kluisgat) en berentanden. Over de kluiborden hangen twee L-vormige katankers. Op het voordek ligt een metalen stokanker en twee opgerolde landvasten. Tegen de boeisels zijn op het voorschip twee bolders gemaakt. Voorts op het voordek het luikhoofd van het vooronder (met scharnierend luik) en een schuifluik dat wordt gebruikt wanneer de mast wordt gestreken het ondereind van de mast door te laten. Voor de mast de gebogen overloop van de fokkeschoot. Op de boeisels zijn houten zetboeisels geplaatst. In de voorste zetboeisels is de naam van het schip aangebracht: 'D. BLOM HINDELOOPEN VIER GEBROEDERS 32 TON'. De mastkoker is voorzien van houten klampen en een nagelbank waarop de vallen, de kraanlijn en de halstalie zijn belegd. Achter de mast het luikhoofd van het ruim. Dat wordt afgesloten met tweemaal dertien (genummerde) houten luiken. Op de luiken liggen los een loopplank, een pikhaan, een vaarboom en een stokdweil. Aan weerszijden van het ruim de gangboorden. De zwaarden hangen met een bout met splitpen aan de boeisels. De zwaarden zijn van hout. De koppen van de zwaarden en de randen zijn voorzien van metaalbeslag. Rond het boutgat een versiering in de vorm van een vijfpuntige ster. De metalen zwaardlopers lopen via een schildpadblok op de buitenkant van het boeisel, door een langgerekt gat in het boeisel daarachter, achter het zetboeisel langs en vastgezet op één van de twee metalen zwaardblokken. De zwaardlopers zijn getakeld met zwaardtalies die lopen door de twee metalen zwaardblokken en die zijn belegd op een metalen klamp op het achterbloeisel en die zijn opgeschoten op een haak daarachter. Achter het ruim de roef. Op het dak van de roef een houten (afneembare) schoorsteen die aan de bovenkant U-vormig is, zodat de schoorsteen ook die kan doek als mik. Voorts op het dak van de roef twee lichtkappen met tralies. De achterste daarvan is tevens het schuifluik van de roefdeur. De voor- en achterwanden van de roef zijn blind (geen lichtranden). In de achterwand aan bakboord een ovale lichtrand met tralies. Aan stuurboord is in de achterwand van de roef een dubbele houten deur gemaakt. Boven de deur de schuivende lichtkap. Op het achterdek een plank met voetlijsten, waarop de roerganger zich schrap kon zetten. Tegen de boeisel van het achterschip zijn bolder gemaakt. Op het achterdek een metalen lutsemmer. Aan de achtersteven is met drie roerhaken het roer opgehangen. Op het roer een helmhout dat aan de voorkant is voorzien van een koperen helmhouttonnetje (als handgreep). Op het helmhout een roerklik die met snijwerk is versierd: hoorn des overvloeds met tak. De rug van het roer is voorzien van metaalbeslag. Kleuren: De romp van het schip is geschilderd in de kleur havannabruin. Het onderschip is zwart. Het achterschip is voorzien van een okerkleurig veld. Ook de voorsteven en de achtersteven zijn okerkleurig. De zetboeisels zijn gelakt. De binnenkanten van de boeisels zijn havannabruin. De dekken zijn zwart. Het luikhoofd van het vooronder is havannabruin, evenals de mastkoker. Ook het luikhoofd van het ruim en de wanden van de roef zijn bruin. Het dak van de roef is lichtgroen. De lichtkappen, de schoorsteen en de deuren van de roef zijn gelakt. Het zwaard is gelakt en het metaalbeslag van het zwaard is donkerbruin. De ster rond het boutgat is wil. Het helmhout is groen met op de achterkant een rood-witte zandlopervorm. De roerklik is meerkleurig beschilderd: groen, gele bies, blauwe achtergrond, geel-rode hoorn en groene tak. Het roer is gelakt. Accessoires: loopplank, pikhaak, vaarboom, stokdweil, putsemmer.
AchtergrondinformatieIege Blom werd in 1915 geboren als zoon van de visserman Dirk Blom, die ook vracht vervoerde met een skûtsje. Iege Blom was ook visserman tot hij in 1957 de helling van Douwe Wijbrands aan de Nieuwe Weide te Hindeloopen kocht. Op de werf werden veel oude schepen tot jacht verbouwd. Ook werden er tal van nieuwe jachten gebouwd in traditionele vorm. Vooral zijn Lemsteraken kregen grote bekendheid. De zeilen zijn gemaakt door conciërge Pieter Alkema.
Tot voorbeeld diende het schip van vader Durk Blom. Een 32 ton metende skutsje met de naam Vier Gebroeders, en wel zoals het in de 20-er jaren voer, namelijk zonder lieren en nog met kleine gaffel en opsteker van normale lengte. Het model is gemaakt uit messing en is geklonken. De romp is gebouwd op een houten mal, die wordt bewaard op de zolder van Fredehiem.
Van alle scheepstypen in de Nederlandse binnenvaart is de tjalk het meest verbreid. De tjalk is niet een specifiek scheepstype, maar meer een familienaam voor allerlei soorten schepen. Omstreeks 1675 komt het woord tjalk voor het eerst voor. Tot de familie van de tjalkachtigen hoorden in de 17de en 18de eeuw de damloper, de kaag en de smak. In de 18de, 19de en 20ste eeuw worden ondermeer genoemd: de paviljoentjalk (roef onder een verhoogd achterdek), de dektjalk (roef in het achterschip, onder het dek) en de hektjalk (hoog oplopend achterboeisel met hennegat).
Het bekendste tjalkschip in Nederland is de Friese vorm: het skûtsje. Door oude scheepsbouwers werd dit type roefschip genoemd (roef met opbouw die boven het dek uitsteekt). Een grote Friese tjalk werd Skûte genoemd (80-90 ton laadvermogen). Nog grotere tjalken werden in Friesland Tjalk genoemd (zeegaand en 100-120 ton laadvermogen). Een skûtsje heeft een laadvermogen van 8 tot 16 ton. De lengte varieert van 10 tot 14 meter. Langer dan 14.50 meter konden de skûtsjes niet zijn omdat dit in Friesland de maximale scheepslengte was voor vaarten van de derde klasse. Skûtsjes heeb een opgebouwde roef met daarachter de stuurkuip. Opvallend zijn de naar binnen vallende boeisels op het voor- en achterschip, de ronde kimmen en het zeer geveegde voor- en achterschip. De schepen waren aanvankelijk van hout. Rond 1900 begonnen Friese werven ook skûtsjes van ijzer (later van staal) te bouwen. Ze werden toen ook langer: 15 tot 18 meter. Bekende bouwers van skûtsjes waren: Roorda te Drachten (De Piip), Barkmeijer te Aalsum, Van der Meijden en De Roos te Leeuwarden, Bijlsma te Warten, Van der Werf te Britswert, Draaisma en Brandsma te Franeker, Van der Werff te Drachten, Wildschut te Gaastmeer, Croles te IJlst, Van der Zee te Joure en Van der Werf te Sneek. Skûtsjes werden gezeild of gejaagd (bij tegenwind). De vracht bestond uit turf, aardappelen, bieten, mest, terpaarde op bouwmateriaal. Na 1920 begon de motorisering van de scheepvaart. Skûtsjes werden toen soms uitgerust met een opdrukker, die werd bediend vanaf het achterdek van het skûtsje., literatuur:
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1986-17-18.
TitelScheepsmodel van de reddingboot Insulinde van Oostmahorn.
VervaardigerWouters (Amsterdam)
Trefwoordenreddingboten, Oostmahorn
Objectnummer1998-022
Periode van1964
Periode tot1964
BeschrijvingScheepsmodel van de reddingboot Insulinde van Oostmahorn. Op spanten gebouwd. Schaal 1:40. Tuigage: geen De romp: Het voorschip is scherp. Het achterschip loopt in ronde lijnen uit op een stompe punt. Opvallend is de bolle terugzwenking van de scheepswand boven het berghout (de plaats van de luchtkasten). De bodem is voorzien van twee paren stabilisatoren: midscheeps en aan weerszijden van de schroeven. Het schip is uitgerust met twee schroeven. Het model van voor naar achter: De voorsteven wordt beschermd door een halfronde stootband. In de voorsteven zijn twee kluisgaten gemaakt. Uit het kluisgat aan stuurboord hangt een anker. Het hangt aan een ketting dat is vastgezet op de ankerlier op het voordek. Op de punt van het voorboeisel is een kleine vlaggenstok geplaatst. OP de buitenkant van het voorboeisel 'INSULINDE'. Tussen voorsteven en ankerlier steken aan beide kanten twee bolders boven het boeisel uit. Achter de ankerlier een rond luikhoofd met klemscharnier. In het middendek zijn lichtranden gemaakt. Aan bakboordzijde twee luikhoofden met ronde deksels die voorzien van handwielen. Voorts op het middendek een springnet op vier standers (die elk worden gehouden door stagen op het berghout). Voor en achter het springnet twee lange schoorstenen met afsluiters. Onder het net vier naar beneden gedraaide luchtpijpen met afsluiters. Tussen het springnet en de opbouw de voormast, die wordt gehouden door twee stagen naar voren. In de top van de voormast een sprietantenne en een naar de achtermast lopende driedubbele draadantenne. Verder in de voormast een wit boordlicht en twee schijnwerpers. Van het metalen boeisel van het voorschip naar het boeisel op het achterschip loopt reling. Aan de buitenkant daarvan zijn touwlussen bevestigd. Voorts hangen aan de reling aan beide zijden touwhaspels en diverse bomen: een enkele pikhaak, een dubbele pikhaak, een peilstok en een drenkelinghaak. Midscheeps op de scheepswand boven het berghout 'K.N.Z.H.R.M.'. De opbouw is open. Rondom de opbouw zijn handrelingen gemaakt. In de voorwand vier lichtranden in de zijwanden van het motorhuis aan weerszijden twee lichtranden. Aan de voorwand een toeter en een bel. In de opbouw bediening: stuurrad, kompas en de motorhendels. Aan stuurboord een neergang, afgesloten door een rond deksel. Op de voorkant ene neerklapbaar raam en aan de zijkanten doeken. In de achterwand de toegang tot het motorhuis, afgesloten met een rond deksel met handwiel. Aan de achterwand hangt een reddinggordel met daarop KNZHRM. Tegen de achterwand is de achtermast bevestigd. De achtermast wordt gehouden door twee stagen naar voren en een stag naar achter. Boven in de achtermast een kleine gaffel. Op het achterdek een rond luikhoofd met klemscharnier, twee dubbele bolders en de bovenkant van de roerspil die boven het dek uitsteekt. Op de bovenkant van het achterboeisel een bolder. Op de buitenkant van het achterboeisel is de plaats van herkomst geschilderd: 'OOSTMAHORN'. Het model is met twee standers bevestigd op een plank. Op de plank is een vitrine gebouwd. Kleuren: De romp is blauw. Het onderwaterschip is zwart. Het berghout is zwart. De voor- en achterboeisels zijn aan de buitenkant wit met bruine bovenranden. De opschriften op de boeisels zijn zwart. De letters KNZHRM zijn wit. Het dek is mosgroen. De nakerlier, het luikhoofd op het voordek, de bolders en de luchtpijpen zijn bruin. De twee schoorstenen zijn zilverkleurig. De twee luikhoofden op het middendek zijn wit. De masten zijn ongeschilderd. De opbouw is wit met bruine randen. De binnenkant van de opbouw is bruin. De bolders en het luikhoofd op het achterdek zijn bruin. Accessoires: vier bomen, twee haspels.
AchtergrondinformatieHet model is gebouwd door Wouters te Amsterdam. Hij bood het in 1964 aan Klaas Toxopeus aan, toen hij 60 werd en uit dienst trad.
De eerste Nederlandse motorreddingboot was de Jhr. J.W.H. Rutgers van Rozenburg, in 1907 gebouwd op de Amsterdamse Werf 't Kromhout van D. Goedkoop. (afmetingen 11,50 x 2,80 x 0,75m). Deze boot werd op 13 februari 1908 in Scheveningen in dienst genomen (uit dienst in 1926. Na restauratie opnieuw in dienst gesteld in Lemmer op 20 april 1926, uit dienst in 1930.) Mees Toxopeus was schipper op de reddingboot C.A. den Tex op Rottumeroog. In oktober 1923 gebeurden een aantal ongelukken met reddingboten. De President van Heel verging op de Maasvlakte, de Brandaris verging in de Eierlandse Gronden en de roeireddingboot van Schiermonnikoog sloeg om. Mees Toxopeus schreef op 4 dec. 1921 de NZHRM een brief waarin hij zijn plannen ontvouwde voor een zelfrichtende reddingboot met een extra zware kiel, luchtkasten, een kiepbak (die zorgt voor het automatisch oprichten van de boot wanneer deze is omgeslagen) en de mogelijkheid de boot zowel bovendeks als onderdeks te besturen. Daartoe was het nodig goed afsluitbare kleppen, pijpen en schoorstenen te construeren. Scheepsbouwer Jan Niestern te Delfzijl zag wel wat in de plannen van Toxopeus. In Nederlands Indië werd onder voorzitterschap van vice-admiraal Umbgrove een comité gevormd dat gelden inzamelde om de plannen van Toxopeus en Niestern te kunnen realiseren. Dat lukte. Na adviezen van prof. E. Vossnack (adviseur van de NZHRM) werd in 1926 begonnen met de bouw. Op 21 december van dat jaar werd de boot te water gelaten. Na proeven werd de boot in de zomer van 1927 operationeel. Het kreeg als thuishaven Oostmahorn. Vanwege de Indische achtergrond kreeg de boot de naam Insulinde. Mees Toxopeus werd de schipper. Afmetingen: lengte 18.80 meter, breedte 4.05 meter en diepgang 1.30 meter. De boot had 21 waterdichte compartimenten, waaronder acht verblijven die door zeven dwarsscheepse schotten waren gescheiden. Er werden twee Kromhoutmotoren van elk 60 pk in geplaatst. Het schip voldeed aan de verwachtingen. Sinds 1927 zijn ook andere reddingboten naar het voorbeeld van de Insulinde gebouwd. De eerste redding was op 29 sept. 1927: de Duitse driemastschoener Sissie in het Friesche Zeegat. De volgende tocht was op 16 nov. 1928: de Zoutkamper visser ZK 77 Nooit Volmaakt. Een dag later redde men zes man van het Zweedse stoomschip Malmö. Een week later werden vijf man gered van het Zweedse stoomschip Hagfors op het Borkumrif. Vanwege deze drie reddingen kreeg de bemanning in 1928 de zilveren draagmedaille van de NZHRM en een zilveren medaille van de Zweedse regering. In totaal maakte de Insulinde 341 tochten (oefentochten niet meegerekend). Op 44 van deze tochten werden 332 mensen gered. De bemanning van de Insulinde werd in de loop der tijden onderscheiden met 57 medailles. De grootste onderscheiding werd verdiend met de redding van twaalf opvarenden van het Duitse Stoomschip Bramow op 18 sept. 1935, bij Borkum. In 1936 werd de Insulinde verbouwd: de cockpit achterin verdween. Er werd een tweede verblijf gemaakt. In 1950 werd er in Friesland actie gevoerd voor het inbouwen van nieuwe motoren. Met de opbrengst van f. 50.000,= werden twee 120 pk Gleniffer motoren gekocht en ingebouwd. Mees Toxopeus trad in 1950 af als schipper. Hij werd opgevolgd door zijn jongere broer Klaas Toxopeus. Tijdens het inbouwen van de motoren deed de reddingboot Twenthe tijdelijk dienst in Oostmahorn. Vanaf 1950 maakte Klaas Toxopeus met de vernieuwde Insulinde 170 tochten. Tot de verbeelding spreken de tocht naar het Spaanse schip Sac Baldona (7 nov. 1952), het Nederlandse schip Franca II (1 febr. 1953), Het Duitse Helena Russ (7 okt. 1954) en het Nederlandse schip Willem (17 okt. 1958). Op 1 augustus 1964 werd Siep Zeeman schipper. Klaas Toxopeus nam afscheid. Hij kreeg het roer van de reddingboot als herinnering (inv.nr. 1998-041). Ook de Insulinde ging met pensioen: op 16 okt. 1965 is de Insulinde vervangen door de Gebroeders Luden. De Insulinde is terechtgekomen in het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam.
Klaas Toxopeus was de broer van Mees Toxopeus. Hij is geboren te Delfzijl op 20 juli 1904 en overleden op 19 december 1981. Hij stamt uit een zeemansgeslacht: zijn vader voer op de zeetjalk De Hoop en zijn oudere broers voeren op zee. Klaas moest van zijn vader werken in een machinefabriek, maar toen dat niet beviel mocht hij met zijn vader mee op de tjalk. Ze voeren op de Duitse eilanden. Ook werkte hij bij een oom in Zoutkamp. Daar vernam hij van zijn broer Mees dat er een vacature was bij het reddingstation Rottum. Klaas werd zo in 1926 stuurman op de reddingboot Hilda van Rottum. Toen in 1929 het station Rottumeroog werd opgeheven, volgde zijn overplaatsing naar Oostmahorn, alwaar hij werd aangesteld als stuurman op de motorreddingboot Insulinde, waarop zijn broer Mees Toxopeus schipper was. In 1950 volgde zijn aanstelling tot schipper van deze reddingboot. In totaal hielp Klaas Toxopeus in 38 dienstjaren bij het reddingwezen 318 mensen redden. In 1951 begon hij zijn ervaringen op schrift te zetten. In 1952 verscheen 'Vliegende Storm' dat zes drukken beleefde. In 1956 volgde de uitgave van dit boek, aangevuld met twee andere verhalen, als omnibus, die sindsdien vijf herdrukken kreeg. In 1958 verscheen van zijn hand 'De Eilander'., literatuur:
- Klaas Toxopeus, Klaas Toxopeus Omnibus (Baarn, 1968)
- Alle Hens Gered [tentoonstelling Maritiem Museum Prins Hendrik, 1968] pp. 29-30, cat.nrs. 70-72
- Jaarboek Fries Scheepvaart Museum 1998, p. 29-30 - Hans Vandersmissen e.a. Redders (IJmuiden, 1999), pp. 82-85